RBMNE 191125 begroting behoefte H.H. a.d.h.v. hhhcalc.nl 12,65 uur p/w; gevorderde 6 uur is reëel; tot 75ste jaar; á € 12,50 per uur tot 2020, daarna € 15,00 (x 66,67%)
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 191125 fout huisarts na polsbreuk; 2/3 deel (pijn)klachten toerekenbaar; rb schetst uitgangspunten voor de schadeberekeningen
- carrière in de verzekeringsbranche is aannemelijk en missen daarvan causaal aan gemiste diagnose; (x 66,67%)
- zwarte inkomsten als drummer en uitmixer aannemelijk en missen daarvan causaal aan gemiste diagnose; maar geen € 9000 per jaar tot 68ste, maar € 2500 tot 60ste (x 66,67%)
- begroting behoefte H.H. a.d.h.v. hhhcalc.nl 12,65 uur p/w; gevorderde 6 uur is reëel; tot 75ste jaar; á € 12,50 per uur tot 2020, daarna € 15,00 (x 66,67%)
- zwzh cf richtlijn DLR; tot 70ste jaar (x 66,67%)
- smartengeld cf Rotterdamse schaal, € 25000, (x 66,67%)
- bgk, uurtarief € 310 en 10 min per afzonderlijke verrichting reëel; volledig toegewezen en niet 2/3 deel
in relatie tot:
RBMNE 200525 verzoek wraking rechter-plaatsvervanger omdat deze hoofdbetrekking heeft bij aansprakelijkheidsverzekeraar; afgewezen
2de kern van de zaak
2.1.
In het tussenvonnis van 30 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de in het verleden bij deze zaak betrokken deskundige, de heer [A] , gehoord diende te worden. Dit heeft plaats gevonden op 26 augustus 2025. In dit vonnis draait het om de duiding van de gevolgen van het medisch onzorgvuldig handelen van huisarts [gedaagde sub 1] na de polsbreuk van [eiser] . Deskundige [A] heeft verklaard dat de kans dat er bij [eiser] minder klachten zouden resteren indien er anders zou zijn gehandeld aanzienlijk is. Op basis van de verdere toelichting van [A] komt de rechtbank tot een redelijke toerekening van 66,6% (2/3e deel) van de (pijn)klachten en beperkingen van [eiser] aan het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] . De rechtbank schetst partijen de uitgangspunten voor een herberekening van de letselschade van [eiser] .
3De beoordeling
3.1.
De rechtbank stelde in 4.12 van het tussenvonnis van 30 juli 2025 vast dat het subsidiaire verweer en het meer subsidiaire verweer – die zien op het causaal verband tussen 1) het onzorgvuldig handelen en de klachten en beperkingen en 2) het onzorgvuldig handelen en de schadeposten – nog niet beoordeeld konden worden, omdat er tussen partijen een verschil van interpretatie bestond over de bevindingen van [A] op deze vlakken. Over de juiste interpretatie is inmiddels verduidelijking gegeven door [A] zodat de rechtbank hieronder tot een verdere beoordeling overgaat.
3.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op de conclusie in 4.8 van het vonnis van 30 juli 2025 dat iedere actie die was gevolgd op een fysiek consult in maart 2013 een doorverwijzing naar het ziekenhuis had geïmpliceerd. Gedaagden hebben in hun akte na deskundigenverhoor verzocht om hierop terug te komen, omdat zij betogen dat het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] naar het oordeel van de huisartsdeskundige [D] enkel en alleen bestond uit het feit dat [eiser] op 28 februari 2013 en 5 maart 2013 niet is uitgenodigd voor een fysiek consult. Het onzorgvuldig handelen bestond volgens gedaagden uitdrukkelijk niet uit het nalaten om [eiser] door te verwijzen naar het ziekenhuis. De rechtbank volgt dit standpunt niet omdat uit het rapport van [D] blijkt dat [gedaagde sub 1] [eiser] in maart 2013 had moeten verwijzen voor een nieuwe röntgenfoto, een CT-scan of gipsimmobilisatie. [D] schrijft op pagina 5 van zijn rapport namelijk dat een MRI of een CT-scan in de vroege fase van deze fractuur bijna altijd essentieel is voor de diagnose en op pagina 8 :
“Mijns inziens moet een redelijk bekwaam huisarts weten dat een gewone Röntgenfoto niet altijd meteen uitsluitsel geeft over aan- of afwezigheid van een fractuur van een handwortelbeentje en bij twijfel na ruim een week herhaald moet worden, omdat dan een eventuele fractuurlijn beter te zien is. Het aanleggen van een drukverband tot het nader aanvullend onderzoek is daarbij noodzakelijk.(Keeman 2008). Ook in 2013 was overigens bekend dat een CT-scan voor fractuurdiagnostiek veel sensitiever is dan een gewone Röntgenfoto (deWeber 2019, literatuurverwijzing dateert van 2006).
