GHARL 090626 KG verzekeraar mag Constans niet als belangenbehartiger afwijzen vanwege EVR-verleden Columbus
- Meer over dit onderwerp:
GHARL 090626 KG verzekeraar mag Constans niet als belangenbehartiger afwijzen vanwege EVR-verleden Columbus
2De kern van de zaak
2.1
ASR heeft Constans niet meer geaccepteerd als belangenbehartiger voor benadeelden die een claim hebben op ASR. Hiermee is Constans het niet eens en heeft daarom een kort geding aangespannen tegen ASR met de vordering dat ASR Constans weer accepteert als belangenbehartiger en het minnelijk schaderegelingstraject met de vier benadeelden (de procespartijen 1-4) weer wordt voortgezet op straffe van verbeurte van dwangsommen.
2.2
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen goeddeels toegewezen. ASR is het hiermee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
2.3
Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter in stand en licht dat hierna toe.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Spoedeisend belang?
3.1
Het gaat hier om een kort geding waarbij voorop staat dat sprake moet zijn van een spoedeisend belang bij de eisende partij bij een voorlopige voorziening. Ook in hoger beroep moet het hof ambtshalve beoordelen of de eisende partij nog een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorlopige voorziening. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van het hof. ASR voert aan dat met het bestreden vonnis in kort geding van 30 juni 2025 zij moet handelen met een partij (Constans) die naar haar overtuiging niet integer handelt wat indruist tegen haar zorgplicht jegens letselschadeslachtoffers (benadeelden). ASR meent dat Constans in feite een voortzetting is van Columbus Letselschade die wegens misstanden door twee verzekeraars is geregistreerd in het Extern Verwijzings Register (EVR, een signaleringsregister voor fraude). Andere verzekeraars, maar ook ASR, beroepen zich op het EVR om bepaalde partijen te weren uit oogpunt van integriteit of fraudepreventie. Met het bestreden vonnis wordt de werking van dit systeem ondergraven, aldus ASR. Voor Constans en de vier benadeelden is het van belang, zo begrijpt het hof ook uit de mondelinge behandeling, dat (op korte termijn) duidelijkheid wordt verkregen over de vraag of Constans nog letselschadedossiers van ASR kan behandelen en of de vier benadeelden zich nog kunnen laten vertegenwoordigen door de belangenbehartigers van Constans, die hen al jarenlang bijstaan. Naar het oordeel van het hof is met een afweging van de belangen van beide partijen de spoedeisendheid van een voorlopige voorziening gegeven.
De feiten/de voorgeschiedenis
3.2
Columbus Letselschade Groningen behartigde tot 1 maart 2025 de belangen van benadeelden. [letselschadebehandelaar1] was hiervan directeur en werkt thans vanuit Columbus Letselschade Heemstede. Columbus Letselschade Groningen is per 1 maart 2025 geliquideerd; bij dit kantoor werkten onder meer [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] , die thans werkzaam zijn bij Constans. Zij behartigen onder meer (al jarenlang) de belangen van de vier benadeelden die in dit kort geding ook procespartij zijn. Naast [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] werken er nog twee (junior) belangenbehartigers bij Constans, die voorheen ook bij Columbus Letselschade Groningen werkten.
3.3
Columbus Letselschade Groningen (verder kortweg Columbus genoemd) en [letselschadebehandelaar1] zijn in het najaar van 2023 door Allianz opgenomen in het EVR wegens, kort gezegd, het (laten) aanpassen van het medisch dossier van een benadeelde om zodoende een (hogere) schadevergoeding te verkrijgen. De vordering tot verwijdering of beperking van deze EVR registratie is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen.
3.4
Constans is begin 2025 door een derde die vanuit zijn holding aandeelhouder was van Columbus, opgericht. Aanvankelijk viel Constans onder dezelfde holding als Columbus. Vanuit Columbus zijn vier belangenbehartigers, onder wie [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] , overgestapt naar dit nieuwe kantoor. Zij hebben (een aantal van) de dossiers die zij in behandeling hadden bij Columbus meegenomen naar Constans. De vier benadeelden die hier procespartij zijn, zijn met hen mee overgegaan.
