RBOBR 110326 17-jarige e-bike fietser, door rood met koptelefoon op, botst op zijkant bestelauto; NAH (12% bi); schadevergoeding 50%; geen verdere billijkheidscorrectie
- Meer over dit onderwerp:
RBOBR 110326 17-jarige e-bike fietser, door rood met koptelefoon op, botst op zijkant bestelauto; NAH (12% bi); schadevergoeding 50%; geen verdere billijkheidscorrectie
- toegewezen cf verzoek 11.5 x € 225 + 21% = 3130,88, ondanks 50% ES geen korting, met verwijzing naar wetsgeschiedenis en billijkheid
2De feiten
2.1.
Op 18 december 2013 om 23.32 uur is [verzoeker] (toen 17 jaar) betrokken geraakt bij een verkeersongeval.
2.2.
[verzoeker] reed op zijn fiets (e-bike) binnen de bebouwde kom op de [straat] te [plaats ongeval] (thans gemeente [gemeente] ). Op een oversteekplaats voor fietsers en voetgangers is [verzoeker] in botsing gekomen met een voertuig.
2.3.
Het voertuig was een bestelauto (merk Volkswagen, type Crafter, hierna: de bestelauto). De bestelauto werd bestuurd door de heer [A] (hierna: [A] ).
De bestelauto was conform de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij MSIG.
2.4.
Direct na het ongeval is [verzoeker] met de ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht. Er is een hersenkneuzing vastgesteld. [verzoeker] is tot 20 december 2013 opgenomen geweest op de afdeling neurologie.
2.5.
In december 2014 is [verzoeker] verwezen naar een revalidatiecentrum voor niet-aangeboren hersenletsel.
2.6.
In 2015 heeft [verzoeker] een behandeltraject gevolgd van één dagdeel per week gedurende vijf weken. Ook is [verzoeker] onder behandeling gekomen van een psychiater, psycholoog en ergotherapeut. In 2017 heeft een neurologische expertise plaatsgevonden en een neuropsychologisch onderzoek. Er is 12% BIGP (blijvende invaliditeit gehele persoon) toegekend aan de klachten in relatie tot het ongeval. Sinds het ongeval slikt [verzoeker] medicijnen. Het bleek niet mogelijk om deze medicatie af te bouwen.
2.7.
Op 4 april 2014 is MSIG aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade van [verzoeker] .
2.8.
Op 18 augustus 2015 heeft MSIG 50% van de aansprakelijkheid erkend.
2.9.
Hoewel partijen dit lange tijd hebben geprobeerd, zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. In juni 2025 heeft [verzoeker] het verzoekschrift deelgeschil ingediend.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Volgens [verzoeker] is het erkende percentage te laag. MSIG is volledig (100%) aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval, in ieder geval voor een hoger percentage dan 50%. In het kader van de causaliteitsverdeling danwel de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient de rechtbank tot een hoger percentage te komen, aldus [verzoeker] .
3.2.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank daarom bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) -samengevat- om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
- te verklaren voor recht dat MSIG alle, als gevolg van het ongeval door [verzoeker] geleden en nog te lijden (materiële en immateriële) schade, volledig (voor 100%) dient te vergoeden, inclusief wettelijke rente vanaf het moment van het schade brengende feit;
Subsidiair:
- te verklaren voor recht dat MSIG gehouden is een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage van de schade, hoger van 50% te vergoeden, inclusief wettelijke rente vanaf datum van het schade brengende feit;
Zowel primair als subsidiair:
- MSIG te veroordelen in 100% van de kosten van het deelgeschil, begroot op € 3.471,19 vermeerderd het griffiegeld, met veroordeling van MSIG om deze kosten aan [verzoeker] te vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente als voldoening niet op tijd plaatsvindt.
3.3.
MSIG verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens haar wordt met de erkende 50% in voldoende mate recht gedaan aan de feitelijke situatie, zodat er geen reden is om meer te vergoeden.
4De beoordeling
4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen van mening over de vraag voor welk percentage MSIG aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] . Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 185 WVW. Dat betekent dat MSIG gehouden is de schade van [verzoeker] te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht. MSIG heeft afgezien van een beroep op overmacht van haar verzekerde en doet ook geen beroep op opzet of daaraan grenzende roekeloosheid aan de kant van [verzoeker] . Dat maakt dat in beginsel de hoofdregel van artikel 185 WVW geldt.
4.5.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig en (in dit geval) een fietser betrokken zijn en waarbij deze laatste schade oploopt, de zogenaamde 50%-regel. Deze regel houdt kort gezegd in dat de eigenaar van het motorrijtuig (of diens WAM-verzekeraar) op billijkheidsgronden gehouden is tenminste 50% van de schade te vergoeden, wegens de verwezenlijking van het aan motorrijtuigen ten opzichte van kwetsbare verkeerdeelnemers verbonden gevaar (“Betriebsgefahr”).
