Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB 170626 informatieplicht art. 7:448 BW omvat niet elke denkbare bijwerking; bij lage dosering waren bijwerkingen niet te verwachten;

RBZWB 170626 voorschrijven Thyrax bij subklinische hypothyreoïdie; proefbehandeling met lage dosering, gemonitord; huisarts niet aansprakelijk
- informatieplicht art. 7:448 BW omvat niet elke denkbare bijwerking; bij lage dosering waren bijwerkingen niet te verwachten;
- verwijzing naar s-ggz volstaat; huisarts verwijst niet voor specifiek autismeonderzoek; na suïcidepoging vergewissen via crisisdienst aanvaardbaar; 
 

3De feiten

3.1.

[gedaagde partij 1] is huisarts in [plaats 1] . Zij voerde haar praktijk eerst vanuit een eenmanszaak. Eind 2024 heeft [gedaagde partij 1] de besloten vennootschap [gedaagde partij 2] opgericht en haar huisartsenpraktijk in deze vennootschap ingebracht. [gedaagde partij 2] is voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij [gedaagde partij 4] . Binnen de praktijk van [gedaagde partij 1] is ook een waarnemend huisarts werkzaam geweest.

3.2.

[eisende partij 1] is van februari 2014 tot ongeveer februari 2025 patiënt geweest van [gedaagde partij 1] . [eisende partij 2] is de partner van [eisende partij 1] .

3.3.

[eisende partij 1] heeft sinds 2018 gezondheidsklachten. Zij heeft zich daarvoor regelmatig tot de huisarts gewend. De gezondheidsklachten bestonden onder andere uit vermoeidheid, angst- en paniekgevoelens en lichamelijke en psychische onrust.

3.4.

[eisende partij 1] is op 28 september 2020 vanwege extreme haaruitval op het spreekuur van de huisarts geweest. Zij is gezien door [gedaagde partij 1] . De huisarts heeft aangegeven dat de klachten waarschijnlijk werden veroorzaakt door de aandoening alopecia. De huisarts heeft een algemeen bloedonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek is op 29 september 2020 uitgevoerd. Ook heeft de huisarts [eisende partij 1] verwezen naar een dermatoloog.

3.5.

[eisende partij 1] heeft op 30 september 2020 telefonisch contact gehad met de huisartspraktijk over de uitslag van het bloedonderzoek. Uit het onderzoek volgde dat de schildklierwaarde TSH licht verhoogd was. De schildklierwaarde FT4 was normaal. Er was sprake van zogenaamde subklinische hypothyreoïdie. Met [eisende partij 1] is telefonisch besproken dat er bij een minimale afwijking in de schildklierwaarden normaal gesproken alleen behandeld wordt met medicatie als er klachten zijn. In haar geval was dat onder andere vermoeidheid. Er is besproken dat voor een proefperiode gestart zou worden met het schildkliermedicijn Thyrax in een lage dosering van 0,025 mg, waarbij de schildklierwaarden middels bloedonderzoek gemonitord zouden worden. Thyrax bevat de werkzame stof levothyroxine.

3.6.

Er heeft op 16 november 2020 opnieuw bloedonderzoek plaatsgevonden. De schildklierwaarden waren goed. De medicatie bleef ongewijzigd. Ook het bloedonderzoek van 1 maart 2021 liet goede waarden zien.

3.7.

In april 2021 heeft de huisarts [eisende partij 1] verwezen naar psychotherapie in verband met angst- en paniekklachten. Ook werd zij toen ingesteld op antidepressiva.

3.8.

In juli 2021 is er opnieuw uitgebreid bloedonderzoek verricht. De schildklierwaarden waren goed.

3.9.

De huisarts heeft de Thyrax medicatie met ingang van januari 2022 verhoogd naar 0.050 mg vanwege aanhoudende klachten en vermoeidheid. Op 17 februari 2022 heeft er bloedonderzoek plaatsgevonden. De schildklierwaarden waren goed. Voor verdere verbetering van de vermoeidheidsklachten van [eisende partij 1] is gekozen voor een verdere ophoging naar 0.075 mg.

3.10.

Bij de bloedcontrole van 4 april 2022 viel de TSH- waarde net iets buiten de normaalcurve. De FT4 waarde was wel goed. Het medicatiebeleid werd vervolgd.

