Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 200526 AOV orthodontist; diabetes; rapport ad-er te zien als bindend advies, verzekering ziet op arbeidscapaciteit, niet op verdienvermogen

RBGEL 200526 AOV orthodontist; diabetes; rapport ad-er te zien als bindend advies, verzekering ziet op arbeidscapaciteit, niet op verdienvermogen

3De feiten

3.1.

[de eiser] was zelfstandig orthodontist met een solopraktijk.

3.2.

[de eiser] had twee beroepsarbeidsongeschiktheidsverzekeringen afgesloten bij Achmea. Deze gaven dekking voor arbeidsongeschiktheid voor het eigen beroep van orthodontist.

3.3.

Het polisblad van 5 december 2021 van het Inkomens Zeker Plan voor Vrije Beroepen met het polisnummer dat eindigt op 064 (productie 1 van [de eiser] ) vermeldt onder meer:

“(…)

beroep Orthodontist

(…)

dekking Arbeidsongeschiktheid
(…)

Deze dekking eindigt op 30 mei 2028

(…)”

3.4.

Het polisblad van 5 december 2021 van het Inkomens Zeker Plan voor Vrije Beroepen met het polisnummer dat eindigt op 933 (productie 1 van [de eiser] ) is gelijkluidend, met uitzondering van onder meer:

“(…)

dekking Arbeidsongeschiktheid
(…)

Deze dekking eindigt op 30 mei 2023

(…)”

3.5.

Op beide polissen zijn de algemene verzekeringsvoorwaarden (model PV-11-202; productie 3 van [de eiser] ) van toepassing. Deze luiden onder meer als volgt:

“(…)

7 Wanneer bent u voor deze verzekering arbeidsongeschikt?

Als u uw beroep geheel of gedeeltelijk niet meer kunt doen.
(…)

En u bent 25% of meer arbeidsongeschikt.

(…)

8Welke oorzaken van arbeidsongeschiktheid zijn altijd uitgesloten?

U krijgt geen uitkering als uw arbeidsongeschiktheid ontstaat of verergert door:

Opzet of grove schuld.

Van uzelf of een ander die belang heeft bij de uitkering.

 (…)

9Wie stelt de mate van arbeidsongeschiktheid vast?

Wij stellen vast voor welk percentage u arbeidsongeschikt bent.

(…)

Wij gebruiken de rapporten van deskundigen die wij aanwijzen.

- Bijvoorbeeld artsen en arbeidsdeskundigen.

U heeft recht op een medische of arbeidsdeskundige herbeoordeling (second opinion).

- Als u en wij geen akkoord hebben over de mate van arbeidsongeschiktheid.

- Wij bepalen samen met u wie de second opinion uitvoert.

- De uitslag van de second opinion is beslissend voor de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.

- Wij betalen de kosten.

(…)

12Hoe stellen wij uw arbeidsongeschiktheidspercentage vast?

Bij beroepsarbeidsongeschiktheid:
Wij stellen de mate van arbeidsongeschiktheid vast aan de hand van de volgende stappen:

De arts stelt vast welke beperkingen u heeft.

De arbeidsdeskundige stelt vast welke taken u uitvoerde en hoe deze verdeeld waren.

- Wij gaan uit van het beroep dat op uw verzekeringsbewijs staat.

De arbeidsdeskundige beoordeelt per taak hoeveel procent van deze taak u niet meer kunt doen.

- De arbeidsdeskundige gebruikt daarvoor de lijst met beperkingen van de arts.

- Wij kunnen daarbij rekening houden met uitgevoerde taakaanpassingen die binnen uw beroep of bedrijf gangbaar zijn.

- Wij kunnen daarbij rekening houden met taakverschuiving waarbij tot een andere verdeling van de taken binnen uw beroep op bedrijf gekomen wordt.

- Maar alleen als u deze taken al deed. Wanneer u deze taken nog niet deed, doen wij dit in overleg.

Met deze percentages adviseert de arbeidsdeskundige over de arbeidsongeschiktheid voor uw beroep.

- Arbeidsongeschiktheid voor een deel van uw taken leidt meestal tot gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor uw beroep.

(…)

13Wat zijn uw plichten als u arbeidsongeschikt bent?

U doet alles wat nodig is voor snel en goed herstel.

 (…)

14 Wat zijn de gevolgen als u uw plichten bij arbeidsongeschiktheid niet nakomt?

Wij mogen de uitkering tijdelijk stoppen.

(…)

Wij mogen in uitzonderlijke gevallen de uitkering definitief stoppen.

(…)”

3.6.

In 2005 is bij [de eiser] diabetes mellitus type 1, LADA (Latent Auto-immune Diabetes in Adults) geconstateerd.

3.7.

Vanaf 2018 werden de suikerwaarden van [de eiser] zeer onregelmatig en nauwelijks reguleerbaar. De diabetes is insuline-resistent geworden en een dieet en veel bewegen hielpen onvoldoende. Dit heeft geleid tot toenemende gezondheidsproblemen.

3.8.

Op 1 januari 2020 heeft [de eiser] zich 50% arbeidsongeschikt gemeld bij Achmea.

3.9.

Achmea heeft een arbeidsdeskundige ingeschakeld (de heer [arbeidsdeskundige 1] van bureau Terzet) om de mate van arbeidsongeschiktheid van [de eiser] in kaart te brengen. De heer [arbeidsdeskundige 1] heeft hierover op 7 april 2020 een rapport uitgebracht. In dit rapport (productie 4 van [de eiser] ) staat over taakverschuiving/voorzieningen vermeld dat dit niet mogelijk is, omdat [de eiser] de enige orthodontist in de praktijk is.

3.10.

Op 12 oktober 2020 vond [de eiser] een waarnemer en meldde hij zich nogmaals arbeidsongeschikt bij Achmea. Vanaf dat moment ging Achmea over tot uitkering op basis van 50% arbeidsongeschiktheid (productie 3 van Achmea).

3.11.