4.6.
In dit deelgeschil ligt de vraag voor of MSIG gehouden is meer dan 50% van de schade van [verzoeker] te vergoeden, zoals [verzoeker] stelt en MSIG bestrijdt.
4.7.
Daartoe dient in de eerste plaats te worden beoordeeld in welke mate de aan [verzoeker] dan wel aan [A] toe te rekenen omstandigheden aan het ongeval hebben bijgedragen, de wederzijdse causaliteit (artikel 6:101 BW). Het is daarbij aan MSIG om te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting, te bewijzen, dat er aan de zijde van [verzoeker] sprake is geweest van gedragingen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.
De wederzijdse causaliteit, het verkeersgedrag van [verzoeker]
4.7.1.
MSIG heeft in dit kader gesteld dat [verzoeker] een verkeersfout heeft gemaakt door met zijn e-bike het kruispunt over te steken, terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht op rood stond.
4.7.2.
De rechtbank is op basis van de stukken, waaronder het proces-verbaal van de politie, het faselog1 en de beschikbare getuigenverklaringen, van oordeel dat in dit geval inderdaad sprake is geweest van een verkeersfout van [verzoeker] . Uit de analyse van het faselog van de aanwezige verkeerslichten blijkt dat rond het tijdstip van het ongeval twee weggebruikers zijn geconfronteerd met een weggebruiker die het rode licht heeft genegeerd nabij de verkeerslichten voor fietsers (signaalgroep 85). Het type weggebruiker kan uit het faselog niet worden afgeleid, maar wél dat (ook) bij signaalgroep 85 sprake is geweest van metalen delen. Zijdens [verzoeker] is niet betwist dat het verkeerslicht voor de automobilisten [A] en getuige [B] (signaalgroep 02) op groen stond toen zij het passeerden. [A] en getuige [B] hebben beiden verklaard dat zij voor rood licht hebben staan wachten en zijn opgetrokken nadat het verkeerslicht voor hen groen werd. Het faselog bevestigt deze verklaringen: de langere streepjes (de zwarte ‘blokjes’) bij het tijdstip 23.28 uur duiden erop dat beide automobilisten met hun voertuigen stil hebben gestaan en dat zij de stopstreep hebben verlaten nadat het voor hen geldende verkeerslicht groen werd. Uit het rapport dat door de politie van het ongeval is opgemaakt,2 blijkt dat [A] direct na het ongeval heeft verklaard dat hij voor rood licht heeft staan wachten, dat hij optrok toen hij groen licht kreeg en dat vervolgens [verzoeker] tegen de zijkant van zijn bestelauto aan fietste. Getuige [C]3 stond op dat moment aan de overkant – [A] en [B] kwamen voor hem van links, [verzoeker] fietste hem als het ware tegemoet – met zijn honden te wachten voor het rode verkeerslicht. [C] verklaart dat hij zag dat de bestelauto groen licht had en optrok, en dat [verzoeker] daarna tegen de zijkant van die bestelauto aan reed. Getuige [B] , die direct achter [A] reed, verklaarde hetzelfde te hebben gezien als getuige [C] . Daarbij is verder nog van belang dat [verzoeker] en zijn vader – anders dan [A] en de getuigen [C] en [B] – niet uit eigen waarneming kunnen verklaren over de toedracht van het ongeval. [verzoeker] heeft een verkeersfout gemaakt door over te steken terwijl hij rood licht had (artikel 62 en 68 lid 1 sub c RVV). Verder heeft hij de haaientanden op de weg genegeerd en verzuimd voorrang te verlenen aan [A] , die vanuit de positie van [verzoeker] gezien van rechts kwam aanrijden.
De rechtbank gaat er van uit dat [verzoeker] ofwel de bestelauto van [A] over het hoofd heeft gezien (en deze door zijn koptelefoon mogelijk ook niet heeft horen aankomen), ofwel een inschattingsfout heeft gemaakt door te denken dat hij nog voldoende tijd en ruimte had om nog vóór de bestelauto over te steken. Hoe dan ook heeft het verkeersgedrag van [verzoeker] substantieel bijgedragen aan het gevaar voor het ontstaan van het ongeval. Als hij goed had uitgekeken en/of was gestopt voor het rode licht, zou hij niet op dat moment zijn overgestoken en zou het ongeval niet plaats hebben gehad.
De wederzijdse causaliteit, het verkeersgedrag van [A]
4.7.3.
