RBDHA 250123 opzettelijke schending mededelingsplicht bij aangaan AOV; Aangeboren rugafwijking had moeten worden gemeld
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 250123 opzettelijke schending mededelingsplicht bij aangaan AOV; Aangeboren rugafwijking had moeten worden gemeld
2De feiten
2.1.
[eiser] is geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteland] en heeft een aangeboren rugafwijking (congenitale scoliose door hemivertebra). [eiser] is getrouwd en heeft twee kinderen. In januari 2000 heeft [eiser] een eigen uitzendbureau opgericht ([bedrijfsnaam]). [eiser] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam].
2.2.
Eind 2013 heeft [eiser] , via zijn verzekeringstussenpersoon ([tussenpersoon]), bij Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (rechtsvoorganger van Nationale- Nederlanden ) een aanvraag gedaan tot het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandig ondernemers (hierna: de verzekering). In het ten behoeve van de aanvraag ingevulde en door [eiser] op 11 december 2013 ondertekende aanvraagformulier is aan het slot, voor zover hier van belang, vermeld:
“ SLOTVERKLARING
Dit aanvraagformulier is, samen met alle verklaringen en opgaven die u aan ons doet, de basis van de verzekeringsovereenkomst. Het is daarom belangrijk dat alle verklaringen en opgaven die u aan ons doet, juist en volledig zijn.
(…)
U hebt dit aanvraagformulier elektronisch ingevuld. Door onder dit formulier akkoord aan te vinken verklaart u:
-
dat de gegeven antwoorden juist en volledig zijn.
-
dat u geen feiten of omstandigheden hebt verzwegen die voor ons bij de beoordeling van de aanvraag van de verzekering belangrijk zijn.
-
dat u weet dat het niet juist of niet volledig beantwoorden (niet voldoen aan de mededelingsplicht) kan leiden tot het vervallen van het recht op uitkering en tot beëindiging van de verzekering.
-
(…)”
2.3.
Ten behoeve van de aanvraag heeft [eiser] op 8 januari 2014 een gezondheidsverklaring ingevuld. Op de eerste pagina van deze gezondheidsverklaring is onder meer opgenomen:
“Vul alle vragen goed in.
Dat is belangrijk. En dat bent u verplicht. Daarmee voorkomt u bijvoorbeeld dat:
- de verzekeraar de verzekering in de toekomst stopt;
(…)
- de verzekeraar geen uitkering geeft bij arbeidsongeschiktheid.
Noem al uw klachten. Ook als u denkt dat deze niet belangrijk zijn. Of als u niet bij een dokter bent geweest.
(…)
Heeft u het bovenstaande gelezen en begrepen?
- Ja ”
2.4.
Vanaf pagina 2 van de gezondheidsverklaring zijn vragen opgenomen over de gezondheidstoestand van [eiser] . Hieraan voorafgaand is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Heeft u een of meer van de volgende aandoeningen, ziekten, klachten en/of gebreken? Of heeft u deze gehad? Klik dan op ‘ Ja ’ bij die vraag.
Let op!
Klik ook op ‘ Ja ’ als u:
- bij een huisarts, hulpverlener of arts bent geweest. Of als u deze heeft gebeld;
(...)”
2.5.
In de gezondheidsverklaring heeft [eiser] gemeld dat hij een verhoogd cholesterol heeft en de aanvullende vragen hierover beantwoord. De overige vragen met betrekking tot zijn gezondheidstoestand, waaronder de vraag naar “aandoening, ziekte of klachten van (…) kromme rug, rugklachten, rugpijn (…)”, heeft [eiser] ontkennend beantwoord.
2.6.
Aan het slot van de gezondheidsverklaring is onder meer opgenomen:
“U verklaart het volgende:
(…)
U heeft alle vragen beantwoord. Uw antwoorden kloppen. Daarmee voorkomt u dat de rechten uit deze overeenkomst kunnen vervallen.
(…)
- Ja ”
2.7.
