Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Hertogenbosch 151215 bezwaren tegen rapportages van verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige ongegrond

Hof 's-Hertogenbosch 151215 bezwaren tegen rapportages van verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige ongegrond

hoger beroep van rb-oost-brabant-301014-bezwaren-tegen-rapportage-va-onvoldoende-onderbouwd-en-erg-laat-rapporten-va-en-ad-dienen-ter-verdere-afwikkeling-schade

De beoordeling

3.1.
De feiten en het geschil in eerste aanleg.

3.2.
Met betrekking tot het schadevoorval:
[appellant] is geboren in [geboortemaand] 1960. Op 3 maart 2002 reed hij op zijn motorfiets op de weg en wilde een landbouwvoertuig links inhalen. Dat landbouwvoertuig sloeg links af. [appellant] is gevallen. De bestuurder van het landbouwvoertuig was verzekerd bij [verzekeringen] . Aan [appellant] kon 30% eigen schuld worden verweten, zodat [verzekeringen] aansprakelijk is voor 70% van de schade. [appellant] heeft diverse breuken opgelopen, aan rechterschouder, rechter elleboog, bekken en rechter onderbeen. Ook heeft hij last van cognitieve klachten.
Ten tijde van het ongeval was [appellant] eigenaar en mededirecteur van een autobedrijf. Na het ongeval was hij eerst volledig arbeidsongeschikt en later is hij deels arbeidsongeschikt gebleven. [appellant] had een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij [maatschappij] ; diverse van de hierna te noemen deskundigenonderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van die verzekeringsrechtelijke relatie.

3.3.
Met betrekking tot de diverse procedures:

3.3.1.
Op 22 juli 2008 heeft [appellant] een dagvaarding tegen [verzekeringen] uitgebracht; de zaak was bekend onder zaak-/rolnummer 179449/HAZA 08-1608. [appellant] vroeg betaling van een voorschot. Op 5 februari 2009 heeft in die zaak een comparitie van partijen plaats gevonden. Daarbij is afgesproken dat [verzekeringen] een voorschot van € 50.000,-- zou betalen, en voorts dat deskundigen – een neuropsycholoog, arbeidsdeskundige en een nadere deskundige – zouden worden aangezocht, waaronder neuropsycholoog [neuropsycholoog 1] . De procedure werd geroyeerd.

3.3.2.
Op 28 februari 2011 heeft [appellant] een eerste deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt. Het verzoek is ingetrokken nadat partijen hadden afgesproken dat [verzekeringsgeneeskundige] als verzekeringsgeneeskundige een rapport zou opstellen. Later spraken partijen voorts af dat [arbeidsdeskundige] als arbeidsdeskundige zou rapporteren.

3.3.3.
Op 16 april 2014 heeft [appellant] een (tweede) verzoekschrift tot behandeling van een deelgeschil ingediend; de onderhavige zaak (zaak-/rekestnummer eerste aanleg 2C/01/77834/EX RK 14-130). [verzekeringen] voerde primair verweer met de strekking dat de zaak zich niet leent voor een deelgeschilprocedure. Subsidiair voerde zij inhoudelijk verweer en diende zij een tegenverzoek in. De rechtbank wees het primaire verweer van de hand. Het verzoek van [appellant] werd echter afgewezen en het tegenverzoek van [verzekeringen] werd toegewezen bij de beslissing van 30 oktober 2014 (zie hierna ook r.o. 3.6).

3.3.4.
Omdat [appellant] , naar [verzekeringen] stelt, nog steeds niet op basis van de voorhanden zijnde rapporten tot afwikkeling wenst over te gaan, heeft [verzekeringen] bij afzonderlijke procedure, ingeleid met een dagvaarding van 30 januari 2015 (zaak-/rolnummer 289642/HAZA 15-109), [appellant] in rechte betrokken teneinde – op basis van haar standpunt dat het rapport van [verzekeringsgeneeskundige] voldoende basis vormt voor een beslissing – een verklaring voor recht te bekomen dat de door [appellant] geleden en te lijden schade niet meer beloopt dan het reeds uitbetaalde bedrag van € 139.000,--.

3.3.5.
In reactie daarop heeft [appellant] in die zaak onder zaak-/rolnummer 289642/HAZA 15-109 aan de rechtbank verzocht om op de voet van art. 1019cc lid 3 aanhef en sub a Rv. tussentijds appel toe te staan van de beschikking van 30 oktober 2014. De rechtbank heeft dat verzoek gehonoreerd en [appellant] toegestaan te appelleren van onderdeel 5.3 van het vonnis – door de rechtbank gekwalificeerd als beschikking - van 30 oktober 2014. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat de nieuwe procedure (rolnummer 289642/HAZA 15-109), zal worden geschorst vanaf het aanhangig zijn van de procedure in hoger beroep tegen de beschikking van 30 oktober 2014 in de zaak met nummer 277834/EXRK 14-130.

3.3.6.
Van de afwijzing van haar verzoek en de toewijzing van het tegenverzoek van [verzekeringen] is [appellant] aldus – bij dagvaarding; zie ECLI:NL:HR:2015:1689 - in hoger beroep gekomen. Bij haar memorie van antwoord is [verzekeringen] niet ingegaan op de verwerping van haar primaire verweer zoals hiervoor weergegeven onder r.o. 3.4.3. Mocht echter een van de grieven van [appellant] slagen, dan moet het primaire verweer van [verzekeringen] alsnog beoordeeld worden.

3.3.7.
Het hof constateert dat in de beschikking van 30 oktober 2014 in het dictum in onderdeel 5.1 de door [appellant] gevraagde verklaring voor recht is afgewezen, en in onderdeel 5.3 de door [verzekeringen] gevraagde verklaring voor recht is toegewezen. Het verlof tot het instellen van appel betreft evenwel uitsluitend onderdeel 5.3, niet onderdeel 5.1.
Beide over en weer gevorderde verklaringen voor recht vormen echter elkaars spiegelbeeld: [appellant] vorderde een verklaring voor recht dat de rapporten van [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] niet als basis voor de verdere afwikkeling van de schade konden dienen; [verzekeringen] vorderde dat die rapporten (alsmede het rapport van [neuropsycholoog 1] ) juist wel vertrekpunt dienden te zijn voor het verder afwikkelen van de zaak.
Bij deze stand van zaken moet het door de rechtbank gegeven verlof geacht worden zich ook uit te strekken tot het appelleren van onderdeel 5.1 van de beschikking van 30 oktober 2014.

3.3.8.
In de laatste twee alinea’s op blad 5 van de memorie van grieven en de eerste alinea op blad 6, welke alinea’s deel uitmaken van de toelichting bij de eerste grief, stelt [appellant] dat hij in de door [verzekeringen] aangespannen bodemprocedure nog voldoende mogelijkheden heeft om in reconventie de rechtbank te verzoeken nieuwe deskundigen te benoemen of een nieuw onderzoek van een deskundige in te brengen. Het zou echter, aldus [appellant] , uiterst problematisch zijn indien in die bodemprocedure de rechtbank uit zou moeten gaan van wat in de onderhavige deelprocedure door de rechtbank reeds is beslist.

3.3.9.
[appellant] heeft in de bodemprocedure bij brief van 3 februari 2015 verzocht om in de deelgeschilprocedure tussentijds hoger beroep te mogen instellen, waarin besloten ligt dat de discussie omtrent de gebondenheid aan de voorhanden zijnde rapportages in dit hoger beroep van de deelgeschilprocedure dient te worden gevoerd en daaromtrent moet worden beslist, in lijn waarmee de rechtbank de bodemprocedure heeft aangehouden.

3.3.10.
Nu partijen, [appellant] als eerste, ervoor hebben gekozen de kwestie van de rapportage in deze deelgeschilprocedure naar voren te brengen, dient deze ook in de onderhavige procedure afgehandeld te worden. Voor de status van de in deze deelprocedure te nemen beslissing kan worden verwezen naar art. 1019cc lid 1 Rv.

