Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 280623 SO is in beginsel vrij te kiezen voor som ineens maar voor zorgkosten is i.c. periodieke afwikkeling aangewezen

RBLIM 280623 24 uurs zorg bij ernstig hersenletsel
- beslissing in deelgeschil gegrond op onjuiste feiten; in 2016 wist rb niet van % alcohol; blijkt 2,4 te zijn geweest
- meerkosten particuliere zorg boven wlz/pgb
        - voor nu: begroting cf tarieven uit Financiële Paragraaf
        - voor de toekomst: schadebeperkingsplicht noopt tot wonen in wlz instelling
- onvoldoende duidelijkheid rond overwaarde verbouwde mantelzorgwoning; bij verkoop dient inzicht gegeven te worden
- SO is in beginsel vrij te kiezen voor som ineens maar voor zorgkosten is i.c. periodieke afwikkeling aangewezen
- toekomstverwachting 29 jarige magazijnmedewerker; begroting cf carrière als magazijnchef
- afwijzing fiscale component; wettelijke basis voor de berekening is komen te ontvallen
- 50% rapport rekenkundigen vergoed, ook kantoorkosten afgewezen
- organisatie contacten met advocaat (met tussenkomst van ander bureau) niet kostenefficiënt
- kosten fiscaal jurist (€ 267.321,00) integraal afgewezen

2Inleiding

2.1.

[zoon] is het slachtoffer van een verkeersongeval waardoor hij ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Zijn ouders, [eisers] , vorderen namens hem vergoeding van de schade die hij hierdoor lijdt van de aansprakelijke partij Transdev en van de verzekeraar van Transdev, NN. In deze procedure gaat het om de hoogte van het bedrag dat als schade vergoed moet worden. Dat bedrag kan opgesplitst worden in verschillende schadeonderdelen zoals onder meer zorgkosten die al zijn gemaakt, zorgkosten die in de toekomst worden verwacht en verlies aan verdienvermogen.

3De feiten

3.1.

Op 9 februari 2013 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden in [plaatsnaam] , [gemeente Y] , waarbij [zoon] als voetganger is aangereden door een lijnbus van Veolia, de rechtsvoorganger van Transdev. [zoon] was toen 29 jaar oud. [zoon] heeft door het ongeval ernstig hersenletsel opgelopen waarvan hij blijvend zowel fysieke als mentale beperkingen ondervindt.

3.2.

De betrokken bus was ten tijde van de aanrijding conform de Wet aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) door Transdev verzekerd bij NN. Omdat het maximum verzekerde bedrag voor letselschade bij NN tien miljoen euro (processtuk 4:A) is en hun vordering dat bedrag overstijgt, hebben [eisers] zowel NN als Transdev gedagvaard.

3.3.

[zoon] is niet meer in staat zelfstandig voor zichzelf te zorgen. Hij woont in een mantelzorgwoning die is aangebouwd aan de woning van [eisers] Zij nemen momenteel een groot deel van de zorg voor [zoon] op zich. Ook vrienden en familieleden zijn betrokken bij de zorg voor [zoon] . In de toekomst willen [eisers] gezien hun leeftijd de zorg overdragen aan derden.

3.4.

Bij beschikking van 10 augustus 2015 is [zoon] in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz) geïndiceerd voor zorgniveau LG04 (wonen met begeleiding en verzorging). Er is 24-uur zorg in de nabijheid nodig. De zorg wordt nu gefinancierd vanuit een Persoonsgebonden budget (hierna PGB) waar [zoon] op grond van deze indicatie recht op heeft. Volgens [eisers] is dit onvoldoende om de huidige zorg te financieren en dienen NN en Transdev het meerdere te vergoeden, waar NN en Transdev het niet mee eens zijn. Ook de vraag welke zorg in de toekomst vergoed moet worden als [eisers] de zorg gaan overdragen houdt partijen verdeeld.

3.5.

In het kader van de vraag welke zorgkosten vergoed moeten worden, heeft [ergotherapeut] (ergotherapeut, werkzaam bij Letselcare, hierna [ergotherapeut] ) in gezamenlijke opdracht van partijen onderzoek gedaan naar de zorgbehoefte van [zoon] . Zij heeft op 20 juli 2020 haar definitieve rapport uitgebracht (processtuk 2:9b). Naar aanleiding van aanvullende vragen van partijen (processtuk 4:R) heeft zij op 19 oktober 2020 vervolgens nog een aanvullend rapport uitgebracht (processtuk 2:9c). Op nog een aanvullende vraag zijdens NN heeft [ergotherapeut] per e-mail van 6 mei 2021 gereageerd (processtuk 2:9d). Deze rapporten hebben er niet toe geleid dat partijen het eens zijn geworden over de te vergoeden zorgkosten.

3.6.

[zoon] werkte voor het ongeval in een magazijn om te sparen voor een studie architectuur. Sinds het ongeval heeft [zoon] niet meer gewerkt. Partijen zijn het erover eens dat hij dat ook niet meer kan. Om te bepalen welke schade [zoon] lijdt door het verlies aan verdienvermogen hebben partijen gezamenlijk opdracht gegeven aan [deskundige 1] van Heling & Partners (hierna [deskundige 1] ) om het verlies aan arbeidsvermogen nader in kaart te brengen. [deskundige 1] heeft op 29 maart 2021 zijn definitieve rapportage uitgebracht (zie processtuk 2:10c). [deskundige 1] schetst twee mogelijke scenario’s hoe de carrière van [zoon] zich – in de hypothetische situatie zonder ongeval - zou hebben ontplooid met bijbehorend salaris. Partijen zijn het er niet over eens welk scenario moet worden gevolgd om het verlies aan verdienvermogen te bepalen.

3.7.

[eisers] hebben de rekenkundigen [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] van Letselschade.com (hierna [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] ) eenzijdig de opdracht gegeven de zorgkosten en het verlies aan verdienvermogen van [zoon] te becijferen. [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] hebben op 12 april 2021een concept rapport uitgebracht (processtuk 2:11) en op 28 februari 2022 hun definitieve rapport (processtuk 2:12). In het rapport zijn beide scenario’s ten aanzien van het mogelijke carrièreverloop van [zoon] becijferd. Ook is in het rapport becijferd wat de reeds geleden zorgkosten zijn en wat de toekomstige zorgschade is. NN en Transdev zijn het niet eens met de uitgangspunten die aan de berekening van de reeds gemaakte zorgkosten en de toekomstige zorgschade ten grondslag zijn gelegd. Tegen de berekening van het verlies aan verdienvermogen hebben zij geen inhoudelijke bezwaren.

3.8.

Bij beschikking van 12 juli 2016 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in een deelgeschil voor recht verklaard dat NN jegens [zoon] gehouden is tot volledige vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval (processtuk 2:2). Inmiddels heeft NN aan voorschotten op de schadevergoeding € 500.000,00 uitgekeerd (waarvan € 150.000,00 was bestemd voor de ten behoeve van [zoon] aanbouw aan de woning van [eisers] )en een bedrag van € 130.000,00 aan smartengeld.

3.9.

Inmiddels stelt NN haar aansprakelijkheid ter discussie in die zin dat zij zich op het standpunt stelt niet de volledige schade te hoeven vergoeden. Als processtuk 8:W heeft NN overgelegd een dagvaarding die zij op 14 maart 2023 heeft betekend aan [eisers] De procedure die met deze dagvaarding is ingeleid, is bij deze rechtbank aanhangig gemaakt onder rolnummer C/03/315695/ HA ZA 23-121. Hierin vordert NN een verklaring voor recht dat [zoon] 70% eigen schuld valt toe te rekenen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage. De beschikking van 12 juli 2016 in deelgeschil (geen publicatie bekend, red. LSA LM) zou zijn gebaseerd op een feitelijke en/of juridische misslag. [eisers] heeft in voormelde nieuwe procedure over de “eigen schuld” van [zoon] een conclusie van antwoord ingediend, welke nagenoeg gelijkluidend is aan processtuk 19 in deze procedure.

3.10.

Bij brief van 17 maart 2023 heeft NN de rechtbank primair verzocht met spoed te laten weten of zij zich gebonden acht aan de beschikking van 12 juli 2016 in deelgeschil en subsidiair om tussentijds appel toe te staan tegen die beschikking. De rechtbank heeft op 8 juni 2023 beslist dat geen verlof wordt verleend om tussentijds appel in te stellen tegen de beschikking in deelgeschil. Daarbij is meegedeeld dat in de onderhavige procedure een beslissing zal worden gegeven over de vraag of en in hoeverre de rechtbank zich gebonden acht aan de beslissing in het deelgeschil.

3.11.

[eisers] hebben de procedure namens [zoon] ingesteld. In deze procedure moet ook worden beslist over de vraag of dit kan omdat NN en Transdev stellen dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn. [eisers] kunnen op basis van het levenstestament van 26 oktober 2017 (processtuk 2:3) met een daarin vervatte notariële volmacht noodzakelijke rechtshandelingen voor hem verrichten. NN en Transdev werpen de vraag op of de wilsbekwaamheid van [zoon] voldoende is onderzocht voorafgaand aan het sluiten van het levenstestament.

3.12.

Op 15 november 2018 is Stichting Welzijn [zoon] (hierna de Stichting) opgericht, die tot doel heeft de zorgbehoefte, alsmede de daaruit voortvloeiende huisvestingsbehoefte, het levensgeluk en de daarvoor benodigde materiele zaken van [zoon] te bewaken en te continueren in de meest ruime zin des woords. De Stichting is op dit moment niet actief en is opgericht voor de situatie dat [eisers] komen te overlijden of anderszins niet meer in staat zijn als gevolmachtigde op te treden. Momenteel zijn [eisers] en [bestuurder 2] (hierna [bestuurder 2] ) de bestuurders van de Stichting. Volgens NN en Transdev is de manier waarop de Stichting is ingericht niet in overeenstemming met het levenstestament. Zij maken zich zorgen of een aan [zoon] te betalen vergoeding wel op de juiste plek terecht komt.

3.13.

Bij beschikking van 15 maart 2021 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, zijn de goederen van [zoon] onder bewind van zijn moeder gesteld met ingang van 1 april 2021 (processtuk 4:C), met name omdat NN dit in het kader van op te starten mediation verlangde. De mediation is mislukt. Bij beschikking van 2 maart 2022 heeft de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerder het bewind weer opgeheven (processtuk 7:23). Het beëindigde bewind speelt in deze zaak verder geen rol.

4Het geschil

4.1.

[eisers] vorderen samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Transdev en NN te veroordelen tot vergoeding aan [zoon] van primair
    € 25.413.020,00 en subsidiair € 25.449.063,00 met rente;

  2. Transdev en NN te veroordelen om aan [zoon] een belastinggarantie te verstrekken op straffe van een dwangsom;

  3. te verklaren voor recht dat in geval wijziging van de wet- en regelgeving leidt tot vermindering of verval van het persoonsgebonden budget van [zoon] , Transdev en NN op eerste aanmaning de extra schade die hierdoor ontstaat moeten vergoeden op straffe van een dwangsom;

  4. Transdev en Nationale-Nederlanden hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen met wettelijke rente hierover.

4.2.

Nationale-Nederlanden en Transdev voeren verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna worden ingegaan.

5De beoordeling

5.1.

De beoordeling van de vorderingen zal aan de hand van de volgende inhoudsopgave in dit vonnis worden weergegeven:

A De ontvankelijkheid van [eisers]

B Zorgschade

B.1 Reeds geleden zorgschade

B.2 Toekomstige zorgschade: particulier initiatief of Wlz-woonvorm

B.3 lumpsum of periodieke afwikkeling?

B.4 Overige zorgschade: uitgangspunten voor de toekomst

C Verlies zelfwerkzaamheid, vermogensbeheer

D Verlies verdienvermogen

E Verbouwingskosten

F Smartengeld

G Rekenrente

H Buitengerechtelijke kosten

I Wettelijke rente

J Belastinggarantie

K Eigen schuld verweer/Tweede procedure

L Hoofdelijkheid

M Slotsom

A De ontvankelijkheid

5.2.

Het meest vergaande verweer van NN en Transdev is dat [eisers] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

5.3.

[eisers] stellen dat zij de noodzakelijke rechtshandelingen voor [zoon] mogen verrichten en dus ook hem in rechte mogen vertegenwoordigen op basis van het levenstestament van 26 oktober 2017 dat [zoon] heeft laten opstellen.

5.4.

Transdev en NN stellen de vraag aan de orde of de notaris bij het opstellen van het levenstestament voldoende heeft getoetst dat er bij [zoon] sprake is van wilsbekwaamheid voor wat betreft de inhoud daarvan. Daarnaast wijzen zij op het bestaan en het doel van Stichting en stellen dat de constructie die is bedacht voor het vermogensbeheer van [zoon] discutabel is, onduidelijke fiscale gevolgen heeft en gebreken vertoont. Zij lichten dat toe door de statuten van de Stichting te vergelijken met de bepalingen in het levenstestament en te concluderen dat die niet met elkaar in overeenstemming zijn. Transdev en NN betwijfelen of eventuele schade-uitkeringen (na het overlijden van de ouders van [zoon] ) wel bij [zoon] terecht zullen komen.

5.5.

De rechtbank overweegt dat als niet weersproken vast staat dat [eisers] in het levenstestament van [zoon] een notariële volmacht hebben gekregen, inhoudende dat zij [zoon] mogen vertegenwoordigen in alle zaken en namens hem alle rechtshandelingen mogen verrichten op het gebied van burgerlijk recht, belastingrecht en procesrecht en elk ander rechtsgebied als de wet het toestaat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de notaris bij het opstellen van het levenstestament van [zoon] adequaat en voldoende getoetst of [zoon] wilsbekwaam is. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

[eisers] hebben een medische verklaring overgelegd van [deskundige 2] (hierna [deskundige 2] ) (processtuk 2:6). [deskundige 2] verklaart dat hij [zoon] , op verzoek van de notaris, heeft onderzocht tijdens een huisbezoek op 17 juli 2017. Dat onderzoek richtte zich op de vraag of [zoon] wilsbekwaam is om een notariële volmacht af te geven aan zijn ouders. De conclusie van [deskundige 2] is dat [zoon] wel wilsbekwaam is om een algemene volmacht af te geven, maar niet om aanvullende wensen te specificeren. De notariële volmacht is vervolgens op 26 oktober 2017 opgesteld, dus na het afgeven van de medische verklaring door [deskundige 2] . De rechtbank constateert dan ook dat de notaris voorafgaand aan het opstellen van de notariële volmacht onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid van [zoon] door een medisch deskundige in te schakelen. Het onderzoek heeft ertoe geleid dat een algemene volmacht is opgesteld. Transdev en NN hebben niet aangevoerd dat in die volmacht bijzondere of uitzonderlijke bepalingen zijn opgenomen of dat daarin aanvullende wensen zijn opgenomen waartoe [zoon] niet wilsbekwaam is. Transdev en NN hebben ook geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen de conclusie van de medisch deskundige. Gelet hierop hebben Transdev en NN onvoldoende onderbouwd dat [zoon] niet wilsbekwaam was om de algemene volmacht in het levenstestament af te geven.

5.6.

De stelling dat het levenstestament niet overeenkomt met de constructie voor vermogensbeheer die door middel van de Stichting is opgezet en dat die constructie discutabel is, raakt de ontvankelijkheid van [eisers] niet. Met andere woorden, ook als die stellingen juist zijn, zijn [eisers] ontvankelijk op grond van de in het levenstestament gegeven notariële volmacht. Transdev en NN hebben de rechtbank nog verzocht voorwaarden te verbinden aan de veroordeling tot betaling van schade-uitkeringen, in die zin dat wordt gewaarborgd dat deze ten goede komen aan [zoon] en niet aan (de (toekomstige) bestuurders van) Stichting. Nog los van de vraag of de Stichting inderdaad onvoldoende waarborgen biedt dat de gelden altijd ten goede van [zoon] zullen worden aangewend, ziet de rechtbank geen aanleiding om nu al voorwaarden te verbinden aan de uitbetaling van schade-uitkeringen, alleen al omdat de Stichting nu nog niet actief is en [eisers] nog steeds gebruik maken van hun notariële volmacht. Overigens hebben [eisers] naar aanleiding van het betoog van Transdev aangegeven dat zij graag willen onderzoeken of de huidige constructie met de Stichting en het levenstestament nog voldoet, zodat het ook om die reden nog maar de vraag is of het in de toekomst noodzakelijk is om voorwaarden te stellen.

B Zorgschade

5.7.

Als gevolg van het ongeval heeft [zoon] een blijvende en intensieve zorgbehoefte, die bestaat uit de volgende zorgfuncties: persoonlijke verzorging, begeleiding en toezicht. In deze zaak wordt daaronder ook verstaan behoefte aan huishoudelijke hulp. De rechtbank zal hierna eerst enkele uitgangspunten uiteenzetten, daarna ingaan op de reeds geleden zorgschade (hoofdstuk B.1) en vervolgens ingaan op de toekomstige zorgschade (hoofdstuk B.2 tot en met B.4).

De indicatiestelling

5.8.

[zoon] heeft sinds 10 augustus 2015 een indicatiestelling LG04: wonen met begeleiding en zorg (processtuk 2:5a/b). Dit houdt in dat hij 24 uur per dag zorg in nabijheid nodig heeft. Het is met deze indicatiestelling onder meer mogelijk om op grond van de Wlz PGB te krijgen en daarmee zorg thuis te financieren. Hiervoor is door [eisers] tot op heden gekozen. [zoon] ontvangt sinds 2015 jaarlijks een PGB en alle zorg voor [zoon] is tot op heden door familie en vrienden geleverd.

Het rapport van [ergotherapeut]

5.9.

In gezamenlijke opdracht van [eisers] en Nationale-Nederlanden is door [ergotherapeut] in 2020 en 2021 een deskundigenonderzoek verricht naar de zorgbehoefte van [zoon] (processtuk 2:9a tot en met 9d). Tussen partijen is niet in geschil dat de door [ergotherapeut] getrokken conclusies met betrekking tot de zorgbehoefte van [zoon] bindend zijn tussen partijen. Ook tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen dit desgevraagd bevestigd. De rechtbank zal de conclusies van [ergotherapeut] dan ook tot uitgangpunt nemen.

5.10.

Volgens [ergotherapeut] kan de zorgbehoefte van [zoon] worden opgesplitst in:

- 11,68 uur per week aan persoonlijke verzorging

- 16,67 uur per week aan huishoudelijke hulp (die sinds 2017 onder de Wlz valt maar

daarvoor onder de WMO viel)

- 67,03 uur per week aan individuele begeleiding

- 72,62 uur per week aan toezicht

Dat is in totaal 168 uur zorg per week.

Verpleging (ook een zorgfunctie) is volgens [ergotherapeut] niet nodig.

Indien de zorg zou worden geleverd door zorgprofessionals geldt een uurtarief afhankelijk van welke professional de hulp verricht, waarbij [ergotherapeut] uitgaat van de tarieven die door de Nederlandse Zorgautoriteit zijn vastgesteld (processtuk 2:9b, pagina 10). Deze tarieven variëren van € 32,98 per uur voor huishoudelijke hulp tot € 100,07 per uur voor individuele begeleiding door een professional met een specialisatie in NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel). [ergotherapeut] stelt dat de zorg, indien die volledig door professionals zou worden verzorgd, een bedrag van € 306.913,59 per jaar zou kosten (processtuk 2:9c, pagina 11). Hierbij is nog geen rekening gehouden met de bekostiging van passieve toezichturen. Voor informele zorg zoals die tot dusverre is geleverd door familie en vrienden kent de Letselschaderaad en de WMO volgens [ergotherapeut] andere, lagere tarieven die variëren van € 9,50 tot € 20,73 per uur (processtuk 2:9b, pagina 10).

B.1 Reeds geleden zorgschade

De standpunten van partijen

5.11.

[eisers] hebben de rekenkundigen [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] eenzijdig de opdracht gegeven de zorgkosten en andere kosten te becijferen. Zij hebben een conceptrapport van de [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] van 12 april 2021 in het geding gebracht (processtuk 2:11). Hierin hebben zij de zorgkosten over 2013 tot en met 2020 berekend door de volgens [ergotherapeut] benodigde zorg van in totaal 168 uur per week te vermenigvuldigen met een informeel zorgtarief van € 25,- omdat de zorg is verricht door henzelf en familie en vrienden. [eisers] hebben ter zitting toegelicht dat het gehanteerde uurtarief van € 25,- per uur een gemiddelde is van de verschillende tarieven voor informele zorg. Van het aldus berekende bedrag is het tot en met 2020 jaarlijks ontvangen PGB afgetrokken. Vervolgens is de eigen bijdrage die [eisers] in het kader van de Wlz moeten betalen erbij opgeteld (dat is € 1.788,- in totaal over de jaren 2013-2020). Dit resulteert in een bedrag van in totaal € 1.327.925,- aan tot en met 2020 geleden zorgschade.

In het volgende, definitieve rapport van 28 februari 2022 (processtuk 2:12) hebben [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] de zorgkosten berekend tot en met 2022. Dit resulteert in een reeds geleden zorgschade van € 1.652.727,-. Indien de eigen bijdrage (van € 2.378,- in totaal over de jaren 2013-2022) daarbij wordt opgeteld, resulteert dit in totaal in een reeds geleden zorgschade tot en met 2022 van € 1.655.105,-. Dit is het bedrag dat [eisers] vorderen.

5.12.

NN en Transdev zijn het met deze door [eisers] gehanteerde uitgangspunten en berekeningen niet eens. Volgens NN en Transdev moet een concrete schadeberekening worden gehanteerd. Dat houdt volgens hen in dat moet worden uitgegaan van de feitelijke aan zorg bestede kosten, waarbij dan nog de eigen bijdrage moet worden opgeteld en waarvan het PGB moet worden afgetrokken. NN en Transdev gaan ervan uit dat [eisers] administratie hebben gevoerd over de tot dusverre verleende zorg waaruit blijkt wat aan welke informele zorgverlener is betaald, welke zorgtaken zij hebben uitgevoerd en welke bedragen hiermee waren gemoeid. Alleen aan de hand daarvan is te zien of [eisers] / [zoon] daadwerkelijk kosten hebben gemaakt die boven het PGB uitgaan. Omdat zo’n administratie niet in het geding is gebracht, hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd dat er reeds geleden zorgschade is. Hun vordering dient op dit punt dan ook te worden afgewezen, aldus nog steeds NN en Transdev.

Mocht de rechtbank toch een abstracte schadeberekening hanteren, dan stellen NN en Transdev aanvullend dat de abstracte schadeberekening van de reeds geleden zorgschade van [eisers] niet klopt. Zo zijn er zorgkosten over 2013 gerekend, terwijl [zoon] tot begin 2014 in het ziekenhuis en in het revalidatiecentrum heeft verbleven. Ook is het door [eisers] gehanteerde gemiddelde tarief van € 25,- voor informele zorg niet juist. Het juiste tarief volgt uit de Financiële Paragraaf van de Handreiking Zorgschade van de Letselschaderaad waarbij per zorgtaak wordt gedifferentieerd in het informele zorgtarief. NN heeft de reeds geleden zorgschade aan de hand van dit tarief berekend op € 65.221.44 voor 2020 en op € 75.132,24 voor 2022 (processtuk 4:T).

5.13.

[eisers] hebben ter zitting hierop gereageerd door te stellen dat moet worden uitgegaan van een abstracte schadeberekening. Volgens de jurisprudentie moet zorg worden vergoed, ook als die zorg door familie en vrienden wordt geleverd. Er zijn zes zorgcontracten afgesloten met familie/vrienden, maar die zijn zo opgesteld dat de contracten binnen het PGB vallen. In werkelijkheid is er veel meer zorg verleend. Deze zorg moet alsnog vergoed worden. De omvang van deze zorg kan worden berekend door de uren aan zorg te nemen die [zoon] volgens [ergotherapeut] nodig heeft omdat [zoon] die uren aan zorg ook feitelijk heeft gehad. Vermenigvuldigd met het toepasselijke zorgtarief levert dit de zorgkosten op, waarop het PGB-budget in mindering moet worden gebracht en waarbij de eigen bijdrage moet worden opgeteld. Omdat het zo kan en moet worden berekend, zijn de feitelijke zorgkosten niet relevant, aldus [eisers]

Het juridisch kader

5.14.

De rechter dient op grond van artikel 6:97 BW de (zorg)schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Hierbij is de rechter niet gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast, maar de rechter mag deze regels wel toepassen.

5.15.

Op grond van het Johanna Kruidhof-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1999:ZC2912) geldt verder het volgende.

Wanneer iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is ernstig letsel oploopt, waarvan het herstel niet alleen ziekenhuisopname en medische ingrepen vergt, maar ook intensieve en langdurige verpleging en verzorging thuis, is de aansprakelijke van de aanvang af verplicht de gekwetste in staat te stellen zich van die noodzakelijke verpleging en verzorging te voorzien. Indien het dan, zoals in het onderhavige geval, gaat om een gewond kind waarvan de ouders op redelijke gronden zelf de voor genezing en herstel van het kind noodzakelijke verpleging en verzorging op zich nemen in plaats van deze taken aan professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners toe te vertrouwen, voldoen de ouders in natura aan een verplichting die primair rust op de aansprakelijke. De redelijkheid brengt in een dergelijk geval mee dat het de rechter vrijstaat bij het beantwoorden van de vraag of het kind vermogensschade heeft geleden en op welk bedrag deze schade kan worden begroot, te abstraheren van de omstandigheden dat die taken in feite niet door dergelijke hulpverleners worden vervuld, dat de ouders jegens het kind geen aanspraak op geldelijke beloning voor hun inspanningen kunnen doen gelden, en dat zij in staat zijn die taken te vervullen zonder daardoor inkomen te derven. Aan het voorgaande doet niet af dat het kind jegens zijn ouders aanspraak kan maken op verpleging en verzorging in geval van ziekte: het is immers primair de aansprakelijke die verplicht is de voor het herstel nodige middelen te verstrekken. De rechter zal bij deze wijze van begroten geen hogere vergoeding ter zake van verpleging en verzorging mogen toewijzen dan het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van professionele hulp.

5.16.

Verder is in een ander arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BE9998) het volgende bepaald.

Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Op dit uitgangspunt zijn in de rechtspraak echter, zowel op praktische gronden als om redenen van billijkheid, in bijzondere gevallen uitzonderingen aanvaard. In de lijn met deze rechtspraak moet worden aanvaard dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen. Evenmin bestaat grond de gelding van deze regel te beperken tot gevallen van ernstig letsel.

Toepassing van het juridisch kader op deze zaak

5.17.

Op grond van dit juridisch kader heeft te gelden dat NN (de maximum verzekerde som is nog niet bereikt) de informeel aan [zoon] verleende zorg door [eisers] zelf en familie en vrienden dient te vergoeden. Omdat partijen zich conformeren aan de zorgbehoefte die [ergotherapeut] heeft vastgesteld, zal de rechtbank daarvan uitgaan. Daaruit volgt dat de rechtbank ervan uitgaat dat [zoon] na zijn verblijf in het ziekenhuis en in de revalidatiekliniek thuis in totaal 168 uur per week aan zorg heeft gehad, die hij volgens [ergotherapeut] nodig heeft te weten:

- 11,68 uur per week aan persoonlijke verzorging

- 16,67 uur per week aan huishoudelijke hulp

- 67,03 uur per week aan individuele begeleiding

- 72,62 uur per week aan toezicht

Deze zorg is aan [zoon] verleend en moet vergoed worden, ook als de opgestelde zorgcontracten op veel minder uren uitkomen. In zoverre zijn de zorgcontracten, zoals [eisers] stellen, inderdaad niet relevant.

5.18.

In het Johanna Kruidhof-arrest is geoordeeld dat de rechter geen hogere vergoeding ter zake van verpleging en verzorging mag toewijzen dan het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van professionele hulp. Het gaat dus om een maximum en niet om een onverkort geldende aanspraak op vergoeding van het professionele tarief. In 2017 is de Handreiking Zorgschade van de Letselschaderaad ingevoerd waarin ook uitdrukkelijk wordt gesteld dat de professionele tarieven de bovengrens vormen en dat wordt geadviseerd andere tarieven te hanteren voor informeel verleende zorg door familie en vrienden. Deze tarieven zijn vastgesteld in de Financiële Paragraaf. Partijen gaan er zelf ook vanuit dat er een informeel tarief moet worden gehanteerd, al verschillen zij van mening over de hoogte van het toe te passen informele tarief. De rechtbank is van oordeel dat de tarieven voor informele zorg uit de Financiële Paragraaf moeten worden gehanteerd, waarbij per soort informele zorg een apart tarief wordt gehanteerd. Dit zijn de tarieven die in de letselschadebranche in zijn algemeenheid redelijk worden geacht. De rechtbank zal de reeds geleden zorgschade dan ook becijferen door de zorgbehoefte per soort zorg te vermenigvuldigen met het daarop toepasselijke tarief voor informele zorg zoals die volgt uit de Financiële Paragraaf (onderdeel van de Handreiking Zorgschade van de Letselschaderaad). Op het aldus berekende bedrag moet vervolgens het ontvangen PGB in mindering worden gebracht. Daarna moet de eigen bijdrage die [eisers] / [zoon] moeten betalen erbij worden opgeteld om op de reeds geleden zorgschade te komen.

5.19.

Omdat [eisers] geen verweer hebben gevoerd tegen de wijze waarop Nationale-Nederlanden in processtuk 4:T de berekening heeft gemaakt, gaat de rechtbank ervan uit dat de juiste tarieven op de juiste manier zijn gehanteerd. Voor 2021 levert dit aan zorgkosten € 129.356,24 op, waarvan het PGB over 2021 van € 56.012,- moet worden afgetrokken en waarbij de eigen bijdrage van € 1.788,- moet worden opgeteld. Dit resulteert in een bedrag van € 75.132,24 aan geleden zorgschade voor 2021. Voor 2020 levert dit aan zorgkosten € 119.445,44 op, waarvan het PGB over 2020 van € 56.012,- moet worden afgetrokken en waarbij de eigen bijdrage van € 1.788,- moet worden opgeteld. Dit resulteert in een bedrag van € 65.221,44 aan geleden zorgschade voor 2020.

5.20.

Ondanks haar toezegging voorafgaand aan de zitting om deze berekening ook voor de daaraan voorafgaande jaren te maken, heeft NN dat niet gedaan. Bovendien was de Handreiking Zorgschade er voor 2017 nog niet en is de Financiële Paragraaf pas later tot stand gekomen. Ten gunste van [eisers] zal de rechtbank de tarieven van 2020 daarom ook hanteren voor de jaren die daaraan voorafgaan. Dat zijn de volgende uren en tarieven:

  • -

    Persoonlijke Verzorging 11,68 uur tarief € 15,-

  • -

    Huishoudelijke Hulp 16,67 uur tarief € 9,50

  • -

    Begeleiding NAH 13,41 uur tarief € 19,-

  • -

    Begeleiding MBO+ 53,63 uur tarief € 19,-

  • -

    Toezicht 72,62 uur tarief € 9,50

Dit levert op jaarbasis bij elkaar een bedrag van € 119.445,44 aan zorgkosten op. In een memo van rekenkundige [rekenkundige 1] van 1 april 2023 (processtuk 13:25) is te zien welke bedragen aan PGB er over de jaren aan [zoon] is toegekend en ook wat de eigen bijdrage is geweest. De rechtbank zal van de in deze memo genoemde bedragen uitgaan.

5.21.

In datzelfde memo is te zien dat volgens de rekenkundige de zorgkosten over 2013 ongeveer 25 % van de zorgkosten van de overige jaren bedragen. [zoon] had toen nog geen PGB en er hoefde ook nog geen eigen bijdrage te worden betaald. Op 9 februari 2013 kreeg [zoon] het ongeval, waarna hij eerst in het ziekenhuis en daarna vanaf 15 april 2013 tot 27 december 2013 bij revalidatiekliniek Adelante heeft verbleven. Dit was deels een dagbehandeling, zodat [zoon] ook thuis verbleef en daar zorg nodig had. Nu [eisers] niet inzichtelijk hebben gemaakt hoeveel uren zorg [zoon] thuis nodig heeft gehad, maar duidelijk is dat er zorg thuis nodig was, zal de rechtbank de benodigde zorg thuis in 2013 schattenderwijs bepalen op 10% van de zorg in latere jaren. Dit levert een reeds geleden zorgschade voor 2013 op van € 11.944,54.

5.22.

In 2014 is de reeds geleden zorgschade gelijk aan de zorgkosten van € 119.445,44. [zoon] ontving toen nog geen PGB en [eisers] waren nog geen eigen bijdrage verschuldigd.

In 2015 ontving [zoon] een PGB van € 19.299,- en moesten [eisers] een eigen bijdrage van € 363,- betalen, wat een reeds geleden zorgschade voor dat jaar oplevert van

€ 100.509,44.

In 2016 ontving [zoon] een PGB van € 49.123,- en moesten [eisers] een eigen bijdrage van € 306,- betalen, wat een reeds geleden zorgschade voor dat jaar oplevert van

€ 70.628,44.

In 2017 ontving [zoon] een PGB van € 49.786,- en moesten [eisers] een eigen bijdrage van € 276,- betalen, wat een reeds geleden zorgschade voor dat jaar oplevert van

€ 69.935,44.

In 2018 ontving [zoon] een PGB van € 51.539,- en moesten [eisers] een eigen bijdrage van € 276,- betalen, wat een reeds geleden zorgschade voor dat jaar oplevert van

€ 68.182,44.

In 2019 ontving [zoon] een PGB van € 55.011,- en moesten [eisers] een eigen bijdrage van € 281,- betalen, wat een reeds geleden zorgschade voor dat jaar oplevert van

€ 64.715,44.

5.23.

Dit levert het volgende op aan reeds geleden zorgschade:

2013 € 11.944,54

2014 € 119.445,44

2015 € 100.509,44

2016 € 70.628,44

2017 € 69.935,44

2018 € 68.182,44

2019 € 64.715,44

2020 € 65.221,44

2021 € 75.132,24 +

Totaal € 633.800,45

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de reeds geleden zorgschade tot en met 2021

€ 633.800,45 bedraagt.

B.2 Toekomstige zorgschade: particulier initiatief of Wlz-woonvorm

5.24.

Tot op heden woont [zoon] in een aanbouw aan de woning van [eisers] en wordt de zorg verleend door [eisers] , andere familie en vrienden. Gelet op de leeftijd van [eisers] en hun wens om de relatie met hun zoon zoveel mogelijk te normaliseren (van die van zorgverleners-en-patiënt naar die van ouders-en-kind) moet worden gezocht naar een andere invulling van zorgtaken. Op dit moment kan de rechtbank de toekomstige zorgschade nog niet begroten of schatten, omdat er nog veel onduidelijk is en de hoogte sterk afhankelijk is van de plek waar [zoon] in de toekomst gaat wonen. Wel kunnen een aantal uitgangspunten worden vastgesteld, aan de hand waarvan partijen verder kunnen.

5.25.

De grootste strijd met het grootste financiële belang tussen partijen tot dusver is geweest de vraag welke toekomstige woonvorm uitgangspunt zou moeten zijn bij de begroting van de schadevergoeding.

5.26.

Indachtig de aan [zoon] afgegeven LG04 indicatie heeft [ergotherapeut] in haar rapport van 19 oktober 2020 drie opties genoemd voor het geval dat [zoon] niet meer bij [eisers] kan wonen, waarvan de volgende twee woonvormen door haar als passend voor [zoon] worden aangemerkt:

  1. wonen in een Wlz-instelling, in welk geval de 24-uurs woon- en zorgkosten kunnen worden bekostigd vanuit de Wlz;

  2. opzetten eigen particulier wooninitiatief.

5.27.

Volgens [ergotherapeut] moet bij wonen in een Wlz-instelling worden gedacht aan een appartement waarin [zoon] alleen woont en daar één-op-één zorg krijgt. Wonen in een groep vindt zij voor hem niet geschikt (processtuk 2: 9c). Over de passendheid van optie 1 heeft [ergotherapeut] in een nader e-mailbericht (processtuk 2:9d) nog aangegeven dat wonen in een Wlz-instelling in theorie voor [zoon] passend zou moeten zijn, aangezien een Wlz-instelling het vangnet is voor burgers, als zelfstandig wonen niet meer gaat en/of te complex wordt. Daarbij merkt zij op dat zij vermoedt dat een Wlz-instelling niet de intensiteit van de één-op-één zorg kan bieden die [zoon] nu thuis krijgt.

5.28.

[eisers] stellen dat alleen het particulier wooninitiatief voor [zoon] passend is: een eigen woning voor [zoon] , waarbij een (privé) professionele zorgverlener 24-uur per dag één-op-één zorg verleent. Volgens hen moeten Nationale Nederlanden en Transdev de kosten die aan het particulier wooninitiatief zijn verbonden dan ook aan hen vergoeden. Dit moet in de vorm van een lumpsum waarbij de toekomstige zorgschade ineens wordt afgekocht. Zij betogen dat de keuze hoe [zoon] in de toekomst gaat wonen en zijn zorg gaat ontvangen aan hen is en dat de woonvorm in een Wlz-instelling (in de praktijk) niet passend is. Daaromtrent stellen [eisers] dat [zoon] snel overprikkeld is en vervolgens niet meer tot handelen komt (hij heeft last van freezing), waardoor hij niet onder groepsbegeleiding kan functioneren, maar één-op-één zorg nodig heeft. Zij verwijzen verder naar de conclusie van [ergotherapeut] in haar rapport van 20 juli 2020 dat “zelfstandig wonen met één-op-één zorg voor [eisers] de meest adequate oplossing is”. Desgevraagd heeft de moeder van [zoon] ter zitting nog verklaard dat zij een Wlz-woonvorm niet passend vindt, omdat [zoon] dat absoluut niet wil, gezien zijn verklaringen over deze woonvorm voor het ongeval, en omdat zij denkt dat aldaar niet de zorg wordt verleend die [zoon] nodig heeft.

5.29.

De kosten van het particulier wooninitiatief hebben [eisers] laten berekenen door [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] . Die zijn bij de berekening uitgegaan van volledige ondersteuning door professionele zorgverleners met de bijbehorende zorgtarieven. Voor de toezichturen is uitgegaan van het laagste uurtarief dat door professionals wordt gehanteerd. In hun conceptrapport (processtuk 2:11) wordt hiervoor jaarlijks € 375.442,- aan zorgschade opgenomen met een toekomstige looptijd van 60 jaar (tot aan het bereiken van 100-jarige leeftijd). Omdat [eisers] aan hun schadebeperkingsplicht willen voldoen, zo stellen zij, is er in het definitieve rapport van [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] uitgegaan dat alle zorg wordt verleend door familie en vrienden waardoor lagere tarieven gelden en jaarlijks € 276.222,- voor zorgschade is opgenomen. Bij elkaar levert dit volgens het rapport € 14.685,686,- aan toekomstige zorgschade op (processtuk 2:12 blz. 26), ruim 14 miljoen euro dus.

5.30.

NN en Transdev achten het particulier wooninitiatief als uitgangspunt bij de schadebegroting niet redelijk en betogen dat wonen in een Wlz-instelling (die - in tegenstelling tot het particulier wooninitiatief - wordt bekostigd vanuit de Wlz) voor [zoon] ook passend is, zodat alleen eventuele aanvullende kosten voor de benodigde 24-uurs zorg, voor vergoeding in aanmerking komen.

5.31.

De rechtbank heeft de brief van [eisers] (processtuk 1.1) gelezen, heeft de moeder van [zoon] en [zoon] zelf tijdens de mondelinge behandeling gehoord en ziet de impact van het letsel op het leven van [zoon] en [eisers] De rechtbank realiseert zich dat [zoon] op relatief vroege leeftijd de regie over zijn leven is kwijtgeraakt, dat hij niet meer zelfstandig kan functioneren en dat zijn leven volledig beheerst wordt door en in het teken staat van zijn letsel en de daaruit voortvloeiende beperkingen waarmee hij en [eisers] hun hele leven nog zullen worden geconfronteerd. Het verdriet van [eisers] en [zoon] en de behoefte aan erkenning (met name door NN en Transdev, waarvan [zoon] afhankelijk is) is begrijpelijk en volledig invoelbaar. Ondanks dit onpeilbare leed moet de rechtbank de zaak zuiver juridisch beoordelen en beslissen over de vraag welke toekomstige zorgkosten van [zoon] moeten worden vergoed en welke niet. Dat zal de rechtbank dan ook doen.

5.32.

Voorop staat dat [zoon] als slachtoffer zoveel mogelijk dient te worden teruggebracht in de situatie waarin hij zonder ongeval zou hebben verkeerd (ECLI:NL:HR:2008:BE9998, zie hierboven). Transdev en haar verzekeraar NN zijn als aansprakelijke partij gehouden (conform overweging 3.3.2. in het Johanna Kruidhof-arrest, zie hierboven) om te voorzien in vergoeding de kosten van de noodzakelijke verzorging en begeleiding van [zoon] . Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286) zal daarbij enerzijds gewicht moeten worden toegekend aan de vrijheid van [zoon] om zijn leven zodanig in te richten als hem goeddunkt, terwijl anderzijds in het oog moet worden gehouden dat [zoon] zijn schade voor zover hem dit mogelijk is en redelijkerwijze van hem kan worden gevergd, dient te beperken (vgl. bij dit alles HR 12 januari 1996, NJ 1996, 335). Bij de beoordeling van de redelijkheid van de te maken keuzes moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden meegewogen.

5.33.

De rechtbank constateert dat de keuze voor het particulier wooninitiatief ertoe leidt dat [eisers] in totaal ruim 14 miljoen euro aan toekomstige zorgkosten vorderen en in totaal een schadevergoeding van ruim 25 miljoen euro. Het bedrag van ruim 25 miljoen euro gaat ver boven de maximale verzekerde som op WAM-verzekeringen uit, waardoor Transdev als verzekerde een onverzekerbare grote financiële last zou moeten dragen indien zij gehouden zou zijn deze kosten te vergoeden. Gezien de enorme omvang van de zorgkosten die aan het particuliere initiatief zijn verbonden, kunnen [eisers] naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid van Transdev en NN verlangen dat zij de kosten van het particulier wooninitiatief vergoeden. De schadebeperkingsplicht van [eisers] brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat zij gehouden zijn voor het goedkopere alternatief, het wonen in een Wlz-instelling, te kiezen. Indien zij toch voor het particulier wooninitiatief kiezen, wat hen vrij staat, zullen NN en Transdev de kosten hiervan naar het oordeel van de rechtbank niet hoeven te vergoeden.

5.34.

De rechtbank vindt dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat het wonen in een Wlz-instelling geen passende setting voor [zoon] is. [eisers] hebben desgevraagd ter zitting verklaard dat zij nog nooit naar een dergelijke instelling zijn gaan kijken of zich serieus daarover hebben laten informeren. Dat een Wlz-instelling niet passend voor [zoon] zou zijn, baseren zij op argumenten die [ergotherapeut] bij haar conclusies in overweging heeft genomen. Zo heeft [ergotherapeut] meegenomen dat [zoon] snel overprikkeld is en last heeft van freezing (zie onder meer pagina 9 van haar rapport, processtuk 2.9b), dat wonen in een woongroep voor [zoon] niet passend is en dat een Wlz-instelling mogelijk niet de intensiteit van de één-op-één zorg kan bieden die [zoon] nu thuis krijgt (zie processtuk 2.9d). Desondanks concludeert zij alles overwegende dat wonen in een Wlz-instelling in theorie voor [zoon] passend is. Zij denkt daarbij met name aan het wonen in een appartement voor [zoon] alleen op het terrein van een Wlz-instelling met één-op-één zorg vanuit de Wlz-instelling. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat een Wlz-instelling de intensiteit van zorg kan bieden die [zoon] minimaal nodig heeft. Dat [zoon] thuis intensievere zorg krijgt kan zo zijn, maar dat doet aan die conclusie niet af.

5.35.

[eisers] hebben betoogd dat zonder nader medisch onderzoek niet kan worden vastgesteld dat wonen in een Wlz-instelling passend is. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat op basis van het rapport van [ergotherapeut] echter wel, omdat zij als vaststaand heeft aangenomen dat sprake is van overprikkeling- en freezing-problematiek en deze belemmeringen in het functioneren van [zoon] in haar conclusies heeft verdisconteerd. Zij heeft daarbij wel aangegeven dat [zoon] specifieke zorgbehoeften heeft. Zo heeft [ergotherapeut] bijvoorbeeld aangegeven dat bij een toename van prikkels of veranderingen, de zogenaamde freezing-momenten toenemen (en naarmate [zoon] ouder wordt waarschijnlijk langer duren), waarna het voor een hulpverlener lastig is om [zoon] weer te activeren. Daarom zou geen sprake mogen zijn van steeds wisselende begeleiders, maar wel van minimaal twee begeleiders. Verder is het belangrijk dat [zoon] regelmatig rustmomenten krijgt. Kortom, [zoon] dient extra zorg te krijgen.

5.36.

Gelet hierop acht de rechtbank op dit moment nader medisch onderzoek niet noodzakelijk. De rechtbank sluit echter niet uit dat in de toekomst mogelijk wel nog medisch onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden of, en zo ja welke, extra zorg [zoon] in een Wlz-instelling nodig heeft. Maar voordat hierin nadere stappen kunnen worden ondernomen zal eerst duidelijk moeten zijn waar [zoon] in de toekomst gaat wonen en welke zorg in die betreffende Wlz-instelling standaard wordt geboden.

5.37.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat [zoon] redelijkerwijs aanspraak kan maken op vergoeding van de redelijke kosten die een Wlz-woonvorm met zich meebrengt (voor zover die niet door de Wlz worden gedekt), nu die woonvorm door [ergotherapeut] als passend is aangemerkt. Redelijke kosten zijn de gebruikelijke kosten en de eventueel nog nader door een zorgschadespecialist te begroten bovennormale zorgkosten, bijvoorbeeld omdat [zoon] meer zorg nodig blijkt te hebben dan door de Wlz-woonvorm wordt verstrekt.

B.3 lumpsum of periodieke afwikkeling?

5.38.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat op grond van artikel 6:97 jo artikel 6:105 BW de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat kan geschieden.

In het eerste lid van artikel 6:105 BW is ter zake het volgende bepaald: "De begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het laatste geval kan de rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot betaling van een bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, al of niet met verplichting tot zekerheidstelling; deze veroordeling kan geschieden onder door de rechter te stellen voorwaarden".

In het tweede lid van artikel 6:105 BW is bepaald: "Voor zover de rechter de schuldenaar veroordeelt tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, kan hij in zijn uitspraak bepalen dat deze op verzoek van elk van de partijen door de rechter die in eerste aanleg van de vordering tot schadevergoeding heeft kennis genomen, kan worden gewijzigd, indien zich na de uitspraak omstandigheden voordoen, die voor de omvang van de vergoedingsplicht van belang zijn en met de mogelijkheid van het intreden waarvan bij de vaststelling der bedragen geen rekening is gehouden".

5.39.

Tussen partijen is in geschil of het schadebedrag in de vorm van een som ineens moet worden uitgekeerd, zoals [eisers] voorstaat, of dat de schade periodiek moet worden uitgekeerd, zoals NN en Transdev bepleiten.

5.40.

De rechtbank overweegt dat het slachtoffer in beginsel vrij is te kiezen voor een som ineens of een periodieke afwikkeling, maar dat die vrijheid niet zo ver gaat dat geen rekening dient te worden gehouden met redelijke belangen van de aansprakelijke persoon. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval een periodieke afwikkeling de aangewezen weg is, gelet op de te maken belangenafweging. In deze zaak bestaat een grote onzekerheid over de toekomstige zorgschade, die wordt veroorzaakt door de onduidelijkheid over de vraag waar [zoon] in de toekomst gaat wonen en welke extra zorg aldaar nodig zal zijn. Aangezien de vergoeding van die schade een substantieel onderdeel betreft van de toe te kennen schadevergoeding, weegt de wens van [eisers] om niet steeds strijd te hoeven voeren met de verzekeraar over de afwikkeling van de zorgschade (hetgeen naar volgens hen het geval zou zijn als er periodiek wordt afgerekend) daar niet tegenop. Verder is periodieke afwikkeling in sommige opzichten in het belang van [zoon] . Zo bestaat er momenteel grote onzekerheid over de te hanteren rekenrente terwijl die van belang is voor de vraag of wat [zoon] als lumpsum zou krijgen in de toekomst toereikend zal zijn. Bij periodieke afwikkeling is [zoon] er zeker van dat dit probleem zich niet voordoet. Ook is [zoon] er bij periodieke afwikkeling zeker van dat hij een vergoeding krijgt die overeenstemt met de (extra) zorgbehoefte. Als nu ineens zou worden afgewikkeld ondanks alle onzekerheden, zou de kans reëel zijn dat de uiteindelijke schade hoger blijkt uit te vallen en dan zouden [zoon] en [eisers] in een situatie komen dat zij de zorg die [zoon] nodig heeft, niet vergoed krijgen. De schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen kan wél gekapitaliseerd worden, zoals hierna zal blijken, zodat die schade wel als lumpsum zal worden toegewezen.

5.41.

De rechtbank zal voor het overige in dit vonnis een aantal uitgangspunten voor de toekomstige schadeafwikkeling vaststellen, zodat voor partijen meer duidelijkheid bestaat over wat zij over en weer van elkaar kunnen verlangen. Met de vaststelling van deze uitgangspunten zou de vrees van [eisers] dat telkens bij iedere periodieke afwikkeling strijd moet worden geleverd vooralsnog voldoende weggenomen moeten worden, zodat de voordelen voor partijen bij een periodieke afwikkeling (meer zekerheid voor de benadeelde dat hij alle schade volledig vergoed krijgt, waarbij rekening kan worden gehouden met veranderingen in de situatie van benadeelde en in wetgeving), groter zijn dan die bij uitbetaling van een bedrag ineens.

5.42.

In het verlengde van voormeld oordeel zal de voorwaardelijk gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen die inhoudt dat - in geval van wijziging van de wet- en regelgeving die leidt tot vermindering of verval van het PGB van [zoon] - NN en Transdev op eerste aanmaning de extra schade die hierdoor ontstaat moeten vergoeden op straffe van een dwangsom. Toekomstige zorg dient immers periodiek afgewikkeld te worden, waardoor met eventuele wijzigingen of afschaffing van het PGB-stelsel rekening kan worden gehouden.

B.4 Overige zorgschade: uitgangspunten voor de toekomst

5.43.

Naar aanleiding van de onderzoeksvraag of [zoon] in het dagelijks leven (naast de 168 uur per week) nog meer zorgkosten zal maken in verband met zijn beperkingen heeft [ergotherapeut] de volgende vormen van zorg genoemd:

  • -

    (psychologische) zorg in verband met een verhuizing; zowel [zoon] als de ouders zullen moeten worden ondersteund bij het ontvlechten van de zorg door de ouders,

  • -

    fysiotherapie,

  • -

    sociale interventie; zorg die voorziet in de behoefte van [zoon] om zijn leven te delen met een vriendin, waarbij [ergotherapeut] oppert dat een datingbureau of bemiddelingsbureau tussen mensen met een beperking en professionals die tegen betaling intimiteit en seks verzorgen, kan voorzien in die zorg.

5.44.

De rekenkundigen [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] hebben de kosten van deze vormen van zorg voor [eisers] begroot. Voor kosten van een psycholoog is een eenmalig bedrag van € 15.000,00 begroot (totaal 3 uur a € 95,00 psychologische hulp gedurende een jaar). Voor kosten van fysiotherapie een bedrag van € 659,00 (periode 1 januari 2023 tot en met de 75-jarige leeftijd, pagina 15 processtuk 2:12) en voor de kosten van een dating-/bemiddelingsbureau hebben zij jaarlijks € 5.450,00 begroot.

5.45.

Indien de zorgtaken van [eisers] worden overgenomen door derden en het nodig is dat [zoon] hierbij door een psycholoog wordt begeleid en die kosten niet door de zorgverzekeraar worden vergoed, is NN bereid om de kosten daarvan te betalen. NN en Transdev betwisten echter, wegens een gebrek aan onderbouwing, dat dit het gevorderde bedrag van € 15.000,00 zou rechtvaardigen.

NN en Transdev zijn ook bereid om kosten voor fysiotherapie (mits niet vergoed door de zorgverzekeraar) te vergoeden, maar dan dient volgens hen wel een medische onderbouwing voor de noodzaak/het belang daarvan te worden gegeven.

Tot op zekere hoogte zijn NN en Transdev ook bereid de kosten van sociale interventies te betalen (al zet NN daarbij wel wat vraagtekens gelet op de stelling dat [zoon] een ontwikkelingsleeftijd heeft van een 7-jarige en hij niet zomaar aan vreemden overgelaten kan worden), maar zij betwisten het gevorderde bedrag van € 5.450,00 eveneens omdat dit bedrag verder niet is onderbouwd.

5.46.

De rechtbank stelt vast dat er in het verleden nog geen kosten voor psychologische hulp, fysiotherapie en sociale interventie zijn gemaakt. Desgevraagd hebben [eisers] dit op zitting bevestigd. Of, en zo ja in welke omvang, deze kosten in de toekomst gemaakt moeten worden staat nog niet vast, althans [eisers] hebben dit niet gesteld laat staan onderbouwd, zodat om deze reden dergelijke kosten op dit moment niet voor begroting in aanmerking komen. Dat laat onverlet dat NN en Transdev hebben verklaard bereid te zijn in beginsel dergelijke kosten in de toekomst te vergoeden, mits deze de redelijkheidstoets doorstaan. Om te kunnen beoordelen of de kosten redelijk zijn, zal [eisers] wel vooraf met NN (en Transdev) overleg moeten plegen over de gewenste therapie of begeleiding en de kosten daarvan. Onderdeel van de afspraken kan dan zijn dat de declaraties van de zorgverlener rechtstreeks aan NN kunnen worden gestuurd, zodat geen bevoorschotting hoeft plaats te vinden.

C Verlies zelfwerkzaamheid en vermogensbeheer

5.47.

[eisers] stelt dat hij als gevolg van het ongeval geen werkzaamheden in en rond het huis (tuinonderhoud, schilderwerkzaamheden, et cetera) meer kan uitvoeren. In de hypothetische situatie zonder ongeval zou hij die werkzaamheden zelf hebben uitgevoerd. Tussen partijen staat als niet weersproken vast dat [zoon] tot op heden geen schade als gevolg van verlies van zelfwerkzaamheid heeft geleden, nu hij bij [eisers] woont. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat wonen in een Wlz-instelling passend is en aldaar doorgaans deze werkzaamheden door de instelling worden verzorgd, ziet de rechtbank geen grond op basis waarvan NN en Transdev gehouden zouden zijn daarvoor in de toekomst een vergoeding te betalen.

5.48.

[eisers] stelt verder dat de administratie van [zoon] door derden zal moeten worden gevoerd en dat hij en [eisers] behoefte hebben aan financieel advies wanneer een substantiële schadevergoeding zal worden uitbetaald. [eisers] begroot de kosten voor vermogensbeheer op gemiddeld € 2.500,00 per jaar (vanaf 1 januari 2021 tot aan datum overlijden [zoon] ). NN en Transdev betwisten deze schadepost.
Tussen partijen staat als onvoldoende weersproken vast dat [zoon] tot op heden geen kosten voor vermogensbeheer heeft gemaakt. Richting toekomst geldt ook hiervoor dat als [eisers] hierop namens [zoon] aanspraak wil maken deze kosten de redelijkheidstoets zullen moeten doorstaan. NN en Transdev hebben ook aangegeven een vergoeding toe te kennen in het geval deze kosten in redelijkheid worden gemaakt in de toekomst, zodat zij deze toezegging naar het oordeel van de rechtbank ook gestand moeten doen. Er bestaat geen enkele grond om reeds nu uit te gaan van een bedrag van € 2.500,00 per jaar gedurende de rest van het leven van [zoon] . Ook hiervoor geldt dat [eisers] indien kosten voor vermogensbeheer moeten worden gemaakt hierover in overleg treedt met NN en/of Transdev.

D Verlies verdienvermogen

5.49.

Als gevolg van het ongeval heeft [zoon] het vermogen verloren om inkomen te verwerven uit betaalde arbeid (verlies verdienvermogen). Het verlies van verdienvermogen wordt bepaald door het verdienvermogen met letsel te vergelijken met het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder letsel. Daarbij worden redelijke verwachtingen omtrent toekomstige ontwikkelingen in beide situaties, zowel de feitelijke als de hypothetische, in aanmerking genomen. Ten tijde van het ongeluk was [zoon] werkzaam als expeditiemedewerker bij [bedrijfsnaam] B.V. Sinds het ongeval heeft hij geen werkzaamheden meer verricht. Partijen zijn het erover eens dat [zoon] geen restverdiencapaciteit heeft.

5.50.

[eisers] en NN hebben in gezamenlijk overleg registerarbeidsdeskundige [deskundige 1] ) een deskundigenonderzoek laten verrichten naar het verlies van verdienvermogen van [zoon] . [deskundige 1] heeft in zijn rapport van 29 maart 2021 (processtuk 2:10c) drie scenario’s onderzocht, te weten een carrière als onderwaterlasser, als beroepsmarinier en als expeditiemedewerker/magazijnchef. Op basis van het opleidingsniveau en arbeidsverleden van [zoon] is [deskundige 1] tot de conclusie gekomen dat het meest realistische scenario zonder het ongeval is dat [zoon] zich van magazijnmedewerker zou hebben ontwikkeld tot magazijnchef.

5.51.

[deskundige 1] gaat ervan uit dat [zoon] op 1 januari 2014 had kunnen instromen in de functie van magazijnchef. Per die datum zou het salaris van [zoon] zijn ingeschaald in schaal 6. [deskundige 1] acht het aannemelijk dat [zoon] vervolgens via schaal 7 zou zijn toegegroeid naar functieschaal 8 (chef magazijn/expeditieplanner). Rekening houdend met de CAO-verhoging en een jaarlijkse stijging met één periodiek, zou zijn inkomen op 1 januari 2029 € 42.971,00 bruto per jaar hebben bedragen bij [bedrijfsnaam] B.V. (processtuk 2:10c pagina 12, scenario A genoemd door [eisers] Indien [zoon] zijn carrière had voortgezet bij een andere werkgever, bijvoorbeeld in de automotive-branche, had zijn inkomen kunnen oplopen naar € 41.122,- bruto per jaar in 2027 (processtuk 2:10c pagina 13, scenario B genoemd door [eisers] ).

5.52.

[eisers] vorderen het verlies aan verdienvermogen gebaseerd op scenario A, zoals berekend door [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] , omdat dit het hoogste bedrag oplevert. Omdat de bedragen behorend bij de twee scenario’s dicht bij elkaar liggen, stelt NN voor om pragmatisch te zijn en van het gemiddelde van beide bedragen uit te gaan. Ook Transdev stelt om dezelfde reden voor het gemiddelde van beide bedragen te nemen. NN en Transdev hebben geen inhoudelijke bezwaren geuit tegen de door [deskundige 1] geschetste scenario’s A of B.

5.53.

Naar het oordeel van de rechtbank moet van scenario A worden uitgegaan. Hieraan ligt het volgende ten grondslag.

Volgens het rapport van [deskundige 1] is het meest waarschijnlijke scenario dat [zoon] zijn loopbaan zou hebben voortgezet bij [bedrijfsnaam] B.V. en zijn salaris zou zijn uitgekomen op € 42.971,00 bruto per jaar. Dit is scenario A. [deskundige 1] heeft weliswaar ook de mogelijkheid onderzocht dat [zoon] zijn carrière bij een andere werkgever zou hebben voortgezet, maar hij schetst dit als een minder waarschijnlijk scenario: ‘Niet uit te sluiten is dat betrokkene (..) zijn carrière als magazijnchef buiten [bedrijfsnaam] B.V. had voortgezet.’ Ook gezien de in het rapport opgenomen verklaring van de voormalig werkgever van [zoon] , de arbeidsanamnese en het feit dat het salaris van [zoon] bij een andere werkgever niet hoger zou zijn geweest, acht de rechtbank scenario A het meest waarschijnlijke scenario voor de loopbaan van [zoon] zonder het ongeval. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat NN en Transdev geen inhoudelijke bezwaren hebben aangevoerd tegen scenario A of anderszins hebben aangevoerd dat het waarschijnlijker is dat een ander scenario zich zou hebben voorgedaan. De rechtbank neemt scenario A dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van het verlies aan verdienvermogen.

5.54.

[rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] hebben berekend dat het totale gekapitaliseerde verlies aan verdienvermogen in geval van scenario A op een bedrag van € 989.804,00 uitkomt en bij scenario B op een bedrag van € 1.025.213,- (processtuk 2:12 pagina 27). Dit is merkwaardig omdat het lager verwachte eindsalaris van scenario B ook voor het totale gekapitaliseerde verlies aan verdienvermogen een lager bedrag dan bij scenario A zou moeten opleveren. De rechtbank neemt dan ook aan dat [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] hier een fout hebben gemaakt en de bedragen hebben omgewisseld. Verder doet zich nog iets merkwaardigs voor want in de dagvaarding vorderen [eisers] in het petitum primair een lager bedrag gebaseerd op scenario A en subsidiair een hoger bedrag gebaseerd op scenario B, terwijl primair het hogere bedrag hoort te worden gevorderd. De rechtbank maakt hieruit op dat [eisers] heeft bedoeld primair het hogere bedrag te vorderen. [eisers] hebben ter terechtzitting ook uitdrukkelijk gesteld het hoogste bedrag aan verlies aan verdienvermogen te willen vorderen, zodat de rechtbank ervan uit zal gaan dat zij € 1.025.213,- vorderen. Door NN en Transdev is geen verweer gevoerd tegen de berekening en de uitkomst van het verlies aan verdienvermogen. De rechtbank bepaalt dan ook dat het totale verlies aan verdienvermogen van [zoon]
€ 1.025.213,- bedraagt.

E Verbouwingskosten

5.55.

Tussen partijen staat vast dat NN in het verleden een bedrag van € 150.000,00 aan [zoon] heeft vergoed voor de verbouwing van de (levensloopbestendige) woning van [eisers] , zodat [zoon] aldaar kon blijven wonen. Uitgangspunt daarbij was dat dit een duurzame oplossing zou zijn. In het geval [eisers] weg zouden gaan uit de woning, zou de jongere zus van [zoon] met haar familie in de woning gaan wonen en de zorg en begeleiding van [eisers] overnemen. Als de belasting te groot zou worden, dan zouden vanuit de PGB-vergoeding eventueel derden kunnen worden ingeschakeld.

5.56.

Uit de dagvaarding blijkt dat [eisers] hun woning nu mogelijk aan een derde willen verkopen, omdat een belangrijk deel van de pensioenvoorziening van [eisers] wordt gevormd door de overwaarde van hun woning. De WOZ-waarde van de woning is per 1 januari 2022 € 446.000,00 (processtuk 13:27a) en de openstaande hypothecaire schuld is thans € 230.000,00 (processtuk 13:27b). NN en Transdev willen geïnformeerd worden over de meerwaarde van de woning alsmede over de meerwaarde die ten gevolge van de (door NN betaalde) verbouwing en aanpassing van de woning is ontstaan. Dit aangezien zij nooit € 150.000,00 hadden betaald voor een verbouwing indien de woning vervolgens zou worden verkocht (met mogelijk een hogere opbrengst dan de opbrengst bij verkoop van de woning zonder aanbouw) en opnieuw door [eisers] namens [zoon] aanspraak zou worden gemaakt op (verbouwings)kosten voor een nieuwe woning voor [zoon] . Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] aangegeven dat de mogelijkheid ook bestaat dat [zoon] de woning van hen overkoopt en dat de woonsituatie gelijk blijft, zij het dat er dan nog een woonruimte voor een professionele zorgverlener zou moeten worden gebouwd. De mogelijkheden hiertoe moeten nog worden onderzocht. Of, en zo ja in hoeverre, het voorgaande invloed heeft op de hoogte van de schade is nog niet duidelijk, zodat hiermee vooralsnog ook geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij het begroten van de schade. Als uitgangspunt heeft echter wel te gelden dat [eisers] bij verkoop van hun woning aan een derde aan NN en Transdev inzicht dienen te verschaffen over de vraag of, en zo ja welke, meeropbrengst zij hebben weten te realiseren vanwege de door NN gefinancierde verbouwing.

F Smartengeld

5.57.

Partijen zijn het erover eens dat NN en Transdev een smartengeldvergoeding van € 130.000,00 aan [zoon] zijn verschuldigd en dat die inmiddels is betaald, zodat hierover ook geen beslissing van de rechtbank meer nodig is.

G Rekenrente en fiscale schade

5.58.

De rechtbank heeft beslist dat partijen in de toekomst de schade (behalve het verlies aan verdienvermogen dat als lumpsum dient te worden vergoed) periodiek dienen af te wikkelen. De schade wordt in dat geval doorlopend gewaardeerd en de uit te keren voorschotten kunnen jaarlijks door [zoon] worden gebruikt ter compensatie van zijn schade, waardoor de grootst mogelijke zekerheid wordt gecreëerd dat [zoon] zijn volledige schade vergoed krijgt. Daar komt bij dat op die wijze nauwelijks extra vermogen ontstaat, waardoor ook nauwelijks fiscale schade ontstaat.

5.59.

In dat kader overweegt de rechtbank nog dat in de door [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] berekende scenario’s ook een bedrag van bijna acht miljoen euro aan fiscale schade is begrepen. Met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1963) is het oude systeem van belasting heffen over inkomsten uit vermogen (box 3) echter achterhaald, zoals ook door NN is uiteengezet. In de toekomst zal het daadwerkelijke rendement uit sparen en beleggen dat een belastingplichtige in het betreffende fiscale jaar heeft genoten, worden belast. Hierdoor is de wettelijke basis komen te ontvallen voor de berekening van de fiscale component bij de berekening van personenschade.

5.60.

Het verlies aan verdienvermogen is reeds gekapitaliseerd. Dat betekent dat in de berekening van deze schadepost al rekening is gehouden met inflatie, rente, sterftekans en een fiscale component. Met de wijze van het berekenen van het verlies van verdienvermogen zijn beide partijen akkoord gegaan. Gelet op het voorgaande behoeven de onderwerpen rekenrente en fiscale schade geen bespreking meer en zullen de vorderingen voor zover die daarop betrekking hebben worden afgewezen.

H Buitengerechtelijke kosten

5.61.

[eisers] vorderen een bedrag van:

- € 11.338,00 voor de kosten verbonden aan de werkzaamheden van de rekenkundigen,

- € 13.956,00 voor de kosten verbonden aan de werkzaamheden van Beer advocaten, in het bijzonder mr. Dekker.

- € 267.321,00 voor de kosten verbonden aan de werkzaamheden door RAM Consultancy.

5.62.

Tussen partijen is niet in geschil dat NN reeds een totaalbedrag van € 91.996,25 aan buitengerechtelijke kosten heeft voldaan, waaronder een bedrag van € 16.423,00 aan advocatenkantoor Nysingh in verband met het in 2016 gevoerde deelgeschil. Meer gespecificeerd:

5.62.1.

De belangen van [zoon] werden aanvankelijk behartigd door Nostimos. De kosten van Nostimos bedroegen € 39.100,15 en zijn volledig vergoed.

5.62.2.

Vanaf 1 augustus 2018 heeft RAM Consultancy de belangen van [zoon] behartigd. In totaal heeft RAM 900,53 uren in rekening gebracht tegen een uurtarief van € 240,00 exclusief btw, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 269.320,46. Van dit bedrag heeft NN inmiddels € 2.000,00 voldaan.

5.62.3.

Vanaf september 2019 is mr. Dekker (naast RAM Consultancy) ingeschakeld. Tot op heden heeft mr. Dekker € 48.429,10 gedeclareerd, waarvan NN tot op heden een bedrag van € 34.473,10 heeft vergoed.

5.63.

Buitengerechtelijke kosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW: (i) het maken van kosten dient in de gegeven omstandigheden redelijk te zijn en (ii) de omvang van de verrichte werkzaamheden zal redelijkerwijs noodzakelijk moeten zijn om vergoeding van de schade te verkrijgen.

Kosten rekenkundigen
5.64. [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] hebben eerst 29,4 uren a € 230,00 besteed aan het opstellen van een conceptrapport en daarna nog 9,2 uren a € 235,00 voor het definitieve rapport. Zij hebben daarnaast nog 5% kantoorkosten in rekening gebracht. NN en Transdev betwisten dat deze kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, met name omdat de rapporten enkel in opdracht van [eisers] zijn opgesteld, waarbij is uitgegaan van de door [eisers] aangereikte uitgangspunten. Bovendien zijn kantoorkosten niet meer van deze tijd, aldus NN en Transdev.

5.65.

De door [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] in rekening gebrachte kantoorkosten van 5% komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Door de digitalisering valt zonder deugdelijke onderbouwing van de noodzaak van die opslag – die door [eisers] niet is gegeven – niet in te zien waarvoor deze kosten zijn gemaakt. Daarom worden de kantoorkosten geacht te zijn verdisconteerd in het uurtarief van € 230,00/235,00. Resteert een oordeel over de vraag of een bedrag van € 10.798,04 (totale kosten Letselschade.com minus 5% kantoorkosten) wel voor vergoeding in aanmerking komt.

5.66.

Dat er een rekenkundige moest worden ingeschakeld voor het concreet begroten van de schade is niet in geschil en is ook redelijk aangezien [eisers] aan zijn stelplicht dient te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank was het beter en kostenefficiënter geweest als [eisers] in overleg met NN en Transdev een rekenkundige had ingeschakeld voor het berekenen van de zorgschade en het verlies van verdienvermogen en op basis van uitgangspunten die door beide partijen werden onderschreven. Daar staat echter tegenover dat [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] het verlies van verdienvermogen hebben berekend aan de hand van het rapport van registerarbeidsdeskundige [deskundige 1] , welk rapport wel in gezamenlijk overleg tot stand is gekomen. Bovendien heeft de rechtbank het definitieve rapport van [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] uiteindelijk voor ongeveer de helft, namelijk bij het begroten van het verlies van verdienvermogen, kunnen gebruiken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs 50% van het gefactureerde bedrag van € 10.798,04, dat is € 5.399,02 voor vergoeding door NN/Transdev in aanmerking komt.

5.67.

NN en Transdev hebben nog verweer gevoerd tegen de hoogte van het uurtarief van € 230,00 / € 235,00 en het aantal uren, maar hebben dit verweer verder geen handen en voeten gegeven zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

5.68.

Het verweer dat de berekeningen van [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] lijkt te zijn opgesteld in het kader van onderhavige procedure en de kosten daarvan dus onder artikel 241 Rv vallen, wordt ook verworpen, omdat dit verweer onvoldoende is onderbouwd. Bovendien is niet uitgesloten dat nader overleg over de schade als gevolg van het verlies van verdienvermogen op basis van de rapporten van [deskundige 1] en [rekenkundige 1] en [rekenkundige 2] wel tot een buitengerechtelijke oplossing op dit punt had kunnen leiden.

Kosten Beer Advocaten (mr. Dekker)

5.69.

Beer advocaten heeft in opdracht van [eisers] (en niet RAM Consultancy zoals NN en Transdev zich afvragen) werkzaamheden verricht. Desgevraagd is dit tijdens de mondelinge behandeling door mr. Dekker bevestigd. De kosten van Beer advocaten komen daarom als vermogensschade geleden door [zoon] voor vergoeding in aanmerking, mits deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

5.70.

De rechtbank overweegt dat mr. Dekker ongeveer eind september 2019 is gestart met zijn werkzaamheden (zie processtuk 2:14a) en ongeveer 2,5 jaar later op 11 april 2022 is overgegaan tot dagvaarding. De rechtbank begrijpt op basis van processtuk 2:14 dat Beer advocaten in de periode 24 september 2019 tot en met 1 oktober 2021 een bedrag van € 48.429,00 aan kosten in rekening heeft gebracht. Dat een deel van deze kosten (namelijk € 34.473,00) de dubbele redelijkheidstoets doorstaan is niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. Deze kosten zijn ook al vergoed.

5.71.

De vraag is of het overige deel (€ 13.956,00 inclusief btw) ook nog de dubbele redelijkheidstoets doorstaat. Teruggerekend komt een bedrag van € 13.956,00 inclusief btw, neer op € 11.533,88 exclusief btw. Uitgaande van het door mr. Dekker gehanteerde uurtarief van € 305,00 euro gaat het dan om 37,8 uren.

5.72.

NN en Transdev hebben betwist dat zij meer dan € 34.473,00 zouden moeten vergoeden, omdat alles daarboven niet meer redelijk zou zijn. NN wijst erop dat tot en met juni 2021 56 van de 125 gedeclareerde uren betrekking hebben op contact tussen mr. Dekker en RAM Consultancy. Dat is gemiddeld bijna 45% van de totale tijd. Verder acht NN de hoogte van het uurtarief niet redelijk in combinatie met het aantal uren.
[eisers] stellen in dat kader dat geen sprake is van dubbele werkzaamheden omdat de contacten met [eisers] worden onderhouden door RAM Consultancy en niet tevens door mr. Dekker. [persoon X] (van RAM Consultancy) (hierna [persoon X] ) zou het vertrouwen van [zoon] en [eisers] genieten en een gespecialiseerde letselschadeadvocaat (mr. Dekker) zou zijn ingeschakeld, omdat NN en Transdev daarop medio 2019 aandrongen, zodat het onredelijk is dat zij thans weigeren de volledige kosten te vergoeden, aldus [eisers]

5.73.

Voor wat betreft de hoogte van het uurtarief van € 305,00 overweegt de rechtbank allereerst dat dit hoog is in vergelijking met de gemiddelde uurtarieven die de rechtspraak in het algemeen redelijk acht voor een gespecialiseerde letselschadeadvocaat (zie: N. Verhoeks, de deelgeschilprocedure: wat kost een gemiddelde procedure? PPS Bulletin, p. 5 ev.). Gelet op het feit dat mr. Dekker een LSA advocaat is en gelet op de ingewikkeldheid van deze zaak acht de rechtbank een maximum uurtarief van € 280,00 redelijk.

5.74.

Voor wat betreft het aantal gedeclareerde uren hebben [eisers] als processtuk 2:14 een groot aantal facturen van Beer Advocaten als producties in het geding gebracht, die inzicht zouden moeten geven in de verrichte werkzaamheden en de noodzakelijkheid daarvan. De rechtbank constateert op basis van de specificaties dat mr. Dekker nagenoeg geen contact heeft gehad met [eisers] en veelvuldig met [persoon X] heeft overlegd (tot en met juni 2021 in totaal 56 uren hetgeen neerkomt op 45% van het totaal aantal gedeclareerde uren tot juni 2021, zie overzicht punt 10.25 processtuk 4). Ook heeft mr. Dekker tijd besteed aan bestudering van stukken afkomstig van RAM Consultancy. Mr. Dekker heeft slechts (via [persoon X] ) indirect contact gehad met zijn cliënten. Deze wijze van overleg tussen advocaat en cliënt is omslachtig en kosteninefficiënt. Eventuele vragen van mr. Dekker moesten via [persoon X] worden teruggekoppeld aan [eisers] waarna weer overleg tussen mr. Dekker en [persoon X] nodig was. Het staat [eisers] vrij om op deze omslachtige wijze hun belangen te laten behartigen, maar het is naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk om de aansprakelijke partij voor de extra kosten aan te spreken.

5.75.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] niet aangetoond dat het noodzakelijk was dat gemiddeld 45% van de door Beer Advocaten gedeclareerde tijd moest worden besteed aan contact met [persoon X] . Mr. Dekker is zelf een gespecialiseerde letselschadeadvocaat en daarmee voldoende capabel om zijn eigen strategie uit te zetten en wordt bovendien geacht - mede gelet op de hoogte van het uurtarief - efficiënt met zijn tijd om te kunnen gaan. Verder acht de rechtbank van belang dat aansprakelijkheid is erkend en dat tussen mr. Dekker en NN/Transdev geen c.q. nauwelijks inhoudelijke discussie is gevoerd over de hoogte van het verlies aan verdienvermogen of overige schadeposten, althans er zijn weinig contactmomenten tussen mr. Dekker enerzijds en NN/Transdev anderzijds terug te vinden in de declaraties. NN heeft € 34.473,00 van de € 48.429,00 vergoed, hetgeen neerkomt op iets meer dan 70%. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat [eisers] niet heeft aangetoond dat het noodzakelijk was om bovenop het bedrag van € 34.473,00 nog eens € 13.956,00 aan kosten te maken. De vordering tot betaling van dit laatste bedrag zal dan ook worden afgewezen.

Kosten RAM Consultancy

5.76.

[eisers] vorderen vergoeding van de kosten van RAM Consultancy welk bedrijf in de persoon van [persoon X] werkzaamheden voor [zoon] en [eisers] heeft verricht. [persoon X] heeft hen naar eigen zeggen op allerlei terreinen van advies en begeleiding voorzien.

5.77.

Dat [eisers] (enkel) vertrouwen hadden in de persoon van [persoon X] , wil nog niet zeggen dat NN en Transdev de voor [persoon X] gemaakte kosten daarom dienen te vergoeden. Ook de kosten van RAM Consultancy dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets (noodzaak en redelijke hoogte) willen deze voor vergoeding in aanmerking komen.

5.78.

NN en Transdev betwisten de noodzaak en de redelijkheid van de hoogte van de kosten. Zij betwisten naast het reeds betaalde bedrag van € 2.000,00 nog enige vergoeding aan RAM Consultancy verschuldigd te zijn.

5.79.

De rechtbank overweegt als volgt. RAM Consultancy heeft [eisers] slechts 1 jaar (1 augustus 2018 tot en met eind september 2019) als enige belangenbehartiger bijgestaan. De kosten die zij in rekening brengt, € 267.321,00, zijn exorbitant hoog in vergelijking met de kosten van de andere bij het dossier betrokken letselschadespecialisten. Grofweg heeft mr. Dekker een kleine € 20.000,00 per jaar gedeclareerd en Nostimos in totaal € 39,100,15 voor een aantal jaren bijstand. De rechtbank heeft ook na bestudering van de specificaties en het stellen van vragen onvoldoende inzicht gekregen in de aard van de werkzaamheden die RAM Consultancy concreet in het kader van de afwikkeling van de letselschade van [zoon] heeft verricht. De als productie 2:16 overgelegde urenspecificaties geven onvoldoende inzicht in de aard van de werkzaamheden. Vele uren zijn geboekt als “uitdiepen” of “uitdiepen dossier/inhoudelijke behandeling dossier”. Ter illustratie: van de 112 gemaakte uren in juli/augustus 2018 zijn er 88,7 uren geboekt onder die omschrijving. Voor de maand januari 2019 zijn dat 27,1 uren van de 28,4. In de maand juni 2020 zijn alle gedeclareerde uren onder die omschrijving geboekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisers] daardoor de noodzaak van het maken van die kosten onvoldoende onderbouwd.

5.80.

Daar komt bij dat [eisers] per september 2019 werden bijgestaan door een letselschadespecialis (mr. Dekker) en de noodzaak om daarnaast [persoon X] als belangenbehartiger te hebben, niet is aangetoond.

5.81.

De rechtbank acht ook relevant dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist vast staat dat RAM Consultancy, noch [persoon X] , professionals zijn op het gebied van het afwikkelen van letselschade, zodat het de vraag is of RAM Consultancy dit letselschadedossier voldoende doeltreffend en efficiënt heeft opgepakt. [persoon X] is naar eigen zeggen een fiscaal jurist. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting (die onvoldoende is gegeven) niet in waaruit de noodzaak bestond om RAM Consultancy te betrekken in het afwikkelen van de letselschade-zaak van [zoon] . Dat [eisers] bijstand nodig had, wil de rechtbank wel aannemen, maar op hen rust ook een schadebeperkingsplicht in die zin dat zij (toen zij kennelijk geen vertrouwen meer hadden in Nostimos) bijstand hadden moeten vragen aan een andere letselschadespecialist, zodat een doeltreffende efficiënte aanpak van het dossier was geborgd. Uit niets blijkt dat de werkzaamheden van RAM Consultancy hebben geleid tot het (in overleg met NN/Transdev) in kaart (laten) brengen van de klachten en beperkingen van [zoon] als gevolg van het hem op 9 februari 2013 overkomen ongeval en de schade die daarvan het gevolg is, dan wel dat de werkzaamheden betrekking hebben gehad op constructief overleg met NN en Transdev. Nu zij dat hebben nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak voor het inschakelen van RAM Consultancy niet vast is komen te staan, laat staan tegen een uurtarief van € 240,00 exclusief btw. Voor het jaar dat RAM Consultancy de enige belangenbehartiger was, acht de rechtbank het bedrag dat reeds door NN is vergoed, te weten € 2.000,00, een redelijke vergoeding. Voor zover de gevorderde kosten van RAM Consultancy het reeds betaalde bedrag van € 2.000,00 overstijgen, zullen deze worden afgewezen.

I Wettelijke rente

5.82.

[eisers] vordert vanaf 1 juli 2022 de wettelijke rente over de gevorderde schadevergoeding, voorzover die niet tussentijds is vergoed door middel van betaling van voorschotten. De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke rente weliswaar verschuldigd is, maar pas gaat lopen met ingang van de dag dat meer schade is geleden dan vergoed. NN heeft naast een bedrag van € 130.000,-- ten titel van smartengeld en € 150.000,00 aan verbouwingskosten, inmiddels een bedrag van € 350.000,00 aan voorschotten voldaan.

Zoals hiervoor is vastgesteld, bedraagt de reeds geleden zorgschade tot en met 2021 een bedrag van € 633.800,45 en dient dit nog vermeerderd te worden met het jaarlijkse verlies aan verdienvermogen in de periode 9 februari 2013 tot en met heden. Duidelijk is dat de optelsom van deze twee schadeposten hoger is dan het reeds betaalde bedrag (€ 350.000,00) aan voorschotten. In deze zaak speelt echter ook nog de vraag, waarover later meer, of NN en Transdev slechts een percentage van de schade dienen te vergoeden wegens eigen schuld van [zoon] bij het ontstaan van het ongeval. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook nog niet toewijzen. De rechtbank kan immers nog niet vaststellen vanaf welke datum meer schade is geleden, dan is vergoed middels bevoorschotting.

J Belastinggarantie

5.83.

[eisers] vorderen van NN en Transdev een belastinggarantie op straffe van een dwangsom als verwoord in 8.47 van de dagvaarding. NN en Transdev zijn bereid een belastinggarantie te verstrekken. NN merkt daarbij op dat de belastinggarantie niet verder reikt dan de verzekerde som van 10 miljoen euro (plus wettelijke rente en kosten). Ook wenst zij haar eigen standaardtekst hiervoor te hanteren en wil zij duidelijk omschreven zien op welke schadeposten en schadebedragen de garantie ziet. De rechtbank heeft in dit vonnis een eindbeslissing genomen over de omvang van reeds geleden zorgschade en het verlies aan verdienvermogen. Of die schade volledig moet worden vergoed zal pas komen vast te staan als is beslist over de eigen schuld van [zoon] . Om die reden acht de rechtbank de gevorderde belastinggarantie pas toewijsbaar na die beslissing. De rechtbank zal voor de tekst haar eigen standaardtekst toegesneden op deze zaak hanteren, te weten de volgende tekst:

Transdev en NN verlenen te behoeve van [zoon] een belastinggarantie, waarbij geldt dat de belastinggarantie die NN verstrekt niet verder reikt dan de maximaal verzekerde som van tien miljoen euro, vermeerderd met wettelijke rente en kosten en Transdev een garantie verstrekt voor het meerdere. NN, Transdev en [zoon] , althans diens rechtsgeldige vertegenwoordigers ( [zoon] en zijn rechtsgeldige vertegenwoordigers worden hierna gezamenlijk Belanghebbenden genoemd) zijn van mening dat het uit te keren schadebedrag niet aan heffing van inkomstenbelasting en enigerlei premieheffing is onderworpen. Indien desalniettemin door de Inspecteur ter zake van het uitgekeerde schadebedrag aan [zoon] aanslagen inkomstenbelasting en/of premie, heffings- en invorderingsrente, opslagen en boeten zullen worden opgelegd, zullen NN en/of Transdev deze voor hun rekening nemen of voor verweer zorgdragen. Belanghebbenden zullen op verval van aanspraken uit hoofde van deze garantie zich houden aan hetgeen hieronder in A, B en C is bepaald:

  1. Belanghebbenden zullen de schadevergoeding in de aangifte IB van [zoon] niet opgeven als belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). Wel kunnen zij de inspecteur daarover apart mededeling doen met de vermelding dat naar de mening van NN, (verzekeraar), Transdev (de aansprakelijke partij) en belanghebbenden de schadevergoeding belastingvrij is en om die reden niet in de aangifte is opgenomen als belastbaar inkomen uit werk en woning;

  2. Belanghebbenden zullen direct met NN en Transdev contact opnemen zodra door de inspecteur bij hen wordt geïnformeerd naar herkomst of samenstelling van de uitgekeerde bedragen en zullen redelijke aanwijzingen van NN en/of Transdev opvolgen;

  3. Belanghebbenden machtigen NN en Transdev namens hen op te treden in het geval de Inspecteur hen benadert en zullen eventueel ter zake opgelegde aanslagen aan Transdev en NN toezenden en alle medewerking verlenen tot het indienen respectievelijk aanhangig maken van de door NN en/of Transdev opportuun c.q. nodig geachte bezwaarschriften/beroepsprocedures.


Alle kosten die aan deze bezwaarschriften/beroepsprocedures zijn verbonden komen voor rekening van NN en/of Transdev.

Deze belastinggarantie heeft uitsluitend betrekking op de eventuele belastbaarheid van het bedrag van de schadevergoeding wegens immateriële schade en vermogensschade, bestaande uit het verlies van arbeidsvermogen en reeds geleden zorgschade. Daarom zal de vraag of er sprake is van belastbaarheid moeten worden beoordeeld naar de situatie zoals die was op het tijdstip waarop de schadevergoeding is gedaan en uiterlijk naar de situatie op het tijdstip waarop deze overeenkomst is aangegaan.

Deze belastinggarantie geldt daarom niet voor belasting die verschuldigd is op grond van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3).

K Eigen schuld verweer/Tweede procedure

5.84.

Aanvankelijk heeft NN zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van eigen schuld van [zoon] en wilde zij slechts 60% van de schade vergoeden. Dit heeft geleid tot een deelgeschil waarbij de rechtbank bij beschikking van 12 juli 2016 heeft beslist dat NN voor 100% aansprakelijk is. De rechtbank heeft bij de weergave van de stellingen van [eisers] in de deelbeschikking opgenomen dat [eisers] heeft gesteld dat het alcoholpercentage niet is vastgesteld, zodat ook niet vaststaat dat [zoon] te veel had gedronken (rechtsoverweging 2.5). Verder is in rechtsoverweging 3.12 overwogen: “zoals door NN ook is bevestigd, is er geen meting gedaan van het alcoholpercentage in het bloed van [zoon] . Hoewel uit de verklaringen van vrienden wel kan worden afgeleid dat [zoon] meerdere glazen bier had gedronken gedurende de dag, staat niet vast dat dit van invloed is geweest op het ontstaan van ongeval.”

NN is destijds geen bodemprocedure gestart c.q. heeft destijds geen verlof gevraagd om tussentijds hoger beroep te mogen instellen.

5.85.

NN stelt dat zij na het wijzen van de beschikking van 12 juli 2016 op de hoogte is geraakt van het feit dat het alcoholpromillage van [zoon] wel is gemeten op de afdeling intensive Care van het UMC St. Radboud. NN heeft deze informatie verkregen uit de dagvaarding en de daarbij behorende producties in de onderhavige procedure. [zoon] had ten tijde van het ongeval een grote hoeveelheid alcohol in zijn bloed, te weten 2,4 promille. Dit staat in een brief van 12 maart 2013 van het UMC St. Radboud gericht aan de huisarts van [zoon] (processtuk 2:4a) en volgt tevens uit pagina 19 van het bij die brief gevoegde verslag van de afdeling Intensive Care (deze brief met bijlage is in september 2013 aan Nostimos toegezonden door het ziekenhuis). NN stelt dat zij dat niet wist en ook niet had kunnen weten ten tijde van het deelgeschil. NN en Transdev willen dat de rechtbank de vraag of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [zoon] heroverweegt, dan wel dat de rechtbank verlof verleent om in hoger beroep te gaan tegen die beslissing.

5.86.

Inmiddels is NN een tweede dagvaardingsprocedure begonnen tegen [eisers] (C/03/315695/ HA ZA 23-121) waarin zij de rechtbank vraagt om te bepalen dat er eigen schuld is van [zoon] aan het ongeval en om 70% van de schuld aan [zoon] toe te rekenen.

5.87.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de wet is de rechter in de bodemprocedure in beginsel gebonden aan beslissingen in de deelgeschilprocedure voor zover deze zien op de materiële rechtsverhouding van partijen (bijvoorbeeld over de aansprakelijkheid). In een bodemprocedure kan de rechtbank terugkomen op een beslissing die genomen is in de deelgeschilprocedure indien is gebleken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Van een onjuiste feitelijke grondslag kan bijvoorbeeld sprake zijn als na de beslissing in de deelprocedure gebleken is van nieuwe feiten.

5.88.

Uit processtuk 2:4a kan worden afgeleid dat het ziekenhuis de huisarts van [zoon] op 12 maart 2013 op de hoogte heeft gesteld van het feit dat er een alcoholpercentage van 2,4 promille was gemeten. Deze informatie is bij brief van 16 september 2013 door het ziekenhuis naar Nostimos toegezonden. Dit feit was ten tijde van het deelgeschil dus in ieder geval bekend aan de zijde van [eisers] (kennis bij de belangenbehartiger van [eisers] wordt immers ook toegerekend aan [eisers] zelf). Naar het oordeel van de rechtbank valt het [eisers] dan ook te verwijten dat zij in de deelgeschilprocedure dit feit niet volledig en naar waarheid hebben aangevoerd en dus in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rechtsvordering. Met de stelling dat het alcoholpercentage niet is vastgesteld, hebben zij in ieder geval de rechtbank (en wellicht ook NN) op het verkeerde been gezet. Gevolg van handelen in strijd met artikel 21 Rechtsvordering is dat de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.

In dit geval geldt dat de rechtbank hierdoor in de deelgeschilbeschikking haar beslissing heeft genomen op basis van onjuiste feiten en omstandigheden. Pas na de beschikking van 12 juli 2016 is aan het licht gekomen dat het alcoholpromillage, anders dan [eisers] stelden in die procedure, wél was gemeten (niet door de politie maar in het ziekenhuis) en bovendien vrij hoog was. Dit betreft een novum. De rechtbank zal daarom de beslissing dat [zoon] geen eigen schuld valt te verwijten aan het ongeval op 9 februari 2013 heroverwegen. De rechtbank zal opnieuw beoordelen of het alcoholgebruik van invloed is geweest op het ontstaan van het ongeval, in grotere mate dan de verkeersfout van de buschauffeur. De rechtbank acht zich op dat punt dan ook niet gebonden aan de beschikking in deelgeschil van 12 juli 2016.

5.89.

Om proceseconomische redenen is de rechtbank van oordeel dat een heroverweging van de vraag of [zoon] eigen schuld valt te verwijten, in deze procedure kan en dient te geschieden. De dagvaarding en de inhoud van de conclusie van antwoord die zijn ingebracht in de tweede dagvaardingsprocedure zijn ook in deze procedure als processtuk ingebracht (processtukken 8.W en processtuk 19). De rechtbank zal NN en Transdev in onderhavige zaak in de gelegenheid stellen om uitsluitend over de vraag of er sprake is van eigen schuld van [zoon] een nadere conclusie te nemen, waarna [eisers] de gelegenheid krijgen om hierop bij nadere conclusie te reageren. Daartoe wordt de zaak verwezen naar de rol, zoals in het dictum opgenomen.

5.90.

Bij e-mailbericht van 8 juni 2023 zijn NN en Transdev reeds door de rechtbank op de hoogte gesteld van het feit dat de rechtbank om proceseconomische redenen geen verlof verleent om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking in deelgeschil van 12 juli 2016 (zaaknr. C/03/218141 HA RK 16-51), voor zover dat juridisch gezien al mogelijk zou zijn.

Nu in deze procedure de beslissing op de vraag of [zoon] eigen schuld valt te verwijten zal worden heroverwogen, zal de rechtbank partijen in de zaak C/03/315695/ HA ZA 23-121 in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de vraag of zij die procedure nog wensen voor te zetten.

L Hoofdelijke Aansprakelijkheid

5.91.

Voorts vorderen [eisers] NN en Transdev hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen die gezamenlijk een prestatie verschuldigd zijn, voor een gelijk deel aansprakelijk zijn. Dit is anders als de schuldenaren hoofdelijk aansprakelijk zijn. De schuldeiser kan in dat geval volledige betaling verlangen van iedere schuldenaar. Bij hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen gezamenlijke schuldenaren ieder individueel worden aangesproken op het voldoen van de gehele vordering.

Partijen kunnen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een schuld op grond van de wet of een overeenkomst (artikel 6:6 BW). Hiervan is in deze zaak niet gebleken.

5.92.

De vordering tot vergoeding van schade door Transdev is gebaseerd op onrechtmatige daad. Transdev is verzekerd bij NN. Op grond van artikel 6 WAM hebben [eisers] een eigen zelfstandige vordering tot schadevergoeding jegens NN als verzekeraar, maar die aanspraak is gelimiteerd tot de verzekerde som, zoals krachtens artikel 22 WAM vastgesteld (in casu tien miljoen euro, vermeerderd met rente en kosten). Tot een bedrag van 10 miljoen euro zijn Transdev en NN dus gehouden dezelfde schade te vergoeden. Als de schade van [zoon] zou uitkomen boven 10 miljoen euro, is alleen Transdev gehouden tot vergoeding van het meerdere. Dit betekent dat Transdev en NN niet ieder voor de gehele schuld aansprakelijk zijn, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank zal wel bepalen dat voor betalingen door NN tot maximaal 10 miljoen euro (vermeerderd met rente en kosten) geldt dat Transdev voor die bedragen bevrijd is.

M. Slotsom ten aanzien van de (uitgangspunten voor de) schadevaststelling en de
overige vorderingen.

5.93.

De nu te begroten schade die [zoon] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval op 9 februari 2013 bedraagt:

- € 633.800,45 voor reeds geleden zorgschade tot en met 2021

- een totaalsom van € 1.025.213,- voor verlies aan verdienvermogen.

5.94.

Verder komt nog een bedrag van € 5.399,02 aan nog niet betaalde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking.

5.95.

Voormelde bedragen komen alleen voor volledige vergoeding in aanmerking als de rechtbank van oordeel is dat [zoon] geen eigen schuld kan worden verweten. Indien aan hem wel een percentage eigen schuld wordt toegerekend, moeten de genoemde bedragen met dat percentage worden verminderd.

5.96.

Het smartengeld is begroot op een bedrag van € 130.000,00 welk bedrag reeds door NN is vergoed en waarover geen verschil van mening bestaat.

5.97.

Medische kosten (waaronder kosten voor fysiotherapie, psychologische begeleiding, sociale interventie) en kosten voor vermogensbeheer zijn tot op heden niet gemaakt. Naar de toekomst toe zal [eisers] hierover in overleg met NN/Transdev moeten treden.

5.98.

In mindering op de schadevergoeding strekt de meeropbrengst die [eisers] mogelijk in de toekomst bij verkoop van hun woning ontvangt als gevolg van de investering van € 150.000,00 door NN.

5.99.

NN en Transdev moeten [zoon] / [eisers] een belastinggarantie verstrekken zodra de te vergoeden schade definitief vast staat en zal dan pas worden toegewezen. De daarbij gevorderde dwangsom zal echter worden afgewezen, nu de noodzaak daartoe niet is onderbouwd. De gevorderde garantie voor het geval wijziging in wet- en regelgeving in de sociale zekerheid leidt tot een vermindering of verval van aanspraak op een PGB-budget zal ook worden afgewezen.

5.100. Tot een bedrag van 10 miljoen euro zijn NN en Transdev hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en mocht de schade op een hoger bedrag worden begroot dan is Transdev voor het meerdere alleen aansprakelijk.

5.101. Gelet op de nog openstaande beslissing ten aanzien van het eigen schuld-verweer, zullen voornoemde beslissingen om proceseconomische redenen nog niet in een dictum worden verwerkt. De beslissing over de proceskosten wordt eveneens aangehouden in afwachting van het eigen-schuld debat.  ECLI:NL:RBLIM:2023:4336