In verband met de hoogte van het door [eiser] aangevraagde verzekerde bedrag heeft Meditel Gezondheid B.V. op 24 februari 2014 in opdracht van Nationale- Nederlanden een algemene medische keuring van [eiser] verricht. De keuring heeft plaatsgevonden door keuringsarts [naam 1] (hierna: de keuringsarts). De keuringsarts heeft een anamnese afgenomen aan de hand van de in het keuringsrapport opgenomen vragen. [eiser] heeft de vragen of hij wel eens specialisten heeft geraadpleegd (vraag 8), of hij lijdt of heeft geleden aan rugklachten, spit, hernia, ischias of kromme rug (vraag 11), of er röntgenfoto’s van hem zijn gemaakt (vraag 15) en of hij weleens is afgekeurd voor militaire dienst (vraag 27) met “nee” beantwoord. Onder vraag 38 is de keuringsarts gevraagd of er misvormingen of afwijkingen zijn aan romp, ledematen of gewrichten, waarbij is opgemerkt speciaal te letten op de functie en vorm van de rug. De keuringsarts heeft deze vraag ontkennend beantwoord.
2.8.
De verzekering is per 1 mei 2014 afgesloten onder polisnummers [nummer 1] en [nummer 2].
2.9.
Per 31 augustus 2020 heeft [eiser] zich arbeidsongeschikt gemeld bij Nationale- Nederlanden in verband met rug- en nekklachten (met als genoemde oorzaak “afwijking in rugwervel”) en een beroep gedaan op uitkering op grond van de verzekering.
2.10.
Bij e-mail van 22 oktober 2020 heeft Nationale- Nederlanden aan [eiser] laten weten dat, hoewel uit de arbeidsdeskundige rapportage blijkt dat de arbeidsdeskundige hem voor 80-100% arbeidsongeschikt acht, zijn recht op een uitkering volgens de polisvoorwaarden nog niet beoordeeld kan worden omdat advies van de medisch adviseur wordt afgewacht.
2.11.
Bij brief van 5 november 2020 heeft Nationale- Nederlanden [eiser] bericht dat bij het behandelen van zijn arbeidsongeschiktheidsmelding naar voren is gekomen dat hij eerder medische klachten heeft gehad die niet zijn opgegeven bij het aanvragen van de verzekering. Nationale- Nederlanden heeft in verband hiermee een nader onderzoek door een medisch adviseur aangekondigd en heeft [eiser] gewezen op de mogelijke gevolgen na afronding van het onderzoek. Bij deze brief is een brief van 10 november 2020 van medisch adviseur [naam 2] (hierna: [naam 2] ) gevoegd met een vragenlijst naar rugklachten in de periode vóór 1 mei 2014.
2.12.
Op 25 maart 2021 heeft Nationale- Nederlanden [eiser] een e-mail gestuurd waarin zij heeft gewezen op de discrepantie tussen de opgave van [eiser] bij de aanvraag van de verzekering en de ontvangen medische informatie. Gelet hierop heeft [eiser] volgens Nationale- Nederlanden niet voldaan aan zijn mededelingsplicht en Nationale- Nederlanden heeft [eiser] gewezen op de mogelijke gevolgen hiervan. Om het onderzoek goed te kunnen afronden, vraagt Nationale- Nederlanden [eiser] om een aantal in die e-mail opgenomen aanvullende vragen te beantwoorden.
2.13.
Bij brief van 14 april 2021 heeft Nationale- Nederlanden , als gevolg van een automatische verwerking vanuit het systeem in verband met de jaarlijkse prolongatiedatum van 1 mei, twee nieuwe polissen aan [eiser] toegestuurd waarin een beperkende voorwaarde wat betreft de wervelkolom is opgenomen.
2.14.
[eiser] heeft op 20 april 2021 inhoudelijk gereageerd op de aanvullende vragen die Nationale- Nederlanden bij e-mail van 25 maart 2021 had gesteld.
2.15.