3.4.
Met betrekking tot de rapportages:

3.4.1.
Door partijen zijn de volgende rapporten overgelegd:
rapporten van registerarbeidsdeskundige [registerarbeidsdeskundige 1] , van 1 april 2004, 16 juli 2004, en 23 juli 2007
rapporten van registerarbeidsdeskundige [registerarbeidsdeskundige 2] van 17 mei 2005 en 26 oktober 2005
rapporten/brieven van drs. [medisch adviseur] , medisch adviseur van [appellant] , van 6 september 2010, 17 september 2010, 17 oktober 2010, en 19 november 2010
rapporten/brieven van mw. [arts/rga, medisch adviseur van verzekeringen] (MEDAS), arts/rga, medisch adviseur van [verzekeringen] , van 22 december 2009, 4 november 2010, en 16 december 2011
rapport van 25 februari 2006 van neuroloog dr. [neuroloog] (prod. 3 bij verweerschrift)
rapport van 28 juli 2006 van klinisch neuropsycholoog drs. [klinisch neuropsycholoog] (prod. 3 verweerschrift)
rapport van 26 januari 2007 van orthopedisch chirurg dr. [orthopedisch chirurg] (prod. 1 verweerschrift)
rapport van 10 oktober 2009 van neuropsycholoog drs. [neuropsycholoog 1] (prod. 2 verweerschrift)
rapport van 16 januari 2012 van verzekeringsgeneeskundige mr. drs. [verzekeringsgeneeskundige] (prod. 2 verzoekschrift)
conceptrapport 20 april 2012 van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] ,
adviesrapport van 6 augustus 2012 van mevr. [registerarbeidsdeskundige 3] , registerarbeidsdeskundige (prod. 4 verzoekschrift)
eindrapport 23 oktober 2012 van [arbeidsdeskundige] (zie o.m. prod. 3 verzoekschrift)
rapporten van 8 oktober 2013 van [adviseur 1] , van 30 januari 2014 van [adviseur 2] , en van 13 februari 2014 van [adviseur 3] (zie prod. 10 bij verweerschrift).

3.4.2.
Diverse deskundigen hebben voorts verwezen naar een rapport van de neuropsycholoog [neurospycholoog 2] , die heeft gerapporteerd op 15 november 2004.

3.4.3.
Voorgaande opsomming strekt slechts tot het verstrekken van een overzicht van de in het geding gebrachte stukken; niet op al deze stukken is een beroep gedaan. Het gaat in deze procedure uiteindelijk vooral om de stukken onder e) tot en met n) (van [orthopedisch chirurg] , [neuroloog] , [klinisch neuropsycholoog] , [neuropsycholoog 1] , [verzekeringsgeneeskundige] , [arbeidsdeskundige] en [registerarbeidsdeskundige 3] ) en om het rapport van [neurospycholoog 2] .
Overigens zijn de rapporten van [registerarbeidsdeskundige 1] in zoverre van belang, dat daaruit de “maatman” – in dit geval bestaande uit de werkzaamheden zoals [appellant] die vóór het ongeval verrichtte – naar voren komt.

3.4.4.
De rapporten van [orthopedisch chirurg] , [neuroloog] en [klinisch neuropsycholoog] , zijn – zo begrijpt het hof – opgemaakt in het kader van de afwikkeling van de relatie tussen [appellant] en zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraar [maatschappij] .

3.4.5.
[appellant] conformeert zich aan de rapporten van [orthopedisch chirurg] , [klinisch neuropsycholoog] en [neuroloog] Hij maakt echter, op basis van het rapport [registerarbeidsdeskundige 3] , bezwaar tegen de rapportages van [neuropsycholoog 1] , [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] , welke naar zijn inzicht onvoldoende zijn gebaseerd op de bevindingen van [orthopedisch chirurg] en/of [klinisch neuropsycholoog] en/of [neuroloog] .

3.4.6.
[verzekeringen] conformeert zich aan de rapportage van [neuropsycholoog 1] , [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] , die alle in opdracht van beide partijen hebben gerapporteerd. [verzekeringen] wijst erop dat de orthopedisch chirurg [orthopedisch chirurg] niet mede in haar opdracht heeft gerapporteerd doch legt zich feitelijk neer bij de bevindingen van die deskundige. De rapportage van de neuropsychologen [neuroloog] en [klinisch neuropsycholoog] is evenmin in opdracht van [verzekeringen] tot stand gekomen, doch [verzekeringen] conformeert zich wel aan de rapportage van [neuropsycholoog 1] welke mede op de rapporten van [klinisch neuropsycholoog] en [neuroloog] is gebaseerd.
[verzekeringen] conformeert zich echter in het geheel niet aan, en maakt bezwaar tegen, de (partij)rapportage van mevrouw [registerarbeidsdeskundige 3] .

3.5.
De procedure in eerste aanleg in de huidige – tweede – deelgeschilprocedure en de daartegen gerichte grieven:

3.5.1.
[appellant] vorderde een verklaring voor recht dat de verzekeringsgeneeskundige rapportage van [verzekeringsgeneeskundige] met de bijbehorende FML, en de arbeidsdeskundige rapportage van [arbeidsdeskundige] , niet als basis voor de verdere afwikkeling van de schade kunnen dienen. 
Als gezegd voerde [verzekeringen] verweer en diende zij een tegenverzoek in, houdende een verklaring voor recht dat de rapportages van [neuropsycholoog 1] , [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] op juiste wijze tot stand zijn gekomen en als basis voor de verdere afwikkeling hebben te gelden.

3.5.2.
De rechtbank heeft in r.o. 4.9 van haar beschikking overwogen (als eindconclusie van die rechtsoverweging) dat zij in de beschikbare medische rapportages geen aanknopingspunten ziet om te oordelen dat [verzekeringsgeneeskundige] de beperkingen van [appellant] (veel) te licht heeft vastgesteld. Tegen dit oordeel is grief 2 gericht.

3.5.3.
De rechtbank heeft in haar dictum sub 5.3 voor recht verklaard dat de rapportages van [neuropsycholoog 1] , [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] tussen partijen hebben te gelden als basis voor de verdere afwikkeling van de schade en tegen dat oordeel en die beslissing is grief 1 gericht. De grief is naar de letter niet gericht tegen de afwijzing van de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht zoals omschreven in het dictum sub 5.1, maar uit het petitum van de memorie van grieven blijkt dat het [appellant] toch te doen is om het geven van een verklaring voor recht dat de bewuste rapporten niet als basis hebben te gelden voor de verdere afwikkeling van de schade.

3.5.4.
Beide grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.5.
De rechtbank heeft in de aangevallen overweging - waarvan hetgeen hiervoor in r.o. 3.6.2 weergegevene het sluitstuk vormt - geconstateerd dat een aantal aspecten die [appellant] presenteert als conclusies van [neuroloog] en [klinisch neuropsycholoog] , geen conclusies van die deskundigen zijn, maar de anamnese betreffen, dat wil zeggen: de – subjectief – door [appellant] tegenover die deskundigen geuite klachten, welke echter – aldus de rechtbank – niet richtinggevend dienden te zijn voor [verzekeringsgeneeskundige] . Voor zover het wel gaat om conclusies van de deskundigen heeft [verzekeringsgeneeskundige] daarmee rekening gehouden, aldus de rechtbank. [verzekeringsgeneeskundige] heeft de conclusies van [klinisch neuropsycholoog] vermeld, net als die van [neuropsycholoog 1] die - aldus de rechtbank - concludeert dat er op neuropsychologische gronden geen beperkingen zijn, en dat de lichte problemen met aandacht en geheugen en de vermoeidheid vermoedelijk samenhangen met de ervaren pijnklachten, fysieke beperkingen en verminderde spankracht. Dat geen volledige overeenstemming bestaat tussen het door [appellant] geuite klachtenpatroon en de onderzoeksbevindingen laat volgens [verzekeringsgeneeskundige] onverlet dat [appellant] na het ongeval een klachtenpatroon heeft ontwikkeld bestaande uit cognitieve stoornissen passend bij een pijnsyndroom. [verzekeringsgeneeskundige] was van mening dat op basis van de onderzoeksbevindingen van [klinisch neuropsycholoog] en [neuropsycholoog 1] er aanleiding is om restricties met betrekking tot psychische belasting van toepassing te achten inhoudende dat [appellant] aangewezen is op arbeid waarbij beperkingen gelden ten aanzien van werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo, ontbreken van structuur, concentreren van aandacht en conflicthantering. Volgens de rechtbank heeft [verzekeringsgeneeskundige] die beperkingen gewogen, en onder meer bepaald dat [appellant] is aangewezen op arbeid met een gemiddelde tijdsdruk, met een normaal werktempo, waarbij er ook wat tijd is voor ontspanning.

