RBMNE 090726 kostenverdeling na vdo; conclusie psychiater niet eenduidig; kosten voor SO; vooralsnog niet voor SVI-ass.
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 090726 kostenverdeling na vdo; conclusie psychiater niet eenduidig; kosten voor SO; vooralsnog niet voor SVI-ass.
1Verloop van de (verdere) procedure
1.1
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 19 februari 2025 en het daarin weergegeven procesverloop tot dan toe.
1.2
Mw. D. Neumann is als deskundige benoemd.
1.3
Op 8 mei 2026 heeft de rechtbank partijen verzocht om binnen 10 dagen te laten weten of er een bodemprocedure aanhangig is en om mede te delen wie de kosten van de deskundige zal dragen.
1.4
Mr. L.J. Bergshoeff heeft laten weten dat er geen bodemprocedure aanhangig is en dat NN van mening is dat [verzoeker] de kosten voor het deskundigenonderzoek te voldoen. De reden daarvoor is volgens NN dat de kosten van het deskundigenbericht voor rekening van de verzoekende partij komt en dat naar de mening van NN de schade al afgewikkeld had kunnen worden. Tot slot wijst mr. Bergshoeff op een arrest van het Hof Amsterdam, waaruit volgt dat de kosten voor rekening van [verzoeker] komen omdat het gaat om een SVI-verzekering en NN niet de aansprakelijke partij is voor de gevolgen van het ongeval (Gerechtshof Amsterdam 1 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3315).
1.5
[verzoeker] is het niet eens met NN en is van mening dat NN de kosten van het deskundigenbericht dient te voldoen. Daarvoor geeft [verzoeker] een aantal redenen:
-
NN is als SVI-verzekeraar gehouden om de letselschade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval te dragen.
-
Op grond van artikel 7:959 lid 1 BW komen ook de kosten tot het vaststellen van de schade voor rekening van NN. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in dat artikel aansluiting is gezocht bij (thans) artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW. Zie ook arrest van de HR van 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1174.
-
In artikel 2.3 van de polisvoorwaarden van NN staat dat de schade wordt vastgesteld zoals omschreven in boek 6 van het BW. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW vallen hier ook onder alle redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
-
Er is voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad heeft gesteld voor welke kosten in aanmerking komen voor vergoeding ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (ECLI:NL:HR:2015:586 en ECLI:NL:HR:2003:AF7423). Een psychiatrische expertise was een noodzakelijke vervolgstap om de ongevalsgevolgen vast te stellen en een volgende stap te maken in het vaststellen van de schade. En zowel de medisch adviseur van [verzoeker] als neuropsycholoog [A] adviseerden om een psychiatrische expertise in gang te zetten.
-
Uit het rapport van psychiater Neumann blijkt dat zij meent dat er op basis van de anamnese sprake is van een indirect verband tussen de klachten en het ongeval in 2015. De psychische klachten zijn volgens haar later ontstaan en zijn mede een gevolg van een reeds langer bestaande persoonlijkheidsstructuur, maar volgens [verzoeker] doet dat niets af aan het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, nu in het aansprakelijkheidsrecht geldt: “the tortfeasor takes the victim as he finds him.”
2De beoordeling
2.1
Omdat de kosten van het deskundigenonderzoek op grond van artikel 199 lid 3 Rv door de griffier ten laste van ’s Rijks kas is gebracht, dient op grond van artikel 205 lid 2 Rv (oud) te worden vastgesteld welk deel van het loon van de deskundige door elk van de partijen dient te worden gedragen. Het loon van mw. D. Neumann bedraagt € 4.549,60 inclusief 21% BTW.
2.2
Artikel 205 lid 2 Rv (oud) beantwoordt niet de vraag wie de meest gerede partij is om in de kosten van een deskundigenbericht te worden veroordeeld en ook de parlementaire geschiedenis biedt hierover geen duidelijkheid. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de minister wel aangegeven geen inbreuk te willen plegen op het beginsel dat de verliezende partij de kosten draagt, maar als geen bodemprocedure volgt of aansprakelijkheid buiten rechte wordt erkend, blijft onduidelijk wie de “verliezende partij” is. Het past de rechtbank in beginsel ook niet om zich, in het kader van de beslissing die op grond van artikel 205 lid 2 Rv over de kosten moet worden genomen, uit te laten over de mogelijke aansprakelijkheid, nu het debat daarover nog niet is gevoerd en partijen dat – kennelijk – ook (nog) niet ten overstaan van een rechter wensen te voeren.
2.3
In deze zaak overweegt de rechtbank als volgt. NN is als SVI-verzekeraar gehouden schade als gevolg van het ongeval te vergoeden. Niet omdat NN de aansprakelijke partij is, maar omdat de SVI dekking biedt voor schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft gehad. Uit de door dr. Neumann verrichte expertise volgt (nog) geen eenduidige conclusie. Dr. Neumann heeft in haar rapport aangeven dat er een indirect verband kan worden gelegd tussen de klachten enerzijds en het ongeval in 2015 anderzijds. De psychische klachten zijn pas later ontstaan en zijn mede het gevolg van een reeds langer bestaande persoonlijkheidsstoornis. Met deze stand van zaken en gelet op de eerdere overweging dat het de rechtbank in deze fase van de procedure niet past conclusies over de aansprakelijkheid te trekken, kan niet worden gezegd wie nu de ‘verliezende partij’ is. De rechtbank zal daarom op dit moment niet afwijken van de hoofdregel van artikel 195 Rv dat de verzoekende partij de kosten moet dragen. Dat betekent dat de kosten van het onderzoek door de deskundige door [verzoeker] betaald moeten worden.
2.4
[verzoeker] heeft nog twee uitspraken aangehaald, namelijk ECLI:NL:HR:2015:586 en ECLI:NL:HR:2003:AF7423. Die uitspraken hebben echter betrekking op kosten die ten laste komen van de aansprakelijke partij. NN is zoals al overwogen in 2.3 niet de aansprakelijke partij. De uitspraken bieden daarom geen aanknopingspunt om tot het oordeel te komen dat NN de kosten van de deskundige moet betalen.
[verzoeker] moet de kosten van het voorlopige deskundigenbericht dragen
2.5
De hoogte van het voorschot was € 3.581,60. Er is nog een aanvullend voorschot verstrekt van € 800. In totaal gaat het om € 4.381,60. Die kosten zijn ten laste gekomen van ’s Rijks kas. De eindnota bedraagt € 4.549,60 inclusief 21% BTW. Het verschil tussen de begroting en de eindnota is € 168. Dat bedrag zal [verzoeker] aan dr. Neumann moeten betalen. Het bedrag van € 4.381,60 zal [verzoeker] moeten voldoen aan de griffier van de rechtbank. Hij zal daarvoor een nota ontvangen.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1
bepaalt dat [verzoeker] de kosten van het voorlopig deskundigenbericht van dr. Neumann van € 4.549,60 inclusief 21% BTW dient te dragen,
3.2
veroordeelt [verzoeker] om € 168,00, het verschil tussen de begroting en de eindnota, te betalen aan dr. Neumann,
3.3
veroordeelt [verzoeker] een bedrag van € 4.381,60 (inclusief btw) – zijnde de ten laste van ’s Rijks kas voorgeschoten deskundigenkosten – te voldoen aan de griffier van de rechtbank door overmaking van het bedrag onder vermelding van “kosten deskundigenonderzoek [verzoeker] ” en het zaaknummer binnen veertien dagen nadat zij daarvoor een nota van de griffier hebben ontvangen,
3.4
draagt aan de griffier op voor de kosten van het deskundigenbericht aan [verzoeker] een nota toe te zenden. Rechtbank Midden-Nederland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4290