RBROT 241225 Schending waarheids- en volledigheidsplicht ex 21 Rv vanwege onder meer rijden onder invloed; afwijzing; geen veroordeling in werkelijk gemaakte kosten
- Meer over dit onderwerp:
RBROT 241225 Schending waarheids- en volledigheidsplicht ex 21 Rv vanwege onder meer rijden onder invloed; afwijzing; geen veroordeling in werkelijk gemaakte kosten
2De feiten
2.1.
Op 2 maart 2024 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op de Rochussenstraat in Rotterdam, waarbij een Mercedes en een BMW betrokken zijn geweest.
2.2.
[eiser] was de eigenaar van de Mercedes. Zijn zoon, [naam] (hierna: [naam]) was de bestuurder van de Mercedes.
2.3.
Allianz is de WAM-verzekeraar van de BMW.
2.4.
Ongeveer 1,5 uur na het verkeersongeval is bij [naam] een alcoholcontrole uitgevoerd door middel van een ademanalyse. Bij het onderzoek is 660 ug/l alcohol in de adem gemeten, wat overeenkomt met 1,5 promille alcohol in het bloed. Maximaal 0,5 promille is wettelijk toegestaan.
2.5.
De Mercedes was allrisk verzekerd en is in opdracht van de cascoverzekeraar ABN AMRO door CED onderzocht. De auto is total loss verklaard en de schade is vastgesteld op een bedrag van € 33.605,00. De Mercedes is niet door een expert van Allianz onderzocht.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Allianz te veroordelen tot:
-
betaling van het bedrag van € 33.605,00, zijnde de schade aan de auto;
-
betaling van het bedrag van € 1.344,37, aan buitengerechtelijke kosten;
-
betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Het verkeersongeval is veroorzaakt door een verkeersfout van de BMW. De BMW had de Mercedes voorrang moeten verlenen. Op grond van artikel 6 WAM heeft de benadeelde een eigen recht op schadevergoeding jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid volgens deze wet is gedekt. Allianz is als WAM-verzekeraar van de BMW dan ook gehouden om de schade aan de Mercedes te vergoeden. De schade aan de Mercedes is door CED getaxeerd op een bedrag van € 33.605,00.
3.3.
Allianz voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten, met een maximum van € 10.000,00, althans de proceskosten volgens het liquidatietarief, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.4.
Allianz stelt zich primair op het standpunt dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden door essentiële informatie achter te houden die van wezenlijk belang was voor de beoordeling van de vordering. Subsidiair voert Allianz aan dat zij niet aansprakelijk is voor de schade omdat [naam] ten tijde van het verkeersongeval onder invloed van alcohol verkeerde en met hoge snelheid reed en eigen schuld heeft aan het ongeval.
4De beoordeling
Schending waarheids- en volledigheidsplicht
4.1.
In de onderhavige zaak zal allereerst moeten worden beoordeeld of [eiser] in strijd heeft gehandeld met de waarheids- en volledigheidsplicht als bedoeld in artikel 21 Rv.
4.2.
Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten vanaf de aanvang van de procedure volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij of zij geraden acht. Partijen mogen (i) geen feiten stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn, en (iii) geen feiten achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been worden gezet.
4.3.
Bij de beoordeling van de schending van de waarheids- en volledigheidsplicht is het volgende relevant. In deze zaak is pas op de eerste mondelinge behandeling vast komen te staan dat ten tijde van het verkeersongeval de zoon van [eiser], [naam], de bestuurder was van de Mercedes. Aan de hand van de producties is pas bij de tweede mondelinge behandeling vastgesteld dat [naam] onder invloed van alcohol had gereden. Ook is pas toen vast komen te staan dat de Mercedes, op naam van [eiser], allrisk was verzekerd bij ABN AMRO, dat er op die polis naar aanleiding van het verkeersongeval een claim is ingediend en dat de claim is afgewezen vanwege het feit dat [naam] onder invloed van alcohol heeft gereden.
4.4.
Géén van deze feiten is in de dagvaarding vermeld. Ook zijn van deze feiten geen stukken overgelegd bij dagvaarding.
4.5.
