Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Noord-Nederland 140617 Tussenvonnis. Whiplashklachten dierenarts na verkeerd gezette ruggenprik. Fraudeonderzoek ass. leidt niet tot bewijs frauduleus handelen

Rb Noord-Nederland 140617 Tussenvonnis. Whiplashklachten dierenarts na verkeerd gezette ruggenprik. Fraudeonderzoek ass. leidt niet tot bewijs frauduleus handelen;
- Rb wil opnieuw een deskundige benoemen om causaal verband vast te stellen.

Zie ook: rb-noord-nl-261114-whiplash-dierenarts-instellen-feitenonderzoek-en-persoonlijk-onderzoek-niet-onrechtmatig-bewijs-wordt-niet-uitgesloten
hof-arnhem-leeuwarden-090216-whiplash-dierenarts-persoonlijk-onderzoek-onrechtmatig-voor-bewijs-uitgesloten

2. De vaststaande feiten 
2.1. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten die tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist, vaststaan. 

2.2. X heeft een universitaire opleiding diergeneeskunde afgerond. Zij heeft zich gespecialiseerd in diergeneeskunde bij paarden. X heeft na afronding van haar studie gedurende enige tijd als dierenarts in loondienst gewerkt. In april 2007 hebben X en haar partner (die zich ook professioneel met paarden bezighoudt) een boerderij met stallen en weidegrond aangekocht, met de intentie om daar een bedrijf op te richten. Dat bedrijf, <bedrijfsnaam>, waarvan X en haar partner vennoot zijn en dat zich richt op de revalidatie van paarden, is ook opgericht. 

2.3. In de periode van juli 2006 tot en met juli 2007 heeft X onder medische behandeling gestaan in verband met door haar ondervonden rugklachten, hoofdpijnklachten en vermoeidheidsklachten na een in 2006 verkeerd gezette ruggeprik.

2.4. Op 5 september 2006 heeft X zich bij het UWV gemeld met hoofdpijn-, nek- rug- en vermoeidheidsklachten die volgens haar het gevolg waren van die verkeerd gezette ruggeprik. Door deze melding is de toepasselijke wachttijd van 104 weken gaan lopen. X heeft zich in deze periode van 104 weken van die wachttijd niet beter gemeld, zodat op 2 september 2008 haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend. 

2.5. X die zich destijds tegen het risico van arbeidsongeschiktheid had verzekerd bij Movir, heeft een beroep gedaan op een uitkering op grond van haar arbeidsongeschiktheid. 

2.6. Met ingang van 5 september 2006 heeft Movir X ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100 op grond waarvan zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering verkreeg. In verband hiermee is door X medische informatie aan Movir verstrekt, die in de loop van deze procedure in het geding is gebracht. 

2.7. Uit die informatie blijkt dat X op 1 maart 2007 Movir informeert dat zij last heeft van rugpijn, continu hoofdpijn heeft en kampt met vermoeidheid, waardoor zij niet kan werken en haar werkzaamheden ook niet kan hervatten. Op 17 mei 2007 rapporteert de arbeidsdeskundige van Movir dat X nog niet is hersteld. Uit dat rapport blijkt verder dat de arbeidsdeskundige op 28 augustus 2007 telefonisch contact met X heeft gehad en dat op dat moment niet over herstel is gesproken. 

2.8. Op 28 augustus 2007 is X betrokken geraakt bij een verkeersongeval, een kopstaartbotsing. Zij was op dat moment 28 jaar oud. 

2.9. X heeft Nationale Nederlanden, de WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval, aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van het ongeval geleden (letsel)schade. Nationale Nederlanden heeft aansprakelijkheid erkend. 

2.10. Nationale Nederlanden heeft aan X voorschotten uitgekeerd. Tussen partijen is aanvankelijk geen overeenstemming bereikt overeen definitieve schadeafwikkeling, omdat tussen partijen in geschil is of de door X gestelde klachten en beperkingen al dan niet het gevolg zijn van het ongeval. 

2.11. Om de causaliteit tussen de door X gestelde klachten en beperkingen met het ongeval vast te stellen, zijn door partijen verschillende deskundigen ingeschakeld. 

2.12. Op 17 juli 2008 heeft: de re-integratiedeskundige De Vree en op 25 november 2008, 7 juli 2009, 26 november 2009 en 10 februari 2010 de re-integratiedeskundige Dagan in opdracht van beide partijen over de beperkingen en activiteiten van X gerapporteerd. In deze rapporten is voor zover van belang, het volgende vermeld: 

- rapport van 17 juli 2008: 

Zij probeert wat hand- en spandiensten te verlenen tijdens het voederen en verzorgen van de paarden en de huisdieren (honden en katten), Van een substantiële bijdrage kan nog geen sprake zijn in dit stadium, aldus betrokkene. Wel onderhoudt zij de contacten met de eigenaren van de paarden en zij verricht de administratieve taken. Overigens verdeelt zij deze taken over de gehele week. Verder doet zij de boodschappen en kookt zij merendeels. 
(...) 
Hoewel het al in het toekomstbeeld besloten lag, is betrokkene nu sneller genoodzaakt over te gaan op een meer holistische behandeling van de paarden. Een aanzet hiertoe is de opleiding acupunctuur in De Bilt. Wat betreft de holistische behandeling overweegt betrokkene de opleiding Holistische Diergeneeskunde te volgen. Dit is een 4 jarige opleiding in De Bilt bij de Stichting Educatie Holistische Diergeneeskunde (S TEHD). 

- rapport van 25 november 2008: 

Betrokkene legt uit dat de opleiding Acupunctuur onderdeel uitmaakt van de opleiding tot Holistische dierenarts. Na de module Acupunctuur volgen nog modules als homeopathie, fytotherapie (kruidengeneeskunde), gedrag en lecherantenne (energetische therapie). Betrokkene schat in nog circa 4 jaar nodig te hebben voor deze studie. Na afronding van de module Acupunctuur is zij bevoegd veterinaire acupuncturist. Wanneer zij alle modules heeft behaald is zij bevoegd holistisch dierenarts. ( ... ) 
Betrokkene geeft aan dal zij zich 's morgens op haar best voelt. Op werkdagen (maandag tot en met vrijdag) rijdt zij elke ochtend 30 minuten paard. Betrokkene ziet dit als therapie. Zij verricht administratieve taken en onderhoudt de contacten met de eigenaren van de paarden. 

