Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 050226 - verzocht 16,5 uur x € 245 + 21% + kosten zitting en verweerschrift; geen onderbouwing, begroot op € 4.446.75 incl BTW, tegenverzoek t.z.v. kosten verweerschrift afgewezen

RBDHA 050226 Staat niet aansprakelijk wegens onrechtmatige geweldsaanwending tijdens detentie; verzoek onvoldoende onderbouwd
- verzocht 16,5 uur x € 245 + 21% + kosten zitting en verweerschrift; geen onderbouwing, begroot op € 4.446.75 incl BTW, tegenverzoek t.z.v. kosten verweerschrift afgewezen 
 

2De feiten

2.1.

In de periode van 3 maart 2015 tot en met 18 maart 2015 is [verzoekende partij] in verband met een vervangende hechtenis wegens het niet uitvoeren van een werkstraf gedetineerd geweest in de Penitentiaire Inrichting [plaats] (locatie [locatie]) (hierna: de PI).

2.2.

Op 5 maart 2015 heeft [verzoekende partij] een klacht ingediend bij de beklagcommissie van de PI naar aanleiding van een geweldsincident dat volgens [verzoekende partij] op de dag van zijn binnenkomst (3 maart 2015) in de PI heeft plaatsgevonden (hierna ook: het incident). In het beklagformulier heeft [verzoekende partij] onder meer het volgende opgenomen:

“Ik (…) ben gisteren 03-03-2015 ernstig mishandeld. Ik zelf heb een gebroken kies door een van uw collega’s. Zelf ben ik ernstig toegetakeld bij mijn rug. Ik heb er ernstige last van. Ik heb slappeloze nachten!!!!”

2.3.

Op 7 mei 2015 heeft de heer [naam 1] (teamleider beveiliging van de PI) (hierna: [naam 1]) over het incident het volgende verklaard:

“Op dinsdag 3 maart 2015 omstreeks 16.15 uur werd ik als leidinggevende van dienst vanuit de badafdeling telefonisch in kennis gesteld dat de nieuwe inkomst gedetineerde [verzoekende partij] niet mee wilde werken aan zijn medische intake. Daarnaast werd mij verteld dat gedetineerde in zijn cel aan het schelden was en daarbij dreigementen uitte aan het adres van het aanwezige personeel. Gezien de gemoedstoestand van gedetineerde is door mij, na mij zelf op de hoogte te hebben gesteld, besloten deze geboeid te laten vervoeren naar de OBS afdeling. Dit omdat ik, gezien de gemoedstoestand van gedetineerde, de veiligheid van het begeleidend personeel niet kon garanderen.

Tijdens de verplaatsing bleef gedetineerde personeel uitschelden en bedreigen. Ook waren er door gedetineerde verzetmomenten door met zijn lichaam te draaien en zich te laten vallen waardoor de begeleiders gedetineerde moesten ondersteunen om de verplaatsing te kunnen voltooien.

Gezien dit gegeven en het feit dat gedetineerde steeds meer tegenwerkte aan zijn plaatsing, is door mij besloten dat gedetineerde door het aanwezige personeel uitgekleed moest worden. Dit om te voorkomen dat personeel door gedetineerde beschadigd zou worden.

Uit mijn rol als locatiecommandant IBT (Intern Bijstand Team) heb ik personeel geïnstrueerd een matras in het midden van de OBS cel te leggen. Dit om te voorkomen dat gedetineerde op enigerlei wijze lichamelijke schade zou ondervinden op het moment dat hij neergelegd zou worden. Vervolgens is gedetineerde volgens IBT procedure ontkleed waarna hij onder begeleiding van twee begeleiders op het matras is neergelegd. Tijdens het ontkleden heeft gedetineerde constant weerstand geboden.

(…)

Later op de avond is gedetineerde gezien door de medische dienst. Vanuit de medische dienst heb ik geen informatie gekregen dat gedetineerde was beschadigd door de OBS plaatsing.”

2.4.

Eveneens op 7 mei 2015 heeft mevrouw [naam 2] (wnd. plv. hoofd Medische dienst) (hierna: [naam 2]) het volgende verklaard:

“Op 04-03-2015 is Dhr. [verzoekende partij] wederom gezien door een verpleegkundige van de medische dienst waarbij er kneuzingen aan de polsen zijn waargenomen. Hierop is Dhr. [verzoekende partij] op de OBS bezocht door de huisarts waarbij door betrokkene geen verdere klachten zijn aangegeven. Echter liet Dhr. [verzoekende partij] alleen boosheid zien.

