Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNNE 070223 (?) causaal verband niet vast te stellen; deelgeschil: verzocht 23 uur x € 260 + 21%; begroot op nihil, nodeloos gemaakt

RBNNE 070223 (?) causaal verband tussen klachten en 3 ongevallen niet vast te stellen; wisselende verklaringen, oogmerk tot misleiding; 
- eenzijdige expertiserapporten binden ass. niet; bgk € 25.765,86 afgewezen; redelijkheid niet te beoordelen nu causaal verband ontbreekt
- deelgeschil: verzocht 23 uur x € 260 + 21%; begroot op nihil, nodeloos gemaakt

in relatie tot:
GHAMS 010621 schadevordering tzv namaakdesign; opzet tot misleiding, onderzoekskosten; verwijdering uit registers afgewezen

2De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 12 december 2011, rijdend op een snorscooter op het fietspad, betrokken geweest bij een verkeersongeval. [verzoeker] is aangereden door een naar rechts afslaande auto, waardoor hij ten val is gekomen. [verzoeker] volgde op dat moment een MBO-opleiding. Hij was daarnaast werkzaam als oproepkracht in een verzorgingstehuis, waar hij ook vrijwilligerswerk deed.

2.2.

Op 16 juni 2012 is [verzoeker] rijdend op het fietspad op zijn snorscooter door een bij Univé verzekerde scooterrijder ingehaald, die - toen hij over een boomwortel reed - zijn evenwicht verloor. De scooterrijder heeft daardoor de scooter van [verzoeker] geraakt, waardoor [verzoeker] ten val is gekomen. [verzoeker] is toen op zijn hoofd terechtgekomen. [verzoeker] heeft MRT Rechtsbijstand ingeschakeld als belangenbehartiger.

Univé heeft de aansprakelijkheid voor het [verzoeker] op 16 juni 2012 overkomen ongeval erkend.

2.3.

Op verzoek van MRT Rechtsbijstand is op 19 december 2012 een driegesprek gepland op het kantoor van [bedrijf 1] . Door een misverstand is de door Univé ingeschakelde persoon van [bedrijf 2] (hierna te noemen: [bedrijf 2] ) niet bij het gesprek aanwezig geweest.

In het van het bezoek opgemaakte rapport van 20 december 2012 is onder het kopje "Medische voorgeschiedenis" vastgelegd:

"(…) Cliënt laat mij weten dat hij voor het ongeval in een uitstekende gezondheid verkeerde. Hij heeft nooit eerder een verkeersongeval doorgemaakt. Hij is nooit eerder gevallen op zijn hoofd. Wel heeft hij na dit verkeersongeval nog twee verkeersongevallen doorgemaakt. Bij het tweede verkeersongeval heeft cliënt enkele weken last gehad van een gekneusd been.(…)".

2.4.

De door MRT Rechtsbijstand ingeschakelde medisch adviseur, [medisch adviseur] , heeft op 7 januari 2013 schriftelijk de ontvangst van het dossier met betrekking tot [verzoeker] bevestigd en is ingegaan op de ontvangen informatie. [medisch adviseur] geeft aan nadere informatie van de behandelend fysiotherapeut af te wachten, alsmede de beschikbare foto's van de littekens van de schaafwonden van [verzoeker] .

2.5.

Het driegesprek heeft op 24 januari 2013 alsnog plaatsgevonden. [bedrijf 2] heeft naar aanleiding van dit gesprek op 28 januari 2013 een rapport opgemaakt. Hieruit blijkt dat tijdens het gesprek onder meer de schade, het letsel en de huidige klachten van [verzoeker] aan de orde zijn geweest. Verder is vastgelegd dat [verzoeker] ten tijde van het ongeval onbekend was met nek- dan wel rugklachten en dat hij over een goede gezondheid beschikte. Ten aanzien van "ongevalvreemde factoren na ongeval" is opgenomen:

"Eind juli 2012 heeft belanghebbende opnieuw een verkeersongeval gehad. Op zijn scooter werd hij aangereden door een auto. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende geen letsel opgelopen, noch zich onder medische behandeling laten stellen.

Een derde ongeval heeft zich eind augustus 2012 voorgedaan, waarbij er sprake was van een verkeersongeval met een andere scooter. Bij dit ongeval heeft belanghebbende eveneens geen letsel opgelopen, waardoor hij zich eveneens niet onder behandeling heeft laten stellen van een arts.

Voor het overige hebben zich geen ongevalvreemde factoren voorgedaan.".

2.6.

[medisch adviseur] heeft op 15 februari 2013 schriftelijk bevestigd dat zij de foto's van de littekens van de schaafwonden van [verzoeker] heeft ontvangen. Kort gezegd wordt aangegeven dat pas ongeveer na een jaar kan worden beoordeeld hoe de eventuele blijvende littekens er uitgaan zien. Verzocht wordt om over een jaar [verzoeker] nogmaals foto's te laten maken van de littekens, zodat dan opnieuw een beoordeling kan worden gegeven.

2.7.

Bij brief van 3 mei 2013 heeft [medisch adviseur] gereageerd op de nagezonden informatie van de fysiotherapeut en de huisarts. Er is onder meer aangegeven dat medisch gezien op grond van het dossier geen verklaring kan worden gegeven voor de lange duur van de klachten van nek en rug en voor het kennelijk uitblijven van herstel van de hoofdpijn en misselijkheidsklachten.