3.11.

Op 8 april 2022 is [eisende partij 1] verwezen naar [zorginstelling] omdat de klachten van [eisende partij 1] zodanig waren dat deze niet langer in de eerstelijns psychologie behandeld konden worden. [zorginstelling] kampte met een wachtlijst.

3.12.

[eisende partij 1] heeft op 29 november 2022 een overdosis Thyrax ingenomen. Zij is met een ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht. [eisende partij 1] is op 30 november 2022 op verzoek van de spoedeisende hulp beoordeeld door de crisisdienst. De psychiater van de crisisdienst heeft geconcludeerd dat nadere diagnostiek en behandeling in specialistische GGZ aangewezen is. De crisisdienst en huisarts zouden contact opnemen met [zorginstelling] .

3.13.

[zorginstelling] heeft [eisende partij 1] aangemeld voor autismeonderzoek. Op basis van het verrichte onderzoek kon de classificatie autisme niet bevestigd worden. [zorginstelling] heeft het dossier op 18 oktober 2023 gesloten. [eisende partij 1] is aangemeld bij [zorgorganisatie] voor verdere begeleiding.

3.14.

Het bloedonderzoek in februari 2024 liet normale schildklierwaarden zien.

3.15.

[eisende partij 1] heeft op 22 januari 2025 telefonisch contact opgenomen met [gedaagde partij 2] met het verzoek om een wit tablet in plaats van een blauw tablet van het medicijn Thyrax voor te schrijven. De doktersassistente heeft dit gesprek met [eisende partij 1] gevoerd. [eisende partij 1] heeft haar zelfbeheersing tijdens het gesprek verloren. De doktersassistente heeft het gesprek beëindigd.

3.16.

[eisende partij 1] heeft op 23 januari 2025 contact opgenomen met haar apotheker. De apotheker heeft [eisende partij 1] het medicijn Thyrax in de variant zonder de blauwe kleurstof verstrekt.

3.17.

[eisende partij 1] heeft de huisarts bij brief van 3 februari 2025 aansprakelijk gesteld. (De verzekeraar van) de huisarts heeft geen aansprakelijkheid erkend.

3.18.

De medisch adviseur van [gedaagde partijen] heeft op 14 april 2025 advies uitgebracht. In het advies staat de volgende conclusie te lezen:

Huisarts mevrouw [gedaagde partij 1] heeft mevr. [eisende partij 1] als patiënt in de periode 2018 tot en met september 2020 met voornamelijk psychische klachten gekend, waarbij energieverlies en depressiviteit steeds aanwezig waren. Als er in september 2020 ook extreem haarverlies bijkomt, wordt er een uitgebreide laboratorium screening gedaan. Daar komt een getalsmatige subklinische hypothyreoidie uit tevoorschijn waarbij de lijdensdruk van mevr. [eisende partij 1] evenals de vermeldde klachtsymptomen als depressiviteit, vermoeidheid, energieverlies en labiliteit, maar ook haar gewicht en het recente waarschijnlijk auto immuun gerelateerde haarverlies, voldoende consistent zijn met verschijnselen die vaak bij een hypothyreoidie die worden gezien. Dit is voor de huisarts aanleiding om een proefbehandeling met Thyrax 0,025 mg voor te stellen en na overleg hierover met patiënte ook mee te starten. Deze keuze mag als rationeel, inzichtelijk en verantwoord worden genoemd.

Er wordt zoals gebruikelijk controle van de schildklierwaarden afgesproken. Deze controles laten steeds een klinisch goede instelling van de schildklier zien. Ook de terugkoppeling van patiënte zelf betreffende haar klachten laat zien dat ze “goed reageert” op de substitutie. (…)

3.19.