Op 10-03-2015 is naar aanleiding van het ingestuurde sprekersbriefje Dhr. [verzoekende partij] gezien door een verpleegkundige in verband met pijn in de rug en een gebroken kies. Hierbij is medicatie ter bestrijding van de pijn in zijn rug aangeboden maar dit heeft Dhr. [verzoekende partij] geweigerd. Dhr. [verzoekende partij] heeft aangegeven rugklachten te hebben overgehouden na een ongeval in het verleden en daar oefeningen voor doet.

Er op 12-03-2015 is Dhr. [verzoekende partij] bij de tandarts geweest voor zijn gebroken kies maar er is niet duidelijk of de kies al eerder gebroken is of door de genoemde plaatsing observatiecel.”

2.5.

In het kader van de behandeling van het klaagschrift van [verzoekende partij] heeft mevrouw [naam 3] (plv. vestigingsdirecteur) op 12 mei 2015 onder meer het volgende op schrift gesteld:

“Omdat hij niet heeft meegewerkt aan zijn medische intake is betrokkene, voor zijn eigen veiligheid en die van medegedetineerden en personeel, in de OBS geplaatst.

Uit navraag bij de aanwezige leidinggevende van dienst blijkt dat betrokkene zich heeft verzet waarop klager door het personeel met enige dwang en gepast geweld in de OBS is geplaatst.”

2.6.

Bij uitspraak van 19 mei 2015 van de voorzitter van de beklagcommissie (verzonden op 15 juni 2015) is de klacht van [verzoekende partij] gegrond verklaard en is aan [verzoekende partij] een tegemoetkoming van € 25 toegekend. Hiertoe is onder meer overwogen:

“Klager klaagt over de toepassing van geweld tijdens zijn overbrenging naar de observatiecel op 3 maart 2015.

De directeur heeft erkend dat sprake is geweest van “enige dwang” en “gepast geweld”.

Nu geen schriftelijke rapportage is opgemaakt zoals artikel 9 van de Geweldsinstructie vereist, kunnen de rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit van de toegepaste dwang en het toegepaste geweld niet getoetst worden. De voorzitter van de beklagcommissie rekent de directeur deze omissie zwaar aan.”

2.7.

[verzoekende partij] heeft zich op enig moment tot de Staat gewend met het verzoek zijn letselschade te vergoeden. Namens de Staat heeft schaderegelingsbureau BSA de schaderegeling ter hand genomen. De afgelopen jaren hebben partijen meerdere pogingen gedaan om tot een pragmatische afwikkeling van de zaak te komen (waarbij de Staat uiteindelijk heeft aangeboden om, zonder erkenning van aansprakelijkheid, een bedrag van € 4.000 aan [verzoekende partij] te voldoen), maar partijen hebben geen overeenstemming over een minnelijke regeling kunnen bereiken.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

  1. te verklaren voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor de onrechtmatige geweldsaanwending van haar ondergeschikten jegens hem op 3 maart 2015, alsmede voor alle daaruit voortvloeiende schade;

  2. de kosten van het deelgeschil inclusief de nakosten en het verschuldigde griffierecht aan de zijde van [verzoekende partij] te begroten en de Staat te veroordelen tot betaling van deze kosten binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekende partij] het volgende ten grondslag gelegd. Op de eerste dag van zijn detentie (3 maart 2015) is hij, bij zijn overplaatsing vanuit een groepscel naar een observatiecel, ernstig mishandeld althans geweld aangedaan door één of meerdere medewerkers van de PI. Zo is hij geboeid en met kracht naar de grond toegewerkt, waarna hij diverse harde klappen op en rondom zijn lichaam (onder meer op zijn rug) heeft gekregen. Hiermee heeft de Staat onrechtmatig jegens hem gehandeld. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft hij (blijvende) fysieke en psychische klachten opgelopen (namelijk een gebroken kies, klachten aan zijn polsen, rugklachten en psychische klachten). Voor de hieruit voortvloeiende schade is de Staat aansprakelijk, aldus [verzoekende partij].

3.3.

De Staat verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure?

4.1.