3.5
Per brief van 20 februari 2025 van ASR aan [letselschadebehandelaar3] is gemeld dat ASR Constans niet langer als belangenbehartiger zal accepteren. In deze brief staat onder meer:
U was, net als uw collega de heer [letselschadebehandelaar2] , voorheen werkzaam bij Columbus Letselschade en bent daarom naar ik aanneem op de hoogte van de brief van a.s.r. aan Columbus Letselschade d.d. 18 november 2024, waarin a.s.r. laat weten dat zij Columbus Letselschade en haar medewerkers niet langer als belangenbehartiger accepteert - in ieder geval voor een periode van drie jaren. Reden hiervan is het gegeven dat Columbus Letselschade wegens gebleken misstanden bij de behandeling van letselschadedossiers door verzekeraars Allianz en Nationale-Nederlanden is geregistreerd in het Extern verwijzingsregister en dat a.s.r. zelf ook in een aantal door Columbus Letselschade behandelde dossiers misstanden heeft geconstateerd. a.s.r. heeft er onvoldoende vertrouwen in dat (medewerkers van) Columbus Letselschade letselschadedossiers op integere wijze behandelt.
Uit informatie uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt dat Constans Letselschade, net als Columbus Letselschade, 100 procent eigendom zijn van Magna Lignum Holding B.V. Daarnaast werken of werkten de personen die thans werkzaam zijn voor Constans Letselschade tevens voor Columbus Letselschade en neemt Constans Letselschade zaken over van Columbus Letselschade. Constans Letselschade is daarmee weliswaar een nieuwe entiteit, maar met dezelfde aandeelhouder en medewerkers als Columbus Letselschade. Voor zover bekend zijn Constans Letselschade en haar medewerkers bovendien niet aangesloten bij een branchevereniging of organisatie. Van aantoonbare deskundigheid en een toetsbare opstelling is daarmee geen sprake.
Gelet op de verwevenheid tussen Columbus Letselschade en Constans Letselschade heeft a.s.r. besloten om zich in zaken, waarin (medewerkers van) Constans Letselschade als belangenbehartiger optreden of gaan optreden rechtstreeks met de benadeelde te verstaan.
Deze beslissing houdt concreet in dat a.s.r. niet met Constans Letselschade zal corresponderen, communiceren of telefonische contacten onderhouden. Bovendien zal a.s.r. geen buitengerechtelijke kosten vergoeden voor diensten die door Constans Letselschade aan letselslachtoffers geleverd worden. (…)
3.6
In opdracht van Constans – en in overleg met Achmea Schadeverzekeringen – heeft mr. P. van Huizen (LSA advocaat) op 27 juni 2025 een audit uitgevoerd bij Constans. Hiervan is een audit rapportage opgemaakt van 3 juli 2025. In zijn hoofdstuk “Bevindingen en conclusie” schrijft hij onder meer onder 5.1: (…) De auditor heeft een zeer uitgebreide audit verricht en heeft uitvoerig dossieronderzoek kunnen verrichten bij Constans.
Constans Letselschade voldoet (bijna volledig) aan de eisen uit het reglement van de NKL. De auditor heeft tijdens de audit niet kunnen constateren dat er zodanig wordt afgeweken van dat beleid, dat dit als ernstige kritieke afwijkingen moeten worden gezien. De afwijkingen die zijn geconstateerd zijn eenvoudig en binnen redelijke termijn op te lossen.
Daarnaast is Constans ook in afwachting van derden om te voldoen aan het reglement, zoals het ontvangen van het resultaat van gevolgde opleidingen. Constans werkt nog aan het verbeteren van de organisatie zodat volledig aan het reglement NKL kan worden voldaan.
Dit ziet bijvoorbeeld op het behalen van externe opleidingen licht letsel en de plaatsing in het NIVRE-register. Die externe opleidingen zijn afgerond en Constans wacht nog op de uitslag. Ten tijde van het definitief maken van dit rapport liet Constans weten dat zij inmiddels de uitslag hebben. Alle medewerkers zijn geslaagd, waarvan twee cum laude.
Voor het beleid van Constans op het gebied van medische informatie, houding, gedrag en deskundigheid verwijst de auditor naar bijlage 2, het document met het kantoorbeleid en naar de inhoud van dit rapport. Op basis van de interviews en het dossieronderzoek kan de auditor constateren dat dit beleid niet afwijkt van de eisen die in het algemeen en die op basis van het Reglement van het NKL worden gesteld daaraan.
De auditor heeft gedurende de gehele audit positieve indrukken gekregen van het kantoor, de medewerkers, de werkwijze en de wil en inspanningen om het NKL te verdienen.