- De behandeling van een fractuur van een handwortelbeentje is in geval er geen sprake is van dislocatie: immobilisatie d.m.v. een gipsverband gedurende zeker 6 weken.”
Een nieuwe röntgenfoto, een CT-scan of het aanleggen van gips kan alleen in het ziekenhuis plaatsvinden dus dit impliceert hoe dan ook een verwijzing. De rechtbank blijft bij het oordeel dat bij zorgvuldig handelen [eiser] begin maart 2013 al was doorverwezen en dat de behandeling van zijn pols in dat geval dus veel eerder was gestart.
De (pijn)klachten en beperkingen van [eiser] zijn voor 66,6% te wijten aan het onzorgvuldig handelen op 28 februari 2013 en/of 5 maart 2013
3.3.
Zoals in het tussenvonnis van 30 juli 2025 beschreven is bij [eiser] in de huidige situatie sprake van 7% blijvende invaliditeit (BI). De discussie tussen partijen over de gevolgen van het behandeldelay spitst zich met name toe op vraag wat de kans was dat er bij zorgvuldig handelen ook aanzienlijke restklachten zouden zijn geweest en welk percentage BI hieraan verbonden kan worden. Dit percentage speelt voor partijen een belangrijke rol bij de bepaling van het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen en de schade. Volgens [eiser] zou hij bij zorgvuldig handelen een BI van 1% hebben gehad en volgens gedaagden is dit 6%.
3.4.
Om duidelijkheid te krijgen over het bovenstaande stelden gedaagden [A] tijdens de zitting op 26 augustus 2025 onder andere de volgende vraag:
“Bij uw antwoord op vraag 7 in het geneeskundige rapport schrijft u het volgende:
“Maart 2013:
Het resultaat van behandeling met immobilisatie en gips bij een dergelijke fractuur is vaak met restverschijnselen. Bij de meerderheid van de gevallen is verdere degeneratie van het os lunatum onvermijdelijk. [...] Bij verdere degeneratie zijn chirurgische behandelingen geïndiceerd, die hieronder worden behandeld.”
[gedaagde sub 1] c.s. begrijpt daaruit dat ook bij gipsimmobilisatie in het ziekenhuis per maart 2013 in de meerderheid van de gevallen verdere degeneratie van het os lunatum onvermijdelijk is, waarvoor de door u daarna genoemde chirurgische behandelingen geïndiceerd zijn. Dat zou betekenen dat de genoemde chirurgische behandelingen in een meerderheid van de gevallen hoe dan ook geïndiceerd zou zijn. Oftewel: in de meerderheid van de gevallen zou er na (tijdige) gipsimmobilisatie op een later moment operatief ingrijpen noodzakelijk zijn geweest. Kunt u toelichten of dit een juiste lezing is van het betreffende deel van uw rapport?”
3.5.
Het antwoord van [A] luidde als volgt:
“Uw lezing is wel juist maar op basis van een tekst die ik bij nader inzien moet herroepen. Ik kan niet reconstrueren waarom ik de zin heb gebruikt “Bij de meerderheid van de gevallen is verdere degeneratie van het os lunatum onvermijdelijk.” Die is feitelijk onjuist. Die vind ik nu dus een erg ongelukkig gekozen zin en het komt ook niet overeen met wat ik antwoord in het laatste onderdeel van vraag 3, namelijk:
“Wat is de kans dat deze fractuur bij normale behandeling goed geneest, en hoe had de behandeling er dan uitgezien?
Ook dat is koffiedikkijken. Aangezien de fractuur zo weinig voorkomt, zijn over de kans op goede genezing geen betrouwbare getallen bekend. De normale behandeling bestaat uit 4-6 weken immobilisatie door gips.”
Ik vind dat ik had moeten antwoorden dat er na een dergelijke breuk maar zelden helemaal geen restverschijnselen meer zijn. En dan bedoel ik helemaal geen enkele verschijnselen meer en dus zonder enige klachten en beperkingen. Meestal zijn er, en natuurlijk met veel variatie en gradering, altijd wel klachten van pijn en verlies van AROM en/of kracht.”
3.6.
Ten aanzien van het verschil in interpretatie van het percentage BI dat verbonden kan worden aan de situaties met en zonder onzorgvuldig handelen, werd door gedaagden de volgende vraag gesteld:
“Bij uw antwoord op vraag 7 in het geneeskundige rapport schrijft u (iets verderop) tevens het volgende:
“Het is dus aannemelijk dat betrokkene bij gemiddeld herstellen van de aangewezen behandelingen alsnog 6% blijvende functionele invaliditeit zou hebben”.