In het kader van de wederzijdse causaliteit (artikel 6:101 BW) is verder van belang in welke mate het verkeersgedrag van [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] stelt dat [A] te hard heeft gereden, namelijk ongeveer 60 km per uur, terwijl ter plaatse maximaal 50 km per uur is toegestaan. [verzoeker] wijst erop dat een overschrijding van de maximumsnelheid het risico op een ongeval (en letsel) vergroot, terwijl dit bovendien het nalaten van een zorgvuldige waarneming en anticipatie versterkt. De kruising waarop het ongeval plaatsvond was overzichtelijk en goed verlicht, maar [A] was desondanks evident niet in staat om tijdig te stoppen. Dat is in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, aldus [verzoeker] . MSIG betwist dat haar verzekerde te hard heeft gereden.
4.7.4.
Dat [A] met een te hoge snelheid heeft gereden is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. Ook op dit punt zijn de verklaringen van [A] en van de twee getuigen eenduidig: zij hebben allemaal verklaard dat de bestelauto voor rood licht stilstond, daarna optrok en vervolgens door [verzoeker] aan de zijkant werd geraakt.
Partijen zijn het erover eens dat de afstand tussen de stopstreep van het verkeerslicht van waaruit [A] is opgetrokken en de fietsoversteek waar [verzoeker] zich op het moment van de aanrijding bevond, ongeveer 35 meter bedroeg. Dat blijkt ook uit de toelichting bij het faselog. [verzoeker] stelt dat [A] te hard heeft gereden en dat uit het faselog blijkt dat het bij een snelheid van 60 km/uur mogelijk is dat beide weggebruikers met elkaar geconfronteerd worden. Wat daar echter ook van zij, uit het faselog en de getuigenverklaringen blijkt dat [A] de stopstreep vanuit stilstand heeft verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank kan [A] in de korte tijdspanne tussen het optrekken en het moment van het ongeval (enkele seconden) met zijn bestelauto geen snelheid hebben bereikt die hoger lag dan de ter plaatste toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur (omgerekend 13,9 meter per seconde). Een gemiddelde personenauto bereikt naar ervaringsregels immers pas na ongeveer 35 meter (na ongeveer 5 seconden) een snelheid van 50 km/uur; een grote bestelauto als die van [A] (een VW Crafter) doet daar nog langer over. Verder verklaart géén van de getuigen iets bijzonders over de wijze waarop [A] bij het verkeerslicht is opgetrokken. De stelling van [verzoeker] dat [A] de maximumsnelheid van 50 km/uur heeft overschreden, vindt dan ook geen steun in de feiten.
4.7.5.
Daar staat tegenover dat [A] klaarblijkelijk wél onvoldoende heeft kunnen anticiperen op de verkeersfout van [verzoeker] . De vraag is vervolgens in hoeverre het [A] in dit concrete geval kan worden verweten dat hij zijn bestelauto niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen (artikel 19 RVV). Naar het oordeel van de rechtbank kan [A] op dat punt niet méér worden verweten dan dat hij er in zijn algemeenheid onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat personen (in dit geval een fietser) onverwacht de kruising zouden kunnen oversteken en dat hij daarop onvoldoende heeft geanticipeerd door zijn snelheid te verminderen. Andere verwijten kunnen [A] niet worden gemaakt; de stukken bieden daarvoor ook geen aanknopingspunten. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat het kruispunt drukker of onoverzichtelijker was dan gebruikelijk. Er zijn ook geen andere omstandigheden gesteld of gebleken die maakten dat [A] er meer dan normaal op bedacht moest zijn dat iemand plotseling de kruising zou oversteken.
4.7.6.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat het ongeval in overwegende mate is veroorzaakt door het verkeersgedrag van [verzoeker] . Dit alles betekent dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf geen aanleiding geeft voor toekenning van een hogere schadevergoeding dan de 50% die volgt uit de 50%-regel.
De billijkheidscorrectie
4.8.