Nadat de dagvaarding was uitgebracht heeft Allianz bij incident gevorderd dat [eiser] zou worden veroordeeld om op grond van artikel 843a Rv afschrift te verstrekken van een aantal stukken. Allianz heeft verzocht om de correspondentie tussen [eiser] en ABN AMRO over de (door Allianz veronderstelde) ingediende schadeclaim, en de (kennelijke, anders hoefde niet bij Allianz geclaimd te worden) afwijzing daarvan, en het volledige strafdossier van [naam]. [eiser] heeft tegen dit verzoek van Allianz uitvoerig verweer gevoerd en weigerde de gevraagde informatie over te leggen. Allianz zou geen belang hebben bij haar vorderingen. In de conclusie van antwoord in het incident wordt door [eiser] betwist dat de bestuurder onder invloed heeft gereden, ook bij gebrek aan wetenschap [onderstreping Rb]. [eiser] stelt dat hij niet meer informatie dan dit heeft [onderstreping Rb].
4.6.
Op de eerste mondelinge behandeling van 21 januari 2025 heeft de rechtbank gevraagd naar de gang van zaken betreffende de schadeclaim bij ABN AMRO. [eiser] heeft, gevraagd naar de relatie van [eiser] met de bestuurder van zijn Mercedes, op zitting verklaard dat de bestuurder van de Mercedes zijn zoon [naam] was. [eiser] deelde toen ook mee dat hij zelf ABN AMRO telefonisch heeft benaderd, dat hij het ongevallenformulier aan ABN AMRO heeft gestuurd, dat hij niet weet waarom de claim is afgewezen [onderstreping Rb] en dat ABN AMRO zou hebben gezegd dat de schade is veroorzaakt door de wederpartij en dat de wederpartij het geld moet overmaken aan ABN AMRO.
De rechtbank heeft op enig moment tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat Allianz wel degelijk een belang heeft bij de door haar gevraagde stukken en heeft partijen verzocht om in nader overleg te treden. [eiser] heeft Allianz vervolgens gemachtigd om in zijn naam alle stukken op te vragen waar Allianz om had gevraagd, en deze machtiging is in het proces-verbaal vermeld.
4.7.
[eiser] heeft vervolgens zelf de strafrechtelijke stukken van [naam] en de correspondentie met de ABN AMRO overgelegd, inclusief het bericht van de afwijzing van de schadeclaim van ABN AMRO. Dat bericht bleek gericht te zijn aan de heer [eiser], de verzekeringnemer, en de reden voor de afwijzing stond daar duidelijk in [onderstreping Rb].
4.8.
Pas op dat moment is in de onderhavige procedure aan het licht gekomen dat [naam] onder invloed van alcohol heeft gereden en dat om die reden de schadeclaim door de eigen allrisk-verzekeraar, ABN AMRO, is afgewezen.
4.9.
Vervolgens heeft [eiser] zich in de akte van 3 november 2025, als reactie op het verweer van Allianz dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden, op het standpunt gesteld dat het [naam] was geweest die contact heeft gehad met ABN AMRO en dat [eiser] zelf geen kennis had van het ongeval en de omstandigheden. Op de tweede mondelinge behandeling van 12 november 2025 heeft [naam], die toen aanwezig was om het woord te doen namens zijn vader terwijl deze er niet bij was, verklaard dat hij de claim bij ABN AMRO heeft ingediend en dat hij dit tegen zijn vader heeft gezegd. Het verhaal van [naam] komt niet overeen met wat [eiser] zelf op de eerste mondelinge behandeling van 21 januari 2025 heeft verklaard, namelijk dat [eiser] degene is geweest die contact heeft opgenomen met ABN AMRO en de claim heeft ingediend. Dit betekent dat ofwel [eiser], ofwel [naam] die namens [eiser] gemachtigd was, een onjuiste voorstelling van de feiten [onderstreping Rb] heeft gegeven.
4.10.