[gedaagde sub 1] c.s. begrijpen uw stelling zo dat ook als [eiser] in maart 2013 naar het ziekenhuis zou zijn verwezen, het aannemelijk is dat hij 6% blijvende functionele invaliditeit zou hebben. Kunt u toelichten of dat een juiste lezing is van uw rapport?”
3.7.
[A] gaf het volgende antwoord:
“Nee, dat is niet juist. Die 6% is het percentage dat ik noem bij juni 2013 en oktober 2014 als vermoedelijk een andere ingreep nodig zou zijn geweest die ook gelijkenis vertoont met de ingreep die uiteindelijk ook bij betrokkene is uitgevoerd en nu heeft geleid tot 7% WPI.
Dus maart 2013 zou het percentage dus lager zijn geweest, namelijk, 1% WPI.
Graag verwijs ik toch weer naar mijn eerdere opmerkingen in het antwoord op vragen van de wederpartij waarin ik mijn ongemak uit over het hanteren van de percentages die niet een geheel juist afspiegeling geven.”
3.8.
Dat er in onderhavige zaak geen aansluiting gezocht kan worden bij percentages omdat het gebruik van de AMA-guide niet passend is - en dat hiermee de discussie hierover in het midden kan blijven - blijkt onder andere uit het antwoord van [A] op vraag 1 van [eiser] .
“U geeft in antwoord op vraag 7 (p.10) van uw rapport aan dat er een kleine kans is dat de breuk restloos was genezen indien deze direct, adequaat zou zijn behandeld (maart 2013). Interpreteer ik het correct dat u daarmee doelt op 0% WPI (conform class 0 van ‘Fracture’ in tabel 15-3 op pagina 396 van de AMA-Guide 6e editie)?
Ja, dat zou u zo wel kunnen zeggen. Ik plaats alleen de kanttekening dat het gebruik van de AMA-guide hier op duidelijke bezwaren stuit. De diagnosetabel is verre van compleet en ook nog eens niet adequaat genoeg om in veel gevallen, en ook in deze casus, een goede
vergelijking te maken. Het rammelt vaak bij de diagnoses en ook het verschil tussen 1% WPI vanuit een Kienbock en 6% uit een diagnose van juni ’13 en oktober ’14 kunnen zo moeilijk als hard criterium gebruikt worden. Met name die 1% WPI van maart ’13 is wel erg weinig. Die had ook 6% of, bij hoge uitzondering, zelfs hoger kunnen zijn, zoals nu ook
die 7%. Maar gemiddeld 1% in maart ’13 vind ik te laag maar ik kan in de tabel niet een beter passende diagnose vinden. We moeten echt waken om op basis van deze percentages alleen hier een koers te varen. De opdrachtgevers weten ook dat over het algemeen meer waarde wordt gehecht aan de ervaren klachten en beperkingen dan aan de verschillende percentages.
3.9.
Dan resteert nog de beantwoording van de vraag in hoeverre het delay van invloed is geweest op de huidige klachten en beperkingen van [eiser] . De rechtbank overweegt dat [A] in zijn deskundigenrapport uit 2020 de vraag beantwoord heeft wat de kans is dat ook bij zorgvuldig handelen de door hem vastgestelde restverschijnselen bij [eiser] zouden zijn opgetreden. [A] heeft destijds aangegeven dat de kans zeer klein is dat exact deze door hem verklaarbare restverschijnselen ook zouden zijn opgetreden bij wel tijdig en adequaat handelen. Nuancering daarvan diende dan wel te gebeuren. Tegelijkertijd heeft hij immers aangegeven dat de kans eveneens zeer klein is dat [eiser] geheel zonder enige restverschijnselen zou zijn uitbehandeld. [A] sprak van een glijdende schaal naar beide kanten toe. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 augustus 2025 heeft [A] hieraan toegevoegd dat het bepalen van welke beperkingen er bij een adequate behandeling ook zouden zijn geweest koffiedik kijken is en met name omdat er in de literatuur zo weinig bekend is over deze specifieke fractuur. De glijdende schaal acht [A] ook van toepassing op de bij [eiser] aanwezige artrose. [A] geeft aan dat ook bij een doorverwijzing er zeker een kans was geweest op artrose en ook een kans dat de uitkomst exact gelijk zou zijn aan nu. [A] acht het wel aannemelijk dat de mate van artrose vermoedelijk minder zou zijn geweest als in maart 2013 de diagnose gesteld zou zijn en er adequate en succesvolle behandeling zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de pijnklachten geeft [A] aan dat pijnbeleving subjectief is. De pijn bij [eiser] is gemiddeld duidelijk hoger dan gebruikelijk maar wordt niet onmogelijk geacht. [A] kan met het oog hierop vanuit zijn vakgebied niet alle (circa 40%) klachten en beperkingen verklaren. In het scenario waarin de pols redelijk goed was genezen (lees: de fractuur was vastgegroeid), neigt hij naar het antwoord dat er dan minder pijn zou zijn geweest. Ten aanzien van de subjectieve beleving van de pijnklachten overweegt de rechtbank dat deze [eiser] niet tegengeworpen kan worden, nu in personenschadezaken het uitgangspunt geldt dat men het slachtoffer moet nemen zoals het is.