Achmea heeft een verzekeringsarts (drs. [verzekeringsarts 1] van MediLibra) verzocht om een verzekeringsgeneeskundig onderzoek te verrichten in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Op 31 mei 2021 heeft drs. [verzekeringsarts 1] een kritische functionelemogelijkhedenlijst (FML) opgesteld (productie 5 van [de eiser] ). Volgens het rapport van drs. [verzekeringsarts 1] bestaat een contra-indicatie voor werken in de avond en nacht en moet het werk voldoende pauzes bevatten. Ook meende zij dat [de eiser] baat zou kunnen hebben bij psychologische begeleiding om te leren omgaan met zijn chronische ziekte. Zij verwachtte geen significante verandering van belastbaarheid in de toekomst.

3.12.

De FML van drs. [verzekeringsarts 1] diende als basis voor een arbeidsdeskundig onderzoek door een eigen arbeidsdeskundige van Achmea, mevrouw [arbeidsdeskundige 2] . Mevrouw [arbeidsdeskundige 2] heeft op 19 juli 2021 een rapport uitgebracht (productie 6 van [de eiser] ). Daarin concludeerde zij op grond van de beperkingen dat sprake is van minder dan 25% arbeidsongeschiktheid en dat met het inlassen van de noodzakelijke extra pauzes het verlies van arbeidstijd maximaal één uur per dag is. Volgens de opgegeven beperkingen zou het werken op de maandagavond volgens haar mogelijk moeten zijn. Ook gaf zij aan dat zij geen mogelijkheden ziet voor taakverschuiving, taakwijziging of voorzieningen binnen het eigen bedrijf van [de eiser] .

3.13.

Bij brief van 21 juli 2021 (productie 7 van [de eiser] ) heeft Achmea aan [de eiser] meegedeeld dat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is, zodat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de verzekering.

3.14.

Bij brief van 19 augustus 2021 (productie 7 van [de eiser] ) heeft Achmea [de eiser] een medische second opinion aangeboden. In de brief staat onder meer dat de uitkomst van de second opinion beslissend is en dat dit betekent dat [de eiser] en Achmea zich houden aan de uitkomst van het onderzoek, behalve als dit in het nadeel van [de eiser] is.

3.15.

De advocaat van [de eiser] heeft nadere medische informatie ingewonnen bij de behandelend internist van [de eiser] en heeft ook een medisch adviseur (drs. [medisch adviseur] ) geraadpleegd. Drs. [medisch adviseur] heeft op 13 juni 2022 een advies uitgebracht. Volgens dit advies (productie 8 van [de eiser] ) is het advies van drs. [verzekeringsarts 1] gebaseerd op summiere medische informatie (één brief van de behandelend internist) en zou het zorgvuldiger zijn geweest om de diverse gegevens uit de behandelende sector op te vragen. Anders dan drs. [verzekeringsarts 1] , meent drs. [medisch adviseur] dat de moeheid van [de eiser] direct en indirect wordt verklaard door het ziektebeeld. Drs. [medisch adviseur] stelde voor om zijn advies mee te sturen naar de verzekeringsarts die de second opinion zal uitvoeren (drs. [verzekeringsarts 2] van 1MA).

3.16.

Op 20 oktober 2023 heeft drs. [verzekeringsarts 2] een verzekeringsgeneeskundig rapport uitgebracht (productie 9 en 10 van [de eiser] ). Daarin staat vermeld dat hij zich niet kan verenigen met de bevindingen van drs. [verzekeringsarts 1] en dat hij van mening is dat er meer beperkingen aan de orde zijn. Drs. [verzekeringsarts 2] heeft geconcludeerd dat er beperkingen waren en zijn op het gebied van:

- de werktijden: maximaal vier uur per dag, gemiddeld twintig uur per week en niet ’s avonds of ’s nachts;

- de fysieke omgevingseisen: huidcontact beperkt, namelijk gevoelsstoornissen in de tenen;

- het persoonlijk functioneren: [de eiser] is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, kan niet inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud. Hij is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines/productiepieken en op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist.

3.17.

Geen van beide partijen heeft bezwaar aangetekend tegen de bevindingen van drs. [verzekeringsarts 2] .

3.18.

[de eiser] heeft advies ingewonnen bij de heer [arbeidsdeskundige 3] , arbeidsdeskundige bij Ameta. De heer [arbeidsdeskundige 3] heeft op 14 november 2023 een rapport uitgebracht. Het rapport (productie 11 van [de eiser] ) vermeldt onder meer het volgende:

“(…)

8. Conclusie

  • -

    Kan betrokkene zijn eigen werk als zelfstandig orthodontist met een eigen praktijk (…) nog, geheel en/of gedeeltelijk, uitvoeren?
    Nee, het is voor verzekerde gezien de belemmeringen van verzekerde en de hieraan gekoppelde belastbaarheid niet meer mogelijk zijn werk als zelfstandig orthodontist met een eigen praktijk nog langer uit te voeren.

  • -

    Zo nee, is het eigen werk passend te maken?
    Nee, gezien de kritische FML en de arbeidsdeskundige analyse hierop is dit niet mogelijk.
    (…)”

3.19.

Bij brief van 22 november 2023 (productie 12 van [de eiser] ) heeft de advocaat van [de eiser] het advies van de heer [arbeidsdeskundige 3] naar Achmea gestuurd, met het verzoek om een standpunt in te nemen over het arbeidsongeschiktheidspercentage. Een arbeidsdeskundig onderzoek is volgens de advocaat prematuur, overbodig en onnodig schadelijk voor [de eiser] , die daardoor nog langer op uitsluitsel zou moeten wachten.

3.20.

Op 8 december 2023 heeft de eigen arbeidsdeskundige van Achmea, de heer [arbeidsdeskundige 4] , een aanvullend advies uitgebracht. Volgens dit rapport (productie 15 van [de eiser] ) is de heer [arbeidsdeskundige 3] niet van het juiste beoordelingskader uitgegaan, omdat hij er geen of onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat de beoordeling binnen de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering een theoretische beoordeling betreft.