2.8.

[verzoeker] is op 8 mei 2013 - rijdend op de fiets - aangereden door een andere fietser, die hem geen voorrang verleende. Delta Lloyd heeft - namens de andere fietser - de aansprakelijkheid ter zake van dit ongeval erkend.

2.9.

[bedrijf 3] heeft op 24 juli 2013 op verzoek van Univé medisch advies uitgebracht met betrekking tot medisch causaal verband ter zake van het [verzoeker] op 12 juni 2012 overkomen ongeval. In het advies is aangegeven, dat het moeilijk een beeld is te krijgen van de klachten en dat sommige klachten niet goed zijn thuis te brengen in relatie tot het ongeval. In antwoord op de vraag of er sprake is van een medisch causaal verband tussen het ongeval en de huidige klachten wordt aangegeven dat er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de klachten van nek en hoofd. De blijvende misselijkheid en het liggen in bed worden onverklaarbaar geacht.

2.10.

[medisch adviseur] heeft op 13 augustus 2013 schriftelijk de ontvangst bevestigd van de nagezonden berichten. In reactie daarop is aangegeven dat de huidige informatie geen aanknopingspunten biedt voor wijzigingen in de eerdere conclusies. Voorts is aangegeven dat, na ontvangst van de medische machtiging, er bij de behandelend psychiater/psycholoog van PsyQ nadere informatie zal worden opgevraagd.

2.11.

Op 11 oktober 2013 heeft [medisch adviseur] een reactie gegeven op de toegezonden nadere informatie, waaronder het bericht van de psychotherapeut van [verzoeker] . [medisch adviseur] heeft naar aanleiding van de toegezonden informatie nadere vragen en laat weten op dit moment geen duidelijke argumenten te zien op grond waarvan op eerdere adviezen moet worden teruggekomen.

2.12.

Naar aanleiding van een telefonisch contact met Univé heeft mr. A.H. Mallee namens MRT Rechtsbijstand op 13 december 2013 Univé schriftelijk een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen na het ongeval van 16 juni 2012 toegezonden. Met betrekking tot de overige ongevallen is in het rapport opgemerkt:

"Overige ongevallen (voor zover relevant):

8 augustus 2012 met aansprakelijke tegenpartij. Materiële schade en licht handletsel, waarvan geen medische informatie voorhanden is. Zaak is afgerond.

31 augustus 2012 met aansprakelijke tegenpartij. Materiële schade, geen medische informatie. Zaak is afgerond.

• 8 mei 2013, afgehandeld door ARAG Rechtsbijstand:

Medisch dossier ARAG (…).".

2.13.

Bij brief van 16 januari 2014 heeft [medisch adviseur] gereageerd op de ontvangen röntgenfoto's en e-mailberichten. De ontvangen informatie is aanleiding om nadere informatie op te vragen bij de radiologen van het MC Haaglanden/Westeinde.

2.14.

[bedrijf 3] heeft op 5 februari 2014 op verzoek van Univé medisch advies uitgebracht met betrekking tot het medisch causaal verband ter zake van het [verzoeker] op 12 juni 2012 overkomen ongeval. Uit de beschouwing van de medisch adviseur komt naar voren dat er meerdere ongevallen zijn geweest die alle matig tot niet goed (medisch) in beeld zijn en dat er onduidelijkheden bestaan. De medisch adviseur heeft aangegeven dat, indien de claim verder dient te worden onderzocht, hij het ongefilterde journaal van de huisarts zou willen ontvangen.

2.15.

In vervolg op het voorgaande advies heeft [bedrijf 3] , na ontvangst van het huisartsenjournaal over een periode van zeven jaar, op 26 november 2014 nader geadviseerd. In dit advies is onder meer gemeld, dat [verzoeker] op 12 december 2011 ook een aanrijding heeft gehad op zijn scooter, dat hij na zijn val korte tijd het bewustzijn is verloren, alsmede dat hij op 29 december 2011 nog dagelijks klachten ondervond.

2.16.

[verzoeker] is op 1 mei 2015 - rijdend op zijn snorscooter - slachtoffer van een verkeersongeval, doordat een bij Delta Lloyd verzekerde fietser hem geen voorrang verleende. [verzoeker] is gevallen en met zijn hoofd op de grond terecht gekomen. Delta Lloyd heeft - namens deze fietser - de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. [verzoeker] heeft ter zake van dit ongeval schade aan zijn scooter, jas, broek en zonnebril geclaimd.

2.17.

[bedrijf 2] heeft in opdracht van Delta Lloyd [verzoeker] op 22 september 2015 bezocht. Daarvan is op 29 september 2015 een rapport uitgebracht, dat zowel betrekking heeft op de materiële als de immateriële schade. De klachten als gevolg van het ongeval worden als volgt geduid: "nekklachten, hoofdpijn, misselijkheid en gekneusde ribben".

Ten aanzien van "ongevalvreemde factoren na ongeval" is in het rapport opgenomen:

"(…)

Op mijn vraag hoe de gezondheid van belanghebbende was voor het ongeval, vertelde hij dat hij zowel in 2012 als in 2013 een scooterongeval heeft gehad. Als gevolg van deze ongevallen, is bij twee verschillende maatschappijen een schadezaak gestart, heeft hij fysiotherapie gehad en ervaarde hij destijds dezelfde klachten als na het huidige ongeval. Er was toen ook sprake van hoofdpijn, misselijkheid en spierspanning.