3.10.
Het subsidiair opgeworpen verweer – dat erop neerkomt dat de klachten en beperkingen niet anders waren geweest bij zorgvuldig handelen en er dus geen kans op een beter behandelresultaat verloren is gegaan - slaagt gelet op het voorgaande niet. [A] heeft over de exacte omvang van de verloren kans geen uitspraak kunnen doen maar dat betekent niet dat daarom het oorzakelijk verband niet is komen vast te staan.1 Uit zijn antwoorden kan immers worden afgeleid dat door het delay een reële kans op een betere uitkomst verloren is gegaan. De rechtbank zal dus tot een zo goed mogelijke schatting van deze kans moeten komen. [A] geeft aan dat de kans op een slechtere uitkomst met het verstrijken van de tijd groter is geworden. De kans dat [eiser] er bij zorgvuldig handelen met minder klachten en beperkingen vanaf zou zijn gekomen wordt door de rechtbank daarom groter geacht dan dat dit niet zo zou zijn geweest. Het is aan de rechtbank om deze ‘grotere kans’ te vertalen in een percentage waarvan het causaal verband met het onzorgvuldig handelen kan worden aangenomen en voor rekening komt van gedaagden. Gelet op het hetgeen [A] heeft overwogen ten aanzien van de glijdende schaal overweegt de rechtbank dat in de afweging van de goede en kwade kansen aan [eiser] meer goede kansen toebedeeld moeten worden. Door het onzorgvuldig handelen is [eiser] de kans ontnomen om aan te tonen hoe het anders zou zijn gelopen. Binnen deze onzekerheid wordt aan [eiser] het voordeel gegeven. Met inachtneming van het voorgaande komt de rechtbank schattenderwijs op een verdeling van 2/3 versus 1/3 en dus van 66,6 procent versus 33,4 procent. Dit betekent dat de rechtbank vaststelt dat de (pijn)klachten en beperkingen van [eiser] voor 66,6 procent te wijten zijn aan het behandeldelay op 28 februari 2013 en/of 5 maart 2013, en gelet op het voorgaande, dus ook aan het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] .
3.11.
De (tussen)conclusie is dat de gevraagde verklaring voor recht als volgt toewijsbaar is: verklaart voor recht dat huisarts [gedaagde sub 1] op 28 februari 2013 en/of 5 maart 2013 niet lege artis heeft gehandeld en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst en mitsdien aansprakelijk is voor 66,6 procent van de als gevolg daarvan bij [eiser] ontstane schade.
De schadeposten komen deels voor vergoeding in aanmerking
3.12.
[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van zijn schade, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiser] heeft (een deel van) zijn schade laten berekenen met behulp van de rekentool Het RekenProgramma. De berekening die als productie 23 bij de dagvaarding is overgelegd dateert van 13 december 2024. [eiser] heeft zijn schade als volgt begroot:
Verschenen schade € 273.481,-
Toekomstige schade € 934.561,-
Fiscale component € 87.590,-
Buitengerechtelijke kosten € 10.182,-
Wettelijke rente € 60.641,- +
Totale schade € 1.366.455,-
Minus: betaalde voorschotten € 12.500,- -
Nog te vorderen (afgerond) € 1.353.955,-
3.13.
Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de schadeposten van [eiser] . Het (meer subsidiaire) verweer ziet er met name op dat het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen en (een deel van) deze schadeposten ontbreekt. In het kader van deze procedure hebben gedaagden een contra-schadeberekening van de schade ingebracht. De volgens gedaagden geleden en toerekenbare schade is berekend met behulp van dezelfde rekentool als [eiser] heeft gebruikt, te weten Het Rekenprogramma, en de berekening dateert van 16 mei 2025. Hieruit volgt een lager bedrag, namelijk een totale schade (inclusief fiscale component) van € 522.112,- (exclusief buitengerechtelijke kosten).
3.14.
