Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 260226 verzocht 17,5 uur x € 305 + 21%, begroot, niet toegewezen, o.b.v. € 280 € 5.929,00

RBNHO 260226 elektrische bakfiets rijdt in tegenovergestelde richting op fietspad en botst in het donker op fietskoerier; geen aansprakelijkheid koerier
- verzocht 17,5 uur x € 305 + 21%, begroot, niet toegewezen, o.b.v. € 280 € 5.929,00
 

2De feiten

2.1.

Op 8 januari 2021 heeft er omstreeks 18:45 uur een ongeval plaatsgevonden op het fietspad langs [adres] in [woonplaats] . Bij het ongeval zijn [verzoekster] en [verweerder] met elkaar in botsing geraakt. Als gevolg van het ongeval heeft [verzoekster] ernstig (hersen)letsel opgelopen. [verzoekster] kan zich het ongeval niet herinneren.

2.2.

Hieronder – op een foto van GoogleMaps – is [adres] te zien ter hoogte van de plaats waar het ongeval heeft plaatsgevonden en gezien vanuit de richting die [verzoekster] heeft gefietst. Het ongeval heeft plaatsgevonden op het fietspad aan de linkerzijde van de foto. [verzoekster] reed tijdens het ongeval aan de verkeerde kant van de weg en dus tegen de richting in. Anders dan op de foto was het ten tijde van het ongeval donker.

2.3.

Ten tijde van het ongeval reed [verzoekster] op een elektrische bakfiets. [verweerder] reed op een racefiets en was onderweg om via UberEats een maaltijd te bezorgen.

2.4.

Vlak voor de aanrijding met [verzoekster] heeft [verweerder] een andere fietser ingehaald, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). [naam] heeft de aanrijding zien gebeuren.

2.5.

Op 12 mei 2023 heeft bij deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij [verzoekster] , [verweerder] , [naam] en [echtgenoot van verzoekster] (de – thans – echtgenoot van [verzoekster] ) als getuigen zijn gehoord.

2.6.

Op verzoek van [verzoekster] heeft Baan Hofman een technische verkeersongevallenanalyse gemaakt. Het rapport dateert van 24 januari 2025.

2.7.

Op verzoek van verweerders is door Bosscha Ongevallenanalyse (hierna: Bosscha) een expertiserapport opgesteld. In het rapport wordt gereageerd op de bevindingen van Baan Hofman. Het rapport dateert van 23 december 2025.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt – samengevat – dat de rechtbank:

I. bepaalt dat verweerders medeaansprakelijk zijn voor het ontstaan van het ongeval op 8 januari 2021;

II. bepaalt dat de vergoedingsverplichting van verweerders – met toepassing van de billijkheidscorrectie – 75% is;

III. de kosten van deze procedure begroot en verweerders hoofdelijk veroordeelt om de begrote kosten aan [verzoekster] te betalen.

3.2.

Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd.

Volgens [verzoekster] is [verweerder] medeaansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval. [verweerder] fietste met een hoge snelheid over een donker fietspad, haalde vlak voor het ongeval iemand in en voerde onvoldoende felle verlichting. Hij heeft daarbij verklaard dat hij vlak voor het ongeval op zijn mobiele telefoon keek. Dit betekent dat hij – in ieder geval voor een kort moment – geen zicht had op de weg voor hem. Hij heeft onvoldoende uitgekeken. [verweerder] heeft onvoldoende geanticipeerd op de omstandigheden en eventuele fouten van andere weggebruikers, waardoor hij niet tijdig heeft kunnen stoppen of uitwijken. Dit betekent dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 5 Wegenverkeerswet (WvW) en artikel 19 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (Rvv). [verweerder] heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [verzoekster] in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) en is medeaansprakelijk.

3.3.

Verweerders verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe het volgende aan.

Volgens [verweerder] is het ongeval ontstaan als gevolg van het verkeersgedrag van [verzoekster] en is van aansprakelijkheid aan zijn zijde geen sprake. Voor het overige sluit [verweerder] zich aan bij het door UberEats en AXA XL gevoerde verweer.

Ook UberEats en AXA XL voeren aan dat [verzoekster] zelf verantwoordelijk is voor het ontstaan van het ongeval. Zij heeft er zelf voor gekozen om aan de verkeerde kant van de weg te fietsen. [verweerder] hoefde dit verkeersgedrag van [verzoekster] niet te verwachten. Daarbij is het aannemelijk dat [verzoekster] geen verlichting voerde ten tijde van het ongeval, omdat [verweerder] en [naam] beide hebben verklaard dat zij [verzoekster] voor het ongeval niet hebben waargenomen. Anders dan [verzoekster] stelt voerde [verweerder] juist wel verlichting. Dit is bevestigd door [naam] . Verder blijkt uit het expertiserapport van Bosscha dat [verzoekster] niet volledig rechts op het fietspad reed, maar dat zij zelfs aan de linkerkant van het midden heeft gefietst. Als [verzoekster] wel volledig rechts had gefietst, had het ongeval mogelijk niet hebben plaatsgevonden. Ten slotte betwisten UberEats en AXA XL dat [verweerder] te hard zou hebben gefietst. Uit de gegevens van de UberEats-app blijkt dat hij op het moment van het ongeval 21,5 km/u fietste. Gelet op het feit dat [verzoekster] op een elektrische fiets reed is het aannemelijk dat zij minstens net zo hard, zo niet harder, heeft gefietst. Al deze omstandigheden maken dat de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van het ongeval bij [verzoekster] zelf ligt en dat van aansprakelijkheid aan de zijde van [verweerder] geen sprake is.