Daarnaast heeft [naam] op de mondelinge behandeling van 12 november 2025, daarnaar gevraagd, verklaard dat zijn vader (wèl) wist dat hij, [naam], onder invloed van alcohol had gereden [onderstreping Rb]. Wederom komt dit niet overeen met het standpunt van [eiser], ingenomen in de conclusie van antwoord in het incident, waarin [eiser] betwist dat de bestuurder van zijn Mercedes onder invloed had gereden, en ingenomen in de akte van 3 november 2025, waarin staat dat [eiser] zelf geen kennis had van het ongeval en de omstandigheden daarvan.
4.11.
Met vorenstaande is in ieder geval duidelijk geworden dat door partij [eiser] feiten zijn gesteld waarvan hij wist dat die niet juist zijn. Daarnaast heeft [eiser] feiten achtergehouden, in het bijzonder over het rijden onder invloed door de bestuurder van Mercedes – zijn zoon – en de afwijzing van de schadeclaim door ABN AMRO vanwege dit feit. Dat deze informatie en de bijbehorende stukken niet in de dagvaarding zijn vermeld maar pas zijn gegeven na uitvoerig verweer in het incident dat Allianz was begonnen en waarin Allianz om de informatie en de stukken vroeg, en na de mondelinge behandeling in het incident, levert naar het oordeel van de rechtbank een ernstige schending van de waarheids- en volledigheidsplicht op.
4.12.
De advocaat van [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat een eventuele schending van de waarheidsplicht is geheeld omdat [eiser] na het machtigen van Allianz om de betreffende stukken op te vragen, zelf de stukken in het geding heeft gebracht. Hier kan de rechtbank echter niet in meegaan. Het kan niet zo zijn dat partijen voor de beoordeling van de zaak relevante informatie en stukken kunnen achterhouden zonder dat dit enige gevolgen heeft in het geval dat zij op een later moment, na aandringen van de wederpartij, het instellen van een incidentele vordering door de wederpartij, en een mondeling oordeel van de rechtbank, deze informatie en stukken alsnog aanleveren. Dat zou de functie van de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv volledig ondermijnen.
4.13.
Concluderend heeft [eiser] in ernstige mate zijn verplichting geschonden om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dat kan niet zonder gevolgen blijven, te meer omdat het informatie betreft die cruciaal is voor de te nemen beslissing. Zowel voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van Allianz voor de gestelde schade, als voor de beoordeling van de eventuele mate van eigen schuld aan het ontstaan van de schade van [eiser], is de betreffende informatie van groot belang.
De rechter is in een civiele procedure in hoge mate afhankelijk van de informatie van partijen en moet kunnen uitgaan van de juistheid en volledigheid van die informatie. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in ernstige mate in strijd met doel en strekking van artikel 21 Rv heeft gehandeld en daarin heeft volhard, zodat de enig passende gevolgtrekking is dat zonder verdere inhoudelijke beoordeling de vorderingen worden afgewezen.
4.14.
De standpunten van partijen behoeven geen verdere bespreking, behalve het verzoek van Allianz om [eiser] te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
Proceskosten
4.15.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Allianz betoogt dat de ernstige schendingen van artikel 21 Rv door [eiser] moeten leiden tot veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. [eiser] weerspreekt dit.
4.16.
De rechtbank oordeelt als volgt. Een vordering tot veroordeling in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).
4.17.
[eiser] heeft onjuiste informatie verstrekt en informatie achtergehouden die relevant is voor de beoordeling van zijn vordering. Dit betekent echter niet dat het instellen van de vordering daarmee achterwege had behoren te blijven. De vordering kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als evident ongegrond. Vast staat namelijk dat de bestuurder van de BMW de Mercedes geen voorrang heeft verleend waar dit wel had gemoeten. In hoeverre dit (mede) is toe te rekenen aan het rijgedrag van [naam] is een vraag die nader onderzocht had moeten worden, in het geval dat [eiser] geen informatie had achtergehouden.
4.18.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het veroordelen van [eiser] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in het onderhavige geval geen passende sanctie is op de schending van de waarheids- en volledigheidsplicht. [eiser] zal wel worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten volgens het liquidatietarief.
4.19.
De proceskosten van Allianz worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.889,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
3.144,00 |
(4 punten × € 786,00) |
|
- nakosten |
€ |
178,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
6.211,00 |
Rechtbank Rotterdam 24 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15225