Belanghebbende vertelde dat hij door de fysiotherapiebehandelingen en behandelingen bij de psycholoog (PsyQ) half 2014 geheel van alle klachten was genezen. (…)".

2.18.

Op 17 juni 2016 heeft [verzoeker] een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (hierna: de Geschillencommissie), waarbij onder meer vergoeding van zijn schade is gevorderd, de verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister en toewijzing van een andere behandelaar van zijn claim. In de uitspraak van de Geschillencommissie van

25 augustus 2017 is onder onderdeel 3. "Vordering, klacht en verweer" en vervolgens onder het daaronder genoemde kopje "Grondslagen en argumenten daarvoor", onder meer als standpunt van [verzoeker] opgenomen:

“(…)

Consument had voor het ongeval van 1 mei 2015 geen klachten in medische zin, nu wel. Deze klachten houden geen verband met eerdere ongevallen. Het door Verzekeraar verrichte medisch onderzoek en de uitkomst daarvan is onjuist. Er is voor de Consument geen verplichting zich te wenden tot de regelend verzekeraar.

(…)”.

De Geschillencommissie heeft [verzoeker] voor wat betreft bovenstaande niet ontvankelijk geoordeeld en ook beslist dat [verzoeker] de kwestie met de meerdere ongevallen moet opnemen met de regelend verzekeraar. Verder heeft de Geschillencommissie geoordeeld dat [verzoeker] de verzekeraar met opzet heeft willen misleiden, met de bedoeling om een (hogere) schadevergoeding te verkrijgen.

2.19.

Op 2 december 2016 heeft LechnerConsult rechtstreeks een medisch advies aan [verzoeker] toegezonden, waaruit naar voren komt dat [verzoeker] vanaf 2011 vijf of zes ongevallen met een scooter doormaakte, waaronder een ongeval dat plaatsvond in juni 2015. [verzoeker] is toen aangereden door een fietser als gevolg waarvan hij buiten bewustzijn is geweest. De medisch adviseur geeft aan dat sinds deze ongevallen de volgende klachten zijn gemeld:

"nekklachten, rugklachten, tintelingen vingers aan beide zijden, concentratiestoornissen, misselijkheid overgeven, gewichtsverlies, lichtschuwheid, hoofdpijn en hyperventilatie."

Daarnaast is onder meer aangegeven:

"(…) De term whiplash, postwhiplashsyndroom of pijnstoornis zijn gevallen. Dit zijn alle termen die gebruikt worden voor een uitgebreid klachtenpatroon waarbij geen medische afwijkingen gevonden worden. Gezien de frequentie van de ongevallen die betrokkene doormaakt is er sprake van voortdurende hertraumatisering. Dat lijkt eerder het geval dan dat de klachten werkelijk chronisch geworden zijn. Klachten van nek en rug zijn te duiden als een kneuzing/overrekking van weke delen en herstellen doorgaan spontaan in de loop van enkele maanden. Bij betrokkene treedt herstel niet op omdat er telkens opnieuw een ongeval is.(…)".

2.20.

Op 13 november 2017 heeft de medisch adviseur van Univé opnieuw een medisch advies uitgebracht over [verzoeker] . Relevant wordt geacht dat [verzoeker] betrokken is bij een viertal ongevallen, te weten op 12 december 2011, 16 juni 2012, 8 mei 2013 en op

1 mei 2015. Opgemerkt is dat de vermelding van de diverse schadedata (en de ongevalstoedrachten) in de ontvangen documenten verschilt en soms tot discrepanties leidt inzake de beoordeling van de feiten. Geconstateerd wordt dat medische informatie ontbreekt, zodat de vraagstelling en specialist voor een medisch-expertiseonderzoek nog niet akkoord kunnen worden bevonden.

2.21.

In de beslissing op de Wajong-aanvraag heeft het UWV na een tweetal verzekeringsgeneeskundige rapporten van respectievelijk 8 januari en 29 januari 2018 [verzoeker] op 23 februari 2018 bericht dat hij vanaf 20 september 2017 een Wajong-uitkering ontvangt. In het verzekeringsgeneeskundig rapport van 29 januari 2018 is onder meer aangegeven:

"(…)

Betrokkene is bekend met een eerdere beoordeling Wajong, geeft aan dat het sinds 2014 goed met hem ging, kon weer studeren en werken. Betrokkene heeft op 1 mei 2015 een ongeval doorgemaakt met het huidige klachtenpatroon als gevolg.(…)".

2.22.

Op 4 april 2018 heeft de medisch adviseur van Univé opnieuw een advies uitgebracht. De medisch adviseur concludeert en adviseert dat, als het medisch dossier compleet is, zowel een neurologische als een psychiatrische expertise zullen moeten plaatsvinden, waarbij moet worden verzocht om onderscheid te maken tussen de gevolgen van de diverse ongevallen (in ieder geval op) 12 december 2011, 16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015. Ook wordt opgemerkt dat de IWMD-vraagstelling gebruikt dient te worden.

2.23.