De medisch adviseur van [eisende partij 1] heeft op 5 juni 2025 advies uitgebracht. Daarin is onder meer overwogen:

“(…) de huisarts is afgeweken van de NHG- richtlijn door medicamenteus te behandelen bij subklinische hypothyreoïdie, op basis van klachten en in overleg met de patiënt. Het is niet vastgelegd hoe uitgebreid informatievoorziening was bij de start van de behandeling. Vervolgens is de medicatie zorgvuldig gemonitord met regelmatige controles en doseringsaanpassingen. Hoewel patiënten en apart een verband leggen tussen de klachten en het gebruik van levothyroxine (of de kleurstof daarin), is dit op basis van de beschikbare gegevens moeilijk te onderbouwen. Aangezien de schildklierwaarden tijdens de behandeling binnen de referentiewaarden bleven en er geen aanwijzingen zijn voor hyperthyreoïdie, is een direct causaal verband met psychische klachten minder waarschijnlijk. Tegelijkertijd kan niet volledig worden uitgesloten dat het gebruik van dit middel, mede gezien de instabiele psychische toestand van patiënte, heeft bijgedragen aan toegenomen nervositeit of prikkelbaarheid.

(…)

Er was medisch gezien geen verplichting tot aanpassing van de medicatie vóór januari 2025, maar gezien het beloop had de huisarts – binnen zijn professionele ruimte – kunnen overwegen om frequenter schildklierfuncties te controleren. Daarmee had mogelijk eerder uitgesloten of vastgesteld kunnen worden of er sprake was van (subtiele) overdosering of overgevoeligheidsreacties, met name in relatie tot de psychische klachten.

(…)

Achteraf beschouwd had een verwijzing voor autismediagnostiek mogelijk iets eerder kunnen worden overwogen, met name op het moment dat patiënte en haar partner hier herhaaldelijk op terugkwamen en er sprake bleef van een moeilijk te duiden klachtenpatroon. Tegelijkertijd zijn er vanuit de huisarts herhaaldelijke verwijzingen geweest naar de GGZ, waar de diagnostiek is opgepakt. De uiteindelijke beoordeling en uitvoering van het ASS-onderzoek heeft plaatsgevonden binnen de juiste setting. (…)”.

4Het geschil

4.1.

[eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben [gedaagde partijen] gedagvaard voor de kantonrechter. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben hun vorderingen bij akte van 19 maart 2025 gewijzigd. Na deze eiswijziging luiden de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] samengevat als volgt:

  1. voor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen van het handelen en nalaten van drs. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partijen] te veroordelen alle geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat te vereffenen volgens de wet, te vergoeden,

  2. voor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] het voor [eisende partij 1] onmogelijk maakt om te (kunnen) voldoen aan de schadebeperkingsplicht en dat [gedaagde partijen] (financieel) aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen daarvan,

  3. voor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] verplicht is om alle redelijke kosten te vergoeden,

  4. [gedaagde partijen] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.000,00 als eerste voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  5. de kosten van deze procedure te bepalen en [gedaagde partijen] te veroordelen deze te voldoen,

  6. [gedaagde partijen] te verplichten om binnen een termijn van twee dagen na dagtekening van het vonnis te pogen tot overeenstemming te komen met [eisende partij 1] met betrekking tot het onderhavige geschil,

  7. drs. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] B.V. te verbieden om niet verleende zorg aan [eisende partij 1] te declareren en hen te veroordelen tot terugbetaling van de declaraties vanaf 3 februari 2025,

  8. [gedaagde partijen] te veroordelen tot nakoming van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  9. [gedaagde partijen] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.

4.2.

Op de rolzitting van 3 december 2025 hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hun eis vermeerderd tot drie jaarsalarissen.

4.3.

De zaak is bij tussenvonnis van 17 december 2025 verwezen naar het cluster voor handelszaken van deze rechtbank.

4.4.

[eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben hun eis na deze verwijzing opnieuw willen wijzigen. De wijziging zag op het laten vervallen van alle vorderingen jegens gedaagde [gedaagde partij 3] en het laten vervallen van de vorderingen ten aanzien van de declaraties (vordering 7). Hoewel een eiswijziging gelet op het ontbreken van de verplichte procesvertegenwoordiging aan de kant van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in een handelszaak formeel niet mogelijk is, heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling deze eiswijziging toegestaan. De reden hiervoor is dat het een eisvermindering betreft en [gedaagde partijen] daarmee heeft ingestemd.

4.5.

Dit betekent dat de rechtbank vordering 7 niet zal beoordelen, en de overige vorderingen alleen ten aanzien van de gedaagden [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] . Waar hierna wordt gesproken over [gedaagde partijen] , wordt gedoeld op deze gedaagden samen. Aan [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] samen wordt ook gerefereerd als ‘de huisarts’.

