TGZCTG 110226 tetraplegie na nek/halsoperatie; klacht tegen MA rbv gegrond; internist n.p. oordeelt grotendeels o.b.v. gespreksopnamen en verifieert conclusies niet
- Meer over dit onderwerp:
TGZCTG 110226 tetraplegie na nek/halsoperatie; klacht tegen MA rbv gegrond; internist n.p. oordeelt grotendeels o.b.v. gespreksopnamen en verifieert conclusies niet
1. Kern van de zaak
1.1 De medisch adviseur is gepensioneerd internist. Hij heeft in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster een medisch advies uitgebracht over de haalbaarheid van een aansprakelijkstelling van een neurochirurg, die bij klaagster een operatie aan de nek/hals had uitgevoerd vanwege een vernauwing van een nekwervel. Klaagster had na deze operatie een algehele verlamming van de ledematen opgelopen.
Klaagster heeft vier klachten geuit over de arts. Een van de klachten luidt dat de arts in strijd met de Gedragscode Behandeling Letselschade (hierna: GBL) heeft gehandeld door als niet praktiserend internist een oordeel te geven over het handelen van de neurochirurg die de operatie bij klaagster heeft verricht. De overige klachten zien op de handelwijze van de werkgever van de arts en de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van deze werkgever en hebben onder meer betrekking op het niet tijdig verstrekken van het medisch dossier.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Hertogenbosch van 22 januari 2025 met nummer H2024/6952 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:12). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift, het verweerschrift en het e-mailbericht en de brief van klaagster van 22 augustus 2025.
2.3 De zaak is op de zitting van 1 december 2025 behandeld. Klaagster en de arts waren aanwezig, allebei bijgestaan door hun gemachtigde. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster heeft op 6 mei 2016 een operatie aan haar nek/hals ondergaan vanwege een cervicale stenose (vernauwing van de nekwervel). Deze operatie is uitgevoerd door een neurochirurg (hierna: neurochirurg 1). Klaagster heeft daarna een tetraplegie (verlamming van de ledematen) opgelopen, waarvan zij na intensieve revalidatie gedeeltelijk is hersteld.
3.3 Klaagster heeft zich naar aanleiding van deze operatie voor een second opinion gewend tot een andere neurochirurg (hierna: neurochirurg 2). Klaagster heeft gevraagd om onder meer te beoordelen of er nog verder herstel te verwachten was met aanvullende diagnostiek en of operatief ingrijpen nog zinvol zou zijn. Neurochirurg 2 is voormalig opleider van neurochirurg 1 en beide neurochirurgen zijn lid van dezelfde vakgroep. Beide partijen hebben aangegeven dat er opnames zijn van de gesprekken die neurochirurg 2 in dit kader heeft gevoerd. Het college heeft geen rapport of audio of video-opnames ontvangen van de second opinion van neurochirurg 2.
3.4 Omdat klaagster meent dat neurochirurg 1 ten opzichte van haar mogelijk medisch onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft zij haar rechtsbijstandsverzekering ingeschakeld. De rechtsbijstandsverzekering heeft vervolgens op 22 maart 2018 een bureau voor medische aansprakelijkheid (hierna: het Bureau) ingeschakeld. De rechtsbijstandsverzekeraar verzocht het Bureau een medisch advies uit te brengen over de haalbaarheid van een aansprakelijkstelling in verband met mogelijk nalatig medisch handelen van neurochirurg 1.
3.5 De medisch adviseur is gepensioneerd internist en als arts geregistreerd in het BIG-register. Hij is als medisch adviseur in dienst van het Bureau en heeft namens zijn werkgever op
9 oktober 2018 een medisch advies uitgebracht. In het advies wordt vermeld dat het is opgesteld in de rapportagevorm zoals geadviseerd in de Medische Paragraaf van de GBL.
3.6 Het medisch advies bevat een vraagstelling, een overzicht van de opgevraagde/geraadpleegde (medische) informatie, een samenvatting van het gesprek met klaagster, haar zoon en diens partner, een beschouwing en een conclusie. Onder de beschouwing wordt onder meer het volgende vermeld (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Technisch is de operatie correct uitgevoerd. Dat baseer ik op de uitspraken die collega (…) [naam neurochirurg 2] daarover in de door mij beluisterde opnames bij herhaling heeft gedaan. Hij is weliswaar natuurlijk, uit hoofde van het voorzitterschap van de Regionale vakgroep neurochirurgie en als (voormalig) opleider van collega (…) [naam neurochirurg 1], niet als zuiver neutraal te beschouwen maar staat in Nederland en ook daarbuiten wel te boek als een zeer gerespecteerde neurochirurg. Dat, ondanks het feit dat de operatie in chirurgisch-technische zin volkomen correct is uitgevoerd, toch een dwarslaesiesyndroom (dat zich geleidelijk aan herstelt) is opgetreden is te beschouwen als een gevreesde mogelijke complicatie van de ingreep die samenhangt met de aard van de onderliggende aandoening (OPLL).”