Bij brief van 29 april 2021 heeft Nationale- Nederlanden [eiser] , onder verwijzing naar een bijgesloten medisch advies van [naam 2] van 3 maart 2021, als volgt bericht:
“ Conclusie
U heeft bij de aanvraag van de verzekering niet gemeld dat u bekend was met rugklachten. U heeft tevens niet gemeld dat u specialisten heeft bezocht en dat u contact heeft gehad met uw huisarts over uw rugklachten. Onze medisch adviseur adviseert daarom alsnog een clausule op te nemen.
Wij stellen echter vast dat er sprake was van ernstige rugklachten en forse afwijkingen. Tevens heeft u in 2012 bij de eerdere aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering wel melding gemaakt van eerdere rugklachten. Dit alles speelde recent voor de aanvraag in 2014. De uitleg die u geeft overtuigt ons niet. Daarom vinden wij dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat u bij de aanvraag in 2014 bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. Dit met als doel een verzekering af te sluiten waarvan u wist dat deze bij de ware kennis van zaken niet of niet op dezelfde wijze tot stand zou zijn gekomen.”
2.16.
Nationale- Nederlanden laat [eiser] in deze brief weten dat het voorgaande ertoe leidt dat er geen recht op uitkering bestaat, dat de verzekering wordt opgezegd en dat de gegevens van [eiser] worden opgenomen in de Gebeurtenissenadministratie, het Intern Verwijzingsregister, het Extern Verwijzingsregister en – onder mededeling aan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit – het Incidentenregister.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident
-
Nationale- Nederlanden beveelt om binnen zeven dagen na het vonnis de registraties van [eiser] in het Incidentenregister, het fraudeloket van het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit en het Extern Verwijzingsregister door te halen c.q. te (doen) verwijderen, onder oplegging van een dwangsom;
-
Nationale- Nederlanden beveelt om met terugwerkende kracht tot uitkering onder de verzekering over te gaan op basis van de polissen van 14 april 2021, te vermeerderen met wettelijke rente;
in de hoofdzaak
-
primair: Nationale- Nederlanden veroordeelt om met terugwerkende kracht tot volledige uitkering over te gaan op basis van een verzekerd bedrag van € 102.588 per jaar, te vermeerderen met wettelijke rente;
-
subsidiair: Nationale- Nederlanden veroordeelt om met terugwerkende kracht tot uitkering op basis van de polissen van 14 april 2021 over te gaan op basis van een verzekerd bedrag van € 102.588 per jaar, te vermeerderen met wettelijke rente;
-
meer subsidiair:
voor recht verklaart dat Nationale- Nederlanden tekortschiet in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst;
Nationale- Nederlanden beveelt om de mate van arbeidsongeschiktheid van [eiser] door medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vast te stellen, onder oplegging van een dwangsom;
Nationale- Nederlanden veroordeelt tot voldoening van het met de mate van arbeidsongeschiktheid overeenkomende bedrag gebaseerd op de dan geldende jaarrente, te vermeerderen met wettelijke rente;
Nationale- Nederlanden veroordeelt tot het (doen) verwijderen en verwijderd houden van de persoonsgegevens van [eiser] uit de externe en interne registers binnen twee dagen na betekening van het vonnis, onder oplegging van een dwangsom;
-
Nationale- Nederlanden veroordeelt tot vergoeding aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
-
Nationale- Nederlanden veroordeelt in de proceskosten (met inbegrip van de nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Primair legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat Nationale- Nederlanden gehouden is tot volledige uitkering op grond van de verzekering over te gaan. Van schending van de mededelingsplicht is geen sprake. Voor zover de rechtbank daarover anders oordeelt, is een opzettelijke verzwijging met de bedoeling om Nationale- Nederlanden te benadelen of zichzelf te bevoordelen in ieder geval niet aan de orde. Subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de verzekering terecht is geëindigd, is [eiser] van mening dat Nationale- Nederlanden gehouden is tot uitkering over te gaan op basis van de polissen van 14 april 2021, omdat daarmee een nieuwe verzekeringsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.
