Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 160726 vdo huisartsgeneeskunde; benoeming praktiserend huisarts tevens hoogleraar; vraagstelling in overleg; voorschot bij helfte

RBDHA 160726 vdo huisartsgeneeskunde; benoeming praktiserend huisarts tevens hoogleraar; vraagstelling in overleg; voorschot bij helfte

2De feiten

Voor een overzicht van de feiten wordt verwezen naar de gezamenlijk door partijen opgestelde inleiding die aan deze beschikking is gehecht.

3Het geschil

3.1.

Het verzoek strekt tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht door een deskundige op het gebied van huisartsengeneeskunde, en daarbij:

  • - prof. dr. H. de Vries, verbonden aan “Lege artis” Medische expertises, of prof. dr. C. van Weel, verbonden aan het Radboud UMC (Huisartsengeneeskunde), tot deskundige te benoemen;
  • - te bepalen dat de kosten van het deskundigenbericht in gelijke mate over partijen moet worden verdeeld.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt eveneens verwezen naar de aan deze beschikking gehechte inleiding die door partijen gezamenlijk is opgesteld.

4De beoordeling

4.1.

Omdat verweersters het verzoek van [verzoeker] tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek op zichzelf niet hebben weersproken en omdat is voldaan aan de formele vereisten van artikel 196 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en zich geen uitzondering voordoet, zal een voorlopig deskundigenonderzoek worden gelast.

Persoon van de deskundige

4.2.

Partijen hadden ter zitting overeenstemming bereikt om vier hoogleraren huisartsgeneeskunde die ook praktiserend huisarts zijn, zoals voorgesteld door de medisch adviseur van [verzoeker] bij brief van 20 mei 2025, te benaderen met de vragen of zij bereid en in staat zijn om het betreffende onderzoek te verrichten, of zij reeds eerder hebben gerapporteerd en of zij thans nog praktiserend huisarts zijn. Zij bleken echter niet in staat om als deskundige op te treden. Vervolgens stelde [verzoeker] voor om drs. J. Koehoorn, medisch expert bij Stichting DOKh in Alkmaar (hierna: Koehoorn), als deskundige te benoemen. Verweersters reageerden hierop dat zij niet met het optreden van Koehoorn kunnen instemmen, omdat Koehoorn thans (en reeds sinds drie jaar) geen praktiserend huisarts meer is. Verweersters stelden in de eerste plaats voor om dr. L.G. Bruijnooge-Nap, praktiserend huisarts en tevens medisch expert bij Stichting DOKh in Alkmaar (hierna: Bruijnooge-Nap), als deskundige te benoemen. [verzoeker] heeft aangegeven met zijn optreden als deskundige niet te kunnen instemmen, nu hij (anders dan Koehoorn) geen lid is van de NVMSR. In de tweede plaats stelden verweersters voor om prof. dr. H.J. Schers, praktiserend huisarts en tevens hoogleraar huisartsgeneeskunde aan het Radboudumc in Nijmegen (hierna: Schers), als deskundige te benoemen. [verzoeker] heeft in eerste instantie aangegeven ook niet met zijn benoeming te kunnen instemmen als gevolg van een eerder verkregen rapport in een andere zaak, welk rapport in die betreffende kwestie ter discussie staat.

4.3.

De rechtbank heeft besloten om Schers en Bruijnooge-Nap te benaderen en niet Koehoorn, omdat zij niet langer als praktiserend huisarts werkzaam is, terwijl dit voor [verzoeker] juist van belang is. Beide partijen hebben bij bericht aan de rechtbank van 7 juli 2026 laten weten dat zij de voorkeur geven aan het benoemen van Schers als deskundige.

4.4.

Schers heeft de rechtbank bij e-mail van 1 juli 2026 desgevraagd laten weten bereid en in staat te zijn om in deze zaak als deskundige op te treden. De rechtbank zal Schers daarom tot deskundige benoemen.

Vraagstelling

4.5.

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vraagstelling.

4.6.

Aan de te benoemen deskundige zal de volgende vraagstelling voorgelegd worden:

Vraag 1

a) Beschikt u over voldoende gegevens om de hierna te stellen vragen te beoordelen en beantwoorden?

b) Indien dit niet het geval is, wilt u dan aan partijen laten weten welke gegevens u nog nodig heeft?

Vraag 2

a) Bent u van mening dat de betrokken huisarts bij het consult van 11 maart 2020 in strijd heeft gehandeld met de op dat moment geldende professionele standaard?

b) Is het onderzoek c.q. de diagnostiek op 11 maart 2020 door de betrokken huisarts onzorgvuldig geweest in die zin dat zij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam vakgenoot onder dezelfde omstandigheden verwacht had mogen worden?

c) Indien er over het onderwerp van de expertise medisch-wetenschappelijk uiteenlopende opvattingen bestaan, kunt u dan in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen? Zo ja, kunt u dan aangeven (welke uw eigen opvatting is en) of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?

d) Indien u meent dat van onzorgvuldig handelen sprake is, wilt u dan zo uitvoerig en gemotiveerd mogelijk aangeven waaruit dit onzorgvuldig handelen bestaat en hoe wel gehandeld had moeten worden? Wilt u bij uw antwoord zo mogelijk relevante literatuur vermelden?

Vraag 3

Heeft u nog overige opmerkingen op uw vakgebied die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van deze zaak? Zo ja, welke?

Kosten van de deskundige

4.7.

Schers heeft zijn kosten verbonden aan het onderzoek en het opstellen van een rapport desgevraagd begroot op een bedrag van in totaal € 1.815,00 inclusief btw. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de hoogte van voornoemd voorschot, waarna zij bij bericht aan de rechtbank van 7 juli 2026 hebben laten weten dat zij geen bezwaar hebben tegen de hoogte van het voorschot.

4.8.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de kostenverdeling. De partijen zullen ieder de helft van de kosten van het deskundigenbericht dragen. Rechtbank Den Haag 16 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19651