RBDHA 090323 procedure na verstek; vorderingen t.o.v. Wbf afgewezen; vordering tot terugbetaling te laat ingediend
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 090323 procedure na verstek; vorderingen t.o.v. Wbf afgewezen; vordering tot terugbetaling te laat ingediend
2De vaststaande feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
2.1.
Op 21 april 2022 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de Rechtbank Den Haag Het Waarborgfonds bij verstek veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan [geopposeerde] te betalen de som van € 19.168,59 vermeerderd met de wettelijke rente over € 18.211,48 vanaf 17 juli 2020 tot de dag der voldoening, met veroordeling van Het Waarborgfonds in de proceskosten.
3Het geschil
3.1.
Het Waarborgfonds vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in het verzet:
- -
ontheffing van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij vonnis van 21 april 2022;
- -
opnieuw rechtdoende de vorderingen af te wijzen;
- -
veroordeling van [geopposeerde] in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis.
3.2.
Aan deze vordering heeft Het Waarborgfonds ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat [geopposeerde] een onjuiste voorstelling van de zaken heeft gegeven rondom de vaststelling van de toedracht van de schadeclaim, met als doel een schadevergoeding te ontvangen waar hij geen recht op heeft. Zo is [geopposeerde] onduidelijk over de schadedatum, Het Waarborgfonds heeft de auto niet zelf uit kunnen lezen. Er zijn door diverse door [geopposeerde] benaderde derden rapporten opgemaakt over het ontstaan van de schade. Een van de rapporteurs, [naam 2] , rapporteert zeer summier, en er zijn ter onderbouwing geen aanvullende foto’s overgelegd, hoewel daar meerdere keren door het Waarborgfonds om is verzocht. Ook zijn er rapporten opgemaakt door [naam 3] en [naam 4] . Die rapporten zijn onduidelijk, en bevatten innerlijke tegenstrijdigheden, aldus het Waarborgfonds.
3.3.
[geopposeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt de vorderingen van Het Waarborgfonds af te wijzen en het verstekvonnis in stand te laten, met veroordeling van Het Waarborgfonds in de kosten. Tevens verzoekt [geopposeerde] Het Waarborgfonds te veroordelen in de door de kantonrechter te bepalen hoogte van de waardevermindering. Op het verweer van [geopposeerde] zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het Waarborgfonds is tijdig in verzet gekomen van het verstekvonnis.
4.2.
[geopposeerde] heeft gesteld dat de schade aan zijn auto bij stilstand zou zijn ontstaan door een ander onbekend gebleven voertuig. Partijen verschillen echter van mening over de toedracht van het schade voorval en over aard en omvang van de schade aan de auto van [geopposeerde] .
4.3.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van zowel het voorval als aard en omvang van de schade op [geopposeerde] . De kantonrechter is van oordeel dat [geopposeerde] hier niet aan heeft voldaan en overweegt hierover het volgende.
4.4.
[geopposeerde] heeft zich ter onderbouwing van zijn standpunt beroepen op een drietal rapporten van respectievelijk EBD, [naam 4] en [naam 3] waaruit zou moeten volgen dat de schade is ontstaan bij stilstand door een ander voertuig, hetgeen door Het Waarborgfonds gemotiveerd is betwist.
4.5.
Het Waarborgfonds heeft zich daarbij beroepen op de rapportage van OAN. Daarin wordt gemotiveerd aangegeven waarom de rapportage van [naam 4] niet juist is. Daarnaast heeft Het Waarborgfonds onder meer gewezen op de navolgende feiten:
- [geopposeerde] heeft niet willen meewerken aan het uitlezen van de auto, het geven van nadere informatie, het overleggen van aanvullende foto’s;
- de herstelnota is niet verstrekt;
- [de getuige] , de “getuige”, wil haar verklaring niet bevestigen;
- bij import van de auto had deze al, onder andere, schade aan de velg. Dit blijkt uit de verklaring van [geopposeerde] tijdens de mondelinge behandeling van 9 augustus 2021. Hij heeft verklaard dat de auto bij de import geen deuk had, maar wel motorschade, schade aan het dak en schade aan de voorvelg en dat er problemen met de elektronica waren. Behalve de schade aan de voorvelg is de schade gerepareerd. De schade aan de voorvelg wordt nu ook gevorderd.