- rapport van 7 juli 2009: 
Betrokkene heeft een start gemaakt met de hervatting van haar oorspronkelijke werkzaamheden als dierenarts. Hierbij ondervindt zij een toename van pijnklachten aan het hoofd, de nek en schouders. 
Betrokkene is bewust bezig met hel doseren van de omvang, inhoud en tempo van het werk. Na 3 maanden wil zij de balans opmaken en evalueren of zij het huidige niveau continueert of dat een geleidelijke opbouw tot de mogelijkheden behoort. 

- rapport van 26 november 2009: 

In het voortgangsbericht van 7 juli 2009 deelde ik u mee dal betrokkene 2 dagdelen per week was gestart met de hervatting van haar werkzaamheden. (...) 
Desgevraagd geeft zij aan dat haar dagritme bestaat uit lichte huishoudelijke taken, zoals boodschappen doen en koken afgewisseld met rusten. (...) 
Uit het bovenstaande kunt u opmaken dat betrokkene nog altijd een lage en wisselende belastbaarheid ervaart. In de maanden mei, juni en juli 2009 heelt zij 2 dagdelen per week gewerkt. Het is haar niet gelukt dit vol te houden danwel weer op te starten. In dit licht sprak ik met haar en partijen over het aanbieden van een belastbaarheidverhogende training.
Aangezien betrokkene en u hierover positief zijn, verneem ik graag of ook uw medisch adviseur zich hierin kan vinden. " 

2.13. Op 27 mei 2010 heeft de neuroloog prof. dr. A.W.F. Rutgers in gezamenlijke opdracht van partijen onderzoek verricht naar de medische situatie van X. Rutgers heeft op 24 september 2010 gerapporteerd. In de anamnese van zijn rapport heeft Rutgers. voor zover hier van belang, vermeld: 
Wat ze wel en niet kan is heel onvoorspelbaar, per dag onafhankelijk. Gemiddeld heeft ze per week 2-3 dagen zware migraine en 2-3 dagen hoofdpijn: Nu en dan is is er een dag dat ze fris in het hoofd is, goed kan denken.( ... ) 
Ze kan op een dag haar ADL doen. Stofzuigen lukt helemaal niet. Ze wandelt met hondjes, op therapeutische basis probeert ze paard te rijden. Daar zat geen stijgende lijn in, ze deed het een halfuur per dag. Computerwerk kan alleen afhankelijk van hoe ze zich voelt. Ze is nu 34 weken zwanger. Sinds 3 maanden - veel bloedverlies, bekkeninstabiliteit - doet ze heel weinig, ligt ze veel op bed. Haar werk als dierenarts is eigenlijk na het ongeluk ongeveer nihil geweest. Ze kan de handelingen niet doen, kan niet altijd opletten. Ze kan van tevoren niet voorspellen hoe ze is. Ze heeft het vorig jaar geprobeerd, maar het lukte niet (...)

Werksituatie: 
( ... ) 
Toen ze beter werd hebben ze een bedrijfsplan opgezet voor een paardenrevalidatiecentrum. Ze hebben daar een boerderij in Ter Apel voor gekocht. Zij zou daar het diergeneeskundig deel doen. Daarnaast zou ze als sportarts paarden behandelen. Revalidatie doet haar vriend. Voor de begeleiding komen 2 collega 's. Haar titel helpt wel hij het binnenhalen van klanten. ( ...) Zij is te traag om zelf dingen te kunnen doen bij paarden. (, .. ) Ze onderhoudt nu het contact met de klanten. Het financiële stuk heeft ze moeten afstaan, omdat ze niet lang achter de computer kan zitten. Ze doet wel het factureren. 

Hobby's: 
Paarden, paardrijden. ze heeft voorheen op hoog niveau gereden. Nu rijdt ze beperkt. (...) Ze kookte thuis wel, boodschappen deed ze met weinig tillen (...) Als ze iets sociaals doet en het is druk heeft ze erna meer last. 

2.14. De aan hem voorgelegde vraag 1 F - Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven? - heeft Rutgers als volgt beantwoord: 
Betrokkene heeft een weke delen letsel van de nek gehad, met postwhiplash syndroom. Er zijn geen aanwijzingen voor (doorgemaakte) neurologische uitvalsverschijnselen. Er is een combinatie van persisterende pijnklachten in nek en hoofd, bewegingsbeperking van de nek en vegatieve dysregulatie, met klachten over haar inspanningsvermogen en cognitief functioneren. Om meer helderheid over eventuele beperkingen in het cognitief 'functioneren te krijgen werd een neuropsychologisch onderzoek verricht, waarbij lichte stoornissen in het visuele geheugen, stoornissen in de aandachtsfuncties en verhoogde vermoeibaarheid gevonden worden. Differentiaal diagnostisch vind ik geen aanwijzingen voor andere diagnoses.

2.15. Rutgers heeft, in antwoord op vraag 2C, aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er op zijn terrein klachten en verschijnselen zijn die X ook zou hebben gekregen zonder het ongeval. 

2.16. Op 23 juni 2010 heeft neuropsycholoog drs. G. Kraaijenbrink onderzoek verricht naar de medische situatie van X. Kraaijenbrink heeft op 24 september 2010 gerapporteerd. De resultaten van het onderzoek van Kraaijenbrink zijn door Rutgers in diens rapport betrokken. In de anamnese in het rapport van Kraaijenbrink is onder meer het volgende vermeld: 
Samen met hem is ze nu een bedrijf begonnen, een revalidatiecentrum voor paarden en dat begint nu erg goed te lopen. Men heeft inmiddels een wachtlijst. Betrokkene kan echter nauwelijks een rol spelen in het bedrijf de diergeneeskundige zorg wordt waargenomen door externe dierenartsen. Het enige dat betrokkene kan doen is wal observeren en wat lichte hand en spandiensten verrichten. Zo houdt ze afspraken bij, brengt ze de koffie als er gasten zijn, ontvangt ze wat klanten en doet ze kleine boodschapjes. Ze heeft echter de moed nog niet opgegeven, misschien dat ze over een tijd iets meer kan en hijvoorbeeld halve dagen kan gaan werken. In dat stadium is ze echter nu nog niet. (... ) 
Paardrijden lukt niet meer, het is althans geen feest. Er is nu een paard geselecteerd dat heel "vlak" rijdt, mogelijk dat betrokkene daar in de toekomst weer wat op kan rijden. 

2.17. In een aanvullend rapport van 15 april 2011 heeft Rutgers vragen beantwoord van de medisch adviseur van Nationale Nederlanden naar aanleiding van zijn eerste rapport. Een van de vragen betrof het verband tussen het ongeval en de migraine. Op die vraag heeft Rutgers geantwoord: 
Op deze vraag is moeilijk een concreet, kwantitatief antwoord te geven. De beschreven multifactoriële genese. waarbij intrinsieke aan de persoon gebonden kenmerken een belangrijke rol spelen, ondersteun ik. Exogene factoren, zoals een trauma, spelen eveneens een rol.

Bij betrokkene was - op grond van anamnestische gegevens - voor het ongeval geen sprake van migraine. Sinds het ongeval heeft ze veel hinder van de migraineklachten. Hel ongeval lijkt bij haar daarom een belangrijke exogene factor in het ontstaan van migraine te zijn en ertoe geleid te hebben dat de voor dit ongeval niet-manifeste migraine-aanleg manifest is geworden. In het klachtenpatroon van betrokkene speelt de hoofdpijn, met kenmerken van migraine, een dominante rol. 2-3 dagen per week kan ze weinig doen door migraine. De migraine wordt uitgelokt door lichamelijke activiteit, waardoor ze zich ook op de dagen zonder migraine beperkt kan inspannen. In het geheel van haar klachten en beperkingen lijkt de migraine daarom een prominente rol te spelen. 

2.18. De UWV-arts Dijkstra heeft op 30 juni 2011 een rapportage opgesteld. In dat rapport is onder meer het volgende vermeld: 
Ze tilt haar kind van bijna 1 jaar zo min mogelijk (doet veel op de grond), maar tilt haar kind wel als het moet. Boodschappen doet ze zelf maar zorgt er dan ook voor dat ze niet te zwaar tilt. (...) Computeren doet ze daarom niet langer dan een kwartier achter elkaar. Auto rijden in de regen is ook lastig omdat ze dan teveel geconcentreerd moet opletten. ( ... ) Ze heeft 2 of 3 jaar een revalidatie behandeling gehad. Dit heeft niet geholpen. Wel heeft ze geleerd de pijn te accepteren en haar leven nu in te richten naar haar lijf ( ... ) 
Betrokkene gaat dan zelf 3 a 4 keer per week een half uurtje paard rijden op een goed getraind paard. Dat gaat wel goed (van fitness kreeg ze teveel last, paardrijden gaal veel beter en is belangrijk om de wervelkolom soepel te houden). Bekijkt dan bijvoorbeeld weer even de mail, kookt eten, doet een spelletje met de kleine en die gaat dan om half 8 naar bed. ( ... ) 
Cliënte wil haar eigen werk weer voor een deel gaan oppakken (accupunctuur geven aan paarden). Ze wil eerst proberen 4 paarden per week te zien, verdeeld over 2 dagen. Per paard/eigenaar is ze dan ongeveer 3,4 uur bezig. Ze moet zich dan wel goed kunnen concentreren maar denkt dat ze dat die tijd wel volhoudt, ook omdat ze in die uur ook kan afwisselen met wal lichamelijk werk (naalden prikken). 

2.19. Op 20 juli 2011 is door UWV-arbeidsdeskundige H. Brakels gerapporteerd. In de samenvatting van zijn rapport heeft hij onder meer vermeld: Mevrouw X zal enkele werkzaamheden in het eigen bedrijf, een paardenrevalidatie bedrijf gaan verrichten. Het bedrijf heeft te samen met haar echtgenoot in de vorm van een V.O.F. Of dat ook inkomsten als zelfstandige zal gaan inhouden is nu nog niet bekend. Mevrouw X zal ons inlichten zodra ze inkomsten zal hebben als zelfstandige. 

2.20. Dit rapport en dat van Dijkstra zijn ter kennis gebracht van Nationale Nederlanden. 

2.21. In een brief van 4 januari 2012 heeft de advocaat van X onder meer het volgende geschreven aan de advocaat van Nationale Nederlanden: 
Cliënte is inmiddels weer in staat om een aantal paarden per week te behandelen, maar dat aantal is wel beperkt tot 4-6 paarden. Het behandelen van een groter aantal paarden blijkt (fysiek) te belastend. 

2.22. Ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Movir heeft de afdeling arbeidsdeskundig advies van CED Mensenwerk een drietal rapporten opgesteld: op 6 oktober 2008, 17 februari 2009, en 26 februari 2013. Deze rapporten heeft X op 8 april 2013 aan Nationale Nederlanden toegezonden. In het rapport van 26 februari 2013 is onder meer het volgende vermeld: 
Dit heeft haar veel inzicht gegeven in wat de klachten doet toenemen. Zij kan e.e.a. daardoor nu beter 'managen' en het beloop van haar klachten vertoont hierdoor een vlakkere lijn. Zij vertelt hierover het volgende: haar klachten zijn belastingafhankelijk. ( ...)
Autorijden gaat goed zolang zij niet in de regen of in het donker rijdt. ( ... ) 
Zij probeert weer wat paard te rijden maar kan dat alleen op paarden die 'los in de mond' zijn omdat zij geen trekkracht kan verduren. ( ... ) 
Zij vult (naast een beperkte arbeidsinzet; zie 2.2.3) haar dagen met de zorg voor de kinderen, helt verspreid over de week - doen van boodschappen, het kijken naar de training van paarden in de bak naast het huis. Dit laatste slechts beperkt want alleen meekijken is al belastend. Zij doet alles in kleine stukjes. ( ... ) Men voert een VOF onder de naam <naam>. (. .. ) 
Inmiddels werkt zij 1 x per 2 weken 2,5 uur, meest op woensdagmiddag, soms op vrijdag of zaterdag. Zij selecteert op 'leuke' mensen en paarden. Gedurende deze 2,5 uur ziet zij ca. 5 paarden. Een behandeling bestaat uit het goed kijken naar een patiënt, het opstellen van een behandelplan en het toepassen van chiropractie en acupunctuur. Verzekerde stelt dat dit fysiek niet zwaar is, het komt grotendeels aan op techniek. Voor het zwaardere werk, zoals wervelkolomonderzoek worden derden ingehuurd. 

Andere activiteiten zijn: 
• 1 x per 4-6 weken (wanneer zij haar moeder in het 'westen van het land bezoekt) het zien van een of meerdere paarden in een stal te Rijnsburg. 
• Ondernemerstaken; beantwoorden van post en mail, overleg. ca. 2 uur per week. 
• Het verzorgen van een module functionele anatomie aan de eigen opleiding voor instructeurs en trainers. d.w.z.,1 keer per jaar 2 uur. 
• Nascholing. ca. 5 dagdelen per jaar. 

2.23. Op 1 mei 2013 hebben mevrouw Van der Wurf, schaderegelaar van Nationale Nederlanden en de advocaat van Nationale Nederlanden, in het bedrijfspand van <bedrijsnaam> een gesprek gevoerd met X en haar advocaat. Van dit gesprek heeft Nationale Nederlanden geen verslag gemaakt. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat een onderzoek zou worden verricht door een orthopeed en een verzekeringsarts en dat opdracht zou worden gegeven voor een bedrijfseconomisch onderzoek. Overeen (nieuw) onderzoek dooreen neuroloog, dat door Nationale Nederlanden werd gewenst, werd geen overeenstemming bereikt. 

2.24. De heer R.L de Hoop van Nationale Nederlanden heeft, nadat mr. Van der Kolk en Van der Wurf hadden gerapporteerd over het gesprek van 1 mei 2013, een zogeheten "deskresearch" uitgevoerd naar de activiteiten van X. 

2.25. Medio juni 2013 heeft Nationale Nederlanden aan CED Forensic opdracht verstrekt tot het verrichten' van een observatie op zaterdag 29 juni 2013. CED Forensic heeft van de observatie een rapport d.d. 30 juni 2013 opgemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft Nationale Nederlanden opdracht gegeven tot vervolgobservaties op 4 en 5 juli 2013, waarover op 23 juli 2013 is gerapporteerd, op 26 en 27 september 2013, waarover op 29 september 2013 is gerapporteerd en op 4 tot en met 6 november 2013, waarover op 8 november 2013 is gerapporteerd. Bij de genoemde rapporten zijn een observatieverslag en een DVD met video- opnames gevoegd. Gedurende de periode van de observaties heeft Nationale Nederlanden op internet gezocht naar meer informatie over de activiteiten van X. 

2.26. Op 15 juli 2013 heeft Nationale Nederlanden aan X medegedeeld dat zij zonder nader/aanvullend onderzoek door een in hoofdpijnklachten gespecialiseerd neuroloog niet bereid is de hoofdpijn- en migraineklachten van X aan het ongeval toe te rekenen. 

2.27. In een brief van 15 januari 2014 heeft de advocaat van Nationale Nederlanden de advocaat van X de observatierapporten (met bijlagen) en de resultaten van het deskonderzoek toegestuurd. In deze brief heeft de advocaat van Nationale Nederlanden onder meer het volgende geschreven: 
Het standpunt van mijn cliënte is - om het maar direct duidelijk te maken - dat uw cliënte in de afgelopen periode in strijd met de waarheid heeft verklaarden dat zij ten onrechte uitkeringen heeft gehad. Mijn cliënte stelt zich op het standpunt dat de betaalde voorschotten terugbetaald moeten worden. Ook behoud ik mij namens cliënte alle rechten voor om daarnaast andere rechtsmaatregelen te nemen. ( ... ) 

De indruk is ontstaan dat uw cliënte meer claimt dan gerechtvaardigd is. Nu het hier gaat om een grote financiële vordering en nader medisch onderzoek niet meer aan de orde is -uw cliënte heeft dat expliciet aangegeven - is door de afdeling Speciale Zaken (fraudecoördinator) van mijn cliënte besloten om nader onderzoek te doen via een persoonlijk onderzoek. 

In het kader van dat persoonlijk onderzoek is de facebook-pagina van uw cliënte bekeken en is ook andere openbare informatie die via een desk research verkregen kon worden verzameld. Vervolgens is besloten om het persoonlijk onderzoek uit te breiden tot het volgen en filmen van uw cliënte. Uit hetgeen daarbij aangetroffen is trekt mijn cliënte de conclusie dat uw cliënte normaal functioneert. Zij draagt de boodschappen ook als haar partner daarbij aanwezig is. Tijdens een foto op Nieuwjaarsdag 2014 draagt zij in aanwezigheid van haar partner- zo op het oog het zwaarste van de twee kinderen op een arm. Zij presenteert en neemt deel aan evenementen op het bedrijf waarbij zij langdurig wordt belast. Ook rijdt zij wel degelijk paard. Kortom, in de visie van mijn cliënte functioneert zij als ieder ander en wordt zij in ieder geval niet belemmerd door enige beperking als gevolg van het ongeval. Dit terwijl zij zelf uitdrukkelijk en bij herhaling heeft aangegeven wel in ernstige mate belemmerd te zijn als gevolg van het ongeval. 

2.28. In maart 2014 heeft X deze rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Dat verzoek is toegewezen. Deze rechtbank heeft als getuigen gehoord X, haar partner; haar moeder, de partner van de moeder van X en een vriendin. De verklaringen van deze getuigen zijn neergelegd in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 juli 2014. 

2.29. Bij brief van 22 mei 2014 heeft orthopedisch chirurg dr. M.C. de Waal Malefijt verslag uitgebracht van het expertiseonderzoek dat op 30 december 2013 bij X is uitgevoerd. Hij heeft gerapporteerd dat hij geen orthopedische afwijkingen heeft kunnen vaststellen, dat er volgens hem geen beschadiging van de wervelkolom is en dat er sprake is een normale beweeglijkheid. 

2.30. Ook drs. M.J.. van der Eijk aan wie partijen opdracht hadden gegeven onderzoek te doen naar het hypothetische verdien vermogen van X, was inmiddels met zijn werkzaamheden begonnen. Hij heeft op 21 mei en 5 november 2014 gerapporteerd. 

2.31. De arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van X heeft kennisgenomen van de resultaten van het verrichte onderzoek en heeft op grond daarvan aangegeven geen uitkeringen meer te zullen doen en te overwegen de uitgekeerde bedragen te zullen 
terugvorderen. 

2.32. Tegen de achtergrond van deze feiten heeft X deze rechtbank een verzocht om in een deelgeschilprocedure voor recht te verklaren dat: 
a. het uitgevoerde fraudeonderzoek/persoonlijk observatieonderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd en onrechtmatig is geweest jegens haar en dat het dientengevolge onrechtmatig verkregen bewijs niet door NN mag worden meegewogen hij de beoordeling van de schadezaak van X; 
b. de rapportages van Kraaijenbrink. Rutgers en De Waal Malefijt voor de verdere schaderegeling als bindend uitgangspunt hebben te gelden en dat er geen noodzaak is tot het verrichten van aanvullend neurologisch onderzoek: 
c. bij X als gevolg van het ongeval sprake is - kort gezegd - van bewegingsbeperking van de nek; nekpijn en gemakkelijk optredende hoofdpijnklachten, waardoor ze slechts beperkt actief kan zijn, niet lang in een houding kan werken en geen lichamelijk zwaar werk kan verrichten, van een beperkt geestelijk inspanningsvermogen, uitkomend in verhoogde vermoeibaarheid, verminderde aandacht en aandachtsflexibiliteit en lichte stoornissen in het visuele geheugen en van migraineklachten. welke klachten en beperkingen aan het ongeval kunnen worden toegerekend, een en ander met 
d. begroting van de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv en veroordeling van NN tot betaling van deze kosten met het verschuldigde griffierecht. 

2.33. Nadat Nationale Nederlanden verweer heeft gevoerd en de mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 26 november 2014 de kosten van de deelgeschilprocedure begroot op € 6.118,- en het verzoek voor het overige afgewezen. 

2.34. X heeft vervolgens Nationale Nederlanden in deze bodemprocedure gedagvaard. 

2.35. Op 20 februari 2015 heeft X deze rechtbank verzocht tussentijds hoger beroep te mogen instellen tegen de beschikking in het deelgeschil. Bij beschikking van 11 maart 2015 is dat verzoek toegewezen. 

2.36. Op 9 februari 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest beslist: 

verklaart X niet-ontvankelijk in haar appel tegen de beschikking in het deelgeschil van 26 november 2014, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van X tot afgifte van een verklaring voor recht betreffende de causaliteit en het verzoek tot veroordeling van Nationale Nederlanden tot betaling van de kosten van het deelgeschil. 

vernietigt genoemde beschikking voor zover het verzoek tot afgifte van een verklaring voor recht dat het persoonlijk onderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd en onrechtmatig is geweest jegens X en dat het daaruit verkregen bewijs niet mag worde gebruikt is afgewezen; 

vernietigt genoemde beschikking voor zover de kosten van het deelgeschil zijn begroot op € 6.118,- in plaats van op € 9.177.-; 
verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland teneinde deze verder te behandelen met inachtneming van hetgeen hiervoor door het hof is overwogen; 
veroordeelt NN, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit hoger beroep en begroot deze kosten. voor zover tot op heden aan de zijde van X gevallen op € 405,19 aan verschotten en op € 2.682,- voor geliquideerd salaris van de advocaat; 
wijst het meer of anders gevorderde af.

2.37. Nadat het hof arrest heeft gewezen heeft Nationale Nederlanden opnieuw feitenonderzoek uitgevoerd naar eventuele "Fraude Informatie Systeem Holland" meldingen van X en haar partner, heeft zij (opnieuw) onderzoek gedaan naar de facebookaccount van X en haar partner en hun bedrijf, heeft zij onderzoek gedaan naar andere websites van dat bedrijf en heeft zij onderzoek gedaan naar woningeigendom van X en haar partner. Nationale Nederlanden heeft met het oog op de schadeafwikkeling geen informatie meer gevraagd aan X en zij heeft geen contact met X gezocht om alsnog tot een schadeafwikkeling te komen. 

3. Het geschil 
in conventie en reconventie 
3.1. X vordert in conventie, na wijziging van eis en verkort weergegeven, veroordeling van Nationale Nederlanden tot betaling van € 270.488,00 te vermeerderen met een door een deskundige vast te stellen vergoeding wegens verlies aan verdienvermogen. X vordert ook een met dwangsommen versterkte veroordeling van Nationale Nederlanden om alle gegevens van haar en haar partner uit alle fraude- en signaleringssystemen te verwijderen. X vordert verder een veroordeling van Nationale Nederlanden tot betaling van een smartegeldvergoeding van € 75.000,00, betaling van € 114.937,00 als vergoeding voor ontstane huishoudelijke hulpbehoefte, betaling van€ 53.549,00 als vergoeding voor verlies aan zelfwerkzaamheid, betaling van € 26.144,08 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, en € 9.459,00 als vergoeding voor de kosten van de deelgeschilprocedure, alle bedragen steeds te vermeerderen met wettelijke rente. X vordert ook veroordeling van Nationale Nederlanden om aan haar een deugdelijke fiscale garantie te verstrekken waarmee zij wordt gevrijwaard van mogelijke toekomstige aanslagen van de belastingdienst over de aan haar toekomende schadevergoeding. Tot slot vordert 
X veroordeling van Nationale Nederlanden in de proces- en nakosten, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente als niet tijdig wordt betaald. 

3.2. Daartoe stelt X in conventie, samengevat weergegeven, dat Nationale Nederlanden aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van het ongeval waarbij zij betrokken is geraakt X stelt dat Nationale Nederlanden ten onrechte weigert tot afwikkeling te komen door met onrechtmatig verkregen bewijs en ten onrechte te suggereren dat zij zich schuldig maakt aan fraude. X stelt dat een en ander zich niet verhoudt met wat het hof heeft overwogen en beslist in het tussen partijen op 9 februari 2016 gewezen arrest. Volgens X is met dat arrest tussen partijen komen vast te staan dat Nationale Nederlanden via het door haal' uitgevoerde fraudeonderzoek een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer en daarom onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. X stelt dat Nationale Nederlanden daarom geen bewijs meer mag bijbrengen van fraude, ook omdat Nationale Nederlanden opnieuw persoonlijk onderzoek heeft gelast op 2 maart en 1 april 2016, wat zich niet verhoudt met wat het hof heeft overwogen en beslist en dat onderzoek zich bovendien niet tot haar persoon heeft beperkt maar ook gericht is geweest op haar partner. X stelt dat het onderzoek ook geen feitenonderzoek is geweest in de zin van de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (hierna: "OPO"), maar dat het opnieuw gaat om een ontoelaatbaar persoonlijk onderzoek in de zin van die gedragscode. X stelt dat zij nooit heeft geweigerd om mee te werken aan de vaststelling van haar schade en dat het feitenonderzoek dat wel was toegelaten niet tot het redelijke (gerechtvaardigde) vermoeden heeft kunnen leiden dat zij Nationale Nederlanden grondig en/of structureel misleidde. Volgens X heeft Nationale Nederlanden daarom niet alleen in strijd gehandeld met de GPO, maar ook opnieuw haar privacy ontoelaatbaar geschonden. X voert aan dat Nationale Nederlanden stelt dat zij zich schuldig maakt aan fraude, omdat zij haar klachten en beperkingen overdrijft, terwijl het niet aan Nationale Nederlanden maar aan medici is voorbehouden om haar beperkingen vast te stellen. X stelt dat zij altijd open en eerlijk is geweest over de werkzaamheden die zij nog kon verrichten en daartoe zelfs de informatie 
heeft verstrekt op grond waarvan de ingeschakelde bedrijfseconoom Van der Bijk (ten onrechte) concludeert dat zij meer heeft gewerkt dan dat zij tegenover Nationale Nederlanden heeft verklaard te kunnen werken. X stelt dat aan de hand van de beschikbaar gekomen medische informatie uit haar medisch dossier en de rapporten van Rutgers, Kraaijenbrink en De Waal Malefijt voldoende vaststaat dat haar klachten en beperkingen in een causaal staan met het ongeval, uit de symptoomvalidatietesten die Kraaijenbrink als neuropsycholoog heeft afgenomen bovendien blijkt dat sprake is van een plausibel klachtenpatroon, zij niet neigt tot overdrijving en er niets wijst op de neiging tot aggraveren, X stelt dat thans voldoende blijkt dat zij schade lijdt wegens verlies aan verdienvermogen, verlies aan zelfwerkzaamheid, zij behoefte heeft aan huishoudelijke hulp, zij recht heeft op smartengeld en dat haar schade zich thans laat begroten op de door haar gevorderde bedragen. 

3.3. Nationale Nederlanden voert verweer en concludeert in conventie tot niet- ontvankelijkheid van X, althans tot afwijzing van haar vorderingen. Daartoe voert Nationale Nederlanden aan, samengevat weergegeven, dat zij aansprakelijkheid heeft erkend voor de schade die haar verzekerde heeft veroorzaakt rnaar dat zij heeft betwist dat er een causaal verband bestaat tussen de door X gestelde schade en het ongeval. Nationale Nederlanden voert aan dat X ten tijde van het ongeval al arbeidsongeschikt was en een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving van Movir en dat door verschillende deskundigen onderzoek is verricht om vast te kunnen stellen welke schade het gevolg van het ongeval was en wat de omvang van die schade was. Nationale Nederlanden stelt dat uit de verschillende onderzoeken bleek dat de door X gestelde klachten en beperkingen niet te rijmen waren met het ongeval en dat de klachten en beperkingen die door X aan het ongeval werden 
toegeschreven, al voor het ongeval bestonden. Nationale Nederlanden stelt dat een en ander aanleiding was voor onderzoek en dat onderzoek ook bewijs oplevert van het ontbreken van een causaal verband. Nationale Nederlanden stelt dat haar onderzoek weliswaar onderwerp van een procedure in hoger beroep is geworden, maar dat dit niet met zich brengt dat aan de onderzoeken volledig voorbij moet worden gegaan. Een deel van het onderzoek, te weten het materiaal dat is verzameld met observaties en het na 1 juni 2013 verrichte onderzoek, zal als onrechtmatig verkregen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Nationale Nederlanden stelt dat het voordien verkregen en na het wijzen van het arrest verkregen informatie door de rechtbank wel in de beoordeling mag worden betrokken. Nationale Nederlanden stelt dat dit onderzoek uitsluitend betrekking heeft gehad op interne bronnen en via internet toegankelijke, openbare, bronnen. Uit het onderzoek blijkt dat X substantieel meer werkzaamheden verrichtte en meer belastbaar was en is dan zij tegenover Nationale Nederlanden heeft verklaard, zodanig dat moet worden aangenomen dat X bewust en bij herhaling onjuiste informatie heeft verstrekt, zij haar ziektebeeld heeft overdreven en zij haar klachten en beperkingen zelfs geheel of gedeeltelijk heeft voorgewend. Nationale Nederlanden stelt dat dit des te meer klemt, omdat gelet op de aard van het door X gestelde letsel, Nationale Nederlanden afhankelijk is van en moet vertrouwen op de informatie die X haar geeft. Nationale Nederlanden stelt dat een en ander het verval van ieder mogelijk recht op een uitkering rechtvaardigt en X door misleiding een redelijke schadeafwikkeling 
onmogelijk heeft gemaakt Nationale Nederlanden stelt dat zij immers niet kan vertrouwen wat X verklaart over haar klachten en beperkingen. Volgens Nationale Nederlanden kan in ieder geval een causaal verband tussen de klachten en beperkingen en het ongeval niet worden aangenomen, omdat die klachten en beperkingen kunnen worden verklaard uit de bij X in 2006 verkeerd gezette ruggeprik, op grond waarvan X volledig arbeidsongeschikt werd verklaard en op de dag van het ongeval van herstel nog geen sprake was. Volgens Nationale Nederlanden zal daarom - maar ook gelet op de ouderdom van de beschikbare rapporten - nader causaliteitsonderzoek nodig zijn. Op grond van een en ander vordert Nationale Nederlanden in reconventie, verkort weergegeven, veroordeling van X tot terugbetaling van uitgekeerde voorschotten tot een bedrag van €168.250,00 vermeerderd met rente en kosten. 

