RBZWB 191125 linksafslaande fietser en achteropkomende fatbiker; Rb draagt bewijs op ter vaststelling van toedracht ongeval en schade
RBZWB 191125 linksafslaande fietser en achteropkomende fatbiker; Rb draagt bewijs op ter vaststelling van toedracht ongeval en schade
locatie ongeval: maps.app.goo.gl
3De feiten
3.1.
Op 11 maart 2024 reden [persoon 1] en [persoon 2] beiden in dezelfde richting op de Alleenhouderstraat in [plaats] . [persoon 1] reed op een fiets. [persoon 2] reed op een fatbike. [persoon 2] naderde [persoon 1] van achter.
3.2.
Net na het viaduct onder de Ringbaan West door en een verkeersheuvel met daarop een verkeersbord dat de verplichte rijrichting aan de rechterzijde van de heuvel aangaf (hierna de verkeersheuvel), sloeg [persoon 1] linksaf in de richting van de Ringbaan West. [persoon 2] kon een botsing niet meer voorkomen. De fatbike van [persoon 2] heeft het achterwiel van de fiets van [persoon 1] geraakt.
3.3.
[persoon 1] en [persoon 2] zijn beiden gevallen.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[persoon 1] vordert - samengevat –voor recht te verklaren dat [persoon 2] aansprakelijk is voor het verkeersongeval van 11 maart 2024 wat [persoon 1] is overkomen en de daaruit voortvloeiende schade. [persoon 1] vordert verder [persoon 2] te veroordelen een bedrag van € 698,40 te vermeerderen met wettelijke rente te betalen aan [persoon 1] .
4.2.
[persoon 1] legt aan de vordering ten grondslag dat door [persoon 2] onrechtmatig jegens hem is gehandeld door de verkeersheuvel aan de verkeerde zijde (links in plaats van rechts) te passeren en daarna tegen [persoon 1] aan te rijden. Verder heeft [persoon 1] nog aangevoerd dat [persoon 2] zijn snelheid niet heeft aangepast aan de andere verkeersdeelnemers en niet de nodige afstand heeft bewaard om zijn voertuig tijdig tot stilstand te kunnen brengen.
4.3.
[persoon 2] voert verweer. [persoon 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure. Naar het oordeel van [persoon 2] heeft niet hij maar [persoon 1] een of meerdere verkeersfouten gemaakt. Verder stelt [persoon 2] dat sprake is van eigen schuld bij [persoon 1] en doet hij een beroep op matiging vanwege zijn geringe inkomen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[persoon 2] vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat [persoon 1] aansprakelijk is voor de door [persoon 2] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval d.d. 11 maart 2024. [persoon 2] vordert verder [persoon 1] te veroordelen een bedrag van € 395,85 te vermeerderen met wettelijke rente te betalen aan [persoon 1] .
4.6.
[persoon 2] legt aan de vordering ten grondslag dat door [persoon 1] onrechtmatig jegens hem is gehandeld doordat op het moment dat [persoon 2] naast [persoon 1] reed, [persoon 1] plotseling en zonder daarbij voor te sorteren en zijn hand uit te steken linksaf sloeg, waardoor [persoon 2] uit moest wijken, weggleed en het achterwiel van [persoon 1] raakte.
4.7.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 2] in de kosten van deze procedure. Naar het oordeel van [persoon 1] heeft niet hij maar [persoon 2] een of meerdere verkeersfouten gemaakt.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie en reconventie
5.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen van beide partijen zal de kantonrechter de vorderingen gezamenlijk behandelen.
Onrechtmatig handelen
5.2.
Beide partijen stellen zich op het standpunt dat de andere partij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door een of meerdere verkeersfouten te maken die hem kunnen worden toegerekend en waaruit vervolgens schade is voortgevloeid.
5.3.
De kantonrechter beoordeelt of sprake is geweest van onrechtmatig handelen door één van partijen. Pas als vast komt te staan dat één van partijen onrechtmatig heeft gehandeld, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van de gevorderde schade.
5.4.
[persoon 1] stelt dat hij ruim voor het ter plaatse aanwezige viaduct onder de Ringbaan West met zijn hand aangaf linksaf te zullen slaan. [persoon 1] was verder al onder het viaduct (tijdig) in het midden, maar wel nog rechts van de verkeersheuvel, voorgesorteerd om linksaf te gaan slaan. Op het moment dat [persoon 1] linksaf sloeg werd hij door [persoon 2] van de zijkant aangereden. Volgens [persoon 1] kan het niet anders zijn dan dat [persoon 2] de verkeersheuvel links (en dus geen rekening houdend met de verplichte rijrichting) is gepasseerd om [persoon 1] vervolgens links in te halen.