Vervolgens heeft de medisch adviseur van Univé op 9 augustus 2018 opnieuw een medisch advies uitgebracht. Daarbij is onder meer geconcludeerd en geadviseerd:

"Vooralsnog lijkt er sprake te zijn van diffuse aspecifieke nek-, schouder-, rug-, hoofdpijn-, vermoeidheids- en cognitieve klachten, waarbij op dit moment de klachten anamnestisch worden toegekend aan het ongeval op 1-05-2015. Tevens speelt er psychische problematiek, waarvan mijns inziens in zijn geheel niet duidelijk is of deze in verband staat met de doorgemaakte ongevallen. (…)".

De medisch adviseur geeft aan welke nadere stukken hij nog wenst te ontvangen.

2.24.

In de periode 22 augustus 2018 tot en met 27 november 2018 heeft Univé, gelet op het laatste medisch advies van haar adviseur, [belangenbehartiger] (destijds belangbehartiger van [verzoeker] ) verzocht nadere informatie toe te zenden, de IWMD-vraagstelling en een voorstel voor de expertise artsen.

2.25.

In reactie op het verzoek van Univé dat haar medisch adviseur nog geen conceptvraagstelling heeft ontvangen, heeft de gemachtigde van [verzoeker] bij e-mailbericht van 11 december 2018 aangegeven:

"Alle stappen in deze zaak verlopen enigszins moeizaam. Zo ook de vraagstelling. Zodra mogelijk ontvangt u deze.".

2.26.

Univé heeft per e-mailbericht van 13 mei 2019 aan [verzoeker] bevestigd, dat zij als regelend verzekeraar optreedt voor de [verzoeker] op 16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015 overkomen ongevallen.

2.27.

Univé heeft in de periode 21 mei 2019 tot 19 juni 2019 meerdere malen persoonlijk met [verzoeker] gemaild. Univé heeft [verzoeker] per e-mailbericht van 19 juni 2019 onder meer bericht:

"(…) Zoals ook al aangegeven in mijn mail van 11 juni jl., merkt mijn medisch adviseur op dat het niet mogelijk is een expertise te verrichten alleen op basis van het genoemde ongeval van 16 juni 2012. Univé is regelend verzekeraar voor meerdere ongevallen en er dient duidelijkheid te komen over de vraag welke schade nu het gevolg is van welk ongeval. (…)

Mijn medisch adviseur is akkoord met de voorgestelde arts voor een psychiatrische expertise. Voor wat betreft de voorgestelde arts voor een neurologische expertise, is er geen akkoord. Mijn medisch adviseur stelt voor de neurologische expertise te laten verrichten door Dr. [neuroloog] of (…). Graag verneem ik naar wie de voorkeur van uw medisch adviseur uitgaat.

Vriendelijk verzoek ik u beide concept vraagstellingen te laten aanpassen conform de opmerkingen van mijn medisch adviseur. (…)".

2.28.

Partijen hebben daarna overeenstemming bereikt over het opstarten van zowel een neurologische als een psychiatrische expertise, met benoeming van neuroloog [neuroloog] (hierna te noemen: [neuroloog] ) en psychiater [psychiater] (hierna te noemen: psychiater [psychiater]).

2.29.

Mr. Baggerman bericht Univé op 26 juli 2019 dat hij de belangenbehartiging van [verzoeker] heeft overgenomen. Voor hem heeft [verzoeker] vijf andere opeenvolgende belangenbehartigers gehad. Met betrekking tot de medische expertises heeft mr. Baggerman Univé onder meer het navolgende bericht.

"(…) Met cliënt bent u overeengekomen om een neurologische expertise te laten plaatsvinden door [neuroloog] en een psychiatrische expertise door psychiater [psychiater]. In uw e-mail van 28 juni 2019 geeft u aan uw medisch adviseur te hebben gevraagd om de conceptopdrachten op te stellen. Echter, ik geef de voorkeur om dit zelf te doen. Ervan uitgaande dat uw medisch adviseur de conceptopdrachten nog niet heeft opgesteld, stel ik voor dat ik u op korte termijn de conceptopdrachten toestuur. Ik ga ervan uit dat u zich hierin kunt vinden (zo niet, wilt u dan contact met mij opnemen?). Bij het opstellen daarvan zal ik rekening houden met uw opmerkingen in uw e-mail van 19 juni 2019.

Overigens, ik stel voor om een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op te starten zodra het neurologisch en psychiatrisch expertiserapport beschikbaar. Het lijkt mij zinvol om hierover wel alvast overeenstemming te bereiken. Om die reden zal ik u binnenkort ook alvast een conceptopdracht toesturen in verband met het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. (…)".

2.30.

Univé heeft bij e-mailbericht van 9 september 2019 mr. Baggerman onder verwijzing naar het medisch advies van haar adviseur, dhr. [adviseur] , (hierna: te noemen: [adviseur] ) van 3 september 2019, meegedeeld, dat [adviseur] niet akkoord gaat met de door mr. Baggerman op 30 augustus 2019 toegezonden conceptvraagstelling, omdat die vraagstelling geen rekening houdt met de andere [verzoeker] overkomen ongevallen. [adviseur] schrijft, onder meer:

"Voor een goede afwikkeling van deze letselschadezaak is het van groot belang dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de gevolgen van alle ongevallen afzonderlijk. Zou u per ongeval de vragen willen beantwoorden?"