3.3.
Nationale- Nederlanden voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Centraal in deze zaak staat de vraag of Nationale- Nederlanden terecht is overgegaan tot opzegging van de verzekering wegens opzettelijke schending van de mededelingsplicht door [eiser] bij het aangaan van de verzekering.
Schending mededelingsplicht?
4.2.
Op grond van artikel 7:928 van het Burgerlijk Wetboek (BW) rust op een verzekeringnemer een mededelingsplicht bij het aangaan van een verzekeringsovereenkomst. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of [eiser] deze mededelingsplicht heeft geschonden. Voor een geslaagd beroep op schending van de mededelingsplicht moet voldaan zijn aan vier vereisten, namelijk (i) het kennisvereiste, (ii) het kenbaarheidsvereiste, (iii) het relevantievereiste en (iv) het verschoonbaarheidsvereiste. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of voldaan is aan het kennisvereiste, het kenbaarheidsvereiste en het relevantievereiste rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op Nationale- Nederlanden . De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of aan het verschoonbaarheidsvereiste is voldaan rusten op de verzekeringnemer.
Ad i: het kennisvereiste
4.3.
Het kennisvereiste houdt in dat de mededelingsplicht alleen feiten betreft die de verzekeringnemer kent of behoort te kennen. Hierbij moet worden uitgegaan van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer en alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen.
4.4.
Vast staat dat [eiser] een aangeboren rugafwijking heeft, namelijk congenitale scoliose door hemivertebra (een verkromming van de wervelkolom). [eiser] heeft ter zitting gesteld dat deze rugafwijking is ontdekt toen hij circa 10 jaar oud was. Nationale- Nederlanden heeft erop gewezen dat uit de medische informatie naar voren is gekomen dat [eiser] destijds in verband met deze afwijking een fysiotherapeut en een kinderorthopeed heeft bezocht (productie I bij conclusie van antwoord). Nationale- Nederlanden heeft er verder op gewezen dat [eiser] in 2000 in de [kliniek] is geweest. Dit blijkt uit de brief van 9 oktober 2018 van anesthesioloog [naam 3] , waarin onder de anamnese is opgenomen: “Dhr. is in 2000 ook al eens voor deze klacht in SMK geweest” (productie H bij conclusie van antwoord). Nationale- Nederlanden wijst ook nog op de brief van 17 februari 2021 van de aan het [ziekenhuis] verbonden orthopedisch chirurg [naam 4] (productie 11 bij dagvaarding). In deze brief is vermeld dat [eiser] onder meer in 2006 in dat ziekenhuis (door een andere arts) is gezien vanwege lage rugklachten. Uit de brief van [naam 4] blijkt verder dat [eiser] op 15 juni 2012, na een verwijzing door zijn huisarts, opnieuw het [ziekenhuis] heeft bezocht. Over dit bezoek heeft [naam 4] in zijn brief onder meer het volgende gemeld:
“vraag 2 t/m 6:
(…) Met name pijn in de rug, soms ook pijn in de benen. De meeste last ervaart hij in de weekenden want dan werkt hij niet. Hij deed vroeger Taekwondo op hoog niveau. Dat gaat niet meer. (…) ’s Ochtends heeft hij een paar uur nodig om de rug soepel te krijgen. (…) Betrokkene wilde vooral een verklaring dat hij niet geschikt was voor militaire dienst in [geboorteland].
(…)
[Bevindingen aanvullend onderzoek]
- Röntgen (B): hemivertebra L1. Ventrale helft van corpus L1 niet aangelegd. Kyphose van 55 graden. Kissing corpora van Th12 en L2 met aldaar osteofyten. Verder fraaie disci op thoracaal en lumbaal niveau.
- Conclusie: Chronische rugklachten op basis van congenitale kyphoscoliose. Ik gaf uitleg en instructies en verklaarde hem niet geschikt voor militaire dienst in [geboorteland]. Ik heb betrokkene nadien nooit meer teruggezien.”