Onder 5.3 “Aanbevelingen en corrigerende maatregelen” staat geschreven:
Nog niet duidelijk of wordt voldaan aan de eisen rond de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar op het punt van het ten minste tweemaal per jaar aanspraak kunnen maken op het verzekerde bedrag van € 500.000,-. Constans kan hiertoe maatregelen nemen, door dit met haar tussenpersoon en haar verzekeraar recht te zetten. Dit is inmiddels al in gang gezet.
Constans verricht een overdracht van een dossier naar een ander kantoor op gepaste wijze, maar de auditor beveelt aan om ook hier beleid voor te maken, zodat wordt voldaan aan de eisen zoals bedoeld in artikel 5.9.2 Reglement NKL over het vermelden van verschillende bedragen.
De auditor beveelt aan om de klachtprocedure nog aan te passen op het punt van de termijnen zodat het volledig voldoet aan de eisen uit artikel 6.2.3 Reglement NKL. Het is nu nog niet helemaal duidelijk of dat het geval is.
In zijn conclusie onder 5.5 geeft de auditor een ‘positief advies onder voorwaarden’: er zijn afwijkingen geconstateerd tijdens de audit waarvan mag worden aangenomen dat deze binnen een redelijke termijn op te lossen zijn. De onder 5.3 genoemde corrigerende maatregelen kunnen (door hem) op afstand geverifieerd worden en moeten naar de auditor worden gestuurd.
3.7
Daarnaast heeft de Stichting Toetsing Verzekeraars (STV) een Rapportage bezoekaudit van 13 november 2025 uitgebracht. Dit rapport is tot stand gekomen na overleg tussen Constans en de verzekeraar Allianz. Hierin is onder meer opgenomen:
Algemeen beeld
Constans Letselschade voert de werkzaamheden uit op een zorgvuldige, transparante en cliëntgerichte manier, in lijn met de gangbare normen en regels binnen de letselschadebranche. De organisatie kenmerkt zich door voortvarende dossierbehandeling, een goed ingerichte administratie en duidelijke interne processen. De communicatie met cliënten en wederpartijen verloopt vlot en persoonlijk, met korte lijnen en aandacht voor samenwerking.
De kwaliteit van de dienstverlening is een belangrijk uitgangspunt in het beleid en werkinstructies en wordt verder ondersteund met een professioneel dossierbehandelsysteem (Kleos). Constans Letselschade kent daarnaast een zorgvuldig urenregistratiesysteem, een uitgewerkte klachtenprocedure en periodieke klanttevredenheidsmetingen. Ook is er veel aandacht voor deskundigheid en opleiding van medewerkers, met het streven om de NIVRE registratie te behalen en daarmee te kunnen voldoen aan een van de eisen van het Nationaal Keurmerk Letselschade.
Verbeterpunten liggen met name op beleidsmatig en organisatorisch vlak: de verdere digitalisering van dossiers, het formaliseren van beveiligings- en privacybeleid, en het verhogen van de respons op klanttevredenheidsonderzoeken. Daarnaast kan de samenwerking met enkele verzekeraars nog worden versterkt.
Over het geheel genomen, handelt Constans Letselschade conform de professionele normen in de letselschadebranche.
Het juridisch kader voor de beoordeling
3.8
Dit hof heeft in een ander kort geding over een soortgelijke kwestie de uitgangspunten geschetst voor de beoordeling onder welke omstandigheden een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartiger zij (niet) in zee wil gaan bij de behandeling van letselschadezaken tegenover het recht van een letselschadeslachtoffer om zijn/haar belangen te laten behartigen door de door hem/haar gekozen belangenbehartiger.1 In elk concreet geval zal een afweging moeten worden gemaakt van de betrokken belangen en de relevante feiten en omstandigheden.