3.21.

Onder verwijzing naar het advies van de heer [arbeidsdeskundige 4] heeft Achmea bij brief van 11 december 2023 (productie 14 van [de eiser] ) aan [de eiser] laten weten dat zij zich niet kon vinden in de beoordeling door de heer [arbeidsdeskundige 3] en dat zij toch koos voor een arbeidsdeskundig onderzoekstraject.

3.22.

Bij brief van 13 december 2023 (productie 11 van Achmea) heeft Achmea aan [de eiser] laten weten dat zij vanaf 16 juli 2021 een voorschot van 50% op een eventuele uitkering verleent.

3.23.

Op 28 maart 2024 heeft de heer [arbeidsdeskundige 4] een arbeidsdeskundige rapportage uitgebracht (productie 16 van [de eiser] ). Daarin heeft hij het percentage arbeidsongeschiktheid van [de eiser] bepaald op 57% (uitgaande van de in 2020 door Terzet gehanteerde arbeidsomvang van 47 uur per week) respectievelijk op 66% (uitgaande van de door de heer [arbeidsdeskundige 3] in kaart gebrachte arbeidsomvang van 59 uur per week).

3.24.

Bij brief van 25 april 2024 (productie 18 van [de eiser] ) heeft [de eiser] ingestemd met een onafhankelijke arbeidsdeskundige en voorgesteld hiervoor [arbeidsdeskundige 5] te benaderen.

3.25.

Over de periode van 1 januari 2020 tot 1 juni 2023 hebben partijen een deelregeling bereikt (productie 19 van [de eiser] ). Deze hield onder meer in: een onverplichte uitkering van 70% vanaf 1 januari 2020, rekening houdend met een maand eigen risico, tot 1 juni 2023, en een gezamenlijke arbeidsdeskundige beoordeling over de periode vanaf 1 juni 2023 tot einde looptijd van de beide verzekeringen (30 mei 2028) door de heer [arbeidsdeskundige 6] , arbeidsdeskundige bij Heling & partners.

3.26.

Op 27 november 2024 heeft de heer [arbeidsdeskundige 6] een conceptrapport uitgebracht (productie 22 van Achmea). Bij brief van 13 december 2024 (productie 25 van [de eiser] ) heeft [de eiser] bezwaren kenbaar gemaakt tegen de conclusies van de heer [arbeidsdeskundige 6] in diens conceptrapport.

3.27.

Op 19 december 2024 heeft de heer [arbeidsdeskundige 6] een definitief rapport uitgebracht. Dit rapport (productie 20 van [de eiser] ) luidt onder meer als volgt:

“(…)

5.7

Conclusie en advies

Betrokkene is een thans 61-jarige man die werkzaam was en is als orthodontist. Rekening houdend met de belastbaarheid volgens verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] , de geldende polisvoorwaarden en het theoretische karakter van de beoordeling acht ik betrokkene voor 72% arbeidsongeschikt voor zijn vroegere beroepswerkzaamheden.

Primair acht ik geen mogelijkheden tot aanpassingen in werkzaamheden en werkomstandigheden aanwezig; zo dat wel het geval zou zijn dan is betrokkene nog altijd voor 71% arbeidsongeschikt te achten. Betrokkene werkt sinds 1 juni 2023 en tot op heden nog 35,5 uren per week en overschrijdt daarmee zijn belastbaarheid. Binnen de feitelijk gewerkte uren zijn 12,7 uren als binnen de belastbaarheid geschikt te achten.

(…)

6 BEANTWOORDING VRAAGSTELLING

Vraag 1

Wat is de mate van arbeidsongeschiktheid voor het verzekerde beroep (orthodontist) op basis van een taak-/urenanalyse en rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, de verzekering en de van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden 42705 (volgens bijlage), gebruikmakend van de zakelijke rapportage en de functionele mogelijkhedenlijst zoals geformuleerd door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] op 20 oktober 2023?

Antwoord

Betrokkene is in dit kader voor 72% arbeidsongeschikt te beschouwen.

(…)

Vraag 3

  1. Heeft verzekerde sinds 1 juni 2023 nog werkzaamheden verricht? Zo ja: welke werkzaamheden en in welke perioden?

  2. Welke van de onder 3.a) genoemde werkzaamheden (uitgedrukt in soort werkzaamheden en de daaraan bestede tijd) vallen binnen de door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] aangegeven grenzen van de belastbaarheid van verzekerde en welke van die werkzaamheden (eveneens uitgedrukt in soort werkzaamheden en de daaraan bestede tijd) leiden tot overschrijding van de door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] aangegeven grenzen van de belastbaarheid van verzekerde?
    (NB: indien en voor zover verzekerde in de afgelopen periode werkzaamheden heeft verricht die zijn door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] vastgestelde belastbaarheid feitelijk te boven gaan, mogen deze werkzaamheden niet meegewogen worden bij de vaststelling van de restcapaciteit van verzekerde en kunnen zij daarom niet leiden tot een bijstelling naar beneden toe van het uitsluitend op basis van de bevindingen van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] te bepalen arbeidsongeschiktheids-percentage).

  3. Kunt u, enkel en uitsluitend voor zover de onder 3.a) bedoelde werkzaamheden binnen de grenzen van de door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] aangegeven grenzen van de belastbaarheid van verzekerde vallen, aangeven welke invloed die werkzaamheden hebben op de mate van arbeidsongeschiktheid?

Antwoord

  1. Betrokkene heeft op en na 1 juni 2023 en tot op heden nog werkzaamheden verricht, zie paragraaf 5.5 van dit rapport.

  2. Dit heb ik in paragraaf 5.5 uitgewerkt, in totaal zijn 13,7 uren van de 35,5 gewerkte uren binnen de geduide belastbaarheid als geschikt te beschouwen.

  3. hiervan uitgaande is betrokkene voor 77% arbeidsongeschikt te beschouwen.

Vraag 4

Heeft u nog aanvullend advies?