De rechtbank stelt voorop dat in aansluiting op r.o. 3.11 gedaagden niet 100% maar 66,6% van de schade die in verband gebracht kan worden met het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] moeten vergoeden. De rechtbank zal hierna beoordelen welke schade dat is. Daartoe zal zij per betwiste schadepost beoordelen of deze schade het gevolg is van het onzorgvuldig handelen en tot welke bedrag deze voor vergoeding in aanmerking komen.
3.15.
De rechtbank kan zelf de concrete bedragen waartoe haar beoordeling van de verschillende schadeposten leidt niet berekenen. Om in plaats daarvan over te gaan tot toekenning van schade in de vorm van een lumpsum ligt niet voor de hand aangezien er immers een mogelijkheid bestaat om deze schade te laten berekenen. [eiser] en gedaagden hebben eerder berekeningen laten maken met Het RekenProgramma van De Bureaus. Partijen zijn hierbij echter van verschillende uitgangspunten uitgegaan waardoor de uitkomst van de schadeberekeningen ver uiteen ligt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de aansprakelijkheid kunnen partijen een nieuwe schadeberekening laten maken met inachtneming van de hierna door de rechtbank te formuleren uitgangspunten. Het komt de rechtbank voor dat partijen na dit tussenvonnis over voldoende gegevens beschikken om de zaak met elkaar te kunnen afhandelen zonder dat de rechtbank het uiteindelijke bedrag nog in een eindvonnis moet opnemen. Mochten partijen daartoe echter niet in staat zijn, of om een andere reden wensen dat de rechtbank het totale schadebedrag en de overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen (waaronder proceskosten) in een vonnis opneemt, dan zal de rechtbank hieraan uiteraard gevolg geven. In dat geval mogen partijen nog een akte ( [eiser] ) en een antwoordakte (gedaagden) nemen, en zal daarna eindvonnis worden gewezen. [eiser] zal in dat geval inzichtelijk moeten maken hoe hij tot de herberekende bedragen is gekomen, zo nodig met onderliggende onderbouwing, zodat gedaagden in staat zijn om daarop in hun antwoordakte te reageren.
De uitgangspunten voor herberekening
3.16.
Eigen bijdragen zorgverzekering 2016, 2017, 2018
Gedaagden hebben aangevoerd dat deze kosten slechts gedeeltelijk verband hielden met behandelingen aan de pols van [eiser] en dus met het behandeldelay. De rechtbank volgt dit verweer. De in rekening gebrachte eigen bijdragen komen niet voor vergoeding in aanmerking voor zover [eiser] deze zonder polsletsel ook gemaakt zou hebben. Partijen kunnen dit onderling vaststellen.
3.17.
Reiskosten in verband met medische behandelingen
De reiskosten komen volgens gedaagden niet voor vergoeding in aanmerking omdat de behandeling volgens gedaagden geen ander beloop had gehad zonder onzorgvuldig handelen. Dit verweer houdt gelet op hetgeen is overwogen in randnummer 4.8 van het tussenvonnis van 30 juli 2025 en het in dit vonnis vastgestelde causale verband tussen het onzorgvuldig handelen van [gedaagde sub 1] en de opgetreden beperkingen geen stand. Zonder het onzorgvuldig handelen waren de chirurgische ingrepen mogelijk niet nodig geweest. De reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking voor zover deze in verband staan met de behandeling van het polsletsel.
3.18.
Het fiscaal verantwoorde verlies aan verdienvermogen
3.18.1.
[eiser] is arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft eerst een WIA-uitkering en daarna een IVA-uitkering ontvangen. [eiser] was in het verleden werkzaam in de verzekeringsbranche. Hij stelt dat hij zijn carrière zonder onzorgvuldig handelen had kunnen vervolgen als schadebehandelaar. In het hypothetische scenario zonder onzorgvuldig handelen wordt ervan uitgegaan dat [eiser] senior schadebehandelaar zou zijn geworden. Hierbij wordt door de jaren heen uitgegaan van een verdiencapaciteit van € 34.900 tot € 58.033 per jaar.
3.18.2.
Gedaagden voeren verweer tegen deze door [eiser] geschetste hypothetische carrière in de schadeverzekeringswereld. Dat [eiser] een (langlopende) carrière in de schadeverzekeringswereld met de nodige promoties zou hebben gehad achten gedaagden onaannemelijk, omdat [eiser] voor 2013 met burnoutklachten en psychische klachten kampte en daardoor is uitgevallen. Daarnaast voeren gedaagden aan dat [eiser] bij het bepalen van zijn (rest)verdiencapaciteit ten onrechte alle klachten en beperkingen aan het onzorgvuldig handelen heeft toebedeeld. Het UWV heeft bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidspercentages niet de relatie met de polsklachten betrokken.
3.18.3.