3.9
Het eerste uitgangspunt is dat het een benadeelde vrijstaat om de belangenbehartiger te kiezen die zij wil. Het is niet aan de verzekeraar, of een ander, om eisen te stellen of beperkingen op te leggen aan de door de benadeelde te kiezen belangenbehartiger. Daarbij geldt wel dat indien tussen de benadeelde en de belangenbehartiger een overeenkomst van opdracht wordt gesloten, wat meestal het geval zijn, de belangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zal moeten nemen. In een rapport van het WODC van juni 20242 over de belangenbehartiger bij letselschade is opgemerkt dat de zorgvuldige uitvoering van de opdracht in elk geval vergt:
‘• kennis van de toepasselijke rechtsregels op het vlak van privaatrecht, sociaal zekerheidsrecht en fiscaal recht (wet, regelgeving, richtinggevende rechtspraak) en de vaardigheid om die toe te passen op het voorliggende geval;
• kennis van de bestaande zelfregulering en gebruiken in de letselschadebranche en de vaardigheid om die toe te passen op het voorliggende geval;
• de vaardigheid om in het licht van die rechtsregels, zelfregulering en gebruiken in te schatten welke feitelijke informatie nodig is en langs welke wegen die informatie verkregen en verzameld kan worden;
• kennis van de ingangen tot benodigde gespecialiseerde deskundigen, om bijvoorbeeld ongevalsrapportages en medische rapportages te verkrijgen, en dus ook basale medische kennis en kennis van medische disciplines;
• de vaardigheid om in te schatten welke onderhandelings- en/of processtrategie of - strategieën in het voorliggende geval voor de hand liggen om uit te kiezen, en de vaardigheid om de benadeelde in staat te stellen een geïnformeerde keuze te maken uit de alternatieven;(…)
• communiceren over de voortgang van de uitvoering van de opdracht.’
Het hof is het met deze kanttekeningen eens. Een belangenbehartiger die bij de uitvoering van zijn werkzaamheden niet voldoet aan deze vereisten, schiet in beginsel tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met de benadeelde. Bovendien is het de vraag of de benadeelde in dat geval jegens de verzekeraar wel aanspraak heeft op vergoeding van alle door de belangenbehartiger in rekening gebrachte kosten. Indien door tekortkomingen van de benadeelde meer tijd dan noodzakelijk is besteed, of de bestede tijd niet heeft bijgedragen aan de vaststelling van de schade, zal het mogelijk zijn dat niet is voldaan aan de toets van de dubbele redelijkheid (artikel 6:96 lid 2 BW).
3.10
Het tweede uitgangspunt is dat een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartigers zij in zee wil gaan. Maar ook bij dit recht zijn kanttekeningen te plaatsen. Allereerst moet de verzekeraar, voor zover dat in haar vermogen ligt, ervoor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt (zoals beschreven in de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL)). Het weigeren van een door de benadeelde voorgestelde belangenbehartiger zal al snel tot een vertraging van het schaderegelingsproces en tot verstoring van de verhoudingen leiden.
Bovendien kan het recht van een verzekeraar om geen zaken te willen doen met bepaalde belangenbehartigers ertoe leiden dat verzekeraars belangenbehartigers weigeren die hun werk goed doen en (ruimschoots) voldoen aan de hiervoor vermelde vereisten van goed een goede opdrachtnemer met als (eigenlijk) motief dat deze belangenbehartigers meer dan gemiddelde resultaten voor hun cliënten behalen en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken.
3.11
Gelet op deze beide uitgangspunten en de daarbij geplaatste kanttekeningen staat het een verzekeraar slechts vrij om een belangenbehartiger te weigeren als de verzekeraar daarvoor goede redenen heeft. Daarvan zal met name sprake zijn indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:
- niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste of onvolledige informatie te verstrekken, en/of
- klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en/of
- onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.
3.12
De verzekeraar mag bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren ook betekenis toekennen aan het feit dat de belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Belangenbehartiging (letselschade) is een vrij beroep en er is sprake van een grote heterogene groep van het aanbod van belangenbehartigers. Een belangenbehartiger die lid is van het Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE) of het Nederlands Instituut van Schaderegelaars (NIS) of wiens kantoor is aangesloten bij het Nederlands Keurmerk Letselschade (NKL) of de Nederlandse Letselschade Experts (NLE), heeft zich geconformeerd aan de GBL, dient aan opleidingseisen te voldoen en is gebonden aan een externe klachtenregeling. Op advocaten is het advocatentuchtrecht van toepassing, advocaten die lid zijn van de Vereniging van Letselschade Advocaten (LSA) of van de vereniging Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP) dienen daarnaast te voldoen aan opleidings- en urennormen. Voor ongebonden belangenbehartigers geldt dat alles in beginsel niet. Verzekeraars kunnen hen dan ook niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen.