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] in het verleden diverse keren artsen heeft bezocht in verband met zijn aangeboren rugafwijking, namelijk in zijn jeugd, in 2000, in 2006 en in 2012. Op 27 mei 2013 is er ook nog een notering van rugklachten in het huisartsenjournaal opgenomen.
4.6.
[eiser] heeft ter zitting betwist hij in het verleden (de rechtbank begrijpt dat dit ziet op de bezoeken in 2000 en 2006) bij artsen is geweest, althans dat hij dit niet meer weet. Hieraan gaat de rechtbank voorbij. Er is geen reden om aan te nemen dat de informatie in de medische stukken niet klopt en als het al zo is dat [eiser] niet meer weet dat hij op die momenten bij artsen is geweest in verband met zijn rugafwijking, dan kan hij dat Nationale- Nederlanden niet tegenwerpen omdat hij dat (nog) zou moeten weten. Dat geldt in ieder geval voor de bezoeken aan de huisarts en de orthopedisch chirurg in 2012, aangezien dit recent voor de verzekeringsaanvraag in 2014 is geweest. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank met Nationale- Nederlanden van oordeel is dat aan het kennisvereiste is voldaan.
Ad ii: het kenbaarheidsvereiste
4.7.
Het kenbaarheidsvereiste houdt in dat het moet gaan om informatie waarvan de verzekeringnemer weet of behoort te begrijpen dat de beslissing van de verzekeraar over het aangaan van de verzekeringsovereenkomst daarvan afhangt of kan afhangen.
4.8.
[eiser] betwist dat aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij voorafgaand aan de verzekeringsaanvraag nooit last heeft gehad van zijn rug en dat hij zich ten tijde van de aanvraag gezond en fit voelde en bovendien geen fysiek zwaar werk verrichte, zodat er geen reden was om aan te nemen dat zijn rugafwijking een rol zou spelen bij de acceptatie. De rechtbank gaat aan dit verweer van [eiser] voorbij. In de gezondheidsverklaring is niet alleen gevraagd naar klachten, maar naar “aandoeningen, ziekten, klachten en/of gebreken” (zie onder 2.4). Ook is uitdrukkelijk gevraagd of een “huisarts, hulpverlener of arts” is bezocht (zie ook onder 2.4). Duidelijk was dus dat de rugafwijking en (in ieder geval) het recente bezoek aan de huisarts en orthopedisch chirurg [naam 4] Nationale- Nederlanden interesseerde. Dat het bezoek aan [naam 4] alleen was bedoeld om vrijgesteld te worden van de wettelijk verplichte dienstplicht in [geboorteland] (en dat volgens [eiser] de klachten in verband daarmee zijn aangedikt) maakt dit niet anders, zeker gelet op de diverse door [naam 4] beschreven afwijkingen van de rug. Gelet op de duidelijke vragen in de gezondheidsverklaring (zie onder 2.4) en de in die verklaring en het aanvraagformulier opgenomen waarschuwingen om de vragen juist en volledig te beantwoorden (zie onder 2.2, 2.3 en 2.6), is de rechtbank met Nationale- Nederlanden van oordeel dat [eiser] had moeten begrijpen dat de rugafwijking en het in verband hiermee afgelegde artsenbezoek van belang kon zijn voor de beslissing van Nationale- Nederlanden . Dat het rapport van [naam 4] uiteindelijk niet heeft geleid tot een vrijstelling van de dienstplicht op medische gronden doet daar niet aan af.
Ad iii: het relevantievereiste
4.9.
Aan het relevantievereiste is voldaan als de feiten die hadden moeten worden gemeld relevant waren voor de verzekering, in die zin dat die tot een voor de verzekeringnemer ongunstigere beslissing zouden hebben geleid
4.10.