Het verweer van gedaagden slaagt niet. In de eerste plaats ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de eerdere psychische klachten van invloed zijn geweest op de huidige (pijn)klachten die tot de arbeidsongeschiktheid geleid hebben. Het standpunt van gedaagden dat het UWV bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidspercentages niet de relatie met de polsklachten heeft betrokken, houdt geen stand gelet op het arbeidsdeskundige rapport dat in het kader van de WIA-beoordeling door het UWV werd opgesteld op 8 februari 2023 (productie 21 bij dagvaarding).
Ten aanzien van de belastbaarheid van [eiser] werd het volgende gerapporteerd:
“3.2. Belastbaarheidsgegevens
Verzekeringsarts mevrouw [E] heeft op 23 januari 2023 de functionele mogelijkheden van de heer [eiser] vastgesteld.
Van de belastbaarheid van cliënt per 29 september 2022 werd een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld en vastgelegd in het CBBS. Klant heeft beperkingen ten opzichte van normaal functioneren. Waar de normaalwaarde is aangegeven zonder toelichting gelden op dat gebied geen beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. De beperkingen zijn:
Persoonlijk functioneren;
Vasthouden van de aandacht in het dagelijks functioneren is norm, kan de aandacht gedurende minstens een half uur richten op één informatiebron maar niet bovennormaal. Verdelen van de aandacht in het dagelijks functioneren is norm (klant kan de aandacht alternerend richten op meerdere uiteenlopende informatiebronnen (maar niet bovennormaal). Klant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken (geen deadlines). Klant is aangewezen op arbeid waarin geen hoog handelingstempo vereist is (geen hoog handelingstempo).
Fysieke omgevingseisen;
Beschermende middelen is beperkt (geen zware dingen als loodschorten). Stof, rook, gassen en dampen is beperkt (aangewezen op schone werkomgeving in verband met kortademigheid bij stof, rook, gassen en dampen). Trillingsbelasting is beperkt (geen trillingen op de R hand).
Dynamische handelingen;
Klant is rechts dominant en de lokalisatie van de beperkingen is rechts. Voor wat betreft hand- en vingergebruik is de pengreep beperkt (rechts beperkt). De pincetgreep is beperkt (rechts beperkt), knijp/grijpkracht is beperkt (rechts beperkt), fijn motorische hand/vingerbewegingen zijn beperkt (rechts beperkt), toetsenbord bedienen en muis hanteren is beperkt (kan alleen met links), schroefbewegingen met hand en arm is beperkt (klant kan geen schroefbewegingen uitvoeren aan de zijde), frequent reiken tijdens het werk is licht beperkt (klant kan zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer reiken), duwen en trekken is beperkt (klant kan ongeveer 150 N -15 kgf- duwen of trekken), tillen tijdens het werk is beperkt (klant kan ongeveer 5 kg tillen, alleen met links). Dragen tijdens het werk is beperkt (klant kan ongeveer 5 kg dragen en alleen met links), klimmen
is beperkt, kan ten minste een opstapje op en af (kan wel klimmen, maar kan zich niet goed vasthouden met rechts).
Werktijden:
Perioden van het etmaal is beperkt (klant kan 's nachts tussen 00.00 - 06.00 uur niet werken). Uren per dag is enigszins beperkt (klant kan gemiddeld ongeveer 8 uur per dag werken). Uren per week is enigszins beperkt (klant kan gemiddeld ongeveer 40 uur per week werken). Overige beperkingen ten aanzien van werktijden (geen onregelmatige diensten).
Verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks meer te verwachten.”
Ten aanzien van de verdiencapaciteit werd het volgende gerapporteerd:
“5.3. Algemeen geaccepteerde arbeid
Ik heb het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en heb geen of onvoldoende functies kunnen duiden primair vanwege het feit dat cliënt (fors) beperkt is ten aanzien van zijn (dominante) rechterarm/hand waardoor alle functies waarbij er sprake is beiderzijds hand- en vingergebruik, frequent reiken, tillen, duwen of trekken, toetsenbord en muis gebruik kwamen te vervallen. Voorts zijn er diverse functies komen te vervallen door overschrijdingen van de belastbaarheid ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren alsmede door het niet voldoen aan specifieke opleiding- en ervaringseisen.”
Uit het voorgaande blijkt een verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de polsklachten. De rechtbank volgt de uitgangspunten zoals deze door [eiser] zijn gemotiveerd en onderbouwd in de dagvaarding ten aanzien van zijn carrièreontwikkeling en -perspectief met de bijbehorende berekening, omdat deze de rechtbank reëel voorkomen en deze onvoldoende zijn weersproken door gedaagden.
3.19.