Antwoord

Nee.
(…)”

3.28.

Bij brief van 24 december 2024 (productie 30 van [de eiser] ) heeft [de eiser] aan Achmea laten weten dat volgens hem sprake is van (vrijwel) 100% arbeidsongeschiktheid. Volgens [de eiser] heeft de heer [arbeidsdeskundige 6] “onvoldoende besef (…) van wat het werk van een orthodontist werkelijk inhoudt”. [de eiser] heeft in de brief een voorstel gedaan voor een minnelijke regeling.

3.29.

Bij brief van 8 januari 2025 (productie 31 van [de eiser] ) heeft Achmea aan [de eiser] onder meer bericht dat het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 1 juni 2023 wordt gesteld op (het laagste van de twee door de heer [arbeidsdeskundige 6] genoemde percentages, namelijk) 72%. Ook vermeldt die brief dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1 januari 2025 wordt beëindigd wegens de verkoop van het bedrijf.

3.30.

Bij e-mail van 24 januari 2025 (productie 32 van [de eiser] ) heeft [de eiser] aan Achmea nogmaals toegelicht waarom hij zich niet kan vinden in het definitieve rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] . Daarbij heeft hij Achmea verzocht om binnen twee weken na die mail alsnog in te stemmen met het voorstel van 24 december 2024. De e-mail vermeldt verder onder meer:

“(…)

Cliënt vindt het onder meer bijzonder storend dat de heer [arbeidsdeskundige 6] stelt dat in het werk als orthodontist geen sprake is van een hoog handelingstempo. In CBBS wordt ‘werk waarin een hoog handelingstempo vereist is’, nader gedefinieerd als werk waarbij er sprake is van handelingen die continu in een tempo worden uitgevoerd dat beduidend hoger ligt dan het gebruikelijke handelingstempo in gangbare arbeid. Daar is bij het ‘lopende band’ werk dat een alleenstaand orthodontist met een patiëntenbestand zoals dat van cliënt absoluut geen sprake van. De heer [arbeidsdeskundige 6] geeft aan de terminologie een eigen draai, die niet conform de CBBS definitie is.

(…)”

3.31.

Bij brief van 5 maart 2025 (productie 34 van [de eiser] ) heeft Achmea aan [de eiser] meegedeeld dat zij niet instemt met diens voorstel van 24 december 2024.

3.32.

Bij brief van 13 mei 2025 (productie 23 van [de eiser] ) heeft Achmea een deel van de aan [de eiser] uitgekeerde premieteruggave teruggevorderd. Bij brief van 6 augustus 2023 (productie 24 van [de eiser] ) heeft [de eiser] hierop gereageerd. [de eiser] heeft voorgesteld de financiële afrekening uit te stellen totdat er duidelijkheid is over het toe te passen arbeidsongeschiktheidspercentage door middel van een rechterlijke uitspraak. Ook heeft hij aanspraak gemaakt op een volledig, duidelijk en kloppend overzicht van, kort gezegd, verzekeringsuitkeringen, premierestituties en wettelijke rente.

3.33.

Op 12 februari 2026 heeft de medisch adviseur van [de eiser] , drs. [medisch adviseur] , een aanvullend medisch advies uitgebracht (productie 36 van [de eiser] ). Het advies luidt onder meer als volgt:

“(…)

U [de advocaat van [de eiser] – de rechtbank] geeft aan dat er medisch en arbeidsdeskundig nog geen aandacht werd besteed van het effect van de frequente, onvoorspelbare en door client niet te beïnvloeden hypoglykemieen.

U geeft aan dat de onvoorspelbaar optredende hypoglykemieen waardoor client dan 30-60 minuten niets kan en ook daarna moe is het werken als een solo orthodontist in de eigen praktijk in feite onmogelijk is.

In geval van een onvoorspelbare hypoglykemie raakt de gehele praktijkvoering fors gestoord waarbij het doorwerken als orthodontist dan alleen niet mogelijk is maar ook onverantwoord zou zijn terwijl na de periode van 30-60 minuten na de hypoglykemie de stress, die eigenlijk vermeden moet worden, verder is toegenomen vanwege de vertraging die op is getreden in de behandeling van patiënten terwijl de normale praktijkvoering, los van de hypoglykemieen, in de solopraktijk van client al behoorlijk stressvol moet worden geacht.

(…)

Medisch gezien zou ik het als ik de behandelend arts was van cliënt gezien bovengenoemde het niet verantwoord vinden om te blijven werken als zelfstandig orthodontist. Ik ben echter niet de behandelend arts van cliënt.

(…)”

4Het geschil

4.1.

Na vermeerdering van eis vordert [de eiser] – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van [de eiser] , en het daarbij behorende uitkeringspercentage en het percentage voor de premievrijstelling in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, vanaf 1 juni 2023 tot einde looptijd (30 mei 2028) moet worden gesteld op 100% althans ten minste op 77%;

  2. Achmea veroordeelt om de betaalde en in de toekomst te betalen AOV-uitkeringen inclusief premievrijstelling op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen tot einde looptijd (30 mei 2028) aan te vullen tot de bedragen die horen bij het hiervoor onder 1) vast te stellen arbeidsongeschiktheidspercentage en om de achterstallige bedragen aan [de eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. Achmea veroordeelt om binnen zes weken na betekening van dit vonnis een deugdelijke specificatie van alle vanaf 1 januari 2020 aan [de eiser] betaalde bedragen – opgesplitst in: AOV-uitkering per maand, premierestitutie per maand en de daarover betaalde wettelijke rente en voorzien van de betalingsdata – te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Achmea in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

  4. Achmea veroordeelt om aan [de eiser] te betalen:

a) de kosten van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] van Ameta van € 8.435,22, te vermeerderen met de wettelijke rente;

b) een vergoeding voor de immateriële schade die [de eiser] heeft geleden als gevolg van het onzorgvuldig handelen van Achmea respectievelijk de door Achmea ingeschakelde hulppersonen (met name drs. [verzekeringsarts 1] ), ter hoogte van € 10.000,00 of een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

c) de kosten voor een door [de eiser] in te schakelen accountant/fiscalist ter controle van de door Achmea te verstrekken specificatie (zie hiervoor onder 3) en voor het advies over en de begeleiding bij het zoveel mogelijk beperken van de fiscale schade door middel van het indienen van een zogenoemd middelingsverzoek;

d) de eventueel na indiening en beoordeling van het middelingsverzoek resterende fiscale schade, te vermeerderen met de kosten ter berekening daarvan;

e) een bedrag van € 1.228,15 in verband met de factuur van 12 februari 2026 van medisch adviseur [medisch adviseur] ;

f) de aanvullende kosten van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] ;

5) Achmea veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

Achmea voert verweer. Achmea concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.