Nationale- Nederlanden heeft gesteld dat het melden van de rugafwijking en de in verband daarmee bestaande medische voorgeschiedenis van [eiser] in de gezondheidsverklaring en bij de medische keuring ertoe zou hebben geleid dat een voor [eiser] ongunstigere beslissing zou zijn genomen als bedoeld in artikel 7:928 lid 4 BW. In dat geval zou volgens Nationale- Nederlanden namelijk een beperkende voorwaarde in de verzekering zijn opgenomen voor de gehele wervelkolom. Nationale- Nederlanden heeft hierbij gewezen op het medisch advies van [naam 2] van 3 maart 2021 en de polissen van 14 april 2021. Dit is volgens Nationale- Nederlanden wat een redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid met de ware stand van zaken zou hebben besloten. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, als Nationale- Nederlanden voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekering bekend zou zijn geweest met de medische informatie met betrekking tot de rugafwijking van [eiser] , een uitsluitingsclausule ten aanzien van de gehele wervelkolom zou zijn opgenomen.
Ad iv: het verschoonbaarheidsvereiste
4.11.
Volgens [eiser] komt Nationale- Nederlanden geen beroep toe op schending van de mededelingsplicht omdat zijn rugafwijking bij het onderzoek door de keuringsarts niet naar voren is gekomen. Nationale- Nederlanden heeft volgens [eiser] de keuringsarts uitdrukkelijk gevraagd om te letten op de functie en vorm van de rug. Als de keuringsarts dit had gedaan, had hij de rugafwijking volgens [eiser] moeten opmerken. Dat Nationale- Nederlanden niet van de rugafwijking op de hoogte was is daarom aan haarzelf te wijten.
4.12.
Dit standpunt van [eiser] kan niet worden gevolgd. Dat er een medische keuring is uitgevoerd op verzoek van Nationale- Nederlanden en dat de rugafwijking daar niet is opgemerkt, neemt niet weg dat [eiser] bij de aanvraag heeft nagelaten zijn rugafwijking te noemen en meerdere vragen in de gezondheidsverklaring en bij de medische keuring ten onrechte ontkennend heeft beantwoord. Hij kan Nationale- Nederlanden dan niet met succes tegenwerpen dat zij de relevante feiten reeds behoorde te kennen. De rechtbank gaat er hierbij van uit dat, zoals door Nationale- Nederlanden aangevoerd, de vraag over de stand van de rug een standaardvraag betrof en dat de keuringsarts – mede omdat [eiser] niet meldde dat er iets met zijn rug aan de hand was (geweest) – daar niet specifiek op gericht is geweest. [eiser] kan zich ook niet beroepen op de hierna te noemen – door hemzelf betwiste – eerdere verzekeringsaanvraag, nu deze door Nationale- Nederlanden gestelde aanvraag niet tot de totstandkoming van een verzekering heeft geleid en de stukken met betrekking tot die eerdere aanvraag daarom zijn vernietigd. De rechtbank concludeert dat Nationale- Nederlanden mocht vertrouwen op de juistheid van de door [eiser] gedane mededelingen. Juist door het geven van onjuiste antwoorden door [eiser] bestond er voor Nationale- Nederlanden geen aanleiding om de rug nader te (laten) onderzoeken. Het niet opmerken van de rugafwijking door de keuringsarts en het achterwege laten van een nader onderzoek kan Nationale- Nederlanden in deze situatie niet worden tegengeworpen.
Conclusie
4.13.
De rechtbank concludeert dat aan de vier vereisten voor een geslaagd beroep op schending van de mededelingsplicht is voldaan. [eiser] had bij de aanvraag van de verzekering zijn rugafwijking en de in verband met deze afwijking afgelegde bezoeken aan artsen moeten melden. Door dit na te laten heeft [eiser] de op hem rustende mededelingsplicht geschonden.
Opzet tot misleiding?
4.14.
Beoordeeld moet vervolgens worden of [eiser] bij zijn verzwijging heeft gehandeld met de bedoeling Nationale- Nederlanden ertoe te bewegen een verzekeringsovereenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vraag of sprake is van opzettelijke misleiding rusten op Nationale- Nederlanden .