2.31.

Bij e-mailbericht van 6 november 2019 heeft Univé mr. Baggerman gemeld dat niet zal worden voldaan aan zijn verzoek om een aanvullend voorschot onder algemene titel, nu er geen causaal verband is aangetoond.

2.32.

Univé heeft bij e-mailbericht van 5 februari 2020 aangegeven bereid te zijn mee te werken aan de expertise, uitgaande van de op 3 september 2019 door [adviseur] geformuleerde vraagstelling.

2.33.

Op 11 februari 2020 heeft mr. Baggerman [neuroloog] verzocht om een onafhankelijk deskundigenonderzoek te verrichten op zijn vakgebied met betrekking tot de [verzoeker] op 16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015 overkomen ongevallen. Hij heeft daarbij vraagstelling en medische informatie bijgevoegd die niet is afgestemd met Univé. Mr. Baggerman heeft in de aanbiedingsbrief, onder meer, opgenomen:

"Op de volgende pagina’s treft u de vraagstelling aan die partijen aan u willen voorleggen ter beantwoording. De beschikbare medische informatie is eveneens bijgevoegd."

2.34.

Op 6 maart 2020 heeft mr. Baggerman gereageerd op de uitnodiging van Univé van 4 maart 2020 voor een gesprek op het kantoor van Univé over de voortgang van de zaak met onder meer de mededeling dat [verzoeker] de voorkeur geeft aan een gesprek in [woonplaats] . Verder staat in de e-mail van 6 maart 2020, onder meer, het volgende:

"U heeft eerder duidelijk kenbaar gemaakt niet akkoord te zijn met de dezerzijds voorgestelde expertiseopdracht voor [neuroloog] . Daarbij komt dat de door u voorgestelde expertiseopdracht niet akkoord is, zodat het helaas niet mogelijk is om overeenstemming te bereiken over een gezamenlijke expertiseopdracht."

2.35.

Op 17 juli 2020 heeft [neuroloog] schriftelijk zijn definitieve rapport uitgebracht aan [verzoeker] .

2.36.

Mr. Baggerman heeft Univé naar aanleiding van de op 19 augustus 2020 gehouden bespreking met de brief van 25 augustus 2020 onder meer bericht dat hij [neuroloog] eenzijdig heeft verzocht een expertiserapport uit te brengen en dat deze inmiddels zijn conceptrapportage heeft uitgebracht en aan [verzoeker] heeft gestuurd.

Univé wordt in de gelegenheid gesteld om op genoemd rapport te reageren. In de brief staat verder, voor zover van belang:

"Duidelijk werd dat er enige verwarring bestaat bij uw medisch adviseur in hoeverre cliënt ook in juli en/of augustus 2012 bij een ongeval was betrokken. Cliënt gaf toe dat hij naar alle waarschijnlijkheid deze verwarring heeft veroorzaakt. Wij spraken af dat cliënt nog schriftelijk zal verklaren dat hij in juli en augustus 2012 niet betrokken was bij enig ongeval."

Univé heeft mr. Baggerman in reactie daarop bij e-mailbericht van 26 augustus 2020 laten weten dat zij niet in gaat op het aanbod om te reageren op de conceptrapportage.

2.37.

Bij e-mailbericht van 2 september 2020 heeft Univé mr. Baggerman kort gezegd laten weten dat de onderhandelingen over de schade van [verzoeker] worden afgebroken.

2.38.

Bij brief van 7 oktober 2020 heeft Univé gereageerd op de door [verzoeker] ingediende klacht met betrekking tot de afhandeling van zijn letselschadedossier.

2.39.

Op 5 januari 2021 heeft mr. Baggerman schriftelijk psychiater [psychiater] verzocht om een onafhankelijk deskundigenonderzoek op zijn vakgebied te verrichten en hem daarvoor vraagstelling doen toekomen vergezeld van medische informatie.

2.40.

Op 15 februari 2021 heeft mr. Baggerman schriftelijk verzekeringsgeneeskundige [verzekeringsarts] (hierna te noemen: verzekeringsgeneeskundige [verzekeringsarts] ) verzocht om een onafhankelijk deskundigenonderzoek op zijn vakgebied te verrichten en hem daarvoor vraagstelling doen toekomen. Daarbij is onder meer gevraagd om, uitgaande van de door [verzoeker] geuite klachten, een beperkingenprofiel op te stellen ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek.

2.41.

Bij schrijven van 21 september 2021 heeft mr. Baggerman Univé het oordeel van de deskundigen [neuroloog] en psychiater [psychiater] van 27 augustus 2021 toegezonden. Mr. Baggerman heeft aangegeven wat uit deze rapporten naar voren is gekomen en concludeert dat op basis van de rapporten, waar partijen aan zijn gebonden, het causaal verband is komen vast te staan. Mr. Baggerman verzoekt Univé om een reactie.

2.42.

Bij e-mailbericht van 18 november 2021 is Univé door mr. Baggerman voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitgebrachte rapporten. Daarnaast is het deskundigenoordeel van verzekeringsgeneeskundige [verzekeringsarts] van 11 november 2021 toegezonden met een verzoek om reactie. Univé laat op 29 november 2021 schriftelijk weten hier op terug te komen.