De beëindigingsgronden van ASR
3.13
In de brief van 20 februari 2025 (zie onder 3.5) voert ASR als voornaamste reden voor beëindiging aan dat Constans zeer verweven is met Columbus die wegens misstanden is opgenomen in het EVR door Allianz en Nationale-Nederlanden en dat in feite sprake is van een doorstart of voortzetting van Columbus door Constans, zo vat het hof het kernbezwaar samen. De medewerkers van Columbus zijn met (een aantal van) hun cliënten overgegaan naar Constans. Daarnaast benoemt ASR in de brief dat de belangenbehartigers niet zijn aangesloten bij een brancheorganisatie (het zijn ongebonden belangenbehartigers) en dat van een aantoonbare deskundigheid en een toetsbare opstelling niet is gebleken.
3.14
In de onderhavige procedure heeft ASR herhaald dat Constans een voortzetting of doorstart is van Columbus. Volgens ASR is Constans enkel opgericht om de EVR registratie van Columbus te omzeilen. Allianz heeft Columbus en [letselschadebehandelaar1] in het najaar van 2023 geregistreerd in het EVR, omdat Allianz meent dat Columbus en [letselschadebehandelaar1] zich schuldig hebben gemaakt aan gedragingen die een bedreiging vormen voor de financiële sector (het door de cliënten laten verwijderen van relevante passages uit het medisch dossier).3 Ook Nationale-Nederlanden en Unigarant hebben Columbus en [letselschadebehandelaar1] in het EVR opgenomen en Columbus en [letselschadebehandelaar1] niet meer als belangenbehartiger geaccepteerd. 4 ASR is ervan overtuigd dat Constans enkel is opgericht om de werkzaamheden van Columbus te kunnen voortzetten. ASR heeft er (daarom) geen vertrouwen er in dat Constans de belangen van letselschadeslachtoffers op een professionele deskundige en integere wijze behartigt.
3.15
Los van de vraag of sprake is van een doorstart meent ASR dat zij Constans niet als belangenbehartiger hoeft te accepteren. De belangenbehartigers bij Constans waren voorheen werkzaam bij Columbus, zij zijn niet aangesloten bij een branchevereniging (ze zijn ongebonden belangenbehartigers) en hebben voornamelijk hun werkervaring opgedaan bij Columbus. Columbus bracht buitenproportionele uurtarieven in rekening. Het door Columbus gevoerde beleid straalt negatief af op de medewerkers van Constans, die daarom niet te goeder naam en faam bekend staan. Constans incasseert zelfs nog de openstaande buitengerechtelijke kosten van Columbus, terwijl Columbus per 1 maart 2025 is geliquideerd. Het is verder aannemelijk dat [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] die in loondienst werkten bij Columbus, werden aangestuurd door [letselschadebehandelaar1] . Uit niets blijkt dat zij kritisch zouden zijn geweest op de werkwijze van [letselschadebehandelaar1] . Volgens ASR is het niet logisch of aannemelijk dat [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] , die stellen binnen Columbus een eigen praktijk te hebben gevoerd, geen enkele invloed hadden op het beleid van Columbus.
3.16
ASR heeft verder gewezen op de misstanden in het dossier [benadeelde3] waaruit blijkt dat de werkwijze van [letselschadebehandelaar2] als belangenbehartiger niet afwijkt van die van [letselschadebehandelaar1] .
3.17
Constans heeft tegen de door ASR genoemde gronden voor beëindiging gemotiveerd verweer gevoerd, die het hof zal meenemen in de beoordeling.
Is Constans een voortzetting/doorstart van Columbus?
3.18
Ter zitting en in de stukken is door Constans toegelicht dat Columbus twee relatief kleine praktijken had: [letselschadebehandelaar4] met één medewerker en [letselschadebehandelaar2] met vier medewerkers, onder wie [letselschadebehandelaar3] . Daarnaast was er een grote praktijk van [letselschadebehandelaar1] met veertien medewerkers. Er waren ongeveer 1800 lopende dossiers waarvan 198 dossiers mee zijn overgegaan met de vier belangenbehartigers van Constans. Het is niet ongebruikelijk als de belangenbehartiger naar een ander kantoor overstapt dat de cliënten meegaan met hun belangenbehartiger. Er is immers vaak sprake van een langdurige en vertrouwelijke relatie. De vier benadeelden die tevens procespartij zijn hebben allen ter zitting verklaard dat zij bij ‘hun’ letselschadebehandelaar willen blijven.