De medisch adviseur concludeert daarop onder meer:
“In conclusie meen ik dat collega (…) [naam neurochirurg 1], verwijtbaar nalatig gehandeld heeft door betrokkene preoperatief niet adequaat voor te lichten over de grote risico’s die zij bij het ondergaan van de ingreep zou lopen. Door die (nalatige) handelwijze is haar de mogelijkheid ontnomen om, na een zorgvuldige afweging, de uitgevoerde ingreep uit te stellen of daar zelfs geheel van af te zien c.q. het natuurlijke beloop van haar ziekte af te wachten. Deze nalatigheid vormt een grond voor aansprakelijkstelling van (…) [naam ziekenhuis waar neurochirurg 1 klaagster heeft geopereerd]. Nadrukkelijk merk ik daarbij op dat die aansprakelijkstelling niet de opgetreden complicatie zelf betreft.”
3.7 Bij brief van 22 juni 2023 heeft de gemachtigde van klaagster een aansprakelijkstelling verzonden naar het Bureau ter attentie van de raad van bestuur en de medisch adviseur. In die brief werden het Bureau en de medisch adviseur aansprakelijk gesteld voor het in strijd met de zorgvuldigheid afgegeven medisch advies, omdat de medisch adviseur bekwaam noch bevoegd was om in deze casus als medisch adviseur op te treden. De gemachtigde van klaagster vroeg bij die brief ook het gehele medische dossier op. Bij de brief was een door klaagster ondertekende medische machtiging gevoegd.
3.8 Een medewerkster van het Bureau heeft de gemachtigde van klaagster per e-mail van
23 juni 2023 laten weten dat het Bureau haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar had ingeschakeld.
3.9 Bij e-mail van 9 november 2023 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar de aansprakelijkheid van het Bureau en de medisch adviseur afgewezen, omdat de medisch adviseur naar haar mening geen beroepsfout had gemaakt.
3.10 Bij e-mail van 2 februari 2024 heeft een medewerkster van het Bureau het medisch dossier van klaagster aan de gemachtigde van klaagster gestuurd.
4. Beoordeling van het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verweet de arts bij het Regionaal Tuchtcollege dat hij:
a. in strijd met de GBL heeft gehandeld door als internist n.p. een oordeel te geven over het handelen van neurochirurg [1] die bij klaagster een operatie aan de nek/hals heeft verricht;
b. het medisch dossier niet onmiddellijk heeft toegezonden;
c. een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar heeft ingeschakeld die een standpunt heeft ingenomen zonder medisch advies dan wel op advies van verweerder;
d. indien de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder een standpunt heeft ingenomen op basis van het advies van verweerder: het onbekwaam verstrekken van een advies.
4.2 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in volle omvang beoordeeld en alsnog gegrond verklaart.
4.3 De arts vraagt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te bekrachtigen en klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep dan wel haar beroep af te wijzen.
Ontvankelijkheid klachtonderdelen b., c. en d.
4.4 In artikel 73 lid 2 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is te lezen dat het beroep schriftelijk wordt ingesteld. De inhoud van het beroepschrift moet voldoen aan de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
4.5 In artikel 6 lid 1 van het Reglement van orde van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg vanaf 1 april 2024 (verder het reglement) staat dat een beroepschrift (onder meer) de gronden van het beroep bevat, dat wil zeggen met welke overwegingen uit de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege appellant het niet eens is en waarom. Artikel 8 lid 1 van het reglement bepaalt verder dat er één schriftelijke ronde is. Na sluiting van de schriftelijke debatronde kunnen geen brieven of andere stukken meer worden ingediend die opnieuw ingaan op de inhoud van de zaak (artikel 8 lid 2 van het reglement).
4.6 Klaagster heeft in haar beroepschrift noch in haar aanvullende gronden van beroep aangevoerd waarom zij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover dit de klachtonderdelen b., c. en d. betreft. Sterker nog klaagster voert aan dat zij alle klachtonderdelen handhaaft, maar dat zij in beroep uitsluitend klachtonderdeel a. zal bespreken. Klaagster heeft dus nagelaten om uit te leggen waarom zij het niet eens is met de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b, c en d. Daarmee voldoen het beroepschrift en de aanvullende gronden niet aan de voorwaarden, zoals vermeld in het reglement, en kan klaagster niet worden ontvangen in haar beroep voor zover dit beroep de klachtonderdelen b., c. en d. betreft. Het Centraal Tuchtcollege weegt in dit oordeel mee dat het beroepschrift is ingediend door een advocaat.
Klachtonderdeel a.
4.7 Dit klachtonderdeel komt er in de kern op neer dat klaagster het Centraal Tuchtcollege vraagt te beoordelen of het medisch advies over de haalbaarheid van een aansprakelijkheidsstelling (verder: het medisch advies) onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel onvolledig is. Het Centraal Tuchtcollege beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.