4.15.
Zoals hiervoor al is overwogen heeft [eiser] een aangeboren rugafwijking die is ontdekt in zijn jeugd. Gebleken is dat [eiser] in verband met deze rugafwijking meermaals artsen heeft bezocht. De rechtbank gaat er op basis van de overgelegde medische informatie van uit dat dit onder meer het geval is geweest in 2000 (bezoek aan de [kliniek]) en in 2006 (bezoek aan het [ziekenhuis]). De rechtbank is van oordeel dat deze bezoeken bij de aanvraag van de verzekering bij [eiser] nog in zijn geheugen hadden moeten liggen. Maar dat geldt zeker voor de recent voor de aanvraag afgelegde bezoeken aan de huisarts en orthopedisch chirurg [naam 4] . [eiser] heeft zijn aangeboren rugafwijking bij de aanvraag echter niet gemeld en meerdere vragen in de gezondheidsverklaring en bij de medische keuring onjuist beantwoord (zie onder 2.5 en 2.7). Met Nationale- Nederlanden is de rechtbank van oordeel dat hieruit een opzet tot misleiding kan worden afgeleid.
4.16.
Daar komt nog bij dat Nationale- Nederlanden erop heeft gewezen dat uit het huisartsenjournaal blijkt dat eerder (op 23 augustus 2012) door Delta Lloyd medische informatie met betrekking tot rugklachten van [eiser] is opgevraagd (productie E bij conclusie van antwoord). Hieruit kan worden afgeleid dat er eerder een arbeidsongeschiktheidsverzekering door [eiser] is aangevraagd en dat daarbij (wel) melding is gemaakt van rugklachten en dat er naar aanleiding daarvan medische informatie is opgevraagd. Daarvan uitgaande, ligt het in de rede dat de verzekeraar destijds naar aanleiding van de informatie van de huisarts beperkingen heeft voorgesteld voor de te sluiten verzekeringsdekking en dat dit een rol heeft gespeeld bij de aanvraag die [eiser] later deed bij Nationale- Nederlanden , waarbij hij zijn rugafwijking en rugklachten niet heeft gemeld. [eiser] betwist dat, maar hij heeft geen andere verklaring gegeven voor het feit dat de huisarts dit noteerde en/of dat Delta Lloyd informatie over rugklachten opvroeg. [eiser] heeft er alleen op gewezen dat de informatie van zijn voormalig huisarts niet betrouwbaar is, maar dat heeft hij niet onderbouwd en dat is zonder nadere toelichting of onderbouwing niet aannemelijk.
4.17.
Het voorgaande maakt dat Nationale- Nederlanden voldoende heeft onderbouwd dat [eiser] bij de aanvraag in 2014 door het niet vermelden van zijn rugaandoening bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, met als doel een verzekering af te sluiten waarvan hij wist dat deze bij de ware kennis van zaken niet of niet op dezelfde wijze tot stand zou zijn gekomen.
Tijdig voldaan aan waarschuwingsplicht?
4.18.
De vraag is dan nog of Nationale- Nederlanden de gevolgen van de (opzettelijke) schending van de mededelingsplicht bij brief van 29 april 2021 terecht heeft ingeroepen. Artikel 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Dit betekent dat er op de verzekeraar een waarschuwingsplicht rust zodra hij ontdekt dat de verzekeringnemer de precontractuele mededelingsplicht heeft geschonden. Om te kunnen spreken van een ontdekking is een enkel vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet voldoende. Nodig is dat de verzekeraar daaromtrent een voldoende mate van zekerheid heeft. De stelplicht en bewijslast rusten op de verzekeraar.
4.19.