Dat de belangenbehartigers van Constans in deze zaken ook de openstaande buitengerechtelijke kosten vorderen die nog onder Columbus zijn gemaakt is niet ongebruikelijk bij een opvolgende letselschadebehandelaar en maakt ook niet dat Constans dezelfde is als Columbus. Deze handelswijze komt ook binnen de advocatuur voor en niet valt in te zien dat de inspanning die de opvolger zich getroost om openstaande kosten van zijn/haar voorganger te incasseren, betekent dat die zich met de lijn van die voorganger identificeert.
De aandeelhouder van Columbus is de oprichter van Constans. Dat deze oprichter enige inhoudelijke bemoeienis heeft gehad met Columbus en nu met Constans, is nergens uit gebleken. [letselschadebehandelaar1] was directeur van Columbus (en tot 17 september 2024 indirect bestuurder) en behandelde zelf letselschadedossiers. [letselschadebehandelaar1] en Columbus zijn in 2023 in het EVR geregistreerd vanwege, kort gezegd, misstanden/frauduleuze praktijken bij de behandeling van letselschadedossiers. Dat hierbij ook één van de vier medewerkers van Constans is betrokken geweest is niet gesteld of gebleken. In de zaak van Unigarant tegen onder meer de Columbus vennootschappen, [letselschadebehandelaar1] en [letselschadebehandelaar2] heeft dit gerechtshof op 15 oktober 20245 geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [letselschadebehandelaar2] samen met [letselschadebehandelaar1] feitelijk bestuurder is (was) van Columbus Letselschade (en daarmee het beleid van Columbus mede bepaalde, zo verstaat het hof); daarmee verviel in die procedure het belang van Unigarant bij de vordering jegens [letselschadebehandelaar2] .
Ter zitting is uitvoerig stilgestaan bij en doorgevraagd over misstanden bij Constans en/of kwalijke praktijken door de medewerkers van Constans die thans ‘besmet’ lijken te zijn omdat zij werkten bij Columbus. ASR uit vermoedens en verdenkingen, maar heeft naar voorlopig oordeel van het hof geen concrete zaken kunnen benoemen die misstanden/frauduleus handelen blootleggen dan wel kunnen concretiseren dat er structureel misstanden zijn bij Constans (die er ook al waren bij Columbus volgens ASR). Het hof heeft voorshands ook geen aanknopingspunten gezien in de onderhavige zaak dat Constans aanzet tot fraude in letselschadedossiers. Het door ASR overgelegde overzicht van 28 zaken (productie 13) ziet voornamelijk op commentaar van behandeling op zaaksniveau en ziet deels op onderwerpen die geen ongebruikelijke discussiepunten zijn bij de behandeling van letselschadezaken, zoals de reactietermijnen en vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Dat er structureel wat mis zou zijn met de zaaksbehandeling blijkt hieruit niet en al helemaal niet dat sprake zou zijn van het aanzetten tot frauduleuze handelingen door de letselschadebehandelaars van Constans, dan wel dat er onvoldoende kennis in huis is bij Constans. Het verwijt van ASR dat [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] (beiden senior belangenbehartigers) van Constans zich nooit (eerder) hebben gedistantieerd van de handelwijze van Columbus is niet redengevend voor het verwijt dat Constans dus ook de handelwijze van Columbus voortzet dan wel deze goedkeurt. De suggestie van ASR dat [letselschadebehandelaar1] , die als belangenbehartiger werkt vanuit Columbus Heemstede, ook nog samenwerkt met Constans dan wel daarvan deel uitmaakt is niet van enige feitelijke onderbouwing voorzien.
3.19
Kort en goed oordeelt het hof voorshands dat ASR geen onderbouwing heeft kunnen geven van (structurele) misstanden dan wel frauduleuze handelingen die door Constans zijn verricht als ware Constans dezelfde rechtspersoon als Columbus; het hof leest in de bezwaren van ASR vooral suggesties dat Constans dezelfde is als Columbus die een EVR registratie heeft. Het enkele feit dat [letselschadebehandelaar1] en Columbus in het EVR zijn opgenomen en dat de vier letselschadebehandelaars die bij Columbus werkten thans bij Constans letselschadezaken behandelen, rechtvaardigt niet de conclusie dat Constans in feite dezelfde is als Columbus of dat dezelfde werkwijze plaatsvindt als onder Columbus.