4.3.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

5De beoordeling

De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] grotendeels af

5.1.

De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] grotendeels af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing komt.

Het toetsingskader

5.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling door de rechtbank is de arbeidsdeskundige beoordeling die op gezamenlijk verzoek van partijen is opgesteld door de heer [arbeidsdeskundige 6] (zie hierboven 3.25-3.27) en die is gebaseerd op de uitgangspunten van het rapport van de verzekeringsgeneeskundige, de heer [verzekeringsarts 2] , dat eveneens in gezamenlijkheid van partijen tot stand is gekomen (zie hierboven 3.16). Het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] heeft daarom – anders dan [de eiser] tijdens de mondelinge behandeling onder verwijzing naar de brief van Achmea van 19 augustus 2021 (zie 3.14) heeft betoogd – te gelden als bindend advies in de zin van artikel 7:904 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een dergelijk bindend advies is vernietigbaar als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud van dat advies of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uitgangspunt is dus dat partijen zijn gebonden aan het bindend advies en dat er alleen in uitzonderlijke gevallen ruimte kan zijn voor vernietiging. Dit maakt dat de rechter slechts marginaal toetst.

5.3.

Wat betreft de inhoud van het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] geldt, mede als uitvloeisel van de marginale aard van de toetsing, dat alleen ernstige inhoudelijke gebreken in het advies tot vernietigbaarheid kunnen leiden. Het advies is niet aantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen daarover van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden (HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1001; HR 14 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0513).

5.4.

Wat betreft de wijze van totstandkoming van het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] geldt dat tijdens de procedure die heeft geleid tot het rapport, de fundamentele eisen van een goede procesorde in acht moeten zijn genomen. Deze komen er, kort gezegd, op neer dat partijen over en weer in de gelegenheid moeten zijn gesteld hun visie op de zaak te geven (het beginsel van hoor en wederhoor), dat partijen over dezelfde dossierstukken beschikken als de deskundige, dat de deskundige zijn werkzaamheden onafhankelijk en onpartijdig uitvoert, dat het rapport op een deugdelijke behandeling en beoordeling van de zaak moet zijn gebaseerd en dat het rapport moet zijn voorzien van een passende motivering. Bij de beantwoording van de vraag of een partij haar wederpartij aan het rapport mag houden als bij de totstandkoming daarvan procedurele fouten zijn gemaakt, is mede van belang of, en zo ja in welke mate, door de procedurefout nadeel aan de wederpartij is toegebracht. Er moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de procedurele tekortkoming en de inhoud van het rapport (HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1706).

5.5.

Gegeven dit toetsingskader en gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan [de eiser] om te stellen en – bij voldoende gemotiveerde betwisting – te bewijzen dat het bindend advies wat betreft de wijze van totstandkoming en/of wat betreft de inhoud niet voldoet aan de hierboven weergegeven toets.

5.6.

[de eiser] heeft zwaarwegende bezwaren ingebracht tegen het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] , zowel op het gebied van de motivering/onderbouwing ervan als bezwaren van arbeidsdeskundige en juridische aard. De bezwaren van [de eiser] gaan niet op, gelet op het navolgende.

Bezwaren op het gebied van de motivering/onderbouwing van het rapport gaan niet op

5.7.

[de eiser] heeft ten eerste bezwaar tegen de wijze waarop het onderzoek is ingericht. De heer [arbeidsdeskundige 6] heeft zijn praktijk namelijk uitsluitend bezocht toen die niet in bedrijf was. Ook heeft de heer [arbeidsdeskundige 6] geen gehoor gegeven aan het herhaalde verzoek van [de eiser] om de praktijk nogmaals te bezoeken terwijl iedereen aan het werk was, met de bijbehorende werkdruk en hectiek. Volgens [de eiser] is zijn verhaal hierdoor onvoldoende gehoord. Achmea brengt hier terecht tegenin dat het aan de deskundige is om te bepalen hoe hij zijn onderzoek inricht en dus om te bepalen of een dergelijk bezoek noodzakelijk is om tot een juiste arbeidsdeskundige beoordeling te komen.

5.8.

Verder is het volgens [de eiser] bij een arbeidsdeskundige beoordeling in het kader van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering gebruikelijk – en wordt in de door de heer [arbeidsdeskundige 6] gevolgde richtlijnen van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zelfs uitdrukkelijk geadviseerd – dat de beoordelend arbeidsdeskundige in geval van twijfel zijn bevindingen terugkoppelt aan de verzekeringsgeneeskundige om te toetsen of de in kaart gebrachte functiebelasting al dan niet over de grenzen van de belastbaarheid heen gaat. Dat had in dit geval ook moeten gebeuren, aldus [de eiser] . Achmea brengt hiertegen terecht in dat indien een dergelijke terugkoppeling al gebruikelijk zou zijn, in dit geval bij de heer [arbeidsdeskundige 6] kennelijk geen sprake was van de door [de eiser] omschreven twijfel. Dit moet aan de deskundigheid van de heer [arbeidsdeskundige 6] worden overgelaten.

Bezwaren van arbeidsdeskundige aard gaan niet op

5.9.