3.6.
Het hof bespreekt de grieven verderop; zie r.o. 3.17 e.v. Reeds hier dient evenwel te worden geconstateerd dat [appellant] in de toelichting bij grief 2 verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 9 juli 2014, r.o. 7.4, welke overweging hij echter onvolledig citeert. In dat geval was het niet goed mogelijk om de beperkingen van de eiser in een FML te vatten, “omdat een deel van die beperkingen betrekking heeft op de veiligheid en medewerking van collega’s”. Dat speelt hier niet. 
Voorts geldt dat de FML – functiemogelijkhedenlijst – een hulpmiddel is om de beperkingen zoveel mogelijk te objectiveren. Natuurlijk kan daar van worden afgeweken als die FML ongeschikt blijkt om de beperkingen te omschrijven. Maar onvoldoende is gebleken – noch is daartoe voldoende gesteld – dat de beperkingen van [appellant] zich niet in een FML lieten vatten. Het hof komt daarop terug.

3.7.
Gelet op het feit dat [appellant] bezwaar maakt tegen de rapporten van [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] en zijn standpunt baseert op de rapporten van [neuroloog] , [klinisch neuropsycholoog] en [registerarbeidsdeskundige 3] ontkomt het hof niet aan een weergave van de relevante delen van die rapporten en bespreking daarvan. Daarbij komen ook de rapporten van [neurospycholoog 2] en [neuropsycholoog 1] aan de orde.
Daarna zal het hof bespreken waartoe die rapporten dienen te leiden voor de in dit geding aan de orde zijnde vragen.

3.8.
[neurospycholoog 2] :

3.8.1.
[neuroloog] verwijst in zijn rapport van 17 augustus 2006, en [klinisch neuropsycholoog] verwijst in haar rapport van 28 juli 2006, naar een brief van de klinisch psycholoog [neurospycholoog 2] van 15 november 2004. Het hof beschikt niet over die brief. Zowel [neuroloog] als [klinisch neuropsycholoog] geven de inhoud van de brief van [neurospycholoog 2] geparafraseerd weer. 
In de weergave van zowel [neuroloog] als [klinisch neuropsycholoog] betreft het eerste deel van de brief van [neurospycholoog 2] een opsomming van klachten zoals [appellant] die (aan [neurospycholoog 2] ) had aangegeven. Volgens [neurospycholoog 2] heeft [appellant] een hoog subjectief klachtenniveau, naar blijkt uit de vragenlijst.

3.8.2.
Het tweede deel van de brief van [neurospycholoog 2] bevat de bevindingen van [neurospycholoog 2] zelf aan de hand van door hem uitgevoerd onderzoek. Onderstaande weergave is door het hof samengesteld uit de weergave zoals die voorkomt in het rapport [neuroloog] en de weergave zoals die voorkomt in het rapport [klinisch neuropsycholoog] , en wijkt dus mogelijk op onderdelen van die weergaven af:
Bij dat onderzoek door [neurospycholoog 2] werd een traag werktempo vastgesteld waarbij geen systematische werkwijze werd gehanteerd. Bij aandacht en concentratie was er sprake van een vermoeidheideffect en een verhoogde interferentiegevoeligheid. Bij een complexe verbale niet samengestelde geheugentaak presteerde [appellant] matig op de onmiddellijke inprenting en de uitgestelde recall. Herkenning was voldoende. Op een andere geheugentaak was het onmiddellijke auditieve geheugen en visueel geheugen en de uitgestelde auditieve herkenning en het werkgeheugen gemiddeld. Met betrekking tot het uitgestelde auditieve geheugen presteerde hij beneden gemiddeld, met betrekking tot het uitgestelde visuele geheugen boven gemiddeld. Op een benoemingstaak werden fouten gemaakt, voornamelijk door woordvindingsproblemen. De score was gemiddeld, maar niet indicatief voor fatische stoornissen. De conclusie luidde dat er aanwijzingen voorkwamen voor cognitieve problemen passend bij een mild traumatisch hersenletsel. Er waren aanwijzingen voor snelle vermoeibaarheid en verhoogde interferentiegevoeligheid. Op de geheugentaken presteerde [appellant] gemiddeld. De tekorten in de aandachtsfunctie konden onvoldoende verklaard worden door de huidige psychosociale belasting, waarschijnlijk waren zij van organische aard.

3.9.
In alle rapporten komen vrij uitgebreide anamneses voor. Deze zijn grotendeels gelijkluidend. Het hof kiest er daarom voor om deze anamnese enkel bij het eerste rapport, van [neuroloog] , uitgebreider weer te geven. Het hof beperkt zich tot klachten welke een relatie zouden kunnen hebben met hersentrauma en cognitieve problemen als gevolg daarvan. De niet geringe andere traumata kunnen grotendeels onbesproken blijven nu partijen het daarover grosso modo eens zijn.
In alle rapporten zal het hof, ook in citaten, kennelijke type-, spel- of taalfouten corrigeren.

3.10.
Het rapport van [neuroloog] van 25 februari 2006 betreft een neurologische expertise.
De door het hof genummerde hoofdstukken 1) tot en met 8) betreffen, uiteindelijk, alle een weergave van gebeurtenissen en klachten zoals deze door [appellant] (of een enkele keer: een derde, zoals zijn echtgenote) aan de deskundige zijn verteld.

3.10.1.
Hoofdstuk 1) (ongevalanamnese) bevat onder meer de volgende passages:
“Zijn echtgenote signaleerde in het ziekenhuis al dat zijn geheugen niet goed functioneerde. Hij kon nieuwe informatie niet goed opnemen en kon niet tegen drukte. Zo raakte hij geïrriteerd door kinderen van anderen, maar ook door zijn eigen kinderen. Hij kon woorden niet vinden en de zinsopbouw was niet goed. Hij begreep dingen ook niet. Deze klachten bleven aanwezig. Aanvankelijk was hiervoor weinig aandacht.”
en
“Hij heeft ook baat bij logopedie. Door de logopedie is hij in staat beter te praten, maar zijn zinnen en zinsopbouw zijn nog steeds niet zo fraai als voorheen”.

3.10.2.
Hoofdstuk 2) (huidige klachten) bevat onder meer de volgende passages:
“Hij heeft last van een gestoorde zinsopbouw. Bovendien heeft hij moeite met het vinden van woorden en gebruikt hij verkeerde woorden. Zijn begrip is ook gestoord. Hij heeft problemen met zijn geheugen in de zin van een verminderde opname van nieuwe informatie. Auditief aangeboden informatie neemt hij beter op dan visueel aangeboden informatie. Zo kan hij bijvoorbeeld iemand wel aan zijn stem herkennen, die hij visueel niet herkent. Hij kan zich minder goed concentreren dan voorheen en is snel afgeleid. Hij kan niet tegen drukte en stress.”

3.10.3.
Hoofdstuk 6) (psychosociaal) bevat onder meer de volgende passage:
“Hij kan het niet laten toch nog auto’s te verkopen. Hij behandelt hierbij overigens alleen bekende klanten, omdat hij anderen teveel uitleg moet geven en deze hem ook teveel drukte kunnen bezorgen.”

3.10.4.
Hoofdstuk 7) sub b) (door betrokkene ervaren beperkingen, werk) bevat onder meer de volgende passage:
“Ook verkoopgesprekken gaan minder goed, omdat hij zich minder goed kan concentreren en omdat hij moeite heeft met taal en spraak, zoals hierboven al aangegeven. Ook het berekenen van prijzen gaat hem minder goed af, zoals hierboven ook al is gemeld.”

3.10.5.
Hoofdstuk 8) (sociaal) luidt:
“Hij vermijdt drukte. Het ongeval en met name de cognitieve problemen hebben ook sociaal, met name in zijn gezinsleven, consequenties omdat zijn echtgenote meer voor haar kiezen krijgt. Ook dit geeft over en weer irritatie”.

3.10.6.
Hoofdstuk 9) betreft eigen waarnemingen van de deskundige, en bevat onder meer de volgende passages:

3.10.6.1.
Onderdeel a):
“Goed verzorgde man, die helder en coherent zijn verhaal vertelt.
Aandachtsschommelingen vallen niet op. Begripsstoornissen worden niet opgemerkt. Opvallende woordvindingsproblemen zijn er niet.”

3.10.6.2. 
Onderdeel b):
“Betrokkene is helder, goed georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Geen gnostische stoornissen, geen aanwijzingen voor afasie, apraxie, stoornissen in de links/rechtsoriëntatie of stoornissen in het lichaamsschema. (… ) Uitvoerig neuropsychologisch onderzoek wordt verricht.”

