RBDHA 220126 verzocht 17 uur x 265 + 21%; matiging vanwege eerder verzoekschrift getuigenverhoor; toegewezen 11 uur x € 265 + 21% = € 3.527,15
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 220126 voorligger remt voor overstekend(e) haas/konijn; achterligger aansprakelijk voor kop-staart botsing
- verzocht 17 uur x 265 + 21%; matiging vanwege eerder verzoekschrift getuigenverhoor; toegewezen 11 uur x € 265 + 21% = € 3.527,15
2De feiten
2.1.
Op 8 februari 2018 heeft (rond 19.30 uur) op de [straatnaam] in [plaats] een zogenaamde ‘kopstaartbotsing’ plaatsgevonden waarbij [verweerder] met zijn auto achterop de (huur)auto van [verzoeker] is gereden. De aanrijding heeft plaatsgevonden buiten de bebouwde kom, in een bocht en op een deel van de weg waar ten tijde van de aanrijding een maximum snelheid van 80 kilometer per uur gold.
2.2.
Partijen hebben dezelfde avond samen de voorkant van een aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend.
2.3.
[verweerder] is uit hoofde van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (‘WAM’) verzekerd bij Bovemij.
2.4.
Op 18 februari 2018 heeft [verweerder] de achterkant van het aanrijdingsformulier ingevuld voor zijn verzekeraar Bovemij. [verweerder] heeft opgeschreven dat hij een snelheid had van 50 kilometer per uur en dat [verzoeker] degene is die aansprakelijk is, omdat [verzoeker] “ineens volledig tot stilstand kwam door een onduidelijke oorzaak of een niet-logische oorzaak namelijk een konijn. Na een 1e kort remmoment van [ [verzoeker] ] volgde een volledige stop”.
2.5.
In december 2018 heeft [verzoeker] Bovemij c.s. aansprakelijk gesteld voor de door de aanrijding veroorzaakte schade.
2.6.
Bovemij c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] zonder verkeersnoodzaak heeft geremd en heeft aansprakelijkheid afgewezen.
2.7.
Op 10 januari 2023 heeft [verzoeker] Bovemij c.s. nogmaals aansprakelijk gesteld, wat opnieuw is afgewezen.
2.8.
Op 5 maart 2024 hebben op verzoek van [verzoeker] voorlopig getuigenverhoren plaatsgevonden voor de rechter-commissaris van deze rechtbank, waarbij [verzoeker] en [verweerder] zijn gehoord. Hun verklaringen luiden als volgt, voor zover hier relevant:
( a) Het voorlopig getuigenverhoor van [verzoeker]
Op vragen van de rechter-commissaris antwoord ik als volgt:
(…). Zoals ook op de foto is aangegeven vond de aanrijding plaats op maximaal 20 meter voor het bord “bebouwde kom”, vanaf welk moment een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Ik zat alleen in de auto. Het betrof een gehuurde Audi A3.
U vraagt mij naar de gang van zaken voor de aanrijding. (…). Ik kwam van de snelweg bij de kruising waar het licht op rood stond. Ik was de eerste auto voor het stoplicht. Achter mij kwam toen in ieder geval één auto achterop. Toen het licht op groen sprong, ben ik rechtdoor, als ik me goed herinner, de [straatnaam] opgereden. Bij de eerste bocht zag ik in de groenstrook iets bewegen. Het gaat om de groenstrook die op de tweede foto rechts zichtbaar is. Voor de bocht en voordat ik die beweging zag, reed ik zo’n 50 km/u. In verband met de bocht en de beweging die ik waarnam ben ik gaan afremmen. Het was donker. Ik heb weliswaar meer afgeremd dan voor de bocht nodig was, dit in verband met de beweging die ik zag, maar het was niet een heel sterk remmen. En zeker geen noodstop. Ik heb nog een stukje met een snelheid van 15/20 km/u doorgereden. Ik zag nog steeds bewegingen op de groenstrook. Wat later bleek een dier te zijn, heeft een stukje bijna parallel aan de weg schuin voor mijn auto mee gerend. Daarna stak het voor mijn auto langs de weg over. Toen kwam het in het licht van de straatlampen en van mijn koplampen en zag ik dat het een haas was. Ik weet niet precies hoe groot de afstand was van de auto en de overstekende haas. Ik heb de haas wel in zijn geheel gezien, dus het kan niet heel vlak voor mijn auto zijn dat het overstak. Al met al schat ik de afstand op zo’n 10 meter. Ik reed al langzaam en remde nog steeds toen de haas overstak.