4De beoordeling

Juridisch kader deelgeschil

4.1.

[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

4.2.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.3.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [verweerder] medeaansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval en daarmee voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Inhoudelijke beoordeling

Toetsingskader

4.4.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of [verweerder] medeaansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval op 8 januari 2021. Dat [verzoekster] deels zelf aansprakelijk is, wordt door haar niet betwist.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt in het Nederlandse recht is dat ieder zijn eigen schade draagt. Dat ligt anders als de geleden schade het gevolg is van het onrechtmatig handelen van een ander. [verzoekster] stelt dat [verweerder] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 lid 1 BW, doordat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 5 WvW en artikel 19 Rvv.

4.6.

Ingevolge artikel 19 Rvv moet de bestuurder in staat zijn diens voertuig – in dit geval zijn fiets – tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Artikel 5 WvW bepaalt dat het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

4.7.

Bij de beantwoording van de vraag of [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld kan de rechtbank slechts uitgaan van de feiten en omstandigheden die voldoende zijn komen vast te staan. [verzoekster] verwijt [verweerder] – kort gezegd – dat hij onvoldoende oplettend is geweest. Hij heeft daardoor niet op tijd kunnen stoppen en haar niet kunnen ontwijken. Daarnaast zou [verweerder] onvoldoende verlichtig hebben gevoerd en te hard hebben gefietst. Van de door [verzoekster] aan haar stellingen ten grondslag gelegde doorslaggevende omstandigheden zal de rechtbank hierna bespreken of deze omstandigheden voldoende zijn komen vast te staan en of deze dan vervolgens leiden tot de aansprakelijkheid van [verweerder] en de vergoedingsverplichting van AXA XL.

Duisternis en snelheid

4.8.

Een van de omstandigheden die [verzoekster] aan haar stellingen ten grondslag legt is het verwijt dat [verweerder] in het donker reed met een hoge snelheid waarbij hij vlak voor het ongeval [naam] inhaalde.

Dat het donker was ten tijde van het ongeval wordt niet betwist. Dat [verweerder] vlak voor het ongeval [naam] heeft ingehaald wordt ook niet betwist. Wel wordt betwist dat [verweerder] met een (te) hoge snelheid zou hebben gefietst. [verzoekster] heeft geen herinnering aan het ongeval, zodat zij niets kan verklaren over haar eigen snelheid, noch over de snelheid van [verweerder] . Uit de Uber-app kon worden afgelezen dat [verweerder] niet harder dan 21,5 km/u heeft gefietst. De rechtbank is van oordeel dat dit geen bijzondere snelheid is en dat hij dus niet “te hard” heeft gereden. Daarbij merkt de rechtbank op dat [verzoekster] zelf op een elektrische fiets reed, zodat het niet ondenkbaar is dat zij met een vergelijkbare snelheid heeft gereden. Overigens is de snelheid van [verzoekster] niet komen vast te staan. Verder staat voor de rechtbank vast dat [verweerder] over een recht en overzichtelijk fietspad fietste. De rechtbank is van oordeel dat hem gelet op deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt.

Fietsverlichting

4.9.

Een andere omstandigheid die [verzoekster] aan de medeaansprakelijkheid van [verweerder] ten grondslag legt is het voeren van onvoldoende felle verlichting. Ten aanzien van de gevoerde fietsverlichting is komen vast te staan dat [verweerder] verlichting voerde op zijn fiets. Dat wordt door [verzoekster] ook niet betwist. Wel heeft [verzoekster] aangevoerd dat het ging om een klein knipperlichtje. Fietsverlichting mag niet knipperen, omdat knipperend licht het voor andere verkeersdeelnemers lastiger maakt om de afstand goed in te schatten, aldus [verzoekster] . Ook is volgens [verzoekster] niet duidelijk hoe fel de verlichting van [verweerder] heeft gebrand.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank doet het feit dat de verlichting van [verweerder] knipperde niet af aan de aanwezigheid daarvan. Hoewel niet vast staat hoe fel de verlichting was, staat wel vast dat [verweerder] verlichting voerde. [verzoekster] heeft gesteld dat de verlichting van [verweerder] niet fel genoeg was. Zij heeft echter niet gesteld of onderbouwd aan welke norm de felheid van fietsverlichting diende te voldoen. De rechtbank kan dus niet beoordelen of de verlichting van [verweerder] daaraan voldeed. Het enkele feit dat [naam] de voorverlichting van [verweerder] niet heeft opgemerkt toen hij haar passeerde, kan geen steun geven aan het oordeel dat de verlichting van [verweerder] onvoldoende fel was om op een veilige manier aan het verkeer deel te nemen.

