Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb 's Hertogenbosch 260511 Kanton kosten buitensporig; oordeel met referte aan tarief rapport voorwerk

Rb 's Hertogenbosch 260511 Kanton kosten buitensporig; oordeel met referte aan tarief rapport voorwerk

1. Tussen partijen staat het volgende vast.

a) Eiser is op 6 juni 2007 slachtoffer geworden van een verkeersongeval. Om zijn schade te verhalen heeft eiser gebruik gemaakt van de diensten van zijn gemachtigde, verder X te noemen.

b) Bij brief van 2 juli 2007 (productie bij de dagvaarding) heeft X gedaagde, in haar hoedanigheid van WAM-assuradeur, aansprakelijk gesteld voor alle schade, met inbegrip van buitengerechtelijke kosten.

c) Bij overeenkomst van 25 augustus 2009 is tussen eiser en X overeengekomen dat en op welke voorwaarden X de letselschadezaak van eiser zal behandelen

d) In die overeenkomst staat onder meer dat eiser X machtigt tot "Het rechtstreeks aan de aansprakelijke wederpartij/verzekeraar declareren van door opdrachtneemster in opdracht en voor rekening van opdrachtgever gemaakte buitengerechtelijke kosten (BGK) via op naam van opdrachtgever gestelde declaraties, een en ander op grond van art. 6:96 BW. Deze kosten (...) zijn gebaseerd op het door opdrachtneemster gehanteerde standaarduurtarief van 250,00 euro ex 6% kantoorkosten, verschotten en BTW".

e) Bij brief van 12 juli 2007 heeft gedaagde de aansprakelijkheid erkend.

f) Medio april 2010 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, inhoudende, voor zover thans ven belang:
"Alle aanspraken van gelaedeerde op vergoeding van de geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade wordt door deze vaststellingsovereenkomst vastgesteld op een bedrag van € 15.902,77 waarvan € 5.902,77 aan buitengerechtelijke kosten en medische verschotten. (...)
Tegenover het onder 1 en 2 gestelde verleent gelaedeerde finale kwijting ter zake van alle aanspraken op vergoeding van materiële en immateriële schade die hij ten gevolge van het ongeval en het daardoor ontstane letsel heeft gelden en in de toekomst nog zal lijden". Handgeschreven is hieraan toegevoegd de tekst" met uitzondering van de openstaande BGK".

2.1.Eiser vordert de veroordeling van gedaagde tot betaling van € 5.000,00.

2.2.Hij doet die vordering steunen op het volgende.
X heeft uit hoofde van de overeenkomst van opdracht vier op naam van eiser gestelde en gespecificeerde declaraties aan gedaagde gezonden, zulks tot een totaalbedrag van € 10.285,40. In mindering is betaald € 4.902,77 zodat resteert € 5.382,63. Gedaagde weigert dat bedrag te betalen. Eiser beperkt zijn vordering tot € 5.000,— en doet afstand van het meerdere.

3. Gedaagde heeft, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd.
Vanaf den beginne was duidelijk dat het hier niet om een bewerkelijke zaak handelde, dat de ongevalsgevolgen beperkt waren en dat er geen sprake was van lastig te berekenen schadecomponenten. Zij heeft op 29 november 2007 X verzocht om op korte termijn tot een regeling over te gaan, maar zij vernam eerst weer bij zijn brief van 17 juni 2008 van hem.
Na enkele inspanningen over en weer, waaronder begrepen een huisbezoek bij eiser, is een regeling tot stand gekomen.
Zij is van oordeel dat eiser geen vordering meer heeft omdat reeds € 5.902,77 is betaald. De door eiser gevorderde kosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.
Gedaagde is voorts van oordeel dat een aantal van de door X opgesomde werkzaamheden ook op secretariaatsniveau konden worden gedaan, verder dat hij kosten in rekening brengt die ook al vallen onder de afzonderlijk in rekening gebrachte kantoorkosten, verder dat machtigingen zijn gevraagd terwijl die al waren verleend en dat X meer dan 8 uren telefoongesprekken met zijn cliënt in rekening brengt.
X had er zorg voor moeten dragen dat de kosten niet te hoog zouden oplopen. Verder is zij van oordeel dat er een wanverhouding bestaat tussen de in rekening gebrachte kosten en het schadebedrag dat eiser is toegekend.

4. Voor de toelichting op en onderbouwing van de standpunten van partijen zij verwezen naar de stukken van het geding.

De beoordeling

5. De verwijzing in de onder lc. bedoelde overeenkomst naar artikel 6:96 BW impliceert dat eiser geen aanspraak kan maken op vergoeding van zijn werkelijke kosten, maar op een vergoeding van redelijke kosten (waarbij het niet uitgesloten is dat de werkelijke kosten ook als redelijke kosten kunnen worden aangemerkt). Wat die redelijkheid betreft, geldt dat de kosten in de gegeven omstandigheden als redelijk moeten worden aangemerkt en dat de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen.

6.1. Het ongeval van eiser dat tot de dienstverlening van X heeft geleid, dateert van 6 juni 2007. Gedaagde is aansprakelijk gesteld bij brief van 2 juli 2007 en bij brief van 12 juli 2007 heeft gedaagde de aansprakelijkheid erkend. Tot zover de werkzaamheden ter vaststelling van aansprakelijkheid.