De bezwaren van [de eiser] van arbeidsdeskundige aard zien vooral op het persoonlijk functioneren van [de eiser] zoals de heer [arbeidsdeskundige 6] dat heeft ingevuld en waarmee [de eiser] het niet eens is. Het gaat daarbij met name om de begrippen voorspelbare werksituatie, deadlines en productiepieken en hoog handelingstempo. [de eiser] heeft deze bezwaren ook al in reactie op het conceptrapport aan de heer [arbeidsdeskundige 6] kenbaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft de heer [arbeidsdeskundige 6] in zijn definitieve rapport opgemerkt dat de voornoemde begrippen in arbeidskundige zin een andere betekenis hebben dan wat daarmee in het normale taalgebruik – en dus ook door [de eiser] – wordt bedoeld. De heer [arbeidsdeskundige 6] heeft de terminologie uit het CBBS gehanteerd. Volgens [de eiser] is de heer [arbeidsdeskundige 6] met zijn keuze voor het hanteren van die systematiek buiten de grenzen getreden van zijn deskundigheid en is hij bovendien voorbijgegaan aan een aantal juridische basisbeginselen die in het contractenrecht en dus ook bij verzekeringsovereenkomsten aan de orde zijn, zoals het Haviltex-criterium en de contraproferentemregel. Achmea voert echter terecht aan dat [de eiser] in de conceptfase geen bezwaar heeft gemaakt tegen het hanteren door de heer [arbeidsdeskundige 6] van de CBBS-systematiek. Ook betoogt Achmea terecht dat de keuze van de heer [arbeidsdeskundige 6] om de CBBS-systematiek te gebruiken niets te maken heeft met het contractenrecht, maar met zijn besluit over de wijze waarop hij zijn opdracht uitvoert. Het is aan de deskundige om te bepalen op welke wijze hij zijn onderzoek inricht. De bezwaren van arbeidsdeskundige aard van [de eiser] gaan dan ook niet op.

Juridische bezwaren gaan niet op

5.10.

De juridische bezwaren van [de eiser] – die zijn vermeld in de brief van zijn advocaat aan de heer [arbeidsdeskundige 6] van 13 december 2024 (zie 3.26) – komen erop neer dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid een tweetrapsraket is en niet een puur theoretische beoordeling. In de eerste trap van die tweetrapsraket moet volgens [de eiser] een theoretische inschatting worden gemaakt van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Vervolgens moet in de tweede trap worden getoetst of de eventueel resterende arbeidscapaciteit voldoende is om het eigen beroep of bedrijf uit te oefenen. Dit is een feitelijke/praktische toets. [de eiser] betoogt dat de heer [arbeidsdeskundige 6] de arbeidsongeschiktheid uitsluitend theoretisch heeft beoordeeld, terwijl hij ook had moeten vaststellen dat het met de vastgestelde beperkingen van [de eiser] niet mogelijk is om een zelfstandige orthodontiepraktijk draaiende te houden. Is de restcapaciteit onvoldoende om het eigen beroep of bedrijf op een verantwoorde wijze uit te oefenen dan is er, ondanks een theoretisch wellicht aanwezige restcapaciteit, vanuit verzekeringsrechtelijk oogpunt sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, aldus [de eiser] . [de eiser] verwijst in dit verband naar onder meer een arrest van het hof Amsterdam van 12 januari 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:5130). [de eiser] voert aan dat als die toets wordt toegepast, de conclusie geen andere kan zijn dan dat hij volledig arbeidsongeschikt is voor het beroep van zelfstandig orthodontist, alleen al vanwege het feit dat hij slechts twintig uur per week mag werken. Daarmee kan [de eiser] naar eigen zeggen niet op een verantwoorde wijze een zelfstandige praktijk als orthodontist uitoefenen. Niet alleen omdat hij met twintig uur per week onvoldoende inkomsten genereert om de vaste lasten van de praktijk te dekken, maar ook omdat hij met die twintig uur per week niet aan de (her)registratie-eisen kan voldoen.

5.11.

Achmea heeft dit standpunt van [de eiser] gemotiveerd betwist. Achmea betoogt op goede gronden dat de heer [arbeidsdeskundige 6] de toets of de restcapaciteit praktisch benutbaar is wel degelijk heeft verricht. De heer [arbeidsdeskundige 6] heeft uiteengezet dat het door [de eiser] aangehaalde arrest in dit geval toepassing mist, omdat – anders dan in die zaak het geval was – in de polisvoorwaarden van [de eiser] (in artikel 12) een taakverschuivingsclausule is opgenomen (zie 3.5). Op grond van een taakverschuivingsclausule kan de verzekeraar bij het vaststellen van de werkzaamheden rekening houden met mogelijke taakaanpassingen, taakverschuivingen en/of werkomstandigheden. De verzekeraar gaat er dan van uit dat de verzekerde bepaalde werkzaamheden kan overdragen aan andere personen in het bedrijf of aanpassingen in de taken binnen zijn beroep kan doorvoeren. De verzekerde kan dan verwachten dat aanpassingen en taakverschuiving van hem worden verwacht. De arbeidsdeskundige mag bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid daarmee rekening houden. De heer [arbeidsdeskundige 6] heeft in dit kader toegelicht dat de arbeidsongeschiktheid van [de eiser] niet zit in het niet kunnen uitvoeren van de essentialia van de functie als zelfstandig orthodontist, maar in de beschikbare capaciteit in uren en intensiteit. Binnen de restcapaciteit bestaat volgens de heer [arbeidsdeskundige 6] wel geschiktheid voor alle werkzaamheden/behandelingen. De verzekering van [de eiser] heeft betrekking op het verlies aan arbeidscapaciteit en niet op het verlies aan verdienvermogen. Bij het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid is dus niet relevant of en in hoeverre inkomsten kunnen worden gegenereerd. Gezien het voorgaande gaat het bezwaar van [de eiser] niet op.

5.12.