[geopposeerde] – zo blijkt hieruit – verkondigt dus onwaarheden over de schade die aan zijn auto zou zijn ontstaan door toedoen van een onbekend gebleven bestuurder, aldus het Waarborgfonds.
4.6.
Het Waarborgfonds heeft er – naar het oordeel van de kantonrechter terecht en op begrijpelijke gronden – op gewezen dat de rapportages van [naam 4] , [naam 2] en [naam 3] , niet tot nader bewijs kunnen dienen, aangezien dit eenzijdige rapportages zijn waarbij Het Waarborgfonds op geen enkele wijze is betrokken, en [geopposeerde] geen inzicht geeft in de vraagstelling aan de betreffende garagebedrijven die de rapportages hebben opgesteld. Ook geeft [geopposeerde] geen inzicht in of toelichting op het fotomateriaal dat door of namens hem is verstrekt. Ook spreken de rapporten elkaar volgens het Waarborgfonds tegen. [naam 4] concludeert dat het schadebeeld op de velg bepalend is om vast te stellen dat er geen sprake was van rotatie, maar anderzijds schrijft [naam 4] ook dat de schade aan de velg een oude schade is. [naam 2] merkt echter op dat de gehele schade aan de velg te wijten is aan de aanrijding. [naam 2] heeft het niet over oude schades. [naam 4] kwalificeert de schade aan het linker voorscherm als oude schade, terwijl [naam 2] en [geopposeerde] dat niet doen. De opvatting van [naam 3] sluit niet aan bij die van [naam 2] en/of [naam 4] . [naam 3] kwalificeert de schade aan de linker voorvelg als oude schade, en stelt hierbij dat [naam 2] hiervoor een aftrek nieuw-voor-oud zou hebben toegepast. Dit volgt echter niet uit de rapportage van [naam 2] zelf. In afwijking van [naam 4] stelt [naam 3] ook nog dat de schade aan het linker voorscherm niet te kwalificeren is als een oude schade. [naam 3] kan niet met zekerheid stellen dat dat de schade aan het dak is ontstaan door de aanrijding. In afwijking van [naam 4] en [naam 2] stelt [naam 3] nog dat de schade zou zijn ontstaan door drie botsingen, terwijl [naam 2] juist tot de conclusie komt dat de schade is doorgezet vanaf één plek, aldus het Waarborgfonds.
4.7.
Met het Waarborgfonds is de kantonrechter van oordeel dat de door [geopposeerde] overgelegde rapportages niet zonder meer een afdoende onderbouwing vormen van de door [geopposeerde] gestelde toedracht van het ontstaan van de door hem gestelde schade. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de stellingen van [geopposeerde] en van de door hem overgelegde rapportages, had het op de weg van [geopposeerde] gelegen zijn stellingen nader te onderbouwen, door (op zijn minst) een verklaring te geven voor de vele onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van de door [geopposeerde] benaderde garagebedrijven, zoals die door het Waarborgfonds zijn beschreven. Dat heeft [geopposeerde] niet gedaan, en derhalve moet de conclusie zijn dat [geopposeerde] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Op grond hiervan zal de kantonrechter het verstekvonnis van 21 april 2022 vernietigen, en de vordering alsnog afwijzen.
4.8.
Het Waarborgfonds heeft bij akte nog een vordering tot terugbetaling ingediend. Dit is te laat. Een eventuele eis in reconventie moet bij conclusie van antwoord aanhangig worden gemaakt, of, in dit geval, bij dagvaarding in het verzet aan de kantonrechter worden voorgelegd. De vordering is dus te laat aanhangig gemaakt. Het Waarborgfonds is daarom niet-ontvankelijk in die vordering, die Het Waarborgfonds in een aparte procedure aan de rechter dient voor te leggen.
4.9.
[geopposeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure, met uitzondering van de kosten voor de verzetdagvaarding op grond van artikel 141 Rv. Rechtbank Den Haag 9 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22387