3.10.6.3.
Onderdeel c), hersenzenuwen:
“Reuk intact. Visus beiderzijds beter dan 1. Gezichtsvelden zijn bij de confrontatiemethode intact. De pupillen zijn isocoor, middenwijd, met goede reacties op licht en convergentie. Oogstand en oogbewegingen geen afwijkingen, geen nystagmus. Hallpike negatief. Bij fundoscopie met afdekken van het contralaterale oog geen afwijkingen. De sensibiliteit van het gelaat is zowel vitaal als gnostisch intact. Aan tong, facialis, farynx en kauwmusculatuur geen afwijkingen, m. sterno cleido mastoideus geen afwijkingen. Geen dysarthrie. Het gehoor is beiderzijds intact met ook intacte fluisterspraak. De proeven van Rinne en Weber zijn ongestoord.”

3.10.6.4. 
Onderdeel g), coördinatie:
“Top neus proef, knie hak proef, koorddansersgang, Romberg, diadochokinese, forearm rolling test ongestoord.”
“Samenvatting: Status na hoog energetisch trauma zonder bewustzijnsverlies met (…) sensibele stoornissen in het ulnaire deel van de rechterhand en cognitieve stoornissen. (…) De sensibiliteit is enigszins verbeterd. Volgens betrokkene zijn de cognitieve stoornissen ondanks intensieve behandeling weinig vooruit gegaan.”

3.10.7.
Hoofdstuk 11), klinische diagnose:
“Op het vakgebied van de neurologie kunnen de volgende diagnosen worden benoemd:
1. Ulnarisneuropathie ter hoogte van de sulcus n. ulnaris rechts.
2. Cognitieve stoornissen die secundair lijken aan een pijnsyndroom.”

3.10.8.
Onder “samenvatting en bespreking” in het rapport van 17 augustus 2006 vermeldt [neuroloog] onder meer:
“De cognitieve problemen worden door betrokkene gemeld als zijnde vanaf het begin af aan aanwezig. In het dossier wordt hiervan in het geheel geen melding gemaakt. Het neuropsychologisch onderzoek dateert van 2004. De revalidatiearts maakt ook in eerdere brieven geen melding van cognitieve stoornissen, wel van psychische in casu verwerkingsproblematiek.”

3.11.
Het rapport van [klinisch neuropsycholoog] van 28 juli 2006 betreft een neuropsychologische expertise, waarbij kennis werd genomen van de neurologische expertise van [neuroloog] en van die van [neurospycholoog 2] .

3.11.1.
De door [appellant] aangegeven klachten (anamnestische gegevens) zoals opgenomen in hoofdstuk 2) stemmen in grote lijnen overeen met de klachten zoals aangegeven tegenover [neuroloog] .

3.11.2.
Hoofdstuk 3), klinische indruk, bevat onder meer de volgende passages:
“Tijdens het anamnesegesprek kan hij een coherent verhaal vertellen, met voldoende detaillering. Wel vallen woordvindings- en formuleringsproblemen op. Hij heeft een wat vlak affect. Hij heeft een reële presentatie, er zijn geen aanwijzingen voor aggravatie.( …) Tijdens het neuropsychologisch onderzoek stelt hij zich coöperatief op.”

3.11.3.
Hoofdstuk 4), neuropsychologisch onderzoek:

3.11.3.1. 
Onderdeel 4.1, intellectueel functioneren:
“Op de WAIS behaalt hij een gemiddeld intelligentiequotiënt. Verbale onderdelen zijn gemiddeld tot ruim gemiddeld. Performale onderdelen zijn in het algemeen gemiddeld tot laag gemiddeld, waarbij opvalt dat hij traag is. Het denkvermogen is vertraagd (…)”

3.11.3.2. 
Onderdeel 4.2 geheugen en leervermogen:
Het hof ziet af van een integrale weergave van dit onderdeel. Samengevat komt het erop neer dat [appellant] beneden verwachting presteert en blijft presteren. Volgens [klinisch neuropsycholoog] “zijn deze resultaten niet het gevolg van bewust onderpresteren, maar van verminderd cognitief functioneren o.b.v. vermoeidheid en pijnklachten.”

3.11.3.3. 
Onderdeel 4.3, aandacht en concentratie:
“De volgehouden aandacht gedurende het onderzoek is matig.” Op de trailmakingstest, Bourdon-Wiersma Stippentest en Stroop Kleur Woordtest werkte [appellant] traag en onregelmatig.

3.11.3.4. 
Onderdeel 4.4, taal, spraak en schoolse vaardigheden:
“In de spontane spraak vallen af en toe woordvindingsproblemen op. Het taalbegrip is volgens opleidingsniveau. In een dictee valt een aantal spelfouten op. Het benoemen (…) is gemiddeld. De woordvloeiendheid (…) is beneden gemiddeld voor een eenvoudige categorie en gemiddeld voor een moeilijke categorie. Cijferen op papier verloopt traag en hij maakt een aantal fouten.”

3.11.3.5. 
Onderdeel 4.5 Visuoperceptuele, -constructieve en -spatiële vaardigheden:
“[Hij is] relatief traag (…) in denken (…) De Hooper Visual Organizationtest is gemiddeld. De eenvoudige geometrische figuren van de Bender Gestalttest worden goed nagetekend. Bij het tekenen van de Complexe Figuur van Rey gaat hij goed gestructureerd te werk.”

3.11.3.6. 
Onderdeel 4.6 persoonlijkheidsonderzoek:
“Uit de beantwoording van een persoonlijkheidsvragenlijst (…) , een klachtenlijst (…) en een depressievragenlijst (…) blijkt dat hij zichzelf insufficiënt vindt functioneren. De zelfwaardering is gering. Hij (...) voelt zich ook gespannen. Er zijn geen aanwijzingen voor een evident depressieve stemmingsstoornis, wel enige depressieve symptomen. Uit de beantwoording van de Pijncoping Inventarisatielijst …, blijkt dat betrokkene zowel actieve als passieve copingmechanismen hanteert, waarbij vooral passieve copingmechanismen opvallen, zoals piekeren, terugtrekken en rust nemen.”

3.11.4.
Hoofdstuk 5) samenvatting en conclusie, luidt onder meer:
“Uit het huidige neuropsychologische onderzoek blijkt dat er sprake is van een gemiddeld intellectueel functioneren, waarbij opvalt dat net name de performale vaardigheden slechter zijn dan kan worden aangenomen op grond van opleiding en werkervaring. Hij is trager in denken en in de praktische uitvoering wordt hij gehinderd doordat hij uitsluitend zijn linkerhand kan inzetten. Inprenting en opslag naar het langere termijn geheugen is verslechterd. Het werktempo is traag, hij is verhoogd interferentiegevoelig. Schoolse vaardigheden zijn volgens opleidingsniveau. Visuoperceptie en –constructie is qua vaardigheid gemiddeld, in de uitvoering is het wat vertraagd. Uit het persoonlijkheidsonderzoek blijkt dat er sprake is van evidente verwerkings- en acceptatieproblematie. Hij heeft een passieve copingstijl. Er zijn depressieve symptomen, maar hij voldoet niet aan de criteria voor een depressieve stemmingsstoornis.”

3.11.5.
Op de vragen antwoordt [klinisch neuropsycholoog] :

3.11.5.1. 
Vraag 1: “Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?”
Antwoord:
“Aanpassingsstoornis (ongespecificeerd, chronisch, DSM-IV code 309.9)
Milde tot matige problemen met betrekking tot concentratie en inprenting.”

3.11.5.2. 
Vraag 2: “Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen worden veroorzaakt door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval d.d. 03-03-2002?”
Antwoord:
“Opvallend in het beloop van het klachtenpatroon en in de documentatie vanuit de behandelende sector is, dat aanvankelijk, ook gedurende de revalidatie alleen wordt gesproken over lichamelijke beperkingen en de behandeling daarvan en dat de revalidatiearts in haar brief van 21-06-2003 opmerkt ten aanzien van de psyche en communicatie: ‘geen bijzonderheden’. Dit kan betekenen dat er destijds geen klachten waren, dan wel dat er op dat moment geen zodanige klachten waren dat deze als beperkend werden ervaren door patiënt, dan wel dat er geen aandacht is besteed aan deze klachten. Ook was hij in de eerste revalidatieperiode al gestart met werkhervatting in het eigen bedrijf, en was hij weer volledig aan het werk, waarbij hij soms ’s middags even rustte vanwege vermoeidheid. Later is er kennelijk toch een toename ervaren van de cognitieve klachten, zodanig dat er een neuropsychologisch onderzoek plaatsvond (2004) en inmiddels volgt hij een poliklinisch revalidatieprogramma, met ergotherapie, groepstherapie en geheugentraining. Gezien het beloop in het klachtenpatroon kan worden beargumenteerd dat de cognitieve klachten gedurende de ziekenhuisperiode mogelijk gevolg zijn van meermalen narcose in een korte tijdsperiode en pijnstillende medicatie, en ook na de opname heeft er nog negen maal een operatie plaatsgevonden onder narcose. Betrokkene ervaart chronische pijnklachten en er is sprake van verwerkings- en acceptatieproblematie. Derhalve kunnen de huidige cognitieve klachten gezien worden als secundair bij het chronisch geworden pijnsyndroom en de verwerkings- en acceptatieproblemen.”