4.6.

[gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid of tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] , met veroordeling van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de kosten van deze procedure.

4.7.

De rechtbank gaat hierna in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.

5De beoordeling

Ontvankelijkheid ten aanzien van [gedaagde partij 1]

5.1.

[gedaagde partijen] vindt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen jegens [gedaagde partij 1] . [eisende partij 1] is een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan met [gedaagde partij 2] . Door de bv-structuur van de huisartsenpraktijk kan [gedaagde partij 1] slechts in privé worden aangesproken als er sprake is van een onrechtmatige daad of bestuurdersaansprakelijkheid. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] noemen artikel 6:162 BW, maar onderbouwen de onrechtmatige daad niet. De grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid is niet aangevoerd. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben bovendien geen belang om [gedaagde partij 1] naast [gedaagde partij 2] te dagvaarden. [gedaagde partij 2] is verzekerd voor beroepsaansprakelijkheid bij [gedaagde partij 4] . Uit niets blijkt dat een eventuele schadevergoeding niet door [gedaagde partij 2] of [gedaagde partij 4] betaald zal worden. Het betrekken van [gedaagde partij 1] in de procedure zonder belang levert misbruik van procesbevoegdheid op, aldus [gedaagde partijen] [eisende partij 1] en [eisende partij 2] voeren verweer.

5.2.

De rechtbank verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid jegens [gedaagde partij 1] . De rechtbank licht dit toe.

5.3.

De verweren die [gedaagde partijen] aanvoert kunnen niet leiden tot niet-ontvankelijkheid, ook niet als de verweren zouden slagen. Een zaak is niet-ontvankelijk (jegens een bepaalde gedaagde) indien niet voldaan wordt aan formele vereisten, waardoor de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van niet-ontvankelijkheid als een wettelijke termijn niet gehaald is (denk aan het tijdig instellen van hoger beroep). De verweren van [gedaagde partijen] gaan over de inhoud, niet over formele vereisten. Het slagen van de verweren zou dan ook niet leiden tot het oordeel niet-ontvankelijkheid, maar tot afwijzing van de vorderingen.

5.4.

De verweren die [gedaagde partijen] aanvoert zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om alleen daarom al tot afwijzing van de vorderingen jegens [gedaagde partij 1] te komen.

5.5.

Op het moment dat [eisende partij 1] patiënte werd van [gedaagde partij 1] , dreef [gedaagde partij 1] haar praktijk nog vanuit een eenmanszaak. De geneeskundige behandelingsovereenkomst is dus aangegaan met de eenmanszaak. Op dat moment gold [gedaagde partij 1] in persoon als opdrachtnemer. Dat de eenmanszaak vervolgens eind 2024 is ingebracht in [gedaagde partij 2] , een besloten vennootschap, doet niet af aan persoonlijke aansprakelijkheid die op [gedaagde partij 1] als huisarts kan rusten. De verwijten die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] [gedaagde partij 1] maken, zien op de periode vóór de inbreng van de eenmanszaak in [gedaagde partij 2] . Bovendien geldt ook voor een huisarts die de praktijk voert vanuit een besloten vennootschap dat persoonlijke aansprakelijkheid kan bestaan. [gedaagde partijen] noemt daarvoor zelf al de juridische grondslagen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] noemen de onrechtmatige daad en voeren feiten en stellingen in dat kader aan. Ook hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] tijdens de mondelinge behandeling hun belang voldoende onderbouwd, door te verwijzen naar de extra mogelijkheid van verhaal die toewijzing van de vorderingen jegens [gedaagde partij 1] in privé zou opleveren. Nu [gedaagde partij 1] niet zonder elk rechtens te respecteren belang in de procedure is betrokken, is geen sprake van misbruik van procesbevoegdheid (waarvoor de lat sowieso hoog ligt).

5.6.

Dit betekent dat de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ook jegens [gedaagde partij 1] beoordeeld zullen worden.

De vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2]

Aansprakelijkheid van de huisarts

5.7.

[eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen een verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen van het handelen en nalaten van [gedaagde partij 1] . Samengevat vinden [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dat [eisende partij 1] niet de zorg heeft gekregen die je van een redelijk handelend en bekwaam huisarts mocht verwachten. Zij voeren in dat kader een aantal verwijten aan die zij de huisarts maken. [gedaagde partijen] voert op alle punten verweer.

5.8.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat volgens de wet de hulpverlener bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen (artikel 7:453 BW). Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid vloeit voort uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, die mede wordt bepaald door onder meer de stand van inzichten in de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht komt erop neer dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het niet in acht nemen van deze zorgplicht levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst op.

De verwijten

5.9.

[eisende partij 1] en [eisende partij 2] maken [gedaagde partijen] meerdere verwijten. De rechtbank heeft de verwijten zoals zij die uit de dagvaarding heeft begrepen tijdens de mondelinge behandeling aan [eisende partij 1] en [eisende partij 2] voorgehouden om te toetsen of de rechtbank de verwijten juist en volledig voor ogen heeft. De rechtbank zal de aldus vastgestelde verwijten hierna beoordelen.

1. Het voorschrijven van schildkliermedicatie was niet geïndiceerd en had niet gemoeten

5.10.

Het eerste verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken is dat zij ten onrechte het schildkliermedicijn Thyrax aan [eisende partij 1] heeft voorgeschreven.

5.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat uit het bloedonderzoek dat op 29 september 2020 is uitgevoerd volgde dat de schildklierwaarden van [eisende partij 1] enigszins afweken van de referentiewaarden. De TSH waarde was licht verhoogd, terwijl de FT4 waarde normaal was. Dit wordt aangeduid als subklinische hypothyreoïdie. Uit de NHG-Standaard Schildklieraandoeningen zoals die tot maart 2025 luidde volgt dat behandeling met levothyroxine bij subklinische hypothyreoïdie in het algemeen niet wordt aanbevolen. Ook dit is niet in geschil tussen partijen.

5.12.

[eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen onder verwijzing naar de aangehaalde NHG- Standaard dat de schildklierwaarden van [eisende partij 1] voor de huisarts geen reden mocht zijn om Thyrax voor te schrijven.

5.13.

De huisarts heeft toegelicht waarom het in dit geval volgens haar toch gerechtvaardigd was om te starten met het medicijn (waarbij [gedaagde partij 1] opmerkt dat niet zij, maar de waarnemend huisarts de medicatie in eerste instantie heeft voorgeschreven). Zij heeft aangegeven dat er bij [eisende partij 1] sprake was van een hoge lijdensdruk vanwege meerdere klachten waar zij al langer last van had. Daar kwam het acute haarverlies bij. De hoge lijdensdruk maakte dat de huisarts ondersteuning wilde bieden. De mogelijkheden om te zorgen voor (snelle) verlichting van de klachten waren op dat moment beperkt. Het starten met Thyrax zou volgens de huisarts meer energie en vitaliteit kunnen bieden en op die manier een steun kunnen zijn richting herstel. Daarbij heeft zij meegewogen dat het ging om een proefbehandeling met een lage dosering, dat het effect van de behandeling zou worden gemonitord middels bloedonderzoek en door navraag bij [eisende partij 1] over haar ervaringen met het medicijn. Als [eisende partij 1] geen positieve effecten zou ondervinden kon de behandeling gestopt worden. De lage dosering maakte dat er tijd zou zijn om bij te sturen indien nodig; dergelijke hoeveelheden schildklierhormoon hebben niet direct groot effect op de schildklierwaarden, het lichaam heeft tijd nodig om aan te passen. Volgens de huisarts gaf [eisende partij 1] bij de tussentijdse controles aan dat zij zich minder vermoeid voelde, dat het medicijn dus positief effect had. Dat, samen met de bloeduitslagen was reden om door te gaan met het medicijn, aldus de huisarts.

5.14.

De rechtbank oordeelt als volgt. De huisarts heeft het medicijn Thyrax aan [eisende partij 1] voorgeschreven. Of dit [gedaagde partij 1] is geweest, zoals [eisende partij 1] stelt, of de waarnemend huisarts is voor de rechtbank voor de beoordeling van ondergeschikt belang. Het verwijt van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ziet namelijk niet alleen op het moment van voorschrijven, maar ook op het blijven voorschrijven. Niet in geschil is dat [gedaagde partij 1] in ieder geval na het telefonisch consult van 30 september 2020 de behandelend huisarts is geweest die de medicatie is blijven voorschrijven.