5.5.
[persoon 1] stelt dat [persoon 2] hem tegen zijn achterwiel heeft geraakt.
5.6.
[persoon 2] stelt dat hij besloot [persoon 1] links in te halen nadat hij het viaduct en de verkeersheuvel was gepasseerd. [persoon 2] passeerde de verkeersheuvel daarbij (volgens de verplichte rijrichting) aan de rechterzijde. Toen [persoon 2] [persoon 1] bijna volledige gepasseerd was draaide [persoon 1] zijn stuur plotseling naar links om af te slaan, zonder daarbij eerst voor te sorteren, zonder zijn hand uit te steken en zonder zich ervan te vergewissen dat het veilig was om linksaf te slaan.
5.7.
Daar waar [persoon 2] in de stukken heeft aangegeven dat [persoon 1] met zijn voorwiel tegen het achterwiel van [persoon 2] is gebotst, heeft hij ter zitting (meerdere keren) aangegeven dat hij naar links is uitgeweken, dat hij door het slechte weer is gaan schuiven/glijden en dat hij daardoor het achterste deel van het achterwiel van [persoon 1] heeft geraakt.
5.8.
[persoon 2] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een getuigenverklaring in het geding gebracht. Volgens [persoon 2] bevestigt de getuigenverklaring zijn lezing van hetgeen er gebeurd is.
5.9.
De kantonrechter volgt [persoon 2] niet in zijn stelling dat de getuigenverklaring zijn lezing van hetgeen er gebeurd is bevestigt. De getuige bevestigt weliswaar dat [persoon 1] (door de getuige aangeduid als de man op de fiets) ineens een afwijking naar links maakte zonder achterom te kijken en ook zonder met zijn arm richting aan te geven naar links. De getuige zegt echter ook dat [persoon 1] voorop fietste en dat [persoon 2] (door de getuige aangeduid als de jongeman op de elektrische fiets) achter hem fietste en door de plotselinge afwijking van [persoon 1] tegen [persoon 1] aanbotste. Dat bevestigt het standpunt van [persoon 2] niet, want hij zegt dat bij al naast [persoon 1] reed en daardoor niet tijdig meer kon reageren op de voor hem onverwachte actie van [persoon 1] . Met name het feit dat de getuige aangeeft dat [persoon 2] achter [persoon 1] reed en dat de getuige niks zegt over het uitglijden van de fatbike van [persoon 2] , maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat de getuigenverklaring het standpunt van [persoon 2] onvoldoende bevestigt. Zowel de plaats op het fietspad van [persoon 1] en [persoon 2] als de beschrijving van wat er precies gebeurde voorafgaand aan de botsing, zijn naar het oordeel van de kantonrechter van groot belang omdat dit (mede) van invloed is op de vraag wie van beide partijen de verkeersfout heeft gemaakt die tot het ongeval heeft geleid.
5.10.
De kantonrechter stelt, gezien het bovenstaande, vast dat partijen het niet eens zijn over de toedracht van het ongeval. Nu de toedracht vast moet staan om te kunnen beoordelen welke partij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de andere partij, zal de kantonrechter beide partijen - [persoon 1] voor zover het de vordering in conventie betreft en [persoon 2] voor zover het de vordering in reconventie betreft- gelasten de door hen gestelde toedracht te bewijzen. Voor de exacte formulering van de beide bewijsopdrachten verwijst de kantonrechter naar de beslissing (hieronder onder punt 6).
5.11.
De kantonrechter merkt volledigheidshalve nog op dat ter zitting duidelijk is geworden dat partijen het eens zijn over het feit dat [persoon 2] het achterwiel van [persoon 1] heeft geraakt. Uit dat enkele feit kan naar het oordeel van de kantonrechter echter niet worden afgeleid dat het dan dus ook [persoon 2] is geweest die een (verkeers)fout heeft gemaakt. [persoon 1] heeft ter zitting nog aangegeven dat hij zijn fiets had meegebracht en dat die bekeken zou kunnen worden. De kantonrechter heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en aan partijen toegelicht dat zij uit de eventuele schade die op de fiets zichtbaar is, niet af kan leiden of een van partijen en zo ja, wie van partijen dan onrechtmatig zou hebben gehandeld. Om dat vast te kunnen stellen moet vast komen te staan of een van partijen een verkeersfout heeft gemaakt die hem kan worden toegerekend.