3.11.6.
Vraag 3: “Zijn er wellicht andere oorzaken dan het ongeval die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?”
Antwoord:
“Er zijn geen andere gebeurtenissen of life-events in de periode rond het ongeval die een verklaring zouden kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen op ons vakgebied.”

3.11.7.
Vraag 4: “Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van het verkeersongeval d.d. 03-03-2002 ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?”
Antwoord:
“Het is aannemelijk dat betrokkene beperkingen zal ervaren bij het werken onder tijdsdruk, bij een dwingend werktempo en bij conflicterende functie-eisen.”

3.12.
Het rapport van [neuropsycholoog 1] betreft een neuropsychologische expertise en dateert van 10 oktober 2009.

3.12.1.
Het door het hof genummerde hoofdstuk 2), anamnestische gegevens, bevat onder meer de volgende passages:
“In de tweede helft van 2003 viel het betrokkene op dat hij af en toe minder goed geconcentreerd was en problemen had met het geheugen. Er waren woordvindproblemen en betrokkene had moeite met de zinsbouw. [Door] deze klachten [werd] hij bijzonder (…) gehinderd in zijn functioneren (…)”. 
De deskundige vermeldt dat de advocaat Gersjes hieraan heeft toegevoegd dat de echtgenote en werknemers van betrokkene deze problemen al direct na het ongeval signaleerden, terwijl tijdens het verblijf in het ziekenhuis zijn kamergenoten achteraf duidelijk moesten maken wat de behandelend arts had besproken.

3.12.2.
De deskundige verwijst voorts naar de rapportage van [neurospycholoog 2] en van de revalidatiearts [revalidatiearts] uit mei 2005 welke rapportage deels weer steunt op het rapport van [neurospycholoog 2] . In het rapport van [revalidatiearts] is sprake van cognitieve beperkingen.

3.12.3.
Hoofdstuk 9), observaties, geeft een gedetailleerde weergave van de waarnemingen van de deskundige omtrent de stemming, opstelling en het gedrag van [appellant] . Kernwoorden daarbij zijn (in de weergave van het hof): tamelijk passief, aanvankelijk gereserveerd maar allengs meer coöperatief, enigszins somber, geërgerd als iets niet lukt, gepreoccupeerd door de eigen klachten.

3.12.4.
[neuropsycholoog 1] constateerde geen problemen ten aanzien van de taalfunctie, zij het dat de articulatie soms onzorgvuldig was. Zinsbouw, woordenschat, woordbeeld, syntaxis, wordfluency waren normaal en er zijn geen woordvind-of benoemingsstoornissen. Tegen het einde van het onderzoek trad er lichte vertraging in het tempo en vermindering van aandacht en zorgvuldigheid op, als gevolg van vermoeidheid.

3.12.5.
Hoofdstuk 10 betreft het testpsychologisch onderzoek.

3.12.6.
De tussenconclusie op het onderdeel “intelligentie/cognitieve functies” luidt:
“Afgaande op het resultaat van bovengenoemde intelligentietaken en rekening houdend met de wijze waarop deze resultaten tot stand kwamen ben ik van mening dat de heer [appellant] beschikt over gemiddelde intellectuele capaciteiten. Het intelligentieprofiel is voldoende harmonisch. Er zijn geen “organische signs”. Met name de scores bij enkele onderdelen van de WAIS III lijken niet voldoende overeen te komen met de reële capaciteiten van betrokkene. Afgaande op zijn vooropleiding en werkzaamheden ben ik op grond van een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van zijn prestaties van mening dat er geen aanwijzingen zijn voor een posttraumatische deterioratie der cognitieve vermogens.”

3.12.7.
De tussenconclusie op het onderdeel “aandacht/concentratie” luidt:
“Afgaande op het resultaat bij bovengenoemde aandachtstaken ben ik van mening dat er enkele lichte problemen zijn met aandacht en concentratie. Bij langer durende taken treedt enige vermoeidheid op. Het resultaat bij de verschillende aandachtstaken is echter niet normafwijkend en geeft geen indicatie voor een organisch cerebraal bepaalde stoornis van de aandachtfunctie. De gerichte, selectieve aandacht is normaal en ook de verdeelde en volgehouden aandacht is voldoende.”

3.12.8.
Bij het onderdeel “geheugen” merkte de deskundige op:
“Het resultaat bij de AKTG en de TOMM geeft een indicatie voor onderpresteren. De betreffende scores wijzen erop dat de betrokkene presteert onder zijn feitelijke niveau. Een dergelijke prestatie kan wijzen op psychologische factoren zoals somatisatie en aggravatie, tevens kan dit een gevolg zijn van ongewone vermoeidheid en hinder door pijnklachten, waardoor de inzet nadelig wordt beïnvloed.”

3.12.9.
De tussenconclusie op dit onderdeel luidt:
“Afgaande op het resultaat bij bovengenoemde geheugentaken ben ik van mening dat er weliswaar incidenteel enkele zeer lichte problemen zijn met betrekking tot de geheugenfunctie, doch deze problemen zijn inconsistent, niet concordant en imponeren niet als organisch cerebraal bepaald.
De inprentingsfase van het geheugenproces verloopt doorgaans normaal, bij ontspanning en een goede inzet blijkt de opslagcapaciteit en de retentie van nieuwe informatie normaal te zijn en ook de retrievalfunctie is ongestoord. Dit geldt zowel voor visueel als voor verbaal auditief aangeboden informatie.”

3.12.10.
De tussenconclusie op het onderdeel “ruimtelijk inzicht” luidt:
“Er zijn geen aanwijzingen voor organisch cerebraal bepaalde problemen met betrekking tot ruimtelijk inzicht, de ruimtelijke analyse en synthese, de integratieve functies en de constructieve praxis.”

3.12.11.
Bij de “taalfunctie” merkt [neuropsycholoog 1] op:
“Bij een screenend onderzoek naar enkele aspecten van de taalfunctie werden geen problemen geconstateerd ten aanzien van zinsbouw en woordenschat. … Er zijn geen woordvindingsproblemen en benoemingsproblemen geconstateerd. Ook het woordbeeld is normaal. Met lezen en schrijven bleek hij ongewone problemen te hebben. er zijn geen aanwijzingen voor een agnosie.”

3.12.12.
De tussenconclusie op dit onderdeel luidt:
“Er zijn geen aanwijzingen voor specifieke, organisch cerebraal bepaalde problemen ten aanzien van de sensorische en motorische componenten van de taalfunctie.”

3.12.13.
De tussenconclusie op het onderdeel “motoriek” luidt:
“Er zijn aanwijzingen voor problemen met de functie van de rechter arm en de rechter hand. (… ) De oog-hand coördinatie is goed.”