4.8 Het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, en in beroep onderschrijven zowel klaagster als de arts deze overweging, dat het medisch advies, waar het in deze zaak om gaat, moet worden aangemerkt als een medisch deskundigenbericht.
4.9 Volgens vaste jurisprudentie moet een medisch deskundigenbericht voldoen aan de volgende criteria:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage beoordeelt het college of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
4.10 Het beroep van klaagster spitst zich vooral toe op het vijfde criterium, dus de vraag of de arts is gebleven binnen zijn deskundigheid. Vast staat dat de arts geen neurochirurg is, dat hij dat nooit is geweest en dat hij ook nooit als zodanig heeft gewerkt. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat dit ook niet zonder meer nodig is om als deskundige te adviseren in een neurochirurgische kwestie wanneer de arts eventuele relevante hiaten in kennis en kunde aanvult en dit ook verantwoordt in zijn rapport. Dit komt in de praktijk ook veelvuldig voor. Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de deskundigheid en bekwaamheid van een rapporteur, tenzij er concrete aanwijzingen zijn om daar aan te twijfelen.
4.11 In het medisch advies dat in deze tuchtrechtelijke procedure ter beoordeling voor ligt, concludeert de arts (onder meer) dat de operatie van klaagster technisch correct is uitgevoerd. Dat baseert de arts op opnamen van gesprekken die klaagster (en haar familie) met neurochirurg 2 hebben gevoerd. Neurochirurg 2 is door klaagster om een second opinion inzake een mogelijke heroperatie gevraagd. Hij is ook de voormalig opleider van de neurochirurg die de eerste operatie heeft uitgevoerd. Deze opnamen van de gevoerde gesprekken zijn door klaagster aan de arts verstrekt. Daarbij is geen transcriptie van deze gesprekken gevoegd.
4.12 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de arts deze gesprekken heeft beluisterd met als doel het opstellen van een medisch advies in het kader van een medisch haalbaarheidsonderzoek ten behoeve van een eventuele aansprakelijkstelling van neurochirurg 1, terwijl de gesprekken tussen de neurochirurg 2 en klaagster zijn gevoerd met een ander doel, namelijk onderzoek van de mogelijkheden van heroperatie. De gesprekken tussen neurochirurg 2 en klaagster (en haar familie) waren, zo leest het Centraal Tuchtcollege in de stukken, emotioneel, omdat deze onder meer gingen over de gevolgen van de operatie en de beperkingen die klaagster daar aan over heeft gehouden. Dat de opnamen die de arts heeft beluisterd bijna zeven uur in beslag namen, zoals door de arts bij herhaling is aangevoerd, maakt niet anders dat deze gesprekken met een ander doel zijn gevoerd dan waarvoor de arts ze heeft beluisterd. Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de weergave van deze gesprekken niet aan neurochirurg 2 zijn voorgelegd met de vraag of deze weergave correct is.
De omstandigheid dat dit niet gebeurd is brengt mee dat het zwaartepunt van de beoordeling in het medisch advies berust op een aan neurochirurg 2 op basis van geluidsopnamen toegeschreven beoordeling, terwijl deze beoordeling niet door neurochirurg 2 geaccordeerd is. In zoverre verschilt deze situatie van de situatie dat een arts zelf schriftelijk zijn bevindingen en beleid beschrijft en dit geschrift ook in een ander verband gebruikt wordt.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het in dit specifieke geval op de weg van de arts had gelegen om contact met neurochirurg 2 op te nemen om te verifiëren of deze zich kon vinden in de weergave van zijn bevindingen zoals de arts uiteindelijk in zijn rapport heeft opgenomen. Dat had in dit geval temeer op de weg van de arts gelegen, omdat de arts erkent dat neurochirurgie niet zijn expertisegebied betreft. Daarmee is het medisch advies in zoverre niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.
4.13 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het onderzoek en de totstandkoming van het medisch advies naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege daarom uit een oogpunt van zorgvuldigheid de toets der kritiek niet kan doorstaan.
4.14 Het Centraal Tuchtcollege merkt wel op dat uit een en ander niet kan worden opgemaakt dat de door de arts getrokken conclusies inhoudelijk onjuist of onverdedigbaar zijn.
Conclusie en maatregel
4.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is klachtonderdeel a. gegrond.
4.16 Het Centraal Tuchtcollege zal met toepassing van artikel 69 lid 4 Wet BIG volstaan met een gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Het Centraal Tuchtcollege vindt het opleggen van een maatregel in dit geval niet gerechtvaardigd, omdat de arts in zijn medisch advies wel steeds heeft uitgelegd en inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Het Centraal Tuchtcollege benadrukt in dat verband dat een tuchtrechtelijke maatregel niet is bedoeld om te straffen, maar een middel om de kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren.
Griffierecht
4.17 Omdat de klacht deels gegrond wordt verklaard wordt opgelegd, zal het door klaagster bij het Regionaal Tuchtcollege en Centraal Tuchtcollege betaalde griffierecht worden terugbetaald. ECLI_NL_TGZCTG_2026_31