[eiser] is van mening dat Nationale- Nederlanden hem niet tijdig heeft gewaarschuwd omdat de medisch adviseur op 22 oktober 2020, althans op 16 december 2020 al informatie van de huisarts had ontvangen waarin melding is gemaakt van eerdere rugklachten. Die informatie van de huisarts was naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende concreet om te kunnen spreken van een ontdekking. Nationale- Nederlanden mocht eerst nader onderzoek (laten) doen naar de genoemde rugklachten. Op 1 maart 2021 is de brief van 17 februari 2021 van orthopedisch chirurg [naam 4] door [naam 2] gezien. Met Nationale- Nederlanden is de rechtbank van oordeel dat pas op dat moment gesproken kon worden van een ontdekking als bedoeld in artikel 7:929 lid 1 BW. Op 25 maart 2021 heeft Nationale- Nederlanden [eiser] vervolgens gewezen op de discrepantie tussen zijn opgave bij de aanvraag van de verzekering en de ontvangen medische informatie onder vermelding van de mogelijke gevolgen (zie onder 2.12). Nationale- Nederlanden heeft dus tijdig voldaan aan haar waarschuwingsplicht. De gevolgen van de geconstateerde schending van de mededelingsplicht zijn dan ook bij brief van 29 april 2021 terecht ingeroepen.
Gevolgen opzettelijke schending mededelingsplicht?
4.20.
De opzettelijke verzwijging door [eiser] leidt ertoe dat Nationale- Nederlanden gerechtigd was de overeenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen (artikel 7:929 lid 2 BW) en dat Nationale- Nederlanden geen uitkering is verschuldigd (artikel 7:930 lid 5 BW). Dit betekent dat de primaire vordering niet toewijsbaar is.
Nieuwe overeenkomst?
4.21.
Subsidiair heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat met de polissen van 14 april 2021 een nieuwe verzekeringsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Ook aan dit standpunt gaat de rechtbank voorbij. De polissen zijn verstuurd terwijl het onderzoek naar de schending van de mededelingsplicht door [eiser] nog in gang was. Op 25 maart 2021 was nog een e-mail aan [eiser] gestuurd met nadere onderzoeksvragen, welke vragen door [eiser] zijn beantwoord op 20 april 2021, dus na ontvangst van de polissen van 14 april 2021. Van belang in dit verband is bovendien dat Nationale- Nederlanden heeft gesteld dat de brief van 3 maart 2021 van [naam 2] , waarin het advies tot het alsnog opnemen van een clausule was opgenomen, pas met de opzeggingsbrief van 29 april 2021 aan [eiser] is verstuurd. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Van dat advies van [naam 2] was [eiser] dus op het moment van ontvangst van de polissen nog niet op de hoogte. Dat er niettemin polissen met een uitsluitingsclausule werden toegestuurd hield volgens Nationale- Nederlanden alleen verband met de jaarlijkse prolongatie. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat Nationale- Nederlanden aan [eiser] een aanbod heeft gedaan om de verzekeringsovereenkomst met uitsluitingsclausule voort te zetten en [eiser] de polissen van 14 april 2021 als zodanig mocht opvatten. Met het versturen van die polissen is dus geen nieuwe verzekeringsovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen.
Registraties op goede gronden verricht?
4.22.
Uit het oordeel dat [eiser] heeft gehandeld met het opzet om Nationale- Nederlanden te misleiden, vloeit voort dat Nationale- Nederlanden gerechtigd was de persoonsgegevens van [eiser] op te nemen in de diverse registers met melding aan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit. Er is onvoldoende gebleken van zwaarwegende belangen van [eiser] die hieraan in de weg staan. [eiser] heeft er wel op gewezen dat het voor hem niet meer mogelijk is (zowel zakelijk als privé) om normale (de rechtbank begrijpt: betaalbare) verzekeringen af te sluiten, maar dit vormt onvoldoende grond om de registraties ongedaan te maken.
Slotsom
4.23. Het voorgaande leidt ertoe dat er geen grondslag bestaat voor toewijzing van de vorderingen (zowel in het incident als in de hoofdzaak) van [eiser] . Gelet hierop bestaat er ook geen grond voor toewijzing van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen. Rechtbank Den Haag 25 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4849