Op dat moment hoorde ik een harde knal en werd ik van achteren aangereden. De hoofdsteun is toen hard tegen mijn achterhoofd geslagen en dat deed heel erg veel pijn.
Toen ik in de bocht reed zag ik in mijn achteruitkijkspiegel achterop komende auto’s. In elk geval één. Ik weet niet precies de afstand tussen mijn auto en de achterop komende auto, maar het was geen ongewone kleine afstand.
Op een vraag van mr. Muntjewerff antwoord ik dat ik achteraf geen remsporen op het wegdek heb gezien. Op voorstel van dhr. [verweerder] hebben wij na de aanrijding de auto’s aan de kant gezet, vervolgens heb ik gekeken of er remsporen op het wegdek aanwezig waren. Die waren er dus niet, niet van mijn auto maar ook niet van de auto van dhr. [verweerder] . Ik wil nogmaals benadrukken dat ik geen noodstop heb gemaakt en ook de ABS van mijn auto niet inwerking is getreden.
( b) Het voorlopig getuigenverhoor van [verweerder]
Op vragen van de rechter-commissaris antwoord ik als volgt:
Ik kwam die avond van de aanrijding van de A4 uit Amsterdam. Ik nam de afslag richting [plaats] oost. Ik weet niet meer of de stoplichten bij de kruising op rood, groen of oranje stonden toen ik daar aan kwam. Ik ben rechtdoor over het kruispunt gereden richting huis. Op het verzekeringsformulier heb ik aangegeven dat mijn snelheid na het kruispunt zo’n 50 km/u zal zijn geweest. Tussen de 50 en 60 km/uur is ook een normale snelheid op dat traject dat ik vaak afleg.
Mr. Muntjewerff vraagt mij naar mijn invulling van het schadeformulier, laatste pagina productie 5. Daar is bij “omstandigheden tijdens voorval” door mij een snelheid ingevuld van 50 km/uur waar ik eerst 20 km/uur had ingevuld en heb doorgehaald. Ik dacht eerst dat er gevraagd werd naar de snelheid waarbij het ongeval plaatsvond. En dat is zo’n 20 km/uur. Maar later begreep ik dat er gevraagd werd naar mijn snelheid voor de aanrijding. Die schat ik zoals gezegd op 50/60 km/uur. Dat heb ik toen aangepast op het formulier.
(…).
(…).
U vraagt mij de gang van zaken vlak voor de aanrijding te beschrijven. Het is voor mij een normaal traject en ik reed daar voor mij op een normaal tijdstip. Het was niet heel druk op de weg. Ik reed de lange flauwe bocht van de [straatnaam] in. Ik zag dat voor mij een auto reed. Ik zag dat deze auto stevig remde. Ik zag de remlichten oplichten. Ik moest ook stevig remmen en kon in eerste instantie tijdig vaart verminderen. Toen gingen de remlichten van de auto voor mij korte tijd uit en daarna remde de auto nog een keer krachtig en kwam volledig tot stilstand. Ik remde ook krachtig, maar dat de auto voor mij nog een keer zo krachtig zou remmen kwam onverwachts. Ik heb die auto toen van achteren aangereden. In mijn perspectief was de botsing niet bijzonder krachtig, maar ik hoorde mijn bumper kraken.
Wij zijn beide uitgestapt en hebben met elkaar besproken wat we met deze situatie aan moesten. Achter ons begon zich een file te vormen. Ik heb toen voorgesteld om naar mijn huis te rijden om de schadeformulieren in te vullen. En dat hebben we toen gedaan. Ik weet niet meer helemaal zeker of we niet eerst de auto’s in de berm hebben gezet. Ik denk van niet, maar ik weet dat niet zeker.
