Overslaan en naar de inhoud gaan

RBGEL 250226 verzocht 28,5 x € 200 + 21%; begroot, niet toegewezen, 20 uur x € 200 + 21% = € 4840

RBGEL 250226 val over stoeptegel niet vastgesteld; hoogteverschil (2 á 3 cm) volgens CROW richtlijn matig; geen gebrekkige opstal of schending zorgplicht
- verzocht 28,5 x € 200 + 21%; begroot, niet toegewezen, 20 uur x € 200 + 21% = € 4840
 

1. De gronden van de beslissing

1.1.

[verzoeker] stelt dat hij in de ochtend van 26 september 2023 ten val is gekomen door een uitstekende stoeptegel op de hoek van het trottoir bij de huisartsenpraktijk in Nijmegen die hij kort daarvoor had bezocht. Hij stelt als gevolg daarvan onder andere een pijnlijke schouder en een afgebroken tand te hebben opgelopen. Hij meent dat sprake is van een gebrekkige opstal dan wel van onrechtmatig handelen van de gemeente Nijmegen. De gemeente Nijmegen betwist aansprakelijk te zijn. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen en licht dit als volgt toe.

De toedracht staat niet vast

1.2.

Voor de beoordeling van de vraag of de gemeente aansprakelijk is, is in de eerste plaats van belang dat de toedracht van het ongeval vast komt te staan. Alleen dan kan immers worden vastgesteld of sprake is van een gebrekkige opstal of het laten voortbestaan van een gevaarzettende situatie. In dat kader heeft [verzoeker] gesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de hoek van het trottoir bij de huisartsenpraktijk en heeft hij foto’s overgelegd van zes verschillende plekken op dat trottoir waarop hij vijftien stoeptegels heeft aangeduid die volgens hem matig oneffen zijn. Hij heeft de specifieke locatie c.q. stoeptegel waar(over) hij is gevallen echter niet aangewezen. In elk geval een deel van de locaties op de foto’s lijkt te zijn gelegen buiten de overzichtsfoto van de ongevalslocatie die [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft opgenomen. Er hebben zich geen getuigen gemeld die het ongeval hebben zien gebeuren. De gemeente c.s. heeft betwist dat [verzoeker] is gevallen als gevolg van een uitstekende stoeptegel en heeft erop gewezen dat [verzoeker] ook door bijvoorbeeld een verstapping of verzwikking ten val kan zijn gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] ook niet specifieker kunnen aanduiden waar en waarover hij is gevallen. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] is gevallen door een uitstekende stoeptegel.

Geen gebrekkige opstal of schending zorgplicht

1.3.

Ook als ervan wordt uitgegaan dat [verzoeker] is gevallen door een uitstekende stoeptegel kan nog niet worden vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige opstal of onrechtmatig handelen. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente de beheerder is van het trottoir waarop [verzoeker] is gevallen. Op grond van artikel 6:174 BW is de wegbeheerder aansprakelijk voor schade wanneer de weg gebrekkig is, dat wil zeggen dat het niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en het gevaar dat daardoor ontstaat zich ook heeft verwezenlijkt. Daarnaast kan de wegbeheerder aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW. Hierbij moet het gaan om een schending van de zorgplicht van de wegbeheerder, in die zin dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken dermate in gevaar heeft gebracht dat dit als gevaarzettend moet worden aangemerkt. Specifiek voor de vraag of de openbare weg voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen komt het voor beide grondslagen volgens jurisprudentie van de Hoge Raad aan op de naar objectieve maatstaven te beantwoorden vraag of de weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is, met welke mate van onoplettendheid en onvoorzichtigheid van weggebruikers de gemeente rekening dient te houden en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.1

1.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hoogteverschil van de stoeptegels op de plek waar [verzoeker] ongeveer ten val moet zijn gekomen ten tijde van het ongeval twee centimeter, maar in elk geval niet meer dan drie centimeter was. Uit de CROW-richtlijn volgt dat dergelijke oneffenheden in de weg worden aangemerkt als matig. Uit een door de gemeente c.s. overgelegd inspectierapport blijkt onweersproken dat geen sprake is van oneffenheden die nopen tot klein onderhoud. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente c.s. toegelicht dat dit betekent dat er geen oneffenheden van meer dan 1,5 cm zijn aangetroffen en ook geen andere schades, zoals spoorvorming. De oneffenheid op de plek waar het ongeval volgens [verzoeker] heeft plaatsgevonden is daarmee niet aanmerkelijk en dus in beginsel acceptabel. De kantonrechter volgt de gemeente c.s. in haar standpunt dat van trottoir niet verwacht kan worden dat dit altijd volledig egaal is en voetgangers – met name in de buurt van bomen waar wortels omhoog kunnen komen – bedacht moeten zijn op enige hoogteverschillen. Van belang is ook dat uit de overgelegde foto’s blijkt dat sprake is van een breed en overzichtelijk trottoir met een duidelijk zicht op de stoeptegels. De conclusie is dat van een gebrekkige opstal geen sprake is.

1.5.

Het voorgaande wordt niet anders doordat het trottoir zich bevindt nabij een huisartsenpraktijk. Ook als het zo is dat daar minder oplettende of minder valide mensen langslopen, is niet duidelijk hoe dit voor [verzoeker] heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Gesteld noch gebleken is dat hij op het moment van het ongeval zelf dermate kwetsbaar was dat de inrichting van de weg voor hem een gevaar opleverde. Ook de omstandigheid dat zich vijftien oneffenheden op het trottoir bevinden maakt niet dat het trottoir gebrekkig is. Juist als meer stoeptegels oneffen zijn, geldt een verhoogde mate van oplettendheid. Een matige oneffenheid in de weg leidt op zichzelf niet tot een gebrekkige opstal.

1.6.

Nu geen sprake is van een gebrekkige opstal vervalt ook de grond voor aansprakelijkheid wegens het in het leven roepen en in stand houden van een gevaarzettende situatie. Gesteld noch gebleken is daarnaast dat de gemeente haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden. Daar komt bij dat de gemeente tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft toegelicht iedere drie jaar de trottoirs te inspecteren en dat is in dit geval ook gebeurd. Haar komt ook ruimte toe bij het opstellen en uitvoeren van dat beleid. Daarnaast heeft zij adequaat op de ongevalsmelding gereageerd door de locatie te inspecteren, op te meten en te repareren. [verzoeker] heeft desgevraagd niet kunnen toelichten wat nog meer van de gemeente had mogen worden verwacht. Van onrechtmatig handelen van de gemeente is dan ook geen sprake.

De kosten van het deelgeschil

1.7.

[verzoeker] heeft de kosten van het deelgeschil begroot op 28,5 uur á € 200,00 excl. btw per uur. De gemeente c.s. heeft de begrote kosten gemotiveerd betwist. Samengevat luidt haar standpunt dat het aantal uur ruim is gerekend en dat het tarief exclusief btw aan de hoge kant is.

1.8.

Van een advocaat van een LSA-kantoor mag een efficiënte en doelmatige tijdsbesteding worden verwacht. In aanmerking genomen het verweer van de gemeente en gelet op de aard en de beperkte complexiteit van de zaak, acht de kantonrechter een tijdsinvestering van de advocaat van [verzoeker] in verband met het deelgeschil van 20 uren in totaal reëel. Het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde uurtarief acht de kantonrechter wel redelijk, zodat dit niet zal worden gematigd. De kantonrechter komt derhalve uit op een bedrag van in totaal € 4.933,00 (= 20 uren x € 200,00 + 21% btw + € 93,00 aan griffierecht).

1.9.

Omdat de aansprakelijkheid van de gemeente c.s. niet is komen vast te staan en ook niet is erkend, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en de gemeente c.s. niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door de gemeente c.s. te worden betaald als haar aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan.
Rechtbank Gelderland 25 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2411

1Vgl. Hoge Raad 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236.