Het standpunt van [de eiser] dat hij met twintig uur per week niet aan de (her)registratie-eisen kan voldoen, gaat evenmin op. Achmea heeft dit standpunt onder verwijzing naar het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] gemotiveerd weerlegd. De heer [arbeidsdeskundige 6] heeft in zijn rapport uiteengezet dat de herregistratie-eisen van de Registratiecommissie Tandheelkundige Specialismen (RTS) zijn omschreven in een gemiddeld aantal uren per week, waaraan geen outputnorm is gekoppeld. Dit betekent dat de volledige twintig uren per week bruto restcapaciteit van [de eiser] ter beschikking staan om aan de urennorm te voldoen. Daarnaast blijkt hieruit dat niet alleen ‘stoeluren’ daarin meetellen, maar alle patiëntgebonden activiteiten. De bruto restcapaciteit van [de eiser] biedt hiervoor voldoende ruimte. Vanuit de beschreven theoretische restcapaciteit kan [de eiser] volgens de heer [arbeidsdeskundige 6] dan ook aan de eisen van de RTS voldoen.

5.13.

In zijn aanvullende productie 36 heeft [de eiser] een aanvullend medisch advies van zijn medisch adviseur drs. [medisch adviseur] van 12 februari 2026 overgelegd (zie 3.33). Daarin staat onder meer dat zowel medisch als arbeidsdeskundig geen aandacht werd besteed aan de impact van hypoglykemieën (‘hypo’s’) waarvan [de eiser] last heeft. Partijen zijn het er echter over eens dat het verzekeringsgeneeskundig rapport van de heer [verzekeringsarts 2] van 20 oktober 2023 als uitgangspunt gold voor de verdere arbeidsdeskundige beoordeling (zie hierboven 5.2). Geen van partijen heeft tegen het rapport van de heer [verzekeringsarts 2] bezwaar aangetekend. De heer [verzekeringsarts 2] heeft in zijn onderzoek meegenomen de schommelende suikerspiegel en de hypo’s die [de eiser] stelde tijdens het werk regelmatig te hebben. Zo staat op pagina 5 van het rapport (productie 10 van [de eiser] ) vermeld dat [de eiser] tijdens het werk geregeld last heeft van hypo’s en op pagina 6 dat hij last zegt te hebben van schommelingen in zijn bloedsuiker. Op pagina 8 van het rapport vermeldt de heer [verzekeringsarts 2] dat, gelet op het verzekeringsgeneeskundige protocol ‘Diabetes Mellitus’, bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling bijzondere aandacht moet worden geschonken aan (onder meer) de mogelijkheid van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren (deadlines, hectiek, productiepieken, gezichtsvermogen, vervoer (rijbevoegdheid), specifieke voorwaarden), omgevingsfactoren, dynamisch functioneren en statische houdingen alsmede de arbeidsduur (meer in het bijzonder ’s avonds en ’s nachts werken, ploegendienst en de mogelijkheid van een urenbeperking). Een aantal van deze beperkingen heeft [de eiser] volgens de heer [verzekeringsarts 2] nadrukkelijk naar voren gebracht tijdens het onderzoek, met name de aspecten persoonlijk functioneren (deadlines, hectiek) en arbeidsduur (uren). Volgens de heer [verzekeringsarts 2] zijn de door [de eiser] gerapporteerde beperkingen passend bij de gestelde diagnose en ook plausibel. Op basis van onder meer deze uitgangspunten van de heer [verzekeringsarts 2] is vervolgens in gezamenlijkheid van partijen een arbeidsdeskundig onderzoek gedaan door de heer [arbeidsdeskundige 6] . Aangezien aldus in het arbeidsdeskundig onderzoek ook het standpunt van [de eiser] , inhoudend dat als hij een hypo krijgt, het verder werken onmogelijk is, is meegenomen, kan dit standpunt [de eiser] niet baten.

5.14.

De slotsom is dat de bezwaren van [de eiser] tegen het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien grond bieden om het rapport terzijde te stellen.

Het arbeidsongeschiktheidspercentage bedraagt 72%

5.15.

[de eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat niet het arbeidsongeschiktheidspercentage van 72% moet worden gehanteerd, maar het percentage van 77%. Dit omdat bij de vaststelling van dit percentage de werkzaamheden buiten beschouwing zijn gelaten die vallen buiten de grenzen van de door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] aangegeven belastbaarheid van [de eiser] . Het percentage van 77% gaat uit van de feitelijke werkzaamheden van [de eiser] vanaf 1 juni 2023, toen zijn waarnemer de praktijk verliet en [de eiser] meer is gaan werken.

5.16.

De rechtbank verwerpt ook dit standpunt van [de eiser] . Zoals Achmea terecht aanvoert, is aan de heer [arbeidsdeskundige 6] onder vraag 1 gevraagd om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen “voor het verzekerde beroep (orthodontist) op basis van een taak-/urenanalyse en rekening houdend met de vastgestelde beperkingen, de verzekering en de van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden (…), gebruikmakend van de zakelijke rapportage en de functionele mogelijkhedenlijst zoals geformuleerd door verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] op 20 oktober 2023”. Bij de beantwoording van deze vraag is de heer [arbeidsdeskundige 6] uitgegaan van de werkzaamheden die [de eiser] verrichtte vóór de arbeidsongeschiktheid. Dat strookt met artikel 13 van de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden (zie 3.5), op grond waarvan [de eiser] bij arbeidsongeschiktheid “alles [doet] wat nodig is voor snel en goed herstel”. [de eiser] heeft in strijd met deze bepaling gehandeld door vanaf het vertrek van zijn waarnemer per 1 juni 2023 zijn werkzaamheden uit te breiden en aldus zijn belastbaarheid te overschrijden. Achmea voert terecht aan dat het niet strookt met de verzekeringsovereenkomst als uitbreiding van werkzaamheden die een belemmering vormen voor “snel en goed herstel” zouden worden meegenomen bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de verzekering. Gelet hierop geldt niet het door [de eiser] voorgestane arbeidsongeschiktheidspercentage van 77%, maar het door de heer [arbeidsdeskundige 6] in antwoord op vraag 1 vastgestelde percentage van 72%.