2.43.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft in het arrest van 1 juni 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:1716) uitspraak gedaan in de procedure van [verzoeker] als appellant tegen Nationale Nederlanden (als rechtsopvolger van Delta Lloyd) met betrekking tot de door [verzoeker] geclaimde schade aan zijn jas, broek en zonnebril ter zake van het hem op

1 mei 2015 overkomen ongeval. Het hof heeft onder meer overwogen en geoordeeld:

"(…)

2.6.

Rond 28 mei 2015 heeft NN geconstateerd dat over de periode 31 augustus 2012 tot en met 4 maart 2014 de naam van [appellant] 11 maal voorkwam in het Fraude Informatie Systeem Holland (FISH). Het ging daarbij in 7 gevallen ook om een aanrijding tussen [appellant] op een bromfiets en een fiets of voetganger.

(…)

6.12.

Het hof is van oordeel dat uit het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [appellant] het oogmerk had om NN te misleiden teneinde een hoger bedrag uitgekeerd te krijgen dan waarop hij aanspraak kon maken. Daartoe neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

6.13.

Vast staat dat [appellant] in vier jaar tijd 11 maal wordt vermeld in het FISH, waarbij het in 7 gevallen ging om een met de onderhavige aanrijding vergelijkbaar incident, waarbij eveneens schade aan dure merkartikelen werd geclaimd.

(…)

6.19.

Op grond van bovengenoemde gang van zaken concludeert het hof dat [appellant] zich bewust was van het feit dat de door hem aangeboden kleding nep was en dat hij het oogmerk had NN te bewegen tot vergoeding van een hoger schadebedrag dan waarop hij recht had. Hiermee is sprake van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv kunnen dragen. (…)".

In zijn e-mails van 12 en 18 april 2022, direct gericht aan mr. Bos-Van den Berg, laat [verzoeker] weten dat hij niet de [verzoeker] is die in het arrest wordt bedoeld en dat hij vals wordt beschuldigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij erkend dat het arrest hem wèl betreft.

2.44.

De medisch adviseur van Univé heeft op 30 januari 2022 een advies uitgebracht naar aanleiding van de door [verzoeker] opgestarte expertises.

2.45.

Bij e-mailbericht van 17 mei 2022 heeft psychiater [psychiater] naar aanleiding van het e-mailbericht van [verzoeker] van 13 mei 2022 – na de mondelinge behandeling in deze zaak – hem onder meer bericht:

"(…) In uw mail merkt u op dat in mijn rapport van de psychiatrische expertise van 27 augustus 2021 geen melding wordt gemaakt van het rapport van de neurologische expertise van [neuroloog] d.d. 17-07-2020. U vraagt zich af of ik de bevindingen van de neuroloog heb betrokken bij het verslag van mijn expertise.

(…) Hoewel ik het rapport van de neurologische expertise van u persoonlijk heb ontvangen tijdens onze ontmoeting, wordt het rapport niet genoemd in het overzicht van het medisch dossier (…).

Ik heb het rapport van de neuroloog in 2021 bestudeerd en ben daarbij tot de conclusie gekomen dat zijn bevindingen mijn visie op de problematiek volledig bevestigen.

(…)

Ik heb naar aanleiding van uw mail voor alle zekerheid opnieuw gekeken mijn rapport en speciaal ook naar de beantwoording van de vraagstelling. De conclusies van de neuroloog zijn consistent met de conclusies en de beantwoording van de vragen in mijn rapport.

(…)".

3Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt, na wijziging van het verzoek bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, dat bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w Rv de rechtbank:

A) primair voor recht zal verklaren dat Univé gebonden is door de rapportage van [neuroloog] van 17 juli 2020 en/of door de rapportage van psychiater [psychiater] van 27 augustus 2021 en/of door de rapportage van verzekeringsarts [verzekeringsarts] van 11 november 2021 en dat deze rapportage c.q. deze rapportages het uitgangspunt moet of moeten vormen bij het verder tussen partijen te doorlopen schaderegelingstraject;

B) subsidiair voor recht zal verklaren dat het Univé wordt toegestaan om alsnog te reageren op de rapportages van [neuroloog] , psychiater [psychiater] en/of verzekeringsarts [verzekeringsarts] door middel van het verstrekken van aanvullende (medische) informatie en het stellen van vragen dan wel het maken van opmerkingen;

C) zal bepalen dat zijn klachten, bestaande uit:

• een continue, bonkende hoofdpijn,

• een continue pijn in de nek en rug,

• soms last van pijnklachten van de knieën en enkels,

• slaapproblemen, vermoeidheid, energietekort,

• overgevoeligheid voor licht,

• concentratie- en geheugenproblemen en

• psychische klachten,

in (juridisch) causaal verband staan tot de [verzoeker] op16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015 overkomen ongevallen;

D) zal bepalen dat de door verzekeringsarts [verzekeringsarts] in zijn expertiserapport geduide beperkingen het gevolg zijn van de [verzoeker] op 16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015 overkomen ongevallen;

E) zal bepalen dat Univé de openstaande kosten van rechtsbijstand ad € 25.765,86 (dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag) dient te betalen binnen zeven dagen na de te wijzen beschikking door overmaking aan de advocaat van [verzoeker] ;

F) op grond van artikel l0l9aa Rv de kosten van deze procedure zal begroten op € 7.321,80 en Univé zal bevelen dit bedrag binnen zeven dagen na de te wijzen beschikking te vergoeden door overmaking aan de advocaat van [verzoeker] .