3.12.14.
Het onderdeel “persoonlijkheidsonderzoek” luidt als volgt.
“Bij het persoonlijkheidsonderzoek (…) zien we het beeld van een man met onevenwichtige en kwetsbare persoonlijkheidskenmerken en een sterke neiging tot somatiseren van psychische problematiek dan wel het in verhevigde mate beleven van bestaande somatische verschijnselen. Er is een bovenmatige bezorgdheid over het lichamelijke (dis)functioneren. Hij is sterk gepreoccupeerd met de door hem ervaren ongevalsgevolgen en de consequenties daarvan in zijn dagelijkse leven en werken. Er zijn aanwijzingen voor negatieve en sombere gevoelens en een gevoel van zelfdepreciatie. Er zijn depressieve kenmerken bij hem aanwezig. In dit kader is sprake van een subjectief ervaren nadrukkelijke vermindering van vitaliteit en energie. Hij lijkt relatief weinig inzicht te hebben in zijn eigen motieven en gevoelens. Er is sprake van een gebrekkig zelfvertrouwen en hij is twijfelzuchtig. Hij stelt enerzijds hoge eisen aan zichzelf, anderzijds wil hij daarbij fouten en problemen zoveel mogelijk vermijden. Doordat hij geconfronteerd wordt met zijn klachten kan hij in enkele opzichten niet voldoen aan de eisen die hij aan zichzelf stelt. Hij voelt zich duidelijk machteloos. Uiteindelijk lijkt hij weinig actief te zoeken naar oplossingen voor de problemen waarmee hij wordt geconfronteerd. Hij is weinig flexibel, veelal rigide in zijn benadering. Er is een sterke neiging tot vermijdingsgedrag en uiteindelijk bestaat het beeld van een gelaten berusting. Hij is ontvankelijk voor reacties en het oordeel van anderen. In dit kader maakt hij een afhankelijke indruk. Naast de insufficiëntiegevoelens zijn er angstcomponenten in het gedrag aanwezig, zowel situatief bepaalde angst als existentiële angst.
Door de confrontatie met zijn disfunctioneren is er af en toe sprake van een negatieve gemoedstoestand, gepaard gaande met een verhoogde vegetatieve arousal en een cluster van klachten, samenhangend met een verhoogde spanning, irritatie en lusteloosheid. In dit kader neigt hij tot inefficiënte en inadequate reacties jegens anderen. Met name bij de confrontatie met conflicten en in stressvolle situaties voelt hij zich ongemakkelijk en beschikt hij niet over voldoende adequate copingmechanismen. Hij neigt ertoe grotere gezelschappen met veel en grote verscheidenheid aan indrukken te vermijden. Hij is de laatste jaren minder gedreven en er is een sterke neiging zichzelf te ontzien. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan bekende en voor hem vertrouwde situaties en heeft moeite om bestaande gewoonten en een vertrouwde oplossingsstrategie te veranderen. Bij de confrontatie met moeilijke situaties neigt hij soms tot uitstellen, hij is eerder dan gemiddeld ontmoedigd en neigt ertoe op te geven. In een dergelijk stadium is het prestatieniveau laag, omdat er dan een neiging bestaat tot weinig zorgvuldig handelen en denken, niet voldoende wordt geanticipeerd en de actieve betrokkenheid bij bepaalde taken sterk gereduceerd is. 
Er zijn geen indicaties voor een organisch cerebraal bepaalde disregulatie van het gedrag en het emotionele functioneren. Er zijn aanwijzingen voor een evidente verwerkings- en acceptatieproblematiek ten aanzien van het ongeval en de ongevalsgevolgen. De stemming en psychische conditie van betrokkene worden nadrukkelijk beïnvloed door de fysieke klachten, met name de rugpijn en de spierpijnen en de pijn in de rechter schouder en de rechter arm.
Behoudens de beschreven persoonlijkheidskenmerken zijn er anamnestisch geen aanwijzingen voor pre-existente psychologische factoren die het algehele functioneren kunnen beïnvloeden.”

3.12.15.
De conclusie van [neuropsycholoog 1] luidt:
“De beschreven vermoeidheidsverschijnselen tijdens het onderzoek geven een indicatie voor een verminderde spankracht. Deze is te herleiden tot de psychische conditie van betrokkene, door hem ervaren pijnklachten en de beschreven fysieke beperkingen.
Op grond van de anamnese, de resultaten bij het persoonlijkheidsonderzoek en de observaties bij het klinisch neuropsychologisch functie onderzoek zijn er bij deze introverte en psychasthene man aanwijzingen voor onevenwichtige en kwetsbare persoonlijkheidskenmerken en een sterke neiging tot het somatiseren van psychische problematiek. Hij is sterk gepreoccupeerd met de in zijn werk en persoonlijke leven ervaren ongevalsgevolgen. Er zijn aanwijzingen voor depressieve kenmerken. In dit kader is er sprake van een subjectief ervaren nadrukkelijke vermindering van vitaliteit en energie. Er zijn aanwijzingen voor een nadrukkelijke verwerkings- en acceptatieproblematiek ten aanzien van het ongeval en de ongevalsgevolgen. Behoudens de beschreven persoonlijkheidsstructuur zijn er geen aanwijzingen voor pre-existente psychologische factoren die het functioneren van betrokkene kunnen beïnvloeden. 
Op strikt neuropsychologische gronden zijn er geen beperkingen van de functies van het ADL en de zelfverzorgingsactiviteiten. Op strikt neuropsychologische gronden zijn er geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, met name de uitoefening van zijn eigen beroep. Ook voor sportieve en recreatieve activiteiten zijn er op strikt neuropsychologische gronden geen beperkingen. Er zijn op neuropsychologische gronden geen beperkingen van de psychische of mentale belastbaarheid.
Het algehele functioneren en daarmee de mentale belastbaarheid worden beperkt door de ervaren pijnklachten en de fysieke beperkingen, met name de functieproblematiek van de rechter arm en de rechter hand. Tevens wordt de belastbaarheid beperkt door de verminderde spankracht. Het algehele functioneren en de mentale belastbaarheid van betrokkene worden mede beperkt door de psychische conditie, met name de depressieve kenmerken en de nadrukkelijke verwerkings- en acceptatieproblematiek ten aanzien van het ongeval en de ongevalsgevolgen.”

3.13.
Het rapport van [verzekeringsgeneeskundige] betreft een verzekeringsgeneeskundig rapport en dateert van 16 januari 2012.
[verzekeringsgeneeskundige] neemt in zijn rapport onder meer samenvattingen op van de rapporten van [neurospycholoog 2] , [neuroloog] , [revalidatiearts] , [klinisch neuropsycholoog] , [orthopedisch chirurg] en [neuropsycholoog 1] . Het hof verwijst naar de samenvattingen, voor zover van belang, zoals die hiervoor zijn weergegeven.
[verzekeringsgeneeskundige] verwijst voorts naar de visies van enerzijds mw. [arts/rga, medisch adviseur van verzekeringen] , medisch adviseur van [verzekeringen] en anderzijds van drs. [medisch adviseur] , medisch adviseur van [appellant] . Het hof gaat daar evenwel grotendeels aan voorbij, nu het bij de visies van [arts/rga, medisch adviseur van verzekeringen] en [medisch adviseur] voor het merendeel niet gaat om eigen onderzoeken en de resultaten daarvan, doch om interpretaties van de onderzoeken van andere deskundigen. Vermeldenswaard is wel dat [medisch adviseur] meermalen spreekt over een duidelijke knik in de levenslijn, indien die levenslijn voor het ongeval en na het ongeval met elkaar worden vergeleken.

3.13.1.
[verzekeringsgeneeskundige] vervolgt met een anamnese en een weergave van de dagbesteding van [appellant] .

3.13.2.
In het hoofdstuk “onderzoek” geeft [verzekeringsgeneeskundige] onder meer het volgende weer. 
“Psyche: patiënt is goed georiënteerd in tijd en plaats. Kan zijn problematiek goed onder woorden brengen. Geen tekenen van emotionele labiliteit. Normale stemming. Tijdens het gesprek, dat ongeveer 65 minuten duurde, werden geen evidente, cognitieve stoornissen, geen evidente woordvindingsstoornissen, gevonden. Patiënt sprak voorzichtig/weloverwogen. Tijdens het onderzoek liet patiënt met een regelmaat begeleider het woord doen.”

3.13.3.
In hoofdstuk 4, “beschouwing en conclusie”, heeft deskundige [verzekeringsgeneeskundige] onder meer het navolgende verwoord.
“Verder wordt melding gemaakt van concentratie geheugenstoornissen en depressieve klachten. Tussen partijen bestaat een verschil van visie met betrekking tot de van toepassing geachte beperkingen als zijnde een gevolg van het ongeval.”

3.13.4.
[verzekeringsgeneeskundige] vervolgt met een weergave van de standpunten van [neuroloog] , [klinisch neuropsycholoog] , [orthopedisch chirurg] en [neuropsycholoog 1] . 
Vervolgens relateert [verzekeringsgeneeskundige] het verloop van een onderzoek op 26 oktober 2011. Dit vangt, andermaal, aan met een weergave van de klachten zoals deze door [appellant] worden ervaren en op dat moment aan [verzekeringsgeneeskundige] worden gemeld.