U vraagt mij of we nog naar remsporen hebben gekeken. Dat is niet het geval. Ik weet niet meer of de politie gebeld is. Ik weet wel dat ze niet zijn gekomen.
Ik weet niet meer hoe groot de afstand was tussen mijn auto en de auto van meneer [verzoeker] vlak voor de aanrijding. Die afstand was in ieder geval in eerste instantie genoeg om tijdig af te remmen. Nadat ik de eerste keer stevig had geremd en de remlichten van de auto voor mij weer doofden, was de afstand tussen de beide auto’s naar mijn schatting een meter of tien.
Vlak voor de aanrijding reden er achter mij geen auto’s Dat weet ik zo zeker omdat het even duurde voordat de file ontstond waarover ik eerder verklaarde.
3Het verzoek in deelgeschil en het verweer
3.1.
Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, verklaart voor recht dat Bovemij c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden (im)materiële schade als gevolg van de aanrijding van 8 februari 2018, met begroting van de kosten van dit deelgeschil op € 5.451,05 en te bepalen dat Bovemij c.s. dit bedrag (plus het griffierecht) aan [verzoeker] dient te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’) in samenhang met artikel 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft [verweerder] onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld door zijn auto niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. [verzoeker] ondervindt als gevolg van de aanrijding gezondheidsklachten en beperkingen en is (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geraakt. Bovemij c.s. is hoofdelijk aansprakelijk voor de door de aanrijding veroorzaakte schade van [verzoeker] en is gehouden die te vergoeden.
3.3.
Bovemij c.s. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert verweer. Bovemij c.s. betwist de gestelde (hoofdelijke) aansprakelijkheid. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens [verzoeker] . Onzorgvuldig en onvoorzichtig en daarmee gevaarzettend rijgedrag van [verzoeker] zelf heeft in overwegende mate tot de aanrijding geleid en hij is dan ook degene die aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding (artikel 6:162 BW en artikel 5 van de Wegenverkeerswet), subsidiair is sprake van eigen schuld van [verzoeker] (artikel 6:101 BW). De vermeende schade moet volledig of overwegend voor rekening en risico van [verzoeker] worden gelaten (causale verdeling) en de eventuele toepassing van een billijkheidscorrectie kan niet worden beoordeeld, omdat [verzoeker] slechts summiere (medische) informatie heeft overgelegd waarover partijen buiten rechte nog niet eens hebben gediscussieerd en waaruit bovendien blijkt van uitvoerige pre-existente en niet-ongevalsgerelateerde klachten. Op basis van die summiere informatie kan de gestelde schade, laat staan of die als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt, dan ook niet worden beoordeeld. Daar is nadere bewijslevering voor nodig en daar leent een deelgeschil zich niet voor. Bovemij c.s. betwist ook de kostenbegroting.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten, gelet op de woonplaats van [verzoeker] . De rechtbank moet daarom ambtshalve onderzoeken of zij bevoegd is over de zaak te oordelen en als dit zo is, moet zij ook ambtshalve onderzoeken naar welk materieel recht het gevorderde moet worden beoordeeld.
4.2.
Het verzoek heeft betrekking op een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015, zodat de zogenoemde Herschikte EEX-Verordening (Brussel I bis-Verordening) van toepassing is. Op grond van artikel 4 lid 1 van deze Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil. [verweerder] heeft woonplaats in [woonplaats 2] en Bovemij heeft haar statutaire zetel in Nijmegen en houdt daar kantoor. Het gaat om een verbintenis uit onrechtmatige daad en het schadetoebrengende feit heeft zich voorgedaan in [plaats] . Deze rechtbank is op grond van artikel 1019x Rv zowel relatief als absoluut bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Deze bevoegdheid van de Nederlandse rechter is in overeenstemming met artikel 7 van de WAM. Op grond van artikel 4 van de Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad, het recht van het land waar de schade zich voordoet. Dat is Nederland en dus is Nederlands recht van toepassing op deze zaak. Dat partijen een andere rechtskeuze hebben gemaakt is niet gesteld of gebleken.