Het niet-fiscaal verantwoorde verlies aan verdienvermogen
[eiser] vordert een vergoeding van € 9.000,- per jaar ter compensatie van gemiste inkomsten in verband met het drummen op feestelijke gelegenheden en het uitmixen van muziek. Ter onderbouwing van deze schadepost heeft [eiser] twee verklaringen overgelegd van personen die [eiser] in het verleden hebben ingehuurd als drummer of uitmixer en hem hiervoor een vergoeding betaalden. De rechtbank is het met gedaagden eens dat de door [eiser] overgelegde onderbouwing te mager is om een schadepost van deze omvang aan te kunnen nemen. De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk dat [eiser] tot zijn 68ste in combinatie met zijn gezin en 40-urige werkweek, dermate veel tijd had kunnen besteden aan het drummen en uitmixen van muziek. De rechtbank gaat daarom uit van € 2.500,- per jaar tot de 60-jarige leeftijd. In het kader van de schadeberekening moet dit bedrag nog netto gemaakt worden.
3.20.
Huishoudelijke hulp
3.20.1.
[eiser] heeft deze schade begroot met behulp van de HHH Calculator van [onderneming] en vordert dit tot een leeftijd van 75 jaar. Aan deze calculatie kan een indicatieve waarde worden gehecht. Gedaagden betwisten dat [eiser] voor het delay een inbreng voor huishoudelijke hulp had van 16 uur per week. Gedaagden geven ook aan dat deze schadepost abstract kan worden berekend, maar dat dan wel vast moet staan dat deze hulp door derden is verricht. Het komt de rechtbank voor dat de beperkingen van [eiser] die tot algehele arbeidsongeschiktheid hebben geleid ook beperkingen opleveren voor het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.
3.20.2.
Uit de door [eiser] zelf ingevulde HHH Calculator volgt dat [eiser] voor het delay in de huishoudelijke hulp een aandeel had van 16 uur per week. Na het delay is dat afgenomen tot 3,35 uur per week. Volgens de eigen berekening van [eiser] betreft het verlies 12,65 uur per week, ongeveer 80%. [eiser] vordert in deze procedure een verlies van 6 uur per week.
Dit aantal uren acht de rechtbank gezien de beperkingen van [eiser] reëel en neemt de rechtbank over tot de leeftijd van 75 jaar. Hiervoor dient een redelijk bedrag per uur te worden vergoed. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de gevorderde bedragen (€ 12,50 per uur tot en met 2020) en daarna € 15,00 per uur).
3.21.
Verlies zelfwerkzaamheid
[eiser] vordert een vergoeding voor verlies zelfwerkzaamheid conform de richtlijn van de Letselschade Raad. [eiser] heeft in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat hij voor het delay dit soort werkzaamheden zelf deed. De rechtbank volgt dan ook deze abstracte schadeberekening conform de richtlijn van de Letselschade Raad. Daarbij wordt wel het verweer van gedaagden gevolgd dat niet is onderbouwd waarom in de situatie van [eiser] moet worden uitgegaan van een eindleeftijd van 75 jaar voor deze schadepost. Het verlies aan zelfwerkzaamheid wordt toegewezen tot de leeftijd van 70 jaar. Dat is namelijk conform de richtlijn.
3.22.
Smartengeld
3.22.1.
[eiser] vordert een vergoeding van € 25.000,- en verwijst hierbij naar nummer 583 en 584 uit de Smartengeldbundel (2024) en naar recente jurisprudentie waaruit de tendens blijkt dat smartengeldbedragen de laatste jaren zijn gestegen, met name in het buitenland. Ook haalt [eiser] deconceptversie van de Rotterdamse Schaal aan, waarbij hij categorie b zwaar polsletsel van toepassing acht.
3.22.2.
Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat de door [eiser] aangehaalde uitspraken uit de Smartengeldbundel vergelijkbaar zijn met de situatie van [eiser] . De tendens waarbij hogere smartengeldvergoedingen worden toegekend, betekent volgens gedaagden nog niet dat dat zou moeten leiden tot een hogere smartengeldvergoeding in deze zaak. Gedaagden wijzen erop dat indien door de rechtbank acht wordt geslagen op de (concept) Rotterdamse Schaal, de beperkingen van [eiser] volgens gedaagden beter passen binnen categorie c middelzwaar polsletsel.
3.22.3.