Conclusie: de vorderingen 1 en 2 zijn niet toewijsbaar

5.17.

Gezien het voorgaande snijden de bezwaren van [de eiser] tegen het rapport van de heer [arbeidsdeskundige 6] geen hout, zodat dit rapport in stand blijft. Hieruit volgt dat de vorderingen onder 1 en 2 niet toewijsbaar zijn. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen. Wat partijen over het rapport en het arbeidsongeschiktheidspercentage meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en behoeft daarom geen nadere bespreking.

Vordering 3, die strekt tot het verstrekken van diverse specificaties, is niet toewijsbaar

5.18.

Volgens [de eiser] heeft Achmea geen gevolg gegeven aan de afspraak die partijen in mei 2024 met elkaar zouden hebben gemaakt, inhoudende dat [de eiser] een deugdelijke specificatie zou ontvangen van de na te betalen uitkering, de premierestitutie en de door Achmea verschuldigde wettelijke rente. Achmea betwist echter dat [de eiser] geen deugdelijke specificaties zou hebben ontvangen. In het licht van deze betwisting heeft [de eiser] zijn vordering op dit punt onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

Vordering 4, die strekt tot vergoeding van gemaakte kosten en schade, is deels toewijsbaar

5.19.

Vordering 4 onder a strekt tot vergoeding door Achmea van de kosten van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] van € 8.435,22, te vermeerderen met de wettelijke rente. Achmea heeft in de conclusie van antwoord onder 32 aangegeven dat zij zich realiseert in het licht van haar toezegging in de correspondentie gehouden te zijn deze kosten te vergoeden en dat zij daartoe zal overgaan. In zijn akte overlegging producties heeft [de eiser] vermeld dat Achmea in de aanloop naar de mondelinge behandeling inmiddels de kosten van [arbeidsdeskundige 3] heeft vergoed. De rechtbank begrijpt dat het daarbij gaat om het hier gevorderde bedrag. Nu Achmea dit inmiddels heeft vergoed, bestaat voor veroordeling van Achmea tot betaling van dit bedrag geen grond. Vordering 4 onder a zal dus worden afgewezen.

5.20.

Vordering 4 onder b strekt tot een vergoeding voor de immateriële schade die [de eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van vermeend onzorgvuldig handelen van Achmea of door Achmea ingeschakelde hulppersonen. Achmea voert als verweer hiertegen aan dat zij de arbeidsongeschiktheid van [de eiser] in lijn met de polisvoorwaarden heeft beoordeeld. Dit verweer slaagt. Op grond van artikel 8 van de polisvoorwaarden stelt Achmea de mate van arbeidsongeschiktheid vast aan de hand van rapportages van door haar aan te wijze deskundigen. Zij mocht afgaan op de rapportages van deze deskundigen.

[de eiser] betoogt dat hij onnodig lang op een verzekeringsuitkering heeft moeten wachten en daardoor onnodig lang heeft moeten doorwerken, waardoor hij voortijdig aanvullende gezondheidsklachten heeft ontwikkeld zoals neuropathie en orgaanschade. Wat hiervan ook zij, Achmea voert terecht aan dat deze vertraging een direct gevolg is van het besluit van [de eiser] om terug te komen op zijn besluit om een secondopiniontraject in te zetten. Dit kan niet aan Achmea worden tegengeworpen. Voor het toekennen van een schadevergoeding bestaat gezien het voorgaande geen grond. Vordering 4 onder b zal dan ook worden afgewezen.

5.21.

Met vordering 4 onder c maakt [de eiser] aanspraak op vergoeding van de kosten van een door hem in te schakelen accountant of fiscalist ter controle van de specificatie die Achmea op grond van vordering 3 zou moeten verstrekken en voor advies over en begeleiding bij het zoveel mogelijk beperken van fiscale schade door middel van het indienen van een middelingsverzoek. Volgens [de eiser] gaat het om kosten ter beperking van de schade die is ontstaan doordat Achmea lange tijd in verzuim is gebleven met de nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomsten. In het voorgaande heeft de rechtbank echter geoordeeld dat Achmea de mate van arbeidsongeschiktheid heeft beoordeeld in lijn met de polisvoorwaarden. Niet is komen vast te staan dat Achmea daarbij is tekortgeschoten. Voor vergoeding van kosten ter beperking van schade als gevolg van tekortschieten van Achmea bestaat dan ook geen grond. Ook vordering 4 onder c zal daarom worden afgewezen.

5.22.

Vordering 4 onder d, die strekt tot vergoeding van de eventueel na indiening en beoordeling van het middelingsverzoek resterende fiscale schade, te vermeerderen met de kosten ter berekening daarvan, deelt dat lot.

5.23.

Vordering 4 onder e strekt tot vergoeding van een bedrag van € 1.228,15 in verband met de factuur van 12 februari 2026 van medisch adviseur [medisch adviseur] . [de eiser] heeft drs. [medisch adviseur] echter uit eigen beweging geraadpleegd. Hij heeft niet onderbouwd op grond waarvan Achmea gehouden zou zijn om deze kosten te vergoeden. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

5.24.

Vordering 4 onder f ten slotte strekt tot vergoeding van “de aanvullende kosten van arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 3] ”. Zoals hiervoor overwogen (zie 5.19) heeft Achmea de kosten van [arbeidsdeskundige 3] uit het buitengerechtelijke voortraject inmiddels vergoed. De rechtbank begrijpt uit de akte overlegging producties van [de eiser] (voetnoot 2 op pagina 3) dat [de eiser] met vordering 4 onder f aanspraak maakt op de wettelijke rente over de kosten van [arbeidsdeskundige 3] . De rechtbank zal die rente toewijzen met ingang van de dag van de dagvaarding tot de dag van de volledige betaling. [de eiser] heeft niet gesteld of onderbouwd dat een eerdere ingangsdatum van toepassing zou zijn. Rechtbank Gelderland 20 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4005