3.13.5.
Verderop merkt [verzekeringsgeneeskundige] op:
“Met betrekking tot de door patiënt aangegeven klachten bestaande uit concentratie problemen woordvind-problemen/geheugenproblemen, concludeert ondergetekende op basis van de eigen onderzoekbevindingen en bevindingen van deskundigen dat genoemde klachten niet verklaard kunnen worden op basis van een organisch cerebraal disfunctioneren, maar veeleer kunnen passen als secundair bij een chronisch geworden pijnsyndroom en verwerking/acceptatieproblemen.
Ondergetekende merkt op dat tijdens het uitgebreide gesprek d.d. 26 oktober 2011 geen aanwijzingen werden gevonden voor woordvindproblemen. Ondergetekende merkt op dat de resultaten van de beide deskundigenrapporten te weten het rapport opgesteld door de neuropsycholoog [klinisch neuropsycholoog] en het rapport opgesteld door neuropsycholoog [neuropsycholoog 1] verschillende uitkomsten geven.
Uit het rapport van neuropsycholoog mevrouw [klinisch neuropsycholoog] d.d. 28 juli 2006 wordt niet duidelijk of er is getest op eventueel onderpresteren.
Deskundige neuropsycholoog [neuropsycholoog 1] concludeert dat er op neuropsychologische gronden geen beperkingen zijn aan te geven ten aanzien van psychische of mentale belastbaarheid, daarnaast is er een indicatie voor onderpresteren.
Ondergetekende kan de door patiënt aangegeven beperkingen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden inhoudende dat hij niet meer productief is, noch op basis van de bevindingen van neuropsycholoog [klinisch neuropsycholoog] noch op basis van de bevindingen van neuropsycholoog [neuropsycholoog 1] noch op basis van de eigen onderzoeksbevindingen verklaren. Er lijkt dan ook geen volledige overeenstemming te bestaan tussen het door patiënt geuite klachtenpatroon en de onderzoeksbevindingen.
Het een en ander laat onverlet dat patiënt na het ongeval een klachtenpatroon heeft ontwikkeld bestaande uit cognitieve stoornissen passend bij een pijnsyndroom. Ondergetekende is dan ook van mening dat op basis van de onderzoekbevindingen waaronder de onderzoekbevindingen van beide neuropsychologen er aanleiding is om restricties met betrekking tot psychische belasting van toepassing te achten inhoudende dat patiënt is aangewezen op arbeid waarbij beperkingen gelden ten aanzien van het werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo, ontbreken van structuur, concentreren van aandacht en conflicthantering.”

3.13.6.
Het hof constateert dat [verzekeringsgeneeskundige] weliswaar gewag maakt van zijn eigen onderzoeksbevindingen, maar door [verzekeringsgeneeskundige] is niet toegelicht welk ander onderzoek hij heeft gedaan dan enerzijds bestudering van de rapporten van de eerder rapporterende deskundigen, en anderzijds het opdoen van indrukken tijdens een gedurende ruim een uur gevoerd gesprek met [appellant] . Andere eigen bevindingen van [verzekeringsgeneeskundige] dan die welke hiervoor zijn gerelateerd in r.o. 3.13.2 heeft het hof niet aangetroffen.

3.14.
Bij het rapport van [verzekeringsgeneeskundige] is gevoegd een lijst met beperkingen (FML). Voor zover beperkingen zijn genoteerd gaat het om de volgende:

3.14.1.
Rubriek 1: persoonlijk functioneren: enkele beperkingen, te weten:

3.14.1.1.
Concentreren van de aandacht: licht beperkt., kan zich langdurig concentreren, mits de materie niet complex is.
Kan zich maximaal 20 minuten concentreren op complexe materie, moet daarna mogelijkheid [hebben] zich gedurende 10-15 minuten met minder concentratie vergende activiteiten bezig te houden.

3.14.1.1. 
Verdelen van de aandacht: licht beperkt, maximaal een half uur aandacht verdelen over meerdere informatiebronnen, moet daarna mogelijkheid hebben zijn aandacht gedurende een kwartier op een informatiebron te richten.

3.14.1.1. 
Herinneren: beperkt, moet regelmatig dingen apart opschrijven als geheugensteun om continuïteit van het handelen te waarborgen.

3.14.1.1. 
Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid:
- cliënt is aangewezen op [werk]
 met gemiddelde tijdsdruk, met een normaal werktempo is er ook tijd voor wat ontspanning
 waar goed structuur in aan te brengen is en dan nog een aantal onverwachte taken heeft
 waarbij hij niet hoog frequent wordt afgeleid door activiteiten van anderen
- cliënt is in staat tot arbeid
 in omgeving met regelmatig geluiden of iemand die komt en gaat
 waarbij hij regelmatig omgaat met onbekende mensen, nu en dan wat meer vaste mensen

3.14.1.5. 
Voor het overige bevat rubriek 1 een groot aantal onderdelen waarvoor geen beperkingen gelden.

3.14.1.5. 
Rubriek 2: sociaal functioneren: 
Omgaan met conflicten: beperkt, kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact hanteren.

3.14.2.
Rubriek 3: aanpassing aan fysieke omgevingseisen:
- geluidsbelasting: beperkt, namelijk geen werkzaamheden in lawaaierige omgeving
- trillingsbelasting: beperkt (vanwege lichamelijke beperkingen)
- specifieke voorwaarden voor de aanpassing aan de fysieke werkomgeving: ja (in verband met lichamelijke beperkingen)

3.14.3.
Rubriek 4: dynamische handelingen
De lijst bevat diverse beperkingen, van licht tot sterk beperkt; alle in verband met lichamelijke beperkingen.

3.14.4.
Rubriek 5: statische houdingen
Idem

3.14.5.
Rubriek 6: arbeidspatroon: Bij inachtneming van de bovengenoemde beperkingen gelden er geen restricties ten aanzien van het arbeidspatroon.

3.15.
Vervolgens heeft arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] uitgaande van de FML van [verzekeringsgeneeskundige] gerapporteerd. Na een aantal concepten welke zijn becommentarieerd heeft hij op 23 oktober 2012 zijn eindrapport uitgebracht.

3.15.1.
Zoals reeds summier aangeven – het hof komt hierop terug – heeft mevr. [registerarbeidsdeskundige 3] een contra-rapport geschreven. In de visie van [verzekeringen] dient dat buiten beschouwing te blijven. Het hof ziet echter geen reden om dat rapport buiten beschouwing te laten, mits daarbij in aanmerking wordt genomen dat het enerzijds niet gaat om een deskundige omtrent wie partijen overeenstemming hadden bereikt noch om een deskundige die door de rechter was aangewezen, en anderzijds daarbij hoor en wederhoor onvoldoende in acht zijn genomen, zodat aan dat rapport niet eenzelfde gewicht kan worden toegekend als aan een rapport dat door een met wederzijds goedvinden of door de rechter benoemde deskundige is uitgebracht en waarbij hoor en wederhoor wel voldoende in acht zijn genomen. Aan het rapport van [registerarbeidsdeskundige 3] kan echter wel de status worden toegekend van “deugdelijk gemotiveerde betwisting” van de zijde van een van partijen, in dit geval [appellant] . Op deze wijze heeft [arbeidsdeskundige] , terecht, ook het commentaar van [registerarbeidsdeskundige 3] op zijn eerdere conceptrapport gekwalificeerd. [arbeidsdeskundige] is gefundeerd op de diverse kritiekpunten van [registerarbeidsdeskundige 3] in gegaan.

3.15.2.
[arbeidsdeskundige] schrijft in hoofdstuk 9. beschouwing:
“Betrokkene presenteert ons een complex aan klachten, met name van cognitieve aard, welke zeer fors zijn. De beperkingen zoals die door de heer [verzekeringsgeneeskundige] zijn vastgelegd, zijn in vergelijking met de presentatie van betrokkene zeer mild. Wij constateren dat er een grote discrepantie bestaat tussen wat is vastgelegd als zijnde objectieve beperkingen en wat hijzelf hierover zegt en aangeeft te ervaren. 
Wij zijn evenwel gehouden om ons aan de belastbaarheid van betrokkene te houden zoals in het rapport en de FML van de heer [verzekeringsgeneeskundige] vastgelegd.”
en verderop in 9.4.:
“Wij zijn ons bewust dat onze visie omtrent de arbeidsgeschiktheid van betrokkene lijnrecht staat tegenover de visie die hij daarover heeft. De oorsprong van deze discrepantie is terug te voeren naar het rapport van [verzekeringsgeneeskundige] en de FML die hij heeft opgesteld.”

3.15.3.
Ten aanzien van het oorspronkelijke aantal door de maatman te werken uren merkt [arbeidsdeskundige] op dat [registerarbeidsdeskundige 1] destijds, mede op basis van het aantal uren, uit is gegaan van 52,5 uur per week. Thans stelt [appellant] zich op het standpunt dat dit 60 uur zou moeten zijn, maar [arbeidsdeskundige] ziet geen aanleiding om daarvan uit te gaan nu [registerarbeidsdeskundige 1] de deeltaken zeer nauwkeurig had omschreven. [registerarbeidsdeskundige 3] heeft nog een andere berekening gemaakt. [arbeidsdeskundige] constateert daarin een rekenfout en wijst erop dat de berekening van [registerarbeidsdeskundige 3] op 53,25 uur per week zou uitkomen, dus slechts marginaal meer dan de 52,5 uur van [registerarbeidsdeskundige 1] .