Het handelen van Constans als ongebonden belangenbehartiger
3.20
Van iedere belangenbehartiger mag worden verwacht dat deze geschoold en bekwaam is om letselschadezaken te behandelen. Daarvoor zal in ieder geval enige scholing moeten plaatsvinden en mag van de belangenbehartiger worden verwacht dat de kennis ‘up to date’ wordt gehouden door bijscholing. (Voor advocaten is dat geregeld; hen laat het hof hier verder buiten beschouwing.) Gezien de complexiteit van een letselschade mag ook van ongebonden letselschadebehandelaars worden verwacht dat die zich op een behoorlijke wijze scholen en zich kwalificeren door middel van registratie bij een (gespecialiseerde) branchevereniging (zoals het NIVRE of het NKL). Daarnaast mag, ter bescherming van de (vaak kwetsbare) cliënt, worden verwacht dat een ongebonden belangenbehartiger een voldoende dekkende beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft en dat er een klachtenregeling is. Een en ander kan afgeleid worden uit het al genoemde WODC rapport (zie rov. 3.6) en het auditrapport van mr. Huizen (zie rov. 3.8). Tot slot dient een (ongebonden) belangenbehartiger tarieven in rekening te brengen die passen bij de opleiding en ervaring van de belangenbehartiger en de complexiteit van de zaak. Als geen sprake is van een behoorlijke opleiding en kwalificatie is het begrijpelijk dat die tarifering (sterk) in neerwaartse zin wordt bijgesteld teneinde te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 BW.
3.21
Ter zitting heeft [letselschadebehandelaar2] verklaard dat de twee junior belangenbehartigers beiden rechten hebben gestudeerd en de NIVRE basisopleiding en de leergang Licht Letsel hebben voltooid. Zij starten in april met de opleiding tot registerexpert. [letselschadebehandelaar3] is ook jurist; [letselschadebehandelaar2] niet. Zij zijn beiden al jarenlang werkzaam als (senior) belangenbehartiger in letselschadezaken. Ook zij hebben de NIVRE basisopleiding en leergang Licht Letsel afgerond. In het auditrapport van mr. Van Huizen is onder meer als conclusie opgenomen dat Constans bijna volledig voldoet aan de eisen uit het reglement van het NKL. Inschrijving bij het NKL kan (pas) als de belangenbehartigers van Constans de NIVRE registratie hebben verkregen. Omdat NIVRE zich op het standpunt stelt dat de medewerkers van Constans ‘niet van goede naam en faam’ zijn gelet op hun arbeidsverleden bij Columbus weigert NIVRE vooralsnog hen in te schrijven als expert. Daarmee is sprake van een zogeheten ‘catch 22’ situatie van Constans wat naar voorlopig oordeel Constans niet verweten kan worden. Vaststaat wel dat Constans zich duidelijk inspant om aan de (professionele) normen in de letselschadebranche te voldoen, wat ook wordt onderstreept door het rapport van STV (zie rov. 3.7). Het verwijt van ASR dat Constans zich beroept op dit vertrouwelijke rapport en dat ook hieruit zou blijken dat Constans niet betrouwbaar en integer is, verwerpt het hof. In een zaak als de onderhavige, waarin de totale praktijkvoering van Constans door ASR onder de loep wordt genomen, mag Constans die feiten en omstandigheden aandragen die daarop beter zicht geven en dat ook onderbouwen. De vertrouwelijkheid waar ASR zich op beroept schaadt niet de belangen van ASR, maar zou er wel toe kunnen leiden dat Constans haar standpunt niet kan onderbouwen. Die consequentie hoeft Constans in een geschil als dit niet te accepteren.
3.22
De suggestie van ASR dat [letselschadebehandelaar2] en [letselschadebehandelaar3] invloed moeten hebben gehad op het beleid van Columbus ten aanzien van kosten, opleidingen en de tariefstelling voor de werkzaamheden, is naar voorlopig oordeel van het hof niet genoegzaam onderbouwd en daarom ook niet vast komen te staan. Het thans door Constans gevoerde opleidingsbeleid en de gehanteerde, lagere en gedifferentieerde uurtarieven hebben niet geleid tot enige kanttekening of kritiek in het auditrapport (onder 2.9) van mr. Huizen. Een en ander laat onverlet dat per zaak hiervan door ASR kan worden afgeweken indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven dan wel kan hierover een oordeel worden gevraagd van de rechter, waarbij het hof verwijst naar wat hierboven is overwogen in overweging 3.20.