Hoe verder als er meer duidelijkheid is over het bewijs van de toedracht
5.12.
Omwille van een efficiënt verloop van deze procedure neemt de kantonrechter partijen nu reeds mee in de situaties die kunnen ontstaan door de bewijslevering over de toedracht. Er kunnen door de bewijslevering drie situaties ontstaan, te weten: (1) beide partijen slagen niet in de bewijslevering, (2) [persoon 1] slaagt in de bewijslevering en (3) [persoon 2] slaagt in de bewijslevering. De kantonrechter zal deze scenario’s hierna verder uitwerken.
Geen van partijen slaagt in het bewijs en de vorderingen zullen worden afgewezen
5.13.
Als geen van beide partijen erin slaagt de eigen versie van de toedracht te bewijzen, dan zullen beide vorderingen worden afgewezen. [persoon 1] zal in dit geval in conventie in de proceskosten worden veroordeeld en [persoon 2] zal dan in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld.
Als [persoon 1] slaagt in het opgedragen bewijs zal een gedeelte van zijn vordering worden toegewezen
5.14.
In het geval [persoon 1] erin slaagt het aan hem opgedragen bewijs te leveren, dan zal de door hem gevorderde schade moeten worden beoordeeld. [persoon 1] vordert schade aan zijn fiets, schade aan zijn jas en immateriële schade.
5.15.
De schade aan de jas is door [persoon 1] in het geheel niet (met stukken) onderbouwd en wordt door [persoon 2] betwist. Deze zal dan ook worden afgewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde immateriële schade. [persoon 1] heeft toegelicht dat hij gedurende enige tijd last heeft gehad van zijn rechterbovenarm, wat hem belemmerde in zijn dagelijks leven. Daarvan is echter geen enkel bewijs overgelegd.
5.16.
Het gevorderde bedrag voor de reparatie van de fiets is door [persoon 1] naar het oordeel van de kantonrechter wel voldoende onderbouwd. Vast staat dat de fiets en de fatbike met elkaar in aanraking zijn gekomen en dat beide partijen met hun voertuig zijn gevallen. Dat daardoor schade is ontstaan is aannemelijk. [persoon 1] heeft laten zien dat hij de fiets op 15 september 2023 nieuw heeft gekocht. Hij heeft op of omstreeks 22 maart 2023, dus binnen twee weken na het ongeval, een offerte op laten stellen. Deze offerte komt de kantonrechter niet onredelijk voor. [persoon 2] heeft nog opgemerkt dat [persoon 1] op de fiets is weggereden na het ongeval. Dat wordt door [persoon 1] betwist. Of [persoon 1] op zijn fiets is weggereden is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant, aangezien ook als [persoon 1] op de fiets is weggereden, er toch schade kan zijn aan de fiets. De opmerking dat de factuur hoog is omdat deze bijna net zo hoog is als de helft van de aanschafwaarde van de fiets, is naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende gemotiveerde betwisting en zal om die reden ter zijde worden gesteld.
5.17.
[persoon 2] heeft voor het geval hij wordt veroordeeld tot betaling van schade een beroep gedaan op eigen schuld en op matiging. [persoon 2] stelt ter onderbouwing van het beroep op eigen schuld dat de gedragingen van [persoon 1] in overwegende mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van de gevolgen van het ongeval. De gedragingen zouden dan -kort gezegd- hebben bestaan uit het niet uitsteken van de hand en het niet voorsorteren. Echter, in het geval [persoon 1] is geslaagd in zijn bewijsopdracht is nu juist komen vast te staan dat hij wel zijn hand had heeft uitgestoken en dat hij wel heeft voorgesorteerd. Het beroep op eigen schuld kan dan dus niet slagen.
5.18.
Ter onderbouwing van het beroep op matiging wordt door [persoon 2] gesteld dat hij (volledige) toewijzing voor hem zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen, omdat hij student is en geen vast inkomen heeft maar enkel een bijbaantje voor twaalf uur per week. [persoon 1] betwist dat er reden is voor matiging van de vordering. De kantonrechter zal het beroep op matiging afwijzen, als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, nu hij zijn stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
5.19.
De vordering van [persoon 2] (in reconventie) zal in dat geval worden afgewezen. [persoon 2] zal in de proceskosten worden veroordeeld.
Als [persoon 2] slaagt in zijn bewijs zal hij zijn schade nog moeten bewijzen
5.20.
In het geval [persoon 2] erin slaagt het aan hem opgedragen bewijs over de toedracht te leveren, dan zal de door hem gevorderde schade moeten worden beoordeeld. [persoon 2] vordert schade aan zijn telefoon en aan zijn fatbike.