3.15.4.
[arbeidsdeskundige] heeft vervolgens, op basis van de beperkingen zoals die uit de FML van [verzekeringsgeneeskundige] blijken enerzijds en de omschrijving van de werkzaamheden van [registerarbeidsdeskundige 1] anderzijds, een inschatting gemaakt van de mate van uitval in de diverse functies en taken welke voor [appellant] viel te verwachten. Het is juist op die inschattingen dat [registerarbeidsdeskundige 3] kritiek heeft, doch die kritiek raakt ten gronde de mate van beperkingen welke [verzekeringsgeneeskundige] heeft vast gesteld. [verzekeringsgeneeskundige] heeft echter zijn beperkingen uiteindelijk vast gesteld aan de hand van de objectiveerbare beperkingen zoals die in de onderzoeken van [neuroloog] , [klinisch neuropsycholoog] en [neuropsycholoog 1] besloten lagen. Die benaderingswijze acht het hof juist.

3.16.
[appellant] verwijst naar een op 2 oktober 2014 voorgedragen en overgelegde lijst. Vermoedelijk gaat het daarbij om een lijst van 24 april 2007 getiteld “Mate van belastbaarheid van [roepnaam appellant] ”, waarnaar ook in het rapport van [registerarbeidsdeskundige 3] is verwezen. Het zou daarbij gaan om een lijst met beperkingen zoals die door derden in hun omgang met [appellant] zouden zijn ervaren, uitgesplitst naar psychische factoren en lichamelijke factoren. 
Ook al betreft dit dus niet een lijst met subjectief door [appellant] ervaren beperkingen, maar een meer geobjectiveerde lijst nu deze ervaringen van derden – familie, collega’s, anderen – betreft waaruit de beperkingen van [appellant] naar voren zouden komen, toch leidt deze lijst niet tot een ander oordeel. Uiteindelijk komt het bij zaken als de onderhavige aan op een zo goed mogelijke objectivering van de beperkingen. Daarbij brengt de aard van de zaak met zich dat onzekerheid tot op zekere hoogte voor risico van de veroorzaker van het ongeval dient te komen. Indien echter, zoals in dit geval, uitgebreid onderzoek door deskundigen van diverse disciplines wordt uitgevoerd, specifiek naar de aanwezigheid of afwezigheid van cognitieve en aanverwante beperkingen, en de uitkomst daarvan luidt dat daarvan slechts in beperkte mate sprake is, dan dient die uitkomst te prevaleren boven de weergave van derden, niet zijnde deskundigen, veelal zijnde directe relaties van betrokkene, welke bovendien betreft de weergave van – inmiddels – meer dan acht jaar geleden. Het rapport van [neuropsycholoog 1] dateert van nadien, van 2009, en de rapporten van [verzekeringsgeneeskundige] en [arbeidsdeskundige] van nog later.

3.17.
Oordeel van het hof

3.17.1.
Op onderdelen – zie onder meer r.o. 3.6, 3.13.6, 3.15.4, 3.16 - heeft het hof reeds zijn oordeel kenbaar gemaakt.

3.17.2.
Naar het oordeel van het hof ligt het zwaartepunt bij het onderzoek en de rapportage door [neuropsycholoog 1] . Ook al is ook dat rapport inmiddels ruim zes jaren oud, dit is het meest recente neuropsychologisch onderzoek. Het is ook het meest uitgebreide onderzoek, voor zover uit de rapporten naar voren komt: uitgebreider dan dat van [klinisch neuropsycholoog] . Voorts geldt voor het rapport van [neuropsycholoog 1] – anders dan voor het rapport van [klinisch neuropsycholoog] – dat eerstgenoemd rapport is uitgebracht door een deskundige waarover partijen overeenstemming hadden bereikt, en waarbij hoor en wederhoor zijn toegepast.

3.17.3.
Zowel [klinisch neuropsycholoog] als [neuropsycholoog 1] hebben oog gehad voor de mogelijkheid van onderpresteren. [klinisch neuropsycholoog] schrijft dat er geen aanwijzingen zijn voor bewust onderpresteren (zie r.o. 3.11.3.2) terwijl [neuropsycholoog 1] rapporteert dat daarvoor wel indicaties voorhanden zijn (r.o. 3.12.8). Dat laatste oordeel wordt ook gemotiveerd, anders dan het oordeel van [klinisch neuropsycholoog] . Het hof volgt het rapport van [neuropsycholoog 1] op dit onderdeel.

3.17.4.
Zoals hiervoor reeds aangestipt concentreren de bezwaren van [appellant] zich op de rapportage van [verzekeringsgeneeskundige] , niet die van [arbeidsdeskundige] , ook al zijn het de uitkomsten van [arbeidsdeskundige] waarmee [appellant] zich niet kan verenigen. Het hof gaf hiervoor – r.o. 3.13.6 - bij de bespreking van het rapport van [verzekeringsgeneeskundige] reeds kort aan dat de eigen waarnemingen van [verzekeringsgeneeskundige] tamelijk beperkt lijken te zijn. Dat betekent niet dat zijn rapport onbruikbaar zou zijn; integendeel hield [verzekeringsgeneeskundige] taak nu juist voor een belangrijk deel in dat hij de bevindingen van [neuropsycholoog 1] vertaalde naar een beperkingenlijst (de FML) welke lijst op zijn beurt weer de grondslag vormt voor het onderzoek door [arbeidsdeskundige] . 
Juist met die FML is [appellant] het – in het voetspoor van [registerarbeidsdeskundige 3] – ten gronde oneens. Onvoldoende – althans onvoldoende overtuigend - is echter naar ’s hofs oordeel aangetoond of toegelicht dat [verzekeringsgeneeskundige] de beperkingen zoals [neuropsycholoog 1] die rapporteerde op onjuiste of “te lichte” wijze heeft vertaald naar de FML. [appellant] stelt, in het voetspoor van [registerarbeidsdeskundige 3] , dat die FML niet spoort met zijn daadwerkelijke beperkingen, maar die door [appellant] gestelde daadwerkelijke (hof: ervaren of subjectieve) beperkingen staan nu juist niet vast.

3.17.5.
Het hof gaat dus uit van de bevindingen van [neuropsycholoog 1] en daarmee ook van de classificatie van [appellant] beperkingen, zoals door [verzekeringsgeneeskundige] weergegeven in de FML. 
In dezelfde lijn kan ook de mate van arbeidsgeschiktheid/ongeschiktheid zoals door [arbeidsdeskundige] berekend worden gevolgd. Reeds is aangestipt dat [arbeidsdeskundige] bij het formuleren van de “maatman” aansluiting heeft gezocht bij het rapport van [registerarbeidsdeskundige 1] . Dat betreft een gedetailleerd rapport waarvan de juistheid niet gemotiveerd is betwist. Het hof volgt het standpunt van [arbeidsdeskundige] op dat onderdeel, zodat uitgegaan kan worden van 52,5 uur, en niet 60 uur zoals [appellant] thans verdedigt.

3.17.6.
[arbeidsdeskundige] komt tot een uitval van 19,9 % ten opzichte van de maatman, maar meent dat die uitval gecompenseerd kan worden met andere taken. Die compensatiemogelijkheid hebben partijen niet tot onderwerp van hun debat gemaakt, althans in dit stadium, zodat het hof daaraan in dit stadium voorbij kan gaan.

3.17.7.
Gelet op het voorgaande faalt grief 2. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende aanwijzingen voorhanden zijn dat [verzekeringsgeneeskundige] de beperkingen van [appellant] (veel) te licht heeft vastgesteld. Daarmee faalt ook grief 1.

3.18.
[appellant] vordert veroordeling in de proceskosten in hoger beroep op de voet van art. 1019aa Rv. [verzekeringen] heeft verwezen naar het ook reeds hiervoor in r.o. 3.4.6 aangehaalde arrest van 19 juni 2015. Blijkens r.o. 4.9.3 van dat arrest is art. 1019aa Rv. niet van toepassing.
Ook overigens ziet het hof geen aanleiding [verzekeringen] in de deskundigenkosten te veroordelen

De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; ECLI:NL:GHSHE:2015:5248

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies