RBDHA 191225 KG; aanvullend voorschot schadevergoeding € 20.000, met klemmend advies € 10.000 te reserveren t.b.v. medische expertises
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 191225 KG; aanvullend voorschot schadevergoeding € 20.000, met klemmend advies € 10.000 te reserveren t.b.v. medische expertises
in vervolg op
RBDHA 250123 te hard rijdende, met wheelie, tegemoetkomende motorfiets botst op linksafslaande auto; ES motor 75%; geen bill.correctie
- verzocht 16,7 uur x € 270 + 7%, toegewezen 12 uur à € 250,00 + 21% = € 3630,00 x 25% vanwege ES
- kosten eenzijdige verkeersongevallenanalyse afgewezen; geen overleg en geen specificatie voor de bestede 35 uur
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 31 augustus 2019 heeft op de Vreeswijksestraat te Den Haag een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [eiser] als bestuurder van een motorfiets en de heer [naam 1] als bestuurder van een personenauto (met Bulgaars kenteken) betrokken waren. De heer [naam 1] was ten tijde van het ongeval voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Dallbogg.
2.2.
[eiser] heeft als gevolg van de aanrijding letsel aan zijn rechterarm opgelopen. Hij is tot op heden meer dan twintig keer geopereerd, maar zijn rechterarm/hand functioneert tot op heden niet volledig.
2.3.
Voor het ongeval was [eiser] APK-keurmeester en eigenaar van een garage. Sinds 3 augustus 2015 had hij een eenmanszaak genaamd [bedrijfsnaam]. [eiser] handelde in tweedehands (schade)voertuigen, waarbij zijn verdienmodel erop was gericht om schadevoertuigen in te kopen om die na reparatie (die hij zelf uitvoerde) met winst te verkopen. Na het ongeval heeft hij niet meer voor zijn eigen onderneming kunnen werken. Op 21 november 2019 is de onderneming opgeheven.
2.4.
Na het ongeval is Dallbogg namens [eiser] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade van [eiser]. Vervolgens heeft [eiser] een verzoekschrift tot een deelgeschil ingediend bij de rechtbank Den Haag. Op 25 januari 2023 heeft de rechtbank Den Haag een beschikking gewezen. Hierin is geoordeeld dat [eiser] voor 75% aansprakelijk is voor het ongeval en dat Dallbogg op haar beurt 25% aansprakelijk is voor het ongeval.
2.5.
Na de beschikking van 25 januari 2023 hebben partijen geprobeerd om de kwestie in der minne te regelen. In februari 2024 is door Dallbogg een voorschot van € 10.000,00 aan [eiser] ter beschikking gesteld. Op 1 maart 2024 is in opdracht van Dallbogg een medisch advies uitgebracht. Hierin staat onder meer1:
“Sprake is geweest van zeer complex traumatisch onderarmletsel (…)
Er bestaat een rechtstreeks direct traumatisch verband tussen en het ongeval en het zeer ernstige zenuw-, pees- en spierletsel in de rechteronderarm. (…)
Alle beperkingen die samenhangen met een vrijwel volledige functionele uitval van de rechterarm moeten worden beschouwd als ongevalsgevolg. (…)
Een voorzichtige inschatting mijnerzijds is dat er sprake is van een functieverlies dat zal liggen in de ordergrootte van 30-60% BIGP. (…)
Ik adviseer allereerst om na te gaan of alle vormen van op verbetering van de functie van de rechterarm en -hand gerichte behandelingen thans beëindigd zijn. Als dat zo blijkt te zijn, adviseer ik ter afwikkeling in dit dossier een handplastisch-chirurgische expertise te laten uitvoeren door plastisch chirurg [naam 2] (…) of prof. [naam 3] (…).”
2.6.
In de periode van maart 2024 tot en met mei 2025 heeft de belangenbehartiger van [eiser] gecorrespondeerd met de gemachtigde, de heer F. Krougman, van Dallbogg (althans CCN), over onder andere aanvullende voorschotten, een huisbezoek en een minnelijke regeling. Op 25 maart 2024 stuurde de belangenbehartiger van [eiser] een bericht aan Krougman met daarin onder meer het volgende:
“Natuurlijk heeft hij veel gehad aan dit voorschot, waarvoor dank, maar in de afgelopen jaren heeft hij zich zodanig in de schulden gewerkt (door het uitvallen van zijn inkomen en het feit dat hij maar een karige bijstandsuitkering ontvangt) dat hij diverse betalingsregelingen heeft lopen die hij niet altijd kan nakomen zelfs.
Ik wil je verzoeken om bij jouw opdrachtgever een aanvullend voorschot van € 15.000,- te vragen voor cliënt, zodat hij zich aan zijn schadebeperkingsplicht kan blijven houden.”
2.7.
Op 22 april 2024 schreef de belangenbehartiger van [eiser] onder meer:
“Gezien de ernstige gevolgen van het ongeval en het complexe letsel (zoals uw medisch adviseur oom omschrijft) wil ik het verzoek vanuit redelijkheid en billijkheid bij uw opdrachtgever voorleggen om de medisch advieskosten van mijn medisch adviseur voor 100% voor haar rekening te nemen.”
2.8.
Een nader voorschot en/of een toezegging over het betalen van het volledige bedrag voor een nadere expertise van Dallbogg bleven uit, waardoor [eiser] een kort geding is gestart en op 20 juni 2025 een zitting was bepaald. Voor de zitting heeft Dallbogg vervolgens alsnog een voorschot van € 20.000,00 aan [eiser] toegekend. In de periode daarna hebben partijen wederom getracht een schikking te bereiken en is ook een concreet voorstel besproken, maar Dallbogg is uiteindelijk niet akkoord gegaan.
2.9.
Met de dagvaarding van 10 november 2025 heeft [eiser] bij de rechtbank Den Haag een bodemprocedure tegen Dallbogg aanhangig gemaakt. Daarin heeft [eiser] onder andere gevorderd dat aan hem verlof wordt verleend om in hoger beroep te gaan tegen rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.10 (waarin de verdeling van de aansprakelijkheid is vastgesteld) van de beschikking van de deelgeschilrechter van 25 januari 2023. Bij uitspraak van 3 december 2025 is dat tussentijds hoger beroep toegestaan en is de bodemprocedure in afwachting daarvan verwezen naar de parkeerrol.
2.10.
In de tussentijd heeft [eiser] op 12 november 2025 bij verzoekschrift aan de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. In die zaak vond op 11 december 2025 een mondelinge behandeling plaats. Verder is [eiser] dit kort geding gestart waarin hij een aanvullend voorschot vordert.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. Dallbogg te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een aanvullend voorschot van € 32.000,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, uit hoofde van de aansprakelijkheid van Dallbogg voor 25% zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2023;
II. Dallbogg te veroordelen in de proceskosten;
subsidiair:
III. dat de voorzieningenrechter een zodanige voorlopige voorziening treft die hij passend en geboden acht, teneinde aan [eiser] het gevraagde voorschot of deel daarvan toe te kennen, gelet op de spoedeisendheid, het ernstig letsel, de erkende aansprakelijkheid en de financiële en medische noodsituatie van eiser.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Dallbogg is voor 25% aansprakelijk voor de schade van [eiser]. Dat [eiser] een bodemprocedure is gestart en dat hem verlof is verleend om in hoger beroep te gaan tegen de deelbeschikking doet daar niet aan af. Hoewel Dallbogg slechts gedeeltelijk aansprakelijk is, ontslaat dit haar niet van haar verplichting om ten minste dat deel van de schadevergoeding waarvoor zij wel aansprakelijk is voortvarend en conform de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) af te wikkelen. [eiser] heeft met een voorlopige schadestaat onderbouwd dat hij inmiddels € 67.866,86 aan arbeidsvermogensschade heeft geleden, zonder daarbij rekening te houden met overige schadeposten en immateriële schade (smartengeld). Slechts € 35.000,00 is tot op heden aan voorschotten betaald. Er bestaat zodoende in ieder geval een tekort in de bevoorschotting van € 32.866,86. [eiser] heeft blijvend letsel met zware beperkingen overgehouden aan het ongeval, waardoor het aannemelijk is dat hij schade zal lijden tot in de lengte van vele jaren. Zijn uiteindelijke schade zal minstens in de tonnen lopen. Daarom ligt het in de rede om [eiser] een substantieel voorschot toe te kennen, aldus [eiser]. Een voorschot van € 32.000,00, waarbij alleen gekeken is naar arbeidsvermogensschade en slechts tot en met december 2025, acht [eiser] in dit stadium zo reëel en aannemelijk, dat het mogelijke restitutierisico (voor zover aanwezig) als verwaarloosbaar is aan te merken, aldus [eiser].
3.3.
Dallbogg voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiser] op Dallbogg voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.
4.2.
Dallbogg is in haar conclusie van antwoord uitgebreid ingegaan op het aansprakelijkheidsvraagstuk en stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de schade voor de volle 100% voor rekening van [eiser] komt. De voorzieningenrechter stelt daarentegen voorop dat voorshands moet worden uitgegaan van de schuldverdeling zoals deze door de deelgeschilrechter in de beschikking van 25 januari 2023 is vastgesteld; het oordeel in kort geding wordt afgestemd op het oordeel van de deelgeschilrechter, zolang dat van kracht is. Dat betekent dat de voorzieningenrechter uitgaat van 25% aansprakelijkheid aan de zijde van Dallbogg voor de schade van [eiser].
4.3.
In dit kort geding staat de vraag centraal of Dallbogg een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Dallbogg is betaald. En vanzelfsprekend is van belang of er een spoedeisend belang bestaat bij de gevorderde voorziening.
4.4.
[eiser] stelt dat hij als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij drie maanden na het ongeval zijn onderneming heeft moeten sluiten. Sinds het ongeval heeft [eiser] geen inkomen uit arbeid meer ontvangen, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter. Enkele weken na het ongeval heeft [eiser] een bijstandsuitkering aangevraagd. Voor een ziektewetuitkering komt hij niet in aanmerking. [eiser] ontvangt een (bij gebreke van een vaste verblijfplaats: gekorte) bijstandsuitkering van € 799,39 per maand.
4.5.
[eiser] heeft ten aanzien van zijn verlies aan arbeidsvermogen een schadestaat opgesteld en de arbeidsvermogensschade met de volgende formule berekend:
Het maandelijks netto inkomen in de hypothetische situatie – feitelijk inkomen in de werkelijke situatie × het aantal verstreken maanden.
Voor berekening van het maandelijks netto inkomen is gekeken naar de jaarcijfers van de onderneming van [eiser] van 2017, 2018 en 2019. De berekening van [eiser] komt neer op € 4.371,33 - € 799,39 × 76 maanden = € 271.467,44. Op dit laatste bedrag is een correctie van 25% uitgevoerd, omdat Dallbogg slechts voor 25% aansprakelijk is. De arbeidsvermogensschade komt zodoende volgens [eiser] neer op € 67.866,86 tot en met december 2025. Dallbogg heeft tot op heden € 35.000,00 aan voorschotten betaald. Ter zake van de verschenen schade is dus sprake van een achterstand van € 32.866,86, aldus [eiser].
4.6.
Dallbogg vindt het geschetste toekomstperspectief voor de rest van 2019 en voor de overige hypothetische situatie tot aan de AOW-leeftijd te speculatief en onvoldoende onderbouwd. Daarbij moet worden meegewogen dat inmiddels € 35.000,00 door haar is betaald en dat is de helft van de totale door [eiser] gestelde schadepost. Dallbogg voert verder aan dat [eiser] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door niet naar ander passend werk te zoeken of zich te laten omscholen. Er is onduidelijkheid over de vraag of [eiser] in staat is om ander werk te verrichten en er is nog geen begin gemaakt om dit te laten onderzoeken. Het had volgens Dallbogg op weg van [eiser] gelegen om dit wel te doen om zo schadebeperkend te handelen. Om deze reden moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn met het toekennen van een te groot voorschot op deze schadepost. Ook zou [eiser] het spoedeisend belang bij zijn vordering onvoldoende hebben toegelicht. Het enkele stellen van financiële problemen is volgens Dallbogg niet genoeg. Tot slot is volgens Dallbogg sprake van een onaanvaardbaar restitutierisico, dat ertoe zou moeten leiden dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
4.7.
Het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen na een aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na die gebeurtenis en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder die gebeurtenis zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten (in de bodemprocedure) in beginsel op [eiser] als benadeelde. Omdat het (de verzekerde van) Dallbogg is die aan [eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied, kunnen aan die bewijslast niet steeds de gebruikelijke eisen worden gesteld. Bij beoordeling van de hypothetische situatie komt het aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt.2
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij, mede op basis van eerdere jaarcijfers, het toekomstperspectief voor de hypothetische situatie heeft berekend. Dallbogg vindt dit weliswaar onvoldoende onderbouwd en te speculatief, maar licht daarbij niet toe wat er concreet aan de berekeningen van [eiser] niet klopt. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat [eiser] ten aanzien van het arbeidsvermogen in ieder geval het door hem berekende bedrag aan schade heeft geleden of in totaal zal lijden. Het betreft immers uitsluitend schade tot en met december 2025.
4.9.
Dallbogg stelt, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat [eiser] een deel van zijn arbeidsvermogensschade zelf moet dragen, omdat aan de zijde van [eiser] sprake zou zijn van eigen schuld, zoals bedoeld in artikel 6:101 BW, waardoor de vergoedingsplicht van Dallbogg zou moeten worden verminderd. [eiser] stelt dat hij arbeidsongeschikt is, maar Dallbogg betwijfelt dat. Volgens de voorzieningenrechter valt er – bij de huidige stand van zaken – niet volledig uit te sluiten dat er voor [eiser] mogelijkheden zijn voor ander passend werk. Over die (on)mogelijkheid bestaat nu onduidelijkheid. Tussen partijen staat niet ter discussie dat (mede) in dit kader nader onderzoek nodig is. Zo moet er een handplastisch-chirurgische expertise plaatsvinden, zoals omschreven in het medisch advies van 1 maart 2024, om te bepalen of er ten aanzien van de functie van de rechterarm en -hand nog verbetering mogelijk is. In dit kader heeft de advocaat van [eiser] ter zitting onweersproken aangevoerd dat een dergelijk onderzoek al snel € 10.000,00 kost. Ook zou een arbeidsdeskundig- en/of re-integratie-onderzoek moeten plaatsvinden, om nader te laten beoordelen wat de mogelijkheden van [eiser] zijn met betrekking tot het verrichten van (ander) passend werk. [eiser] wenst mee te werken aan dergelijke onderzoeken, maar heeft de financiële middelen niet om, conform de vastgestelde verdeling van aansprakelijkheid, 75% van de kosten van dergelijke onderzoeken te betalen. Dallbogg houdt in dat kader vast aan haar 25% aansprakelijkheid en is tot op heden niet bereid geweest om nu, zoals door [eiser] ook verzocht, 100% van de kosten voor een expertise voor haar rekening te nemen en dit later in de eindafrekening te verrekenen.
4.10.
Hiermee zijn partijen in een patstelling geraakt en is de afwikkeling van de letselschadezaak volledig vastgelopen. Zonder nadere expertise(s) kunnen partijen immers niet verder, maar Dallbogg wil – kortgezegd – niet meer betalen dan 25% en [eiser] heeft de middelen niet om 75% van de kosten te betalen. Hierin – en in het 4.8 overwogene – ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan [eiser] een voorschot toe te wijzen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [eiser] zich in een moeilijke situatie bevindt. Sinds het ongeval (nu ruim zes jaar geleden) heeft hij een minimaal inkomen, enige schulden, geen vaste woon- en verblijfplaats en is hij voor onderdak en vervoer van en naar zijn ziekenhuisafspraken en medische behandelingen volledig afhankelijk van familie en vrienden. Dit staat in schril contrast tot hoe het leven van [eiser] voor het ongeval. Dat [eiser] zich in een financieel penibele(re) situatie bevindt en dat een aanvullend voorschot hem enig perspectief biedt, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. Een aanvullend voorschot op de schadevergoeding, welke schadevergoeding in het kader van dit kort geding slechts voor één aspect is begroot en slechts voor reeds verschenen schade en op basis van de 25% aansprakelijkheid zoals door de deelgeschilrechter begroot, acht de voorzieningenrechter gerechtvaardigd. Hiermee kan [eiser] zijn leven weer een beetje op de rit krijgen, maar óók de afwikkeling van zijn letselschadezaak bevorderen. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom een klemmend advies meegeven ter zake de besteding van het toe te wijzen voorschot.
4.11.
Om de zaak uit de impasse waarin deze zich bevindt te halen, zal de voorzieningenrechter een voorschot van € 20.000,00 aan [eiser] toewijzen waarbij [eiser] geacht wordt vooralsnog (minimaal) € 10.000,00 beschikbaar te houden om zo nodig bij te dragen aan de kosten van een nadere (medische) expertise, waar hij in de verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank zelf ook om verzoekt, om zijn schade nader in kaart te brengen en ter bevordering van afwikkeling van de letselschadezaak. De voorzieningenrechter kan dit uiteraard niet bindend aan [eiser] opleggen maar geeft het mee als een klemmend advies teneinde eraan bij te dragen dat de schaderegeling nu op afzienbare termijn gestalte kan krijgen. De voorzieningenrechter acht, op basis van het vooralsnog geldende uitgangspunt dat Dallbogg voor 25% aansprakelijk is, in dit kader voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de totale schade meer beloopt dan het straks in totaal door Dallbogg betaalde bedrag aan voorschotten. Het door Dallbogg aangevoerde restitutierisico acht de voorzieningenrechter – bij deze stand van zaken – dan ook verwaarloosbaar.
4.12.
Dallbogg is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht € 90,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.375,00
4.13.
Ter nadere toelichting op voormelde begroting wordt overwogen dat de eisende partij heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. Ten slotte vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel. In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris toegekend. De explootkosten van de betekening van het vonnis komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking.
1Citaten worden weergegeven inclusief eventuele taal- en tikfouten.
2Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590.
Rechtbank Den Haag 19 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24536