Behandeling in deelgeschil
4.3.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of Bovemij c.s. aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden als gevolg van de aanrijding van 8 februari 2018. Partijen zijn het erover eens dat deze vraag zich leent voor behandeling in deelgeschil. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen en zal het verzoek inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] een verkeersfout gemaakt door in de gegeven omstandigheden te hard te rijden en te weinig afstand te houden tot zijn voorligger. Indien [verweerder] langzamer had gereden en/of meer afstand had gehouden tot de auto van [verzoeker] , had hij de aanrijding en de daaruit voorvloeiende schade kunnen voorkomen.
4.5.
Bovemij c.s. betwist dit. Het enkele feit dat [verweerder] achter op de auto van [verzoeker] is gereden, maakt nog niet dat vaststaat dat hij een verkeersfout heeft gemaakt. [verweerder] reed niet te hard en heeft voldoende afstand gehouden tot zijn voorligger. [verweerder] had zijn auto ook op tijd tot stilstand kunnen brengen en de aanrijding kunnen voorkomen, indien [verzoeker] geen verkeersfout had gemaakt door plotseling en zonder (verkeers)noodzaak onnodig hard voor een tweede keer te remmen, zonder rekening te houden met andere weggebruikers. Dit behoefde [verweerder] niet te verwachten. [verzoeker] wist bovendien dat [verweerder] achter hem reed, aldus Bovemij c.s.
4.6.
Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun stellingen verwezen naar het aanrijdingsformulier en de getuigenverklaringen. De lezingen van partijen over wat hieruit volgt lopen uiteen.
4.7.
De rechtbank hecht allereerst waarde aan de voorkant van het aanrijdingsformulier dat [verzoeker] en [verweerder] direct na de aanrijding hebben ingevuld en ondertekend (2.2). De rechtbank houdt het ervoor dat partijen het eens zijn met wat zij hebben ingevuld en de tekening (situatieschets) die op het formulier is gemaakt en dat zij het formulier daarom hebben ondertekend. Dat sprake is van het tegendeel, is ook niet gesteld of gebleken.
4.8.
Op de voorkant van het aanrijdingsformulier staat:
(i) bij de tekening; “[ [verzoeker] ] was breaking because of the rabbit” en;
(ii) bij het deel dat [verweerder] voor zijn verzekeraar heeft ingevuld; “[ [verzoeker] ] was standing still after breaking for the crossing rabbit“.
4.9.
De achterkant van het aanrijdingsformulier kan niet tot uitgangspunt worden genomen, omdat dit eenzijdig door [verweerder] is ingevuld en niet door [verzoeker] is (gezien of) ondertekend.
4.10.
Over de getuigenverklaringen overweegt de rechtbank het volgende.
4.11.
[verzoeker] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij voor de bocht en voordat hij voor de eerste keer iets zag bewegen in de groenstrook, met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur reed en dat hij vanwege de bocht en omdat hij iets zag bewegen in de groenstrook (voor de eerste keer) is gaan afremmen, weliswaar krachtiger dan voor de bocht nodig was, maar in verband met de beweging in de groenstrook. Vervolgens is hij nog een stuk doorgereden met een snelheid van 15 tot 20 kilometer per uur. Zijn auto werd aangereden op het moment dat hij al langzaam reed en nog steeds remde toen het dier op een afstand van ongeveer 10 meter voor zijn auto de weg overstak.
4.12.
[verweerder] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij stevig moest remmen, omdat hij zag dat [verzoeker] voor de eerste keer remde en dat [verzoeker] vervolgens nog een keer krachtig remde en volledig tot stilstand kwam. Hoewel [verweerder] ook krachtig remde, verwachtte hij niet dat [verzoeker] nog een keer krachtig zou remmen en heeft hij daarom de auto van [verzoeker] aangereden.
4.13.