[verzoekende partij] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing (i) een deegeschil betreft als bedoeld in artikel 1019w Rv, (ii) die kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit laatste onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.2.

In dit geval heeft [verzoekende partij] de aansprakelijkheidsvraag aan de rechtbank voorgelegd. Dit is een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen (over causaliteit en schade) in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Inhoudelijke beoordeling

4.3.

De rechtbank moet beoordelen of de Staat aansprakelijk is wegens onrechtmatige geweldsaanwending tegen [verzoekende partij] tijdens zijn detentie in de PI.

4.4.

Op [verzoekende partij] rusten in beginsel de stelplicht en de bewijslast van de gestelde mishandeling en de daardoor geleden schade. Dit is anders als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. In dat geval kan de bewijslast worden omgekeerd. Volgens vaste rechtspraak kan deze uitzondering slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden worden toegepast.

4.5.

Anders dan [verzoekende partij] (onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 10 april 20191) betoogt, ziet de rechtbank in de omstandigheden van deze zaak onvoldoende aanleiding om de bewijslast om te keren Weliswaar is, in strijd met het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de Geweldsinstructie penitentiare inrichtingen, geen schriftelijke melding opgemaakt van het incident, maar [verzoekende partij] is hierdoor naar het oordeel van de rechtbank niet in een onredelijk zware bewijspositie geraakt. De Staat heeft namelijk enige tijd na het incident wel andere verklaringen van betrokkenen laten opstellen (zie onder 2.3 en 2.4). Deze verklaringen geven informatie over de toedracht van het incident zoals dat volgens de Staat heeft plaatsgevonden en de Staat heeft aangevoerd dat een schriftelijke melding, als die destijds wel was opgemaakt, inhoudelijk met de afgelegde verklaringen zou zijn overeengekomen. De rechtbank volgt de Staat in dit betoog. De verklaringen geven namelijk duidelijkheid over de redenen die tot het aanwenden van geweld hebben geleid, de daaruit voortvloeiende gevolgen en op wiens last dit aanwenden van geweld heeft plaatsgevonden (hetgeen overeenkomt met het bepaalde in artikel 9 lid 1 van voornoemde Geweldsinstructie). Daarmee heeft de Staat in het kader van dit deelgeschil voldaan aan de op haar onder de gegeven omstandigheden rustende verzwaarde motiveringsplicht. Het ontbreken van de vereiste schriftelijke melding betekent dus niet dat de rechtmatigheid van het toegepaste geweld in deze procedure niet kan worden getoetst. Van het ernstig ondermijnen van de procespositie van [verzoekende partij] is daarom geen sprake. In de (enkele) feitelijke verhouding tussen partijen ziet de rechtbank in dit geval ook onvoldoende grond voor een omkering van de bewijslast. Stelplicht- en bewijslast ter zake van de onrechtmatigheid van het toegepaste geweld rusten dus overeenkomstig de hoofdregel op [verzoekende partij].

4.6.

[verzoekende partij] stelt dat bij zijn overplaatsing vanuit een groepscel naar een observatiecel sprake is geweest van een buitenproportionele en onmenselijke geweldsuitoefening. Ter onderbouwing hiervan heeft [verzoekende partij] gewezen op de door hem ingediende klacht en de beslissing daarop van de voorzitter van de beklagcommissie. Uit deze uitspraak blijkt volgens [verzoekende partij] niet dat hij een bedreiging vormde of dat het toegepaste geweld noodzakelijk was om de veiligheid van medewerkers of anderen te garanderen. Hij verzette zich alleen omdat hem niets was uitgelegd over de redenen en het doel van de overplaatsing. Vervolgens werd er, zonder hem eerst aan te spreken op zijn gedrag, excessief geweld toegepast.

4.7.

De Staat heeft weersproken dat bij de overplaatsing van [verzoekende partij] sprake is geweest van onrechtmatig handelen van de PI. De Staat heeft hierbij gewezen op de door haar overgelegde verklaringen.

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van de vraag of de Staat aansprakelijk kan worden gehouden wegens onrechtmatige geweldsuitoefening jegens [verzoekende partij] van de thans aanwezige stukken moet uitgaan, aangezien in dit deelgeschil geen plaats is voor nadere bewijslevering.

4.9.