5.15.

Het voorschrijven van Thyrax was volgens de geldende NHG-Standaard Schildklieraandoeningen niet geïndiceerd, gelet op de schildklierwaarden van [eisende partij 1] . Dit enkele feit – het afwijken van de NHG-Standaard – maakt niet al dat er sprake is van het schenden van de zorgplicht door de huisarts. De NHG-Standaard geeft de huisarts een richtlijn, maar heeft niet de status van een dwingend voorschrift. De huisarts kan goede redenen hebben om anders te handelen dan de NHG-Standaard tot uitgangspunt neemt.

5.16.

Daar is in deze situatie naar het oordeel van de rechtbank sprake van. De huisarts heeft redenen aangevoerd die valide zijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben de redenen die de huisarts heeft aangevoerd voor haar besluit om Thyrax voor te (blijven) schrijven niet voldoende specifiek en gemotiveerd weersproken. Hun standpunt dat de huisarts het medicijn niet had mogen voorschrijven vindt ook geen steun in de medische adviezen die in het geding zijn gebracht.

Vervolgens kan vastgesteld worden dat de huisarts met regelmaat bloedonderzoek heeft laten uitvoeren om de schildklierwaarden te monitoren, en dat de waarden verbeterden met het gebruik van het medicijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben dit niet weersproken. Ook de stelling van de huisarts dat [eisende partij 1] na de start van de medicatie heeft aangegeven dat haar vermoeidheidsklachten verminderden, is niet weersproken. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen in deze procedure dat de klachten van [eisende partij 1] terug te voeren zijn op het gebruik van het medicijn, en dat zij zich nadat zij op eigen initiatief gestopt was het gebruik ervan veel beter voelde, maar zij betwisten niet dat [eisende partij 1] destijds bij de huisarts heeft aangegeven dat het medicijn positief effect had. De stelling van de huisarts vindt steun in het huisartsenjournaal.

[eisende partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de schildklier de motor van het lichaam is, dat het heel nauw luistert met levothyroxine en dat ook een minimale voorschrijving flink effect kan hebben op het gehele gestel. Bij de dagvaarding hebben zij een artikel gevoegd uit ‘De Jonge Apotheker’1 waarin twee medewerkers van bijwerkingencentrum Lareb schrijven: “een juiste instelling op schildkliermedicatie luistert nauw en is daarom maatwerk. (…) Het kan zijn dat de bloedwaarden wel tussen de normaalwaarden liggen maar dat de patiënt toch klachten ervaart. Iedereen heeft zijn eigen optimale bloedwaarde.” De huisarts is echter niet alleen uitgegaan van de bloedwaarden, zij heeft de ervaringen van [eisende partij 1] betrokken bij het bepalen van het beleid.

5.17.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de huisarts geen zorgplicht heeft geschonden door in de gegeven omstandigheden het medicijn Thyrax aan [eisende partij 1] voor te schrijven.

2. Er is geen sprake van informed consent

5.18.

Het tweede verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken is dat zij [eisende partij 1] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor mogelijke bijwerkingen van het gebruik van het schildkliermedicijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] verwijzen opnieuw naar het hiervoor genoemde artikel uit De Jonge Apotheker, waarin staat “Minder bekend zijn angst- en paniekaanvallen bij levothyroxine. (…) Angst- en paniekaanvallen staan niet in de bijsluiter beschreven als bijwerking van levothyroxine. (…)” [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen dat de huisarts hen niet heeft voorgelicht over deze en andere mogelijke bijwerkingen van het medicijn. De huisarts had dat wel moeten doen, zeker gezien de bestaande klachten van [eisende partij 1] . De huisarts voert verweer.

5.19.

Het eerste verweer dat de huisarts (aanvankelijk) heeft aangevoerd, houdt in dat niet de huisarts maar de apotheker verantwoordelijk is voor het informeren van de patiënt over mogelijke bijwerkingen van medicatie. Dit in de conclusie van antwoord opgenomen verweer is tijdens de mondelinge behandeling niet gehandhaafd. [gedaagde partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het ook de taak van de huisarts is om een patiënt voor te lichten over mogelijke bijwerkingen van medicatie die wordt voorgeschreven.