3.2.

[verzoeker] stelt ter onderbouwing met behulp van de expertiserapporten van [neuroloog] , psychiater [psychiater] en verzekeringsarts [verzekeringsarts] het causaal verband te hebben aangetoond tussen de hem overkomen ongevallen en zijn klachten. In dit verband is, gelet op de jurisprudentie, gesteld dat aan het bewijs van het bestaan van whiplashachtige klachten geen hoge eisen mogen worden gesteld en dat het daarbij aankomt op een rechterlijk oordeel en niet op een medische diagnose. [verzoeker] stelt verder het bestaan van zijn klachten te hebben aangetoond, alsmede dat sprake is van een plausibel klachtenpatroon in de zin van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. In het kader van het causaal verband en de klachten van [verzoeker] is gesteld dat uit de overgelegde medische informatie blijkt dat [verzoeker] voor het ongeval een goede gezondheid had en klachtenvrij was. [verzoeker] meent dat een alternatieve verklaring, anders dan het ongeval, voor zijn klachten ontbreekt en dat deze door Univé ook niet is gegeven.

Verder wijst hij er op dat bij schending van een verkeers- of veiligheidsnorm, zoals in dit geval, sprake is van een ruime toerekening.

Uitgaande van het gestelde causaal verband is [verzoeker] - onder verwijzing naar het door verzekeringsarts [verzekeringsarts] uitgevoerde verzekeringsgeneeskundige onderzoek - van mening dat hij zijn ongevalgerelateerde beperkingen heeft aangetoond.

[verzoeker] stelt verder dat Univé niet gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij meent niet gehouden te zijn de openstaande kosten van rechtsbijstand van in totaal € 25.765,86, welke nader zijn gespecificeerd, te vergoeden.

Ten slotte verzoekt [verzoeker] om ex artikel 1019w Rv de kosten van zijn advocaat te begroten op 23 uur ad € 260,00 per uur, vermeerderd met 21% BTW en het griffierecht van € 86,00, zijnde in totaal een bedrag van € 7.321,80. Ter onderbouwing zijn urenstaten ingebracht.

3.3.

Univé voert als inleiding op haar verweer aan, dat zij voor drie ongevallen de regelend verzekeraar is, alsmede dat de schaderegeling uitermate moeizaam verloopt, hetgeen verband houdt met de door [verzoeker] diverse malen onvolledige en tegenstrijdige gegeven (medische) informatie. Daarbij komt dat [verzoeker] verschillende keren van belangenbehartiger is gewisseld - mr. Baggerman is de zesde belangenbehartiger - en dat [verzoeker] regelmatig zelf correspondeert met Univé, ook in de perioden dat hij wel een belangenbehartiger heeft. Univé wijst er daarnaast op dat [verzoeker] regelmatig klachten bij de directie van Univé heeft ingediend en dat hij procedures bij het KiFiD en het tuchtcollege is gestart.

Univé werpt - onder verwijzing naar producties - de vraag op bij hoeveel ongevallen [verzoeker] betrokken is geweest en verwijst in dat verband naar hetgeen [verzoeker] daar zelf op de diverse momenten over heeft verklaard. In dit verband wijst Univé tevens op het overgelegde arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 juni 2021, welk arrest naar de mening van Univé, hoewel dit door [verzoeker] wordt betwist, betrekking op [verzoeker] heeft. Naar de mening van Univé kan hieruit worden opgemaakt dat [verzoeker] onjuiste informatie heeft verstrekt ter zake de ongevallen, waarvoor Univé regelend verzekeraar is, en dat er aanzienlijk meer ongevallen zijn dan [verzoeker] in deze procedure stelt.

Univé voert verder - onder verwijzing naar producties - aan dat [verzoeker] , ook over de klachten die hij na de diverse ongevallen heeft ervaren, wisselend heeft verklaard.

Univé betwist dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] een gevolg is van de ongevallen, waarvoor zij als regelend verzekeraar optreedt, en dat de aan [verzoeker] toegekende uitkering, een uitkering is vanwege klachten ten gevolge van de hiervoor genoemde andere ongevallen.

Verder wordt gewezen op de wisselende en onvolledige verklaringen, die [verzoeker] over zijn klachten heeft afgelegd.

Ook is aangevoerd dat [verzoeker] tegenstrijdige informatie heeft verstrekt over de door hem gevolgde opleidingen, althans niet heeft aangetoond dat hij deze daadwerkelijk heeft gevolgd. In dit verband wordt gewezen op de gemeten IQ die uit medische rapportage blijkt.

Meer specifiek betwist Univé de in onderdeel 13 van het verzoekschrift genoemde klachten, althans wordt betwist dat deze het gevolg zijn van ongevallen waarvoor Univé regelend verzekeraar is.

Onder verwijzing naar de producties heeft Univé ten aanzien van het expertisetraject onder meer aangegeven dat zij haar medisch adviseur heeft geraadpleegd om tot goede expertises te komen, maar dat er ook in dat verband veel onduidelijkheid is en inconsistenties zijn over de klachten van [verzoeker] en dat onder meer meermalen om ontbrekende informatie is gevraagd.