Uit de door de Staat overgelegde verklaringen blijkt dat [verzoekende partij] weigerde mee te werken aan een (verplichte) medische intake door een verpleegkundige van de medische dienst en dat hij boos en opstandig was, wat zich uitte in het uitschelden en bedreigen van het aanwezige personeel van de PI. [verzoekende partij] is vervolgens geboeid vervoerd naar een observatiecel, waarbij [verzoekende partij] bleef schelden en bedreigen en waarbij hij zich verzette door met zijn lichaam te draaien en zich te laten vallen. [verzoekende partij] heeft dit op zichzelf niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Hij heeft, onder verwijzing naar de beslissing van de voorzitter van de beklagcommissie, alleen gesteld dat hij geen bedreiging vormde, maar dit kan uit die beslissing, anders dan uit de eigen stellingen van [verzoekende partij] (weergegeven in de eerste alinea onder het kopje ‘Bevindingen en overwegingen’ op de eerste pagina), niet worden afgeleid. De rechtbank neemt dus aan dat er sprake was van (hevige) weerstand en tegenwerking door [verzoekende partij]. Dit gedrag van [verzoekende partij] zelf en zijn gemoedstoestand maakte het toepassen van geweld noodzakelijk, mede voor de veiligheid van de medewerkers van de PI. De rechtbank ziet geen aanwijzingen om eraan te twijfelen dat de betrokken PI-medewerkers eerst hebben geprobeerd de situatie te de-escaleren en hebben geprobeerd [verzoekende partij] tot bedaren te brengen en pas daarna tot toepassen van fysieke druk zijn overgegaan. Op grond van het huidige dossier blijkt niet dat het tegen [verzoekende partij] toegepaste geweld buitenproportioneel is geweest.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoekende partij] zijn stelling dat tegen hem onnodig excessief (en dus onrechtmatig) geweld is gebruikt onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat, zoals [verzoekende partij] stelt, er door de PI geen uitleg of toelichting is gegeven over de overplaatsing naar een observatiecel maakt dit oordeel niet anders, zeker niet in het licht van het feit dat [verzoekende partij], volgens zijn eigen stelling, zelf om overplaatsing had gevraagd.

4.11.

Het voorgaande leidt er reeds toe dat de verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.12.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.13.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Niet weersproken is dat de inschakeling van een advocaat door [verzoekende partij] redelijk is geweest. Het gaat dus alleen om de vraag of de gemaakte kosten redelijk zijn.

4.14.

De Staat heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het de vraag is of [verzoekende partij] niet in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Mr. El Ballouti heeft in reactie hierop gesteld dat [verzoekende partij] pro bono wordt bijgestaan en dat geen toevoeging is aangevraagd. Nu de Staat dit verder niet meer heeft weersproken, gaat de rechtbank ervan uit dat [verzoekende partij] zonder een toevoeging procedeert.

4.15.

Mr. El Ballouti heeft zijn kosten verbonden aan de behandeling van het verzoekschrift begroot op € 4.891,43. Dit bedrag is gebaseerd op een tijdsbesteding van 16,5 uur tegen een uurtarief van € 245 (vermeerderd met 21% btw) en moet volgens mr. El Ballouti nog worden vermeerderd met de kosten verbonden aan het bestuderen van het verweerschrift, het bijwonen van de zitting en nakosten.

4.16.

Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, heeft mr. El Ballouti geen onderbouwing van de gestelde kosten overgelegd. In het licht hiervan en gelet op het feit dat het om een beperkt en overzichtelijk deelgeschil gaat, zal de rechtbank de totale kosten van het deelgeschil in redelijkheid begroten op een bedrag van € 3.675 exclusief btw (oftewel

€ 4.446,75 inclusief btw). Deze kosten worden nog vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 331, zodat het totaalbedrag uitkomt op € 4.777,75.

4.17.

Omdat de aansprakelijkheid van de Staat in deze procedure niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en de Staat niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door de Staat te worden betaald, als de aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.

4.18. De Staat verzoekt [verzoekende partij] in de kosten verbonden aan de behandeling van het verweerschrift te veroordelen. Dat is alleen mogelijk wanneer sprake is van misbruik van procesrecht aan de zijde van verzoeker. Daarvan is onder de gegeven omstandigheden geen sprake, nog los van het feit dat de Staat daartoe ook geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Dit (tegen)verzoek van de Staat wordt afgewezen. Rechtbank Den Haag 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3869