5.20.

Dit verweer is naar het oordeel van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling terecht prijsgegeven, gelet op de inhoud van artikel 7:448 lid 2 sub b BW. Dit artikel bepaalt kort gezegd dat de hulpverlener de patiënt op duidelijke wijze inlicht over de voorgestelde behandeling, waaronder de daarbij te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid. Hieronder vallen ook bijwerkingen van medicatie.

5.21.

De huisarts heeft verder als verweer aangevoerd dat de dosering die was voorgeschreven zo laag was, dat er geen bijwerkingen te verwachten waren. Bijwerkingen doen zich pas voor als de FT4 waarde te hoog wordt. Een te hoge FT4 waarde is met de voorgeschreven dosering niet te verwachten. De FT4 waarde is bovendien goed te monitoren, wat ook is gedaan, aldus de huisarts.

5.22.

Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank wel. De informatieplicht van artikel 7:488 lid 2 sub b BW gaat niet zo ver dat de huisarts over elke mogelijke bijwerking moet informeren om van goede zorgverlening te kunnen spreken. De huisarts moet de patiënt informeren over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling. Welke risico’s moeten worden genoemd, hangt af van de omstandigheden van het geval. De aard van het risico en de kans dat het risico zich verwezenlijkt zijn daarbij belangrijke factoren.

5.23.

De huisarts heeft met haar verweer voldoende gemotiveerd weersproken dat zij moest waarschuwen voor mogelijke bijwerkingen van het medicijn Thyrax. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben de specifieke stellingen van de huisarts op dit punt niet meer weersproken, anders dan met een herhaling van het oorspronkelijke standpunt dat wel gewaarschuwd moest worden voor bijwerkingen.

5.24.

Hieruit volgt dat ook dit verwijt niet leidt tot schending van de zorgplicht door de huisarts.

3. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de oorzaak van de klachten en de invloed van (de kleurstof van) medicijnen

5.25.

[eisende partij 1] en [eisende partij 2] verwijten de huisarts dat zij medicatie heeft voorgeschreven om symptomen te bestrijden, maar geen goed onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van de klachten. [eisende partij 1] kwam al jaren bij de huisarts met angst- en paniekklachten. De huisarts had ruimer onderzoek moeten doen naar de oorzaak van deze klachten van [eisende partij 1] en in dat onderzoek (de invloed van) het medicijngebruik moeten betrekken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dit verwijt geconcretiseerd door te stellen dat de huisarts [eisende partij 1] had moeten doorverwijzen voor onderzoek naar autisme. Ook hebben zij specifiek benoemd dat de huisarts niet heeft meegewerkt aan aanpassing van het medicijn Thyrax in die zin dat niet langer blauwe tabletten maar witte tabletten werden voorgeschreven. De blauwe kleurstof in de tabletten (E132 indigotine) veroorzaakt bijwerkingen. Het effect ervan op de klachten van [eisende partij 1] is door de huisarts ten onrechte niet onderzocht, aldus [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . De huisarts voert verweer.

5.26.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de huisarts [eisende partij 1] meerdere keren heeft verwezen naar een eerstelijns psycholoog voor behandeling van haar psychische klachten. Nadat de psycholoog had aangegeven dat de klachten van [eisende partij 1] zodanig waren dat deze niet langer in de eerste lijn behandeld konden worden, heeft de huisarts een verwijzing uitgeschreven voor behandeling in de specialistische geestelijke gezondheidszorg. De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de diagnostiek en behandeling van een psychiatrische aandoening behoort tot het domein van de specialistische geestelijke gezondheidszorg. Een autismespectrumstoornis is een voorbeeld van een dergelijke psychiatrische aandoening die wordt beoordeeld en behandeld in de specialistische geestelijke gezondheidszorg. De huisarts heeft ook toegelicht dat zij de specialist waarnaar zij verwijst niet kan verplichten om bepaalde onderzoeken te doen. De specialist is degene die vanuit zijn of haar expertise bepaalt welke onderzoeken nodig zijn. De huisarts kon [eisende partij 1] dus niet doorverwijzen voor onderzoek naar autisme, zij kon enkel doorverwijzen naar de specialistische geestelijke gezondheidszorg. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben deze toelichting van de huisarts niet weersproken. Daaruit volgt dat het verwijt van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ten aanzien van het niet doorverwijzen voor autismeonderzoek onterecht is.