Partijen zijn het erover eens dat zij vlak voor de aanrijding (en na de eerste remming door [verzoeker] ) een vrijwel gelijke – zeer gematigde – snelheid hadden van circa 20 kilometer per uur. [verweerder] heeft tijdens het getuigenverhoor verklaard dat er toen 10 meter afstand tussen de auto’s zat en heeft zich in het kader van deze procedure op het standpunt gesteld dat hij met genoemde snelheid slechts 8 meter nodig zou hebben gehad om zijn auto tot stilstand te brengen. Nu de aanrijding heeft plaatsgevonden, staat vast dat dit betoog van [verweerder] niet kan kloppen.
4.14.
Ook het betoog van Bovemij c.s. dat het tijdig tot stilstand komen niet is gelukt, omdat [verzoeker] geheel onverwachts en zonder reden of (verkeers)noodzaak remde, wat [verweerder] niet behoefde te verwachten, gaat niet op. [verzoeker] had al een eerste keer geremd en blijkens de verklaring van [verweerder] reden de auto’s daarna ongeveer even snel. [verzoeker] benadrukt dat hij geen noodstop heeft gemaakt. Hoewel er geen politie ter plaatse is geweest die de aan- of afwezigheid van remsporen heeft onderzocht, vindt de lezing van [verzoeker] bevestiging in de door hem beschreven gang van zaken voorafgaand aan de aanrijding, waar [verweerder] onvoldoende tegenover heeft gesteld. [verzoeker] heeft verklaard dat hij langzamer is gaan rijden vanwege de bocht en omdat hij iets zag bewegen in de groenstrook, dat hij op den duur in de gaten kreeg wat er gaande was en dat het dier dat zich in de groenstrook bevond, nog een stukje met zijn auto heeft meegerend voordat het de weg overstak. [verzoeker] heeft zijn rijgedrag dus aangepast op een onzekere situatie en toen hem duidelijk werd waar hij rekening mee moest houden, is hij het dier in de gaten blijven houden en langzaam blijven rijden. Dat er in die situatie, met een zeer gematigde snelheid van circa 20 kilometer per uur aanleiding voor [verzoeker] bestond om een noodstop te maken, ligt niet voor de hand en rijmt ook niet met zijn verklaring dat het dier uiteindelijk op een afstand van circa 10 meter voor zijn auto is overgestoken. Op (de voorkant van) het aanrijdingsformulier staat ook niets over een plotselinge of onverwachte noodstop. Op dit formulier zijn slechts twee opmerkingen gemaakt, waaruit valt af te leiden dat partijen het er tijdens het invullen van het formulier over eens waren dat [verzoeker] eerst heeft afgeremd en dat het dier overstak voordat hij stilstond. [verweerder] schrijft immers: “[verzoeker] was standing still after breaking for the crossing rabbit”. In het licht van dit een en ander zijn er meer aanknopingspunten voor het volgen van de uitleg van [verzoeker] dan de uitleg van [verweerder] .
4.15.
[verweerder] had moeten afwachten wat zijn voorligger ging doen. Gelet op de toelichting van [verweerder] ter zitting “er werd geremd, ik rem mee, vervolgens werd de rem losgelaten, dus ik denk we rijden verder (…)” houdt de rechtbank het ervoor dat [verweerder] er (ten onrechte) van is uitgegaan dat er niet meer zou worden geremd, zijn rem heeft losgelaten (en mogelijk gas bij heeft gegeven) en niet meer goed genoeg heeft opgelet. Het eerste remmoment van [verzoeker] , waarover [verzoeker] heeft verklaard dat hij wellicht meer heeft afgeremd dan nodig en [verweerder] heeft verklaard dat dit “stevig” was, en de daaropvolgende veel lagere snelheid van beide auto’s dan ter plekke is toegestaan, hadden voor [verweerder] aanleiding moeten zijn tot meer oplettendheid van de kant van [verweerder] en een afwachtende houding, waarbij hij voldoende afstand tot [verzoeker] in acht nam (door zijn snelheid verder te verlagen), zodat hij beter had kunnen anticiperen op de situatie.
4.16.