5.21.
[persoon 2] onderbouwt de schade aan zijn telefoon met een foto waarop te zien is dat deze (aan de achterzijde) kapot is. Verder overlegt [persoon 2] een reparatieformulier waaruit blijkt dat de reparatiekosten die zien op de reparatie van de achterkant van de telefoon €200,00 zijn. [persoon 1] heeft betwist dat de schade aan de telefoon is ontstaan door het ongeval. Enerzijds wijst [persoon 1] erop dat de schade aan de telefoon door [persoon 2] niet wordt genoemd in zijn brief van 16 mei 2024 aan de advocaat van [persoon 1] . Anderzijds wijst [persoon 1] erop dat het reparatieformulier gedateerd is op 23 april 2025. Nu dit ruim een jaar na het ongeval is, betwist [persoon 1] dat de schade aan de telefoon een gevolg is geweest van het ongeval op 11 maart 2024.
5.22.
Voor de onderbouwing van de schade aan zijn fatbike verwijst [persoon 2] naar een aantal foto’s en naar een offerte. [persoon 1] merkt op dat de offerte is gedateerd op 24 april 2024. Nu dit ruim een jaar na het ongeval is, betwist [persoon 1] dat de schade aan de fatbike een gevolg is geweest van het ongeval op 11 maart 2024.
5.23.
De kantonrechter oordeelt dat uit de foto’s, het reparatieformulier en de offerte die [persoon 2] heeft overgelegd onvoldoende blijkt dat de schade die wordt gevorderd is geleden door het ongeval op 11 maart 2024. [persoon 2] zal nader bewijs moeten leveren ten aanzien van de door hem gevorderde schade.
5.24.
Vanwege de beperkte omvang van deze bewijsopdracht en omwille van een efficiënt verloop van deze procedure draagt de kantonrechter [persoon 2] nu reeds op om dit bewijs te leveren, dus gelijktijdig met het bewijs over de toedracht. Voor de exacte formulering van de bewijsopdracht verwijst de kantonrechter naar de beslissing (hieronder onder punt 6).
5.25.
Als [persoon 2] er niet in slaagt te bewijzen wat de toedracht van het ongeval is geweest en/of er niet in slaagt te bewijzen dat door het ongeval schade is ontstaan aan zijn telefoon en aan zijn fatbike, zal zijn vordering worden afgewezen. In dat geval zal [persoon 2] worden veroordeeld in de proceskosten in de procedure in reconventie.
5.26.
Als [persoon 2] slaagt in het bewijs van de door hem gestelde toedracht van het ongeval en (gedeeltelijk) slaagt in het bewijs van de schade, dan zal zijn vordering (gedeeltelijk) worden toegewezen. De vordering van [persoon 1] (in conventie) zal dan worden afgewezen en [persoon 1] zal dan in de proceskosten worden veroordeeld.
5.27. Iedere verdere beslissing – in conventie en in reconventie- wordt aangehouden.
6De beslissing
De kantonrechter
in conventie
6.1.
draagt [persoon 1] op te bewijzen dat hij ruim voordat hij links afsloeg naar de Ringbaan West op de weghelft waarop hij reed links heeft voorgesorteerd en met zijn linkerhand heeft aangegeven links af te willen slaan,
6.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 december 2025 voor uitlating door [persoon 1] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3.
bepaalt dat, als [persoon 1] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.4.
bepaalt dat, als [persoon 1] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen, hun gemachtigden en de getuige(n) in de maanden november 2025 tot en met februari 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van den Broek, in het gerechtsgebouw te Tilburg , Piusplein 50,
6.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.8.
draagt [persoon 2] op te bewijzen:
1. dat op het moment dat bij naast [persoon 1] reed, [persoon 1] plotseling en zonder daarbij voor te sorteren en zijn hand uit te steken linksaf sloeg, waardoor [persoon 2] uit moest wijken, weggleed en het achterwiel van [persoon 1] raakte,
2. dat de door hem gevorderde schade aan de telefoon en aan de fatbike zijn ontstaan door het ongeval dat op 11 maart 2024 heeft plaatsgevonden,
6.9.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 december 2025 voor uitlating door [persoon 2] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.10.
bepaalt dat, als [persoon 2] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.11.
bepaalt dat, als [persoon 2] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen, hun gemachtigden en de getuige(n) in de maanden november tot en met februari 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.12.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van den Broek, in het gerechtsgebouw te Tilburg , Piusplein 50,
6.13.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
6.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8321