5.27.

Ook volgt hieruit dat het meer algemene verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken, namelijk dat zij zich heeft beperkt tot het voorschrijven van medicijnen en onvoldoende heeft gedaan om de klachten bij de bron aan te pakken, onterecht is. De huisarts heeft naast het voorschrijven van medicijnen wel degelijk stappen ondernomen om te komen tot behandeling van de oorzaak van de psychische klachten van [eisende partij 1] . Voor wat betreft de acute haaruitval waar [eisende partij 1] zich op het spreekuur van 28 september 2020 mee meldde, kan nog worden gewezen op de verwijzing naar de dermatoloog die de huisarts heeft gedaan.

5.28.

Ook het verwijt met betrekking tot de kleurstof in de tabletten Thyrax wordt naar het oordeel van de rechtbank onterecht gemaakt. De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat zij een medicijn met een bepaalde werkzame stof voorschrijft (levothyroxine), en niet de vorm van het medicijn. Dat is aan de apotheker. Voor zover de kleurstof in de tabletten Thyrax al van invloed is geweest op de klachten van [eisende partij 1] , is dat niet een verwijt dat aan het adres van de huisarts kan worden gemaakt. Voor zover [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts ook verwijten dat zij [eisende partij 1] tijdens het telefoongesprek van 22 januari 2025 (zie 3.15) niet langer te woord heeft gestaan, geldt dat beide partijen hebben aangegeven dat dit gesprek erg vervelend is verlopen. Dat ‘de situatie dusdanig ontspoorde dat eiser haar zelfbeheersing richtingen de doktersassistente verloor’ als uiting van de psychische klachten van [eisende partij 1] , zoals [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de dagvaarding stellen, kan voor het verloop van het gesprek een verklaring zijn maar leidt niet tot een tekortkoming van de huisarts.

4. De huisarts heeft ten onrechte geen contact opgenomen met [eisende partij 1] na haar suïcidepoging

5.29.

De rechtbank heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om slotopmerkingen te maken. In dat kader hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] aangevoerd dat de huisarts op geen enkele wijze contact heeft opgenomen met [eisende partij 1] na haar suïcidepoging. Dit is volgens [eisende partij 1] en [eisende partij 2] wel voorgeschreven. De huisarts heeft in haar reactie toegelicht dat de relatie met [eisende partij 1] en [eisende partij 2] op dat moment al ernstig was verstoord. De huisarts heeft er daarom voor gekozen om geen persoonlijk contact op te nemen, maar zich door contact met de crisisdienst en [zorginstelling] ervan te vergewissen dat [eisende partij 1] de juiste zorg zou krijgen.

5.30.

Ook dit verwijt leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schending van de zorgplicht die de huisarts in acht moest nemen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben niet weersproken dat de huisarts inderdaad contact heeft opgenomen met de crisisdienst en [zorginstelling] . Gelet op de verstoorde verhouding met [eisende partij 1] en [eisende partij 2] , die duidelijk uit het dossier blijkt, mocht de huisarts de afweging maken om niet ook persoonlijk contact te zoeken met [eisende partij 1] .

Conclusie

5.31.

De conclusie luidt dat geen van de verwijten die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken leidt tot het oordeel dat de huisarts haar zorgplicht heeft geschonden. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is wordt afgewezen.

5.32.

De andere vorderingen die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben ingesteld borduren allemaal voort op aansprakelijkheid van de huisarts. Nu daar geen sprake van is, betekent dat dat deze overige vorderingen ook moeten worden afgewezen. Voor wat betreft de onder 6 gevorderde verplichting voor [gedaagde partijen] om binnen een termijn van twee dagen na datum van dit vonnis te proberen om tot overeenstemming te komen met [eisende partij 1] met betrekking tot het geschil, geldt bovendien dat daarvoor geen juridische grondslag bestaat. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5316