In de Smartengeldbundel 2025 staan geen recentere uitspraken die meer gelijkenis vertonen met de klachten van [eiser] dan de uitspraken die in de versie van 2024 staan vermeld. De definitieve versie van de Rotterdamse schaal biedt een richtlijn die civiele rechters en strafrechters kunnen gebruiken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Het polsletsel van [eiser] past binnen categorie b: middelzwaar polsletsel. De normbedragen die hierbij horen liggen tussen € 17.000,- en € 27.000,-. De rechtbank acht de vordering van € 25.000,- reëel, gelet op de constatering dat [eiser] zijn rechterhand nagenoeg niet meer kan gebruiken door de pijnklachten. Deze aanzienlijke blijvende beperking hebben geleid tot de arbeidsongeschiktheid van [eiser] en de onmogelijkheid tot het uitoefenen van zijn muziekhobby. In combinatie met de relatief jonge leeftijd en de mate van pijnbeleving rechtvaardigt dit een hoge vergoeding binnen de bandbreedte van categorie b.
3.23.
Rendement en inflatie
[eiser] heeft bij het opstellen van de berekening voor de kapitalisatiefactoren (rente- en
inflatie) aanknoping gezocht bij de meest recente aanbeveling (2024) ter zake van
de Rechtspraak. De rechtbank stelt vast dat gedaagden terecht hebben verondersteld dat [eiser] met de meest recente versie doelt op de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024 en oordeelt dat hierbij aangesloten dient te worden.
3.24.
Wettelijke rente en fiscale component
Deze posten moeten herberekend worden aan de hand van de uitkomst van de herberekening van de schade.
3.25.
Buitengerechtelijke kosten
Gedaagden stellen dat het door [eiser] verzochte bedrag van € 10.182,- niet kan worden toegewezen omdat de buitengerechtelijke kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 sub b en c BW. Het verweer ziet met name op de door gedaagden in rekening gebrachte tijd in relatie tot het uurtarief van € 310,-. Bij dit uurtarief verwachten gedaagden dat er efficiënt wordt gewerkt. Ook stellen gedaagden dat als er meerdere verrichtingen op één dag worden uitgevoerd, per afzonderlijke verrichting telkens minstens 10 minuten in rekening wordt gebracht, terwijl niet elke activiteit steeds 10 minuten in beslag zal hebben genomen. Dit brengt volgens gedaagden met zich dat er met regelmaat meer tijd zal zijn geschreven dan daadwerkelijk aan de zaak is besteed. De vordering van [eiser] komt de rechtbank reëel voor. De genoemde 10 minuten per onderdeel betreft voornamelijk het onderdeel ingekomen post. De rechtbank kan hieraan niet de kwalificatie verbinden dat hier meer tijd aan is besteed dan werkelijk en redelijk is. Met gedaagden is de rechtbank van oordeel dat het gehanteerde uurtarief hoog is maar de rechtbank leest de betwisting van deze schadepost zo dat gedaagden bezwaar maken tegen de bestede tijd. Dat bezwaar is hiervoor behandeld en verworpen. Het gevorderde bedrag van € 10.182,- zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank wijst hier het volledige bedrag toe en niet 2/3e daarvan omdat gedaagden het causale verband volledig hebben betwist en [eiser] ten aanzien van het merendeel van de schadeposten geheel of grotendeels in het gelijk wordt gesteld.
De uiteindelijke (nog nader te berekenen) schadevergoeding
3.26.
Voor alle bovenstaande uitgangspunten – met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten - geldt dat de uiteindelijke vergoeding van de schade evenredig naar het toerekenbare deel vastgesteld moet worden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen met bovengenoemde uitgangspunten tot overeenstemming kunnen komen over de schade. Indien dit niet het geval is en een eindvonnis dient te worden gewezen, mogen partijen een akte nemen, zoals onder 3.15 beschreven.
Rechtstreekse uitkering door VVAA aan [eiser]
3.27.
heeft de rechtbank verder een verklaring voor recht gevraagd dat VVAA, in haar hoedanigheid van aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde sub 1] , gehouden is om onder de bij haar afgesloten aansprakelijkheidsverzekering uit te keren schadevergoeding rechtstreeks aan [eiser] over te (doen) maken, dit voor zover de bij haar afgesloten polis dekking biedt. Tegen deze vordering heeft VVAA geen verweer gevoerd en deze komt in een eventueel eindvonnis voor toewijzing in aanmerking.
De proceskosten komen voor rekening van gedaagden
3.28.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
276,14 |
|
|
- griffierecht |
€ |
2.723,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
13.071,00 |
(3 punten × € 4.357,00) |
|
- nakosten |
€ |
178,00 |
|
|
Totaal |
€ |
16.248,14 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten (en eventuele betekeningskosten) komen eveneens voor toewijzing in aanmerking. Nu partijen nog een akte gaan nemen (of de zaak buiten rechte regelen) zal de proceskostenveroordeling bij eindvonnis worden uitgesproken als de zaak niet doorgehaald wordt.
1Zie HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987
Rechtbank Midden-Nederland 19 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6838