De zaak [benadeelde3]
3.23
ASR heeft in het bijzonder de al lang lopende zaak van [benadeelde3] aangehaald waaruit volgens ASR blijkt dat de handelwijze van [letselschadebehandelaar2] niet afweek van die van [letselschadebehandelaar1] . Er is namelijk, kort gezegd, door [letselschadebehandelaar2] een schadeopstelling/voorstel voor een minnelijke regeling gedaan waarbij geen rekening is gehouden met “allerlei niet-ongevalgerelateerde problematiek”. Volgens ASR bestaat de indruk dat (bewust) is getracht om ASR een verkeerde indruk te geven wat betreft de omvang van de schade. Deze constateringen zijn niet dragend zijn voor het besluit van ASR om Constans niet als belangenbehartiger te accepteren, maar dragen volgens ASR wel bij aan het gebrek aan vertrouwen dat ASR in de bedrijfsvoering van Columbus heeft. Op deze beschuldiging heeft Constans inhoudelijk gereageerd. Het hof oordeelt hierover voorshands als volgt.
3.24
Het verkeersongeval van [benadeelde3] dateert van begin 2017. In 2019 heeft een gezamenlijke expertise door een medisch deskundige plaatsgevonden met onder meer een vraagstelling over de causaliteit tussen het ongeval en de onderbeenamputatie. Daarna is tussen partijen een discussie ontstaan over de bevindingen van de medisch deskundige die doorloopt tot in 2021. Medio 2022 is door [letselschadebehandelaar2] op verzoek van ASR een schadestaat overgelegd in het kader van het treffen van een minnelijke regeling. Medio 2024 is hierop door de advocaat van ASR inhoudelijk gereageerd. Partijen zijn er toen (en nu nog steeds) niet uitgekomen. Als er al sprake zou zijn van een misstand, zoals ASR suggereert, dan kan voorshands niet gezegd worden dat de behandeling van deze letselschadezaak door Constans of [letselschadebehandelaar2] illustratief is voor de wijze waarop [letselschadebehandelaar1] of Columbus de zaken behandelden. ASR heeft de behandeling van deze zaak kennelijk niet aangegrepen om in 2024 tot een EVR registratie van [letselschadebehandelaar2] over te gaan.
Conclusie
3.25
In deze zaak worden vele suggesties door ASR gedaan dat het niet anders kan dan dat Constans dezelfde rechtspersoon is als Columbus, die nu via Constans de belangen van de cliënten kan behartigen waarmee de EVR registratie wordt omzeild. Constans heeft toegelicht dat bij vertrek ongeveer 10% van de zaken is meegenomen die de belangenbehartigers al onder zich hadden bij Columbus. Mogelijk is Constans opgericht om de lopende zaken te kunnen afhandelen door de vier belangenbehartigers en om verder te gaan als belangenbehartiger van letselschadeslachtoffers, maar zelfs dat gegeven rechtvaardigt niet het vermoeden dat Constans daarmee in feite een voortzetting is van Columbus. Immers niet is uitgesloten, en dat heeft Constans ook steeds aangevoerd, dat het nieuwe kantoor een andere koers vaart en wil varen dan Columbus; een en ander volgt ook genoegzaam uit het audit-rapport van mr. Van Huizen en het rapport van STV. Waar het om gaat is dat [letselschadebehandelaar1] , die een grote praktijk had onder Columbus, en Columbus in het EVR zijn opgenomen. Dat kan zonder concrete onderbouwing niet tegengeworpen worden aan Constans en de aldaar werkzame belangenbehartigers enkel en alleen omdat zij bij Columbus hebben gewerkt. Van structurele bezwaren in de werkwijze van Constans is voorshands onvoldoende gebleken.
3.26
De overige bezwaren van ASR tegen het vonnis (de grieven 5 en 6) behoeven vanwege gebrek aan relevantie of uitkomst van dit hoger beroep geen bespreking.
3.27
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat ASR in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof ASR tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.6
3.28
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad)
1Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313
2De belangenbehartiger bij letselschade, WODC Project nr. 3396. In TVP 2025, nr. 1 wordt beknopt verslag hiervan gedaan.
3Rb Rotterdam 6 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:437, bekrachtigd door Hof Den Haag 16 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1778
4Rb Den Haag 20 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26997; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313
5Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, rov. 4.4
6HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3729