3.4. X voert in reconventie verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Nationale Nederlanden, althans tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van Nationale Nederlanden in de proceskosten. 

3.5. Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan. 

4. De beoordeling 
in conventie en reconventie 

4.1. Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om de vraag of het recht op uitkering is vervallen en, als dat niet zo is, of er een causaal verband bestaat tussen de schade waarvan X in conventie vergoeding vordert en het ongeval waarbij zij betrokken was in 2007. Dein dit verband tussen partijen in conventie en reconventie opgekomen geschilpunten, vertonen een zodanige samenhang dat de rechtbank de conventie en reconventie gelijktijdig zal behandelen. Ten aanzien van de tussen partijen opgekomen geschilpunten wordt als volgt overwogen.

4.2. Uit de rapportages van de deskundigen Rutgers, Kraaijenbrink en De Waal Malefeijt blijken de klachten en beperkingen die X stelt te ondervinden en dat die klachten en beperkingen zijn te karakteriseren als invaliderende beperkingen Waarvan geen relevante wijziging in het klachten- en beperkingspatroon meer kan worden verwacht. Uit de rapportages kan een causaal verband tussen de door X gestelde klachten en beperkingen en het ongeval in 2007 worden afgeleid. 

4.3. Door Nationale Nederlanden zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die met zich brengen dat door de rechtbank moet worden getoetst of er aanleiding is om van de in de rapportages van deze deskundigen geformuleerde conclusies af te wijken gelet op de wijze waarop deze rapporten tot stand zijn gekomen of de inhoud ervan. Het gaat om de vraag of de klachten en beperkingen van X waarop deze rapporten zijn gebaseerd, bestaan als gevolg van het ongeval en in de mate en omvang waarin X dat stelt. X stelt te lijden aan postwhiplashproblematiek en posttraumatische migraine, wat aandoeningen zijn die volgens de rapporterende deskundigen naar huidige wetenschappelijke inzichten geen meetbare, voelbare of zichtbare afwijkingen met zich brengen. De rapporterende deskundigen zijn daarom afhankelijk geweest van de informatie die X zelf heeft gegeven over haar klachten en beperkingen. Het verweer van Nationale Nederlanden is erop gericht vast te 
stellen dat die klachten zijn voorgewend, zodanig dat het recht op uitkering is vervallen en voor zover die klachten en beperkingen wel bestaan, deze niet aan het ongeval maar aan de eerder in tijd verkeerd gezette ruggeprik moeten worden toegerekend. 

4.4. Als Nationale Nederlanden niet kan worden gevolgd in haar stellingname dat X klachten en beperkingen voorwendt en/of opzettelijk aggraveert zodanig dat sprake is van bewust opzettelijke misleiding met het doel om een (hogere) uitkering te krijgen, en als evenmin komt vast te staan dat de klachten en beperkingen niet aan het ongeval 2007 maar aan de in 2006 bij X verkeerd gezette ruggeprik moeten worden toegerekend, zal de rechtbank op grond van de voormelde. rapportages een causaal verband kunnen aannemen tussen de door X gestelde klachten en beperkingen en het ongeval. Het komt er dan op aan om de vaststelling of de door X concreet gestelde schade ook kan worden 
toegerekend aan dat ongeval. 

4.5. Op grond van de deelgeschilprocedure staat tussen partijen vast dat het feitenonderzoek zoals dat door Nationale Nederlanden is uitgevoerd in 2013 géén informatie opleverde waarmee Nationale Nederlanden niet al bekend was of behoorde te zijn. Nationale Nederlanden wist of behoorde te weten dat X vennoot was in de vennootschap onder firma die zij samen met haar partner dreef, <bedrijfsnaam> V.O.F. Ook wist of kon Nationale Nederlanden weten dat zij in haar onderneming werkzaam was als dierenarts en X geregeld paard reed. Bovendien kan niet blijken dat de door Nationale Nederlanden aan het internet ontleende informatie niet overeenstemde met de informatie die X zei reeds aan Nationale Nederlanden had verstrekt. Het hof heeft tegen deze achtergrond in het arrest van 9 februari 2016 overwogen: 
-dat er een volstrekt onvoldoende rechtvaardiging was voor het starten van een persoonlijk onderzoek (rov. 6.18); 
-dat er een zeer wankele basis voor het vermoeden van fraude was (rov, 6.19) en 
-dat Nationale Nederlanden schending van de regels van de GPO heeft geschonden (rov. 6.20). 

4.6. Voor zover Nationale Nederlanden thans ingang wil vinden voor de gedachte dat het in 2013 verrichte onderzoek de gestelde causaliteit tussen de gestelde klachten en beperkingen en het ongeval weerlegt doordat uit dat onderzoek kort gezegd fraude blijkt, berusten de door Nationale Nederlanden betrokken stellingen op een ontoereikende lezing of een ontoereikend begrip van bet arrest van het hof. De door het hof gestelde "zeer wankele basis voor het vermoeden van fraude'; geeft exact. Weer hoe tegen het door Nationale Nederlanden geproduceerde feitenmateriaal uit 2013 moet worden aangekeken. 

4.7. Het zeer wankele vermoeden van fraude kon in ieder geval geen basis geven voor het onrechtmatige persoonlijke onderzoek dat Nationale Nederlanden heeft laten uitvoeren. De in art. 152 Rv neergelegde vrije bewijsleer verzet zich niet tegen het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in een civiele procedure, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid is als een verzekeraar de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek heeft geschonden (zie: HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942). Dit brengt met zich dat voor zover in het onderzoek al bewijs is vergaard tegen X, de rechtbank daar geen acht op zal slaan. 

4.8. In lijn met wat het hof heeft overwogen, zal de rechtbank bij de beoordeling van het geschil uitsluitend acht slaan op feiten die Nationale Nederlanden kan stellen op grond van onderzoek dat zij heeft uitgevoerd in overeenstemming met de hiervoor genoemde gedragscode. Het zal daarom moeten gaan om feiten die blijken uit een onderzoek dat is ingesteld naar de feiten, omstandigheden en gedragingen van X die nodig zijn voor de beoordeling van een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst schademelding of andere aanspraak op uitkering op prestatie. 