[verzoeker] mocht zijn rijgedrag aanpassen omdat hij in de groenstrook iets zag bewegen dat mogelijk zou oversteken. Hij heeft op de situatie geanticipeerd door af te remmen en verder af te remmen toen hij zag dat het een dier was dat schuin voor zijn auto meerende en vervolgens voor zijn auto de weg overstak. Dat [verzoeker] wist dat [verweerder] achter hem reed, doet niets af aan het feit dat [verweerder] een zodanige afstand tot zijn voorganger had moeten behouden dat hij zijn auto tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Uit het feit dat er tijdens de eerste remming geen aanrijding heeft plaatsgevonden, blijkt dat [verzoeker] voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van [verweerder] . Het was vervolgens aan [verweerder] om te zorgen dat hij voldoende afstand hield om de aanrijding naar aanleiding van de tweede remming te voorkomen.
4.17.
[verweerder] heeft een verkeersfout gemaakt en onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld door zijn rijgedrag onvoldoende aan te passen op de verkeerssituatie. [verweerder] had een aanrijding kunnen voorkomen, maar heeft in de gegeven omstandigheden te hard gereden (wellicht toch harder dan 20 kilometer per uur) en/of onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorligger (en/of wellicht helemaal niet geremd) en/of niet goed genoeg opgelet. [verzoeker] valt onder de gegeven omstandigheden geen verwijt te maken. Het beroep van Bovemij c.s. op eigen schuld van de zijde van [verzoeker] slaagt niet. Aan (de beoordeling van) een eventuele verdeling van de causaliteit en/of de toepassing van een billijkheidscorrectie wordt niet toegekomen.
4.18.
Nu [verweerder] jegens [verzoeker] aansprakelijk is, heeft [verzoeker] op grond van artikel 6 WAM een rechtstreeks vorderingsrecht op Bovemij en Bovemij gehouden is de door [verzoeker] geleden schade te vergoeden.
4.19.
Het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. Het is aan partijen om het schadetraject (inclusief de beantwoording van de vraag welke schade als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt) op te pakken en af te wikkelen.
Kosten deelgeschil
4.20.
De advocaat van [verzoeker] maakt aanspraak op de vergoeding van een bedrag van € 5.451,05 (17 uur x een uurtarief van € 265, te vermeerderen met 21% btw) plus een bedrag van € 331,00 aan griffierecht. Bovemij c.s. betwist de begroting van de kosten voor het deelgeschil. Samengevat stelt Bovemij c.s. zich op het standpunt dat de gestelde kosten en de hoogte daarvan bovenmatig en niet reëel zijn.
4.21.
Ingevolge 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten op de voet van artikel 6:96 BW, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit betekent dat de benadeelde deze kosten in beginsel vergoed kan krijgen van een andere partij, als diens aansprakelijkheid tenminste komt vast te staan. Voorts dient hierbij de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4.22.
Deze laatste situatie is niet aan de orde. Het is redelijk dat met onderhavige procedure kosten zijn gemaakt. Gelet op de gemiddelde complexiteit van het geschil en in aanmerking genomen het verweer van Bovemij c.s. dat het verzoekschrift overwegend gelijk is aan het verzoekschrift dat [verzoeker] eerder heeft ingediend voor het houden van de voorlopige getuigenverhoren en dat het verzoek- en verweerschrift een herhaling van zetten bevatten, omdat de standpunten van partijen steeds duidelijk en consistent zijn geweest, waar de advocaat van [verzoeker] vervolgens onvoldoende tegenover heeft gezet, is matiging van de gestelde tijdsbesteding van 17 uren op zijn plaats.
4.23. De rechtbank begroot de tijdsinvestering van de advocaat van [verzoeker] in verband met het deelgeschil op 11 uren in totaal, zoals aangevoerd door Bovemij c.s. en vermenigvuldigt dit met het gehanteerde uurtarief van € 265 (waartegen geen verweer is gevoerd) en komt dan uit op een bedrag van € 2.915 nog te vermeerderen met 21% btw, derhalve € 3.527,15 plus € 331,00 voor het betaalde griffierecht. Rechtbank Den Haag 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2094