Oplettendheid en positie op de weg

4.11.

[verzoekster] verwijt [verweerder] dat hij onvoldoende heeft opgelet. Zo keek hij vlak voor het ongeval op zijn telefoon en dus niet naar de weg voor zich. Daarbij heeft hij onvoldoende op de omstandigheden en fouten van anderen geanticipeerd waardoor hij niet op tijd heeft kunnen stoppen. [verweerder] diende rekening te houden met de mogelijkheid van een aanwezige tegenligger. Dit betekent dat hij in strijd heeft gehandeld met artikel 19 Rvv, aldus [verzoekster] .

4.12.

Tussen partijen niet in geschil dat [verweerder] aan de rechterkant van het fietspad reed, zodat hierin geen fout van hem kan worden gevonden. Een eventuele tegenligger – die daar niet mocht fietsen – had hem in beginsel kunnen passeren.Ten aanzien van de positie van [verzoekster] op het fietspad staat vast dat zij niet uiterst rechts reed. De exacte positie van [verzoekster] staat niet vast. Het is niet bekend of zij in het midden van het fietspad reed of dat zij bijvoorbeeld van de stoep af gereden kwam.

4.13.

Voor de rechtbank staat wel vast dat [verweerder] vlak voor het ongeval op zijn telefoon keek. Ook staat vast dat de telefoon in een daarvoor bedoelde houder zat en dat [verweerder] de telefoon dus niet in zijn hand vasthield. Hoe lang hij op zijn telefoon heeft gekeken staat niet vast. [verweerder] heeft bij het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat hij “misschien een seconde” op zijn routeplanner heeft gekeken. Dit is niet betwist. De rechtbank acht het feit dat [verweerder] vlak voor het ongeval kort op zijn routeplanner keek onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen, mede gelet op de andere bescheven omstandigheden. De rechtbank kan geen bijzondere betekenis hechten aan het feit dat het voor mensen die aan, of in buurt van, [adres] wonen een notoir feit is dat er ter plaatse vaak tegen de richting in wordt gefietst. [verweerder] woont niet in de buurt van [adres] en het betreft geen feit van algemene bekendheid.

4.14.

De rechtbank constateert tenslotte dat niet vast staat of [verzoekster] tijdens het ongeval verlichting voerde op haar fiets. Zowel [verweerder] als [naam] hebben verklaard dat zij [verzoekster] in het geheel niet hebben zien aankomen. UberEats en AXA XL verwijzen naar het rapport van Baan Hofman waaruit volgt dat de bakfiets over dusdanige verlichting beschikt dat als deze aanstaat, deze voor alle weggebruikers duidelijk te zien moet zijn. Nu zowel [verweerder] als [naam] de bakfiets voor de aanrijding niet hebben gezien, is het volgens UberEats en AXA XL aannemelijk dat de verlichting van de bakfiets niet aan stond.

[verzoekster] herinnert zich niets van het ongeval en heeft daarom alleen kunnen verklaren dat zij haar verlichting normaal altijd aanzette. Dit is bevestigd door [echtgenoot van verzoekster] .

4.15.

Op grond van het voorgaande staat het voor de rechtbank niet vast dat [verzoekster] verlichting heeft gevoerd. Dit betekent dat de rechtbank wat dat betreft geen uitspraak kan doen over de vraag of [verweerder] kan worden verweten dat hij [verzoekster] niet of pas te laat heeft gezien.

Conclusie

4.16.

Dit betekent dat op basis van de feiten en omstandigheden die zijn komen vast te staan de drempel voor aansprakelijkheid van [verweerder] niet wordt gehaald. De verzoeken van [verzoekster] worden daarom afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.17.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.18.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.19.

[verzoekster] maakt aanspraak op € 6.458,38 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van het deelgeschil moeten worden gematigd. Mr. Mewa hanteert een uurtarief van € 305,- exclusief btw. De in vergelijkebare jurisprudentie gehanteerde bandbreedte van de toegewezen uurtarieven varieert van € 200,- tot € 280,- per uur. Gelet op de ervaring van mr. Mewa zal de rechtbank bij het begroten van de kosten van deze deelgeschilprocedure uitgaan van een uurtarief van € 280,- exclusief btw. De rechtbank acht de totale urenbesteding niet onredelijk.

4.21. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 17,5 uren × € 280,- exclusief btw, dus op € 5.929,- inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 309,-. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en verweerders niet veroordelen tot betaling daarvan. Het begrote bedrag hoeft alleen door verweerders te worden betaald, als hun aansprakelijkheid alsnog komt vast te staan. Rechtbank Noord-Holland 26 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2393