[verzoeker] stelt zich tot slot op het standpunt dat de billijkheid in dit concrete geval vereist dat de schade geheel voor rekening van MSIG komt. Hij heeft daartoe onder meer gewezen op de ernst van het opgetreden letsel en op zijn jonge leeftijd. MSIG betwist dat er aanleiding is tot een billijkheidscorrectie.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de billijkheidscorrectie sprake moet zijn van de aanwezigheid van specifieke, individuele factoren die tot gevolg hebben dat de billijkheid in dit concrete geval een andere verdeling eist dan de uitkomst van de verdeling op basis van de wederzijdse causaliteit. In de ernst en verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte verkeersfouten ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een billijkheidscorrectie. De door [verzoeker] gemaakte fout weegt substantieel zwaarder dan de door [A] gemaakte fout. De omstandigheid dat het aan het motorrijtuig voor andere verkeersdeelnemers verbonden gevaar (Betriebsgefahr) zich heeft verwezenlijkt, is onvoldoende reden om te komen tot een verhoging van de schadevergoedingsverplichting van MSIG: het ernstige en blijvende letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen (NAH), is (helaas) een type letsel dat in zijn algemeenheid voor komt bij een aanrijding tussen een fietser en een gemotoriseerd voertuig. Verder weegt de rechtbank mee dat, nu in de uitkomst van de causale verdeling de causale bijdrage van [A] aan het ontstaan van het ongeval substantieel lager lag dan 50%, de schadevergoedingsverplichting van MSIG al is verhoogd op grond van de 50%-regel. Alles afwegende leidt dit de rechtbank tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat voor een billijkheidscorrectie die verder gaat dan de algemene billijkheidscorrectie die voortvloeit uit de 50%-regel. De jonge leeftijd van [verzoeker] en de ernst van zijn letsel zijn in die correctie al verdisconteerd.
Conclusie
4.10.
Het is duidelijk dat de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker] zeer ernstig zijn en dat hij daarmee dagelijks wordt geconfronteerd. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoeker] met grote inzet probeert om zich een weg te vinden binnen de nieuw ontstane kaders. Dat siert hem en roept respect op. De toedracht van het ongeval en de daarop toe te passen rechtsregels maken echter dat er geen aanleiding bestaat om te bepalen dat MSIG meer dan de helft van de schade van [verzoeker] moet dragen. Dat betekent dat de verzochte verklaringen voor recht worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.11.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.12.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.13.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal uitgaan van de door [verzoeker] genoemde uren (11,5 in totaal) vermenigvuldigd met het uurtarief (€ 225,- exclusief btw), te vermeerderen met het griffierecht (€ 331,-). De redelijke kosten worden door de rechtbank daarom begroot op in totaal € 3.461,87.
4.14.
MSIG wijst op het uitgangspunt dat de kosten moeten worden verminderd overeenkomstig haar aansprakelijkheidspercentage. Het is in beginsel juist dat de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden, wordt verminderd wanneer de schadevergoedingsplicht op de voet van artikel 6:101 BW wordt verminderd4. Dat zou tot de conclusie kunnen leiden dat ook de kosten van de behandeling van het deelgeschil evenredig moeten worden verminderd, aangezien deze kosten op grond van artikel 1019aa lid 2 Rv hebben te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. De rechtbank ziet echter geen aanleiding daarmee in deze zaak rekening te houden.
4.15.
De rechtbank overweegt dat het door MSIG aangehaalde arrest is gewezen voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. De wetgever heeft de consequenties van dit arrest voor de kosten van de deelgeschilprocedure echter niet onder ogen gezien, zodat kan worden betwijfeld of de wetgever de bedoeling heeft gehad om dit uitgangspunt eveneens op die kosten van toepassing te laten zijn. Van belang daarbij is dat de wetgever met artikel 1019aa Rv juist heeft beoogd om de financiële drempel te verlagen voor de benadeelde om een oordeel van de rechter te vragen, door uit te sluiten dat de benadeelde in de proceskosten wordt veroordeeld en voor te schrijven dat zijn proceskosten niet forfaitair maar volledig in aanmerking worden genomen. Dit past blijkens de wetsgeschiedenis bij de deelgeschilprocedure, die wordt beschouwd als onderdeel van afwikkeling buiten rechte5. Het verzoek van [verzoeker] is erop gericht om, ten behoeve van de afwikkeling buiten rechte, duidelijkheid te verkrijgen over het aansprakelijkheidspercentage. Tegen de hiervoor geschetste achtergrond eist de billijkheid dan dat de verplichting van MSIG om de kosten te vergoeden die [verzoeker] heeft gemaakt om dit geschil door de rechter beslist te krijgen, niet evenredig met de schadevergoedingsplicht wordt verminderd.
4.16.
De rechtbank begroot de kosten van [verzoeker] op in totaal € 3.461,87 (inclusief btw en griffierecht). MSIG wordt, nu de aansprakelijkheid vast staat, veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad wijst de rechtbank af, omdat tegen een beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil geen hogere voorziening openstaat (artikel 1019bb Rv)
1Productie 5 van [verzoeker] en productie 5 van MSIG.
2Productie 1 [verzoeker] .
3Mutatierapport van de Politie Oost-Brabant d.d. 13 juni 2014 (productie 1 bij het verzoek) en de verklaring van [C] (productie 6 bij het verzoekschrift).
4HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624 (Manege Bergemo).
5Zie TK 2007–2008, 31 518, nr. 3, p. 4, 12/13, 18/19 en nr. 13.
Rechtbank Oost-Brabant 11 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1821