4.9. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om met een voldoende mate van zekerheid aan te kunnen nemen dat X bewust opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over de periode voorafgaande aan het ongeval en evenmin voor de periode nadien. Voor de rechtbank weegt zwaar dat het onderzoek van Nationale Nederlanden steeds gericht is geweest op feiten waar ofwel medisch onderzoek naar mocht worden verricht of waarover aan X vragen mochten worden gesteld en X steeds heeft meegewerkt aan onderzoek en vragen heeft beantwoord. Zoals uit rechtsoverweging 4.5. volgt, heeft Nationale Nederlanden bovendien geen concrete feiten gesteld die X behoorde te kennen en waarvan zij behoorde te begrijpen dat zij die aan Nationale Nederlanden had moeten melden, maar dat toch niet heeft gedaan. Voor zover Nationale Nederlanden feiten stelt mede aan de hand van de door haar in het geding gebrachte producties het beeld schetst dat X meer kan en doet in haar leven dan dat zij voorwendt, kan dat Nationale Nederlanden in dit verband niet baten. X heeft haar klachten en beperkingen niet verabsoluteerd in die zin dat zij tot niets in staat is en als wordt aangenomen dat de klachten en beperkingen het gevolg zijn van het door X gestelde postwhiplashsyndroom, past het dat zij afwisselend kan worden belast. Aan de waarnemingen die Nationale Nederlanden stelt te hebben gedaan, komt daarom ook niet de betekenis toe die zij daaraan geeft. Dat er morneuten kunnen worden waargenomen waarop X werkt, cursussen volgt, paardrijdt of een kind optilt, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat X bewust opzettelijk haar klachten overdrijft om Nationale Nederlanden te misleiden. Nationale Nederlanden kan daarom niet worden gevolgd in huur stellingname dat het recht op uitkering is vervallen. 

4.10. Het is vervolgens de vraag of de na wijziging van eis door X gestelde schade, schade is waarvoor Nationale Nederlanden aansprakelijk is. X, wiens eis er aanvankelijk toe strekte een verklaring voor recht te verkrijgen dat Nationale Nederlanden aansprakelijk is voor haar schade alsmede een verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van die schade, heeft in de loop van de procedure haar eis ingrijpend gewijzigd. Zij vordert thans onder meer vergoeding van concreet benoemde schade. 

4.11. Daarom staat te beoordelen of die concreet benoemde schade is veroorzaakt door het ongeval in de zin dat sprake is van een conditio sine qua non verband-dat op grond van art, 6: 162 BW en art. 6:74 BW voor toewijzing van de schade is vereist. 

4.12. Als dat verband komt vast te staan, zal vervolgens moeten worden beoordeeld of het redelijk is om de schade aan Nationale Nederlanden toe te rekenen (art. 6:98 BW). 

4.13. Bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van de schade zijn voor de rechtbank een aantal factoren bepalend: (i) of de gestelde schade naar ervaringsregels een waarschijnlijk gevolg is van de door het ongeval ontstane klachten beperkingen, (ii) of de gestelde schade in een ver of juist een minder ver verband staat met het ongeval, zodat in het laatst bedoelde geval toerekening eerder is gerechtvaardigd (iii) of de schade het gevolg is van schending van een verkeers- of veiligheidsnorm die is opgesteld met het oog op de voorkoming van de schade, zodat toerekening eerder is gerechtvaardigd en (iv) wat de aard is van de schade, waarbij een gezichtspunt is dat letselschade eerder wordt toegerekend dan zaakschade, zaakschade eerder wordt toegekend dan schade die bestaat uit kosten die zijn gemaakt. 

4.14. De rechtbank neemt in het licht van de hierna te bespreken omstandigheden niet zonder meer een causaal verband aan tussen de gestelde klachten en beperkingen en het ongeval in 2007 en voor zover dat causaal verband in het vervolg van deze procedure wel kan worden aangenomen, is niet zonder meer duidelijk of de gestelde schade ook aan dat ongeval kan worden toegerekend gelet op de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde factoren 

4.15. Voor dat laatste is redengevend dat vragen opkomen over de preexistente klachten en beperkingen van X. Uit de geproduceerde (medische) informatie kan worden afgeleid dat op de dag van het ongeval, 28 augustus 2007, X volledig arbeidsongeschikt was verklaard vanwege hardnekkige klachten van hoofdpijn, vermoeidheid, en lage rugpijn. 

4.16. De klachten en beperkingen die X zelf toeschrijft aan het ongeval in 2007 zijn van een zodanige aard dat het voor de rechtbank de vraag is of deze klachten en beperkingen X tot op de dag van het ongeval aanspraak heeft gemaakt op een uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid en Movir tot op de dag van het ongeval daarvoor ook een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend. 

4.17. De rechtbank wil zich hierover laten voorlichten door deskundige(n). Voorshands wil de rechtbank aan de deskundige(n) de volgende vragen stellen: 
1. hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel opgelopen als gevolg van de verkeerd gezette ruggeprik in 2006, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? 
2, hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel opgelopen als gevolg van de betrokkenheid bij het ongeval in 2007, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen; 
3. wilt u een actuele inventarisatie van de medische voorgeschiedenis van betrokkene op uw vakgebied vermelden? 
4. wilt u bij uw antwoord op de vragen 1 en 2 aangeven welke gegevens u ontleent aan het relaas van betrokkene en welke gegevens u ontleent aan eigen onderzoek (van door de u verkregen medische gegevens)? 
5. wat zijn uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek? 
6. wat is de diagnose op uw vakgebied ten aanzien van het letsel opgelopen als gevolg van de verkeerd gezette ruggeprik en wat is de diagnose op uw vakgebied ten aanzien van het letsel opgelopen als gevolg van het ongeval? 
7. als sprake is van klachten als gevolg van de verkeerd gezette ruggeprik en/of de betrokkenheid bij het ongeval, waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt ti dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal 
diagnostische overwegingen zijn? 

4.18. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigen bericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundigen, dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundigen) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. 

4.19. De rechtbank ziet in de bewijslastverdeling aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigen) door Nationale Nederlanden moet worden gedeponeerd. 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2017/rb-noord-nederland-140617

Met dank aan mr. J.F. Roth, SAP Advocaten, voor het inzenden van deze uitspraak.

ECLI:NL:RBNNE:2017:2211

Deze website maakt gebruik van cookies