RBMNE 020726 verzocht 19,17 uur x € 315 + 21%; rb mag uurtarief niet beoordelen; toegewezen, 15 uur x € 315 + 21% = € 5.717,25
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 020726 erkend is erkend; afwijkende verklaring tegenpartij was reeds bekend bij erkenning; ass. blijft gebonden;
verzocht 19,17 uur x € 315 + 21%; rb mag uurtarief niet beoordelen; toegewezen, 15 uur x € 315 + 21% = € 5.717,25
2De kern van de zaak
2.1
Op 24 april 2025 heeft in Utrecht een auto-ongeluk plaatsgevonden tussen [verzoekster] enerzijds en haar ex-partner [A] en zijn nieuwe partner [B] anderzijds. [verzoekster] heeft hierdoor letsel opgelopen. [verzoekster] heeft de Nederlandse vertegenwoordiger (InterEurope) van de WAM-verzekeraar van de betrokken auto (de auto van [B] ) aangesproken. Aanvankelijk is de aansprakelijkheid afgewezen, maar daarna is deze op 22 juli 2025 alsnog erkend. Op 22 oktober 2025 is de InterEurope teruggekomen op deze erkennning en heeft zij de aansprakelijkheid afgewezen. [verzoekster] is van mening dat InterEurope niet mag terugkomen op deze erkenning. Zij is daarom deze procedure gestart. De rechtbank is het met [verzoekster] eens en wijst de verzoeken van [verzoekster] toe.
3De beoordeling
De zaak leent zich voor behandeling in deelgeschil
3.1
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
3.2
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
3.3
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of InterEurope terug mag komen op haar erkenning van aansprakelijkheid. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
InterEurope is de procespartij die door [verzoekster] wordt aangesproken
3.4
Tijdens de mondelinge behandeling is ter sprake gekomen of [verzoekster] de juiste procespartij heeft aangesproken. Zoals te lezen is in het verzoekschrift richt het verzoekschrift zich tegen Link4 die in Nederland volgens het Groene Kaart stelsel vertegenwoordigd wordt door InterEurope. Link4 is de Poolse WAM-verzekeraar van de auto van [B] en InterEurope is de Nederlandse vertegenwoordiger van Link4. [verzoekster] heeft InterEurope in het verzoekschrift als verweerster aangeduid en zij heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat InterEurope in dit geval de door haar aangesproken partij is. Volgens de wederpartij is Link4 als risicodrager de aan te spreken partij. Er is dan ook namens Link4 een verweerschrift ingediend.
3.5
Op grond van het Groene Kaartstelsel kan een benadeelde in de eigen lidstaat bij een ongeval met een buitenlands voertuig het ‘Regelend Bureau’ aanspreken, die de schade met de benadeelde afwikkelt voor uiteindelijk de buitenlandse verzekeringsmaatschappij. De daadwerkelijke schadeafwikkeling gebeurt vaak door zogenaamde correspondenten. Niet ter discussie staat dat InterEurope de correspondent voor Link4 in Nederland is. InterEurope is dus de partij die de schade van [verzoekster] in behandeling dient te nemen. Het is daarom juist dat [verzoekster] InterEurope in het verzoekschrift heeft geadresseerd als de aangesproken partij. De rechtbank gaat er hierna daarom steeds vanuit dat InterEurope de wederpartij van [verzoekster] is.
3.6
De rechtbank begrijpt het verweerschrift zo dat deze weliswaar door Link4 is ingediend, maar dat zij ook namens InterEurope verweer heeft gevoerd. Link4 heeft in het verweerschrift namelijk erkend dat er sprake is van een Nederlandse vertegenwoordiger, namelijk InterEurope. Bovendien is het steeds InterEurope geweest met wie [verzoekster] heeft gecorrespondeerd over (het erkennen van) de aansprakelijkheid en het terugkomen op de erkenning van aansprakelijkheid. Kennelijk heeft InterEurope informatie hierover aan Link4 doorgegeven, waardoor Link4 het verweerschrift heeft kunnen opstellen.