Ten aanzien van de uitgevoerde expertises voert Univé - onder verwijzing naar producties - aan dat de medisch adviseur van Univé zich niet kan verenigen met de conclusies uit de rapporten, nu geen onderscheid is gemaakt tussen de verschillende ongevallen en de door Univé verzochte vraagstelling niet is gehanteerd. Univé stipt daarnaast per rapport aan welke onduidelijkheden er bestaan.

Univé concludeert dat er zoveel gebreken kleven aan de eenzijdige rapportages van de deskundigen, dat deze niet de basis kunnen vormen voor de vaststelling welke gevolgen aan de drie afzonderlijke ongevallen, waarvoor Univé regelend verzekeraar is, moeten worden toegeschreven, terwijl [verzoeker] met betrekking tot het opstellen van de rapportages bewust een eenzijdige koers is gaan varen.

De rapportages kunnen, gelet hierop, geen basis vormen voor de vaststelling van de klachten van [verzoeker] en ook niet voor het vaststellen van een causaal verband met betrekking tot de ongevallen, waarvoor Univé regelend verzekeraar is. Daarbij acht Univé het essentieel dat de vraagstelling niet juist was en de informatievoorziening aan de verschillende experts ontoereikend was. Dit kan niet worden gerepareerd door een aanvullende vraagstelling.

Univé heeft tenslotte verweer gevoerd met betrekking tot de door [verzoeker] verzochte kosten voor de verleende rechtsbijstand en voert primair aan dat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van het deelgeschil en subsidiair dat de uren waarop de kosten worden begroot bovenmatig zijn.

4De beoordeling

Het geschil

4.1.

De rechtbank overweegt dat het primaire geschil tussen partijen het causaal verband betreft tussen de door [verzoeker] opgevoerde klachten en de hem overkomen ongevallen, waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt, namelijk de [verzoeker] op 16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015 overkomen ongevallen. Het geschil spitst zich verder toe op de vraag of sprake is van een plausibel klachtenpatroon aan de zijde van [verzoeker] , dat gerelateerd kan worden aan de hiervoor genoemde ongevallen.

De wijziging van de verzoeken

4.2.

De rechtbank overweegt dat de door [verzoeker] , na de wijziging van het verzoek ter zitting, voorgelegde verzoeken zich lenen voor een behandeling in een deelgeschil, nu een oordeel hierover de tussen partijen ontstane impasse kan doorbreken, en wellicht een opening kan bieden om (weer) met elkaar in overleg te treden.

De rechtbank zal recht doen op de gewijzigde verzoeken en passeert de door Univé ter zittingen opgeworpen bezwaren om een beslissing te nemen op de gewijzigde verzoeken, nu de wijzigingen niet in strijd met de goede procesorde worden geacht en de wijzigingen er niet toe hebben geleid dat Univé in de positie is gebracht dat sprake is van een onredelijke bemoeilijking van de verdediging.

Het na de mondelinge behandeling in het geding gebrachte schrijven

4.3.

De rechtbank zal eerst nog ingaan op de gevoerde correspondentie na het sluiten van de behandeling ter zitting.

Van de zijde van [verzoeker] is na de behandeling ter zitting nog een e-mailbericht ingebracht van psychiater [psychiater] gedateerd 17 mei 2022, welk bericht een reactie lijkt in te houden op een door [verzoeker] persoonlijk aan psychiater Schouten verzonden e-mailbericht van 13 mei 2022. Namens Univé is in reactie hierop schriftelijk aangegeven dat er bezwaar bestaat tegen het alsnog in de procedure betrekken van de brief van psychiater [psychiater]. Univé verzoekt primair geen rekening te houden met het bericht van psychiater [psychiater], omdat niet vaststaat dat het daadwerkelijk van hem afkomstig is.

Voor zover het bericht wel van psychiater [psychiater] afkomstig is, betwist Univé dat hij ten tijde van zijn onderzoek daadwerkelijk over het rapport van [neuroloog] heeft beschikt.

Univé heeft voorts aangegeven dat, voor zover de rechtbank de hiervoor genoemde brief wel bij de beoordeling wil betrekken, zij van mening is dat op basis van het door haar gestelde, door [verzoeker] niet aannemelijk is gemaakt dat [psychiater] de rapportage van [neuroloog] daadwerkelijk bij het opstellen van zijn rapport heeft betrokken, althans dat psychiater [psychiater] in zijn rapport stellingen heeft betrokken die strijdig zijn met de rapportage van [neuroloog] .

Univé concludeert dat op grond van diverse redenen sprake is van een ondeugdelijk rapport dat niet geschikt is voor het bepalen van de gezondheidsklachten van [verzoeker] .

De rechtbank heeft daarna partijen in het kader van hoor en wederhoor nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om op elkaar te reageren.

4.4.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het na de zitting in het geding brengen van de brief van psychiater [psychiater], dat het op zich ongebruikelijk is om na de zitting nog stukken in het geding te brengen en deze nog bij de beoordeling te betrekken. Echter, in het onderhavige geval zal de rechtbank, zowel de brief van psychiater [psychiater], als hetgeen Univé inhoudelijk naar aanleiding van genoemde brief naar voren heeft gebracht, bij haar oordeel betrekken, nu de belangen van Univé hierdoor niet worden geschaad.

De beoordeling van de