6.2. Volgens stellingen van eiser wilde gedaagde aanvankelijk een bedrag betalen van € 5.000,00. Dat was 25% van de geclaimde schade. Kennelijk wenste eiser dus € 20.000,00 ontvangen.
Hij heeft uiteindelijk genoegen genomen met € 9.000,00 wat – tegen de achtergrond van vorenstaande berekening – nog niet de helft van zijn claim was.
Dat heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst waarin eiser en gedaagde te kennen hebben geven te zijn overeengekomen dat de schade wordt vastgesteld op €15.902,77 "waarvan € 5.902,77 aan buitengerechtelijke kosten en medische verschotten". De hierboven geciteerde handgeschreven opmerking zet de overeenkomst op losse schroeven: de schade is vastgesteld, de buitengerechtelijke kosten zijn vastgesteld, er wordt finale kwijting verleend, maar er blijft kennelijk toch iets ongeregeld. Dat maakt de gestelde finale kwijting kwestieus en de in de vaststellingsovereenkomst opgesomde bedragen van onwaarde.

6.3.Hoe dan ook, zoals gezegd heeft gedaagde de aansprakelijkheid onmiddellijk erkend. Verder heeft X in de brief waarin gedaagde aansprakelijk wordt gesteld al een aantal schadefactoren opgesomd, onder mededeling dat geen sprake zal zijn van arbeidsverlies.

6.4.Op 2 september 2009 (productie 4 bij dagvaarding) heeft X een uitgebreide brief naar gedaagde gezonden. Op 22 maart 2009 heeft X een sommatie c.q. klacht naar gedaagde gestuurd, vanwege het uitblijven van een antwoord op zijn brief van 2 september 2009. Op 22 maart 2009 heeft gedaagde gereageerd. Zij deed een voorstel van € 10.000,-- Daarna zijn nog enkele korte briefjes over en weer verzonden.

6.5.Het is, gezien dit alles, volstrekt onwaarschijnlijk en hoe dan ook onaanvaardbaar dat X gedaagde (en dus ook eiser) confronteert met vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten die zelfs hoger is dan het bedrag dat eiser als schadevergoeding heeft ontvangen. Gelukkig (voor eiser) heeft gedaagde reeds een aanmerkelijk gedeelte van het totaalbedrag betaald, maar daarmee heeft gedaagde zonder enig voorbehoud gedaan wat in alle redelijkheid van haar verwacht had mogen worden (of zelfs meer dan dat).

7.1.Eiser heeft niet gewezen op rechtens relevante feiten en omstandigheden die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat in de onderhavige casus ook maar de minste aanleiding heeft bestaan voor zijn gemachtigde om ruim 25 uren met deze zaak bezig te zijn.
Niet alleen betreft het in casu een eenvoudige letselschadezaak, maar ook had de afwikkeling van de schade behoudens enkele brieven en een huisbezoek niet veel om het lijf.
Daarnaast en doorslaggevend is het dat X het in letselschadezaken geldende – door de jurisprudentie in het leven geroepen – uitgangspunt dat er een aanvaardbare verhouding dient te bestaan tussen het schadebedrag en de kosten om tot de schadevaststelling te komen geheel lijkt te hebben losgelaten.
De kantonrechter is van oordeel dat, indien die kosten het schadebedrag benaderen, of zelfs, gelijk in casu, overschrijden, alleen bij zeer hoge uitzondering sprake kan zijn van een aanvaardbare dus redelijke verhouding tussen schadebedrag en kosten.
Zo'n uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor. X, als gespecialiseerd letselschadebehandelaar (zoals hij stelt in de laatste alinea van pagina 3 van de conclusie van repliek) had van voormeld uitgangspunt moeten en kunnen weten en hij had dus mede met het oog daarop – nu de schade voor eiser werd bepaald op een bedrag van € 9.000,00 – ervoor moeten waken dat de kosten voor eiser tot in het ongerijmde zouden oplopen (meer concreet: tot € 10.285,40). Dat hij dat niet heeft gedaan is, in de rechtsverhouding tussen X en eiser, in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid als in artikel 6:248 BW bedoeld.

7.2. Ware in de sector kanton een vordering met een hoofdsom van ruim € 19.000,--aanhangig geworden, dan zou, mits aan alle vereisten was voldaan, een bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten van € 952,00 voor toewijzing in aanmerking zijn gekomen. Daarmee is – zelfs als rekening wordt gehouden met de gespecialiseerde deskundigheid van X – een gegeven dat met het bedrag van € 10.285,40 iedere redelijkheidsgrens is overschreden. Het bedrag dat aan eiser in rekening is gebracht, hoort volgens de landelijk geldende richtlijnen, bij een zaak met geldelijk belang van meer dan € 1.,000.000,00. Het bedrag dat nu nog ter discussie staat (€5.000,00) hoort bij een zaak met een geldelijk belang tussen € 400.000,00 en € 1.000.000,00.

7.3. Met de betaling van € 5.902,77 is X zeer ruimhartig beloond. Dat slaat hard terug op eiser: zijn vordering wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. . PIV-site

Deze website maakt gebruik van cookies