InterEurope mag niet terugkomen op haar erkenning van aansprakelijkheid
3.7
In de toelichting op de Gedragscode Behandeling Letselschade is het volgende opgenomen over het terugkomen op een erkenning van aansprakelijkheid:
“d Erkend is erkend
Heeft de verzekeraar aansprakelijkheid (gedeeltelijk) erkend, dan kan zij dat in beginsel niet meer in het nadeel van de benadeelde wijzigen. Dat heeft de Hoge Raad overwogen in zijn arrest van 19 september 2003, NJ 2003, 619. Uit oogpunt van zekerheid mag de benadeelde de verzekeraar in beginsel aan haar (of namens haar gedane) uitspraken houden. Stel dat de verzekeraar aan de benadeelde schrijft, dat zij aansprakelijkheid erkent voor de gevolgen van het ongeval, dan is zij daaraan gebonden. De benadeelde moet er namelijk op kunnen vertrouwen dat de verzekeraar als professionele partij zorgvuldig met aansprakelijkheidsvraagstukken omgaat.”
3.8
Een verzekeraar is in beginsel dus gebonden aan een door of namens haar gedane erkenning van aansprakelijkheid, maar het kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat zij aan haar erkenning wordt gehouden (zie Gerechtshof Den Haag 29 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2546).
3.9
Volgens InterEurope is er sprake van dwaling, waardoor zij niet gehouden kan worden aan haar erkenning van de aansprakelijkheid van 22 juli 2025. InterEurope zou er namelijk pas later achter zijn gekomen dat de erkenning van aansprakelijkheid was gebaseerd op een weergave van één partijverklaring, namelijk die van [verzoekster] . Met het ontvangen van de “kenmerkenmelding plus” van 22 oktober 2025 zou InterEurope pas te weten zijn gekomen dat er geen definitieve conclusie was getrokken door de politie over de toedracht van het ongeval. Vanwege dit nieuwe relevante feit zou InterEurope mogen terugkomen op haar erkenning, aldus InterEurope.
3.10
De rechtbank is van oordeel dat van dwaling of een nieuw relevant feit geen sprake is, zodat InterEurope wel aan haar onvoorwaardelijke erkenning van 22 juli 2025 gebonden is. Dit oordeel wordt hierna nader toegelicht.
3.11
Het is gebleken dat InterEurope op het moment van de erkenning op 22 juli 2025 de beschikking had over een aantal documenten en informatie, namelijk:
-
Het proces-verbaal van aangifte van [verzoekster] van 1 mei 2025, waarin [verzoekster] kort gezegd heeft verklaard dat zij werd achtervolgd door [A] en dat zij vervolgens door hem van achteren werd aangereden;
-
Het mutatierapport van 7 mei 2025, dat grotendeels is zwartgelakt. In dit rapport is te lezen dat [verzoekster] is ingestapt in haar voertuig en vervolgens is vertrokken. [A] zou haar daarop zijn gevolgd in zijn voertuig en achter haar aan zijn gereden, waarbij hij tegen de achterzijde van het voertuig van [verzoekster] is gebotst.
-
De verklaring van [verzoekster] over de toedracht van het ongeval, namelijk kort gezegd dat zij werd achtervolgd door [A] en dat hij haar van achteren heeft aangereden.
-
De verklaring van [A] over de toedracht van het ongeval (zoals blijkt uit productie 3 bij het verzoekschrift).
InterEurope heeft aanvankelijk op 26 mei 2025 de aansprakelijkheid afgewezen, omdat sprake was van tegengestelde lezingen over de toedracht van het ongeval. Over de verklaring van [A] schrijft InterEurope namelijk het volgende: “Our insurer send us a statement that he is not responsible for this collision. He claim that [.] done this intentionally move back and hit in the front of insurer vehicle”. Volgens [A] zou het dus [verzoekster] zijn die het ongeval heeft veroorzaakt door achteruit tegen [A] aan te rijden.
Op basis van en met kennis van bovengenoemde documentatie en informatie heeft InterEurope op 22 juli 2025 het standpunt ingenomen dat sprake is van aansprakelijkheid en zij heeft deze op dat moment erkend.
3.12
Op 22 oktober 2025 is InterEurope teruggekomen op deze erkenning. Volgens InterEurope heeft zij dat gedaan omdat zij op dat moment de beschikking kreeg over een “kenmerkenmelding plus” van de politie. Uit dit rapport blijkt dat [A] wederom heeft verklaard dat hij achter [verzoekster] is aangereden, maar dat zij opeens achteruit tegen de door hem bestuurde auto van [B] aan reed. Deze informatie was echter niet nieuw voor InterEurope. InterEurope beschikte namelijk, zoals blijkt uit de e-mail van 26 mei 2025 (productie 3 bij het verzoekschrift), op 22 juli 2025 al over de verklaring van [A] over de toedracht van het ongeval. Dit is dus geen nieuw feit op basis waarvan InterEurope mocht terugkomen op de erkenning van de aansprakelijkheid.
3.13
De stelling van InterEurope ter zitting, dat zij het mutatierapport destijds als een conclusie van de politie heeft opgevat en niet als een verklaring van [verzoekster] en dat zij daarom aansprakelijkheid heeft erkend, gaat om meerdere redenen niet op.
Ten eerste was de politie niet ter plaatse toen de aanrijding plaatsvond. Ook waren er geen directe getuigen van de aanrijding. Het kan daarom niet anders dan dat het (grotendeels zwartgelakte) mutatierapport is gebaseerd op een verklaring van een betrokkene, in dit geval dus [verzoekster] . Dat moet ook voor InterEurope duidelijk zijn geweest toen zij aansprakelijkheid erkende. Een mutatierapport is geen proces-verbaal waarbij mensen zijn gehoord, maar een weergave van wat de politie ter plaatse heeft aangetroffen. Een verzekeraar wordt geacht daarmee bekend te zijn.
Verder heeft InterEurope de stelling ingenomen dat uit de later verkregen “kenmerkenmelding plus” blijkt dat [A] toen al afwijkend van [verzoekster] had verklaard. Echter, dat [A] ’s verklaring afweek van die van [verzoekster] was al bekend bij InterEurope, aangezien InterEurope in de e-mail van 26 mei 2025 zelf de verklaring van [A] heeft weergegeven, namelijk dat [verzoekster] achteruit zou zijn gereden. Dit was voor InterEurope dus geen nieuw feit. Als InterEurope uit ging van de juistheid van de verklaring van [A] , dan had er voor InterEurope niets aan in de weg gestaan om vast te houden aan de afwijzing van de aansprakelijkheid. Desondanks heeft InterEurope de aansprakelijkheid, terwijl zij op de hoogte was van de verklaring van [A] , erkend. Daar mag zij nu niet op terugkomen, omdat er geen nieuwe feiten zijn gebleken en van dwaling dus geen sprake is.
3.14
Ten overvloede overweegt de rechtbank over de toedracht van het ongeval het volgende. Uit de context waarin de aanrijding heeft plaatsgevonden volgt dat [verzoekster] en haar ex partner [A] in een vechtscheiding verwikkeld waren – kort voor de aanrijding er een incident op een parkeerplaats plaatsvond - en dat [A] in de auto van zijn partner [B] [verzoekster] voorafgaand aan de aanrijding achtervolgde. Het is onder die omstandigheden buitengewoon – om niet te zeggen volstrekt - onwaarschijnlijk dat [verzoekster] , die bezig was met het ontvluchten van een nieuwe confrontatie met [A] , in een bocht haar auto tot stilstand gebracht zou hebben om opzettelijk achteruitrijdend tegen de auto waar [A] in zat aan te rijden.
InterEurope moet de kosten van het deelgeschil betalen
3.15
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.
3.16
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
3.17
[verzoekster] maakt aanspraak op € 7.611,65 inclusief btw en inclusief het griffierecht. Intereurope heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. De rechtbank kan (mag) daarom de redelijkheid van het gevorderde uurtarief van € 315,00 exclusief btw niet beoordelen, hoewel de rechtbank dit uurtarief niet vindt passen bij de beperkte complexiteit van deze zaak. Daarom zullen er wel hoge eisen worden gesteld aan de door mr. Hovinga bestede tijd in deze zaak, gelet op de specialisatie van mr. Hovinga in letselschadezaken. Met betrekking tot het aantal uren heeft InterEuropeaangevoerd dat 19,17 uur bovenmatig is. Volgens InterEurope is een aantal van 13 uren redelijk.
3.18
De rechtbank is van oordeel dat in de zaak een urenbesteding van 15 uur redelijk is, gelet op de beperkte complexiteit van de zaak. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 15 uren × € 315,00 exclusief btw, dus op € 5.717,25, inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 341,00. InterEurope zal tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld. Rechtbank Midden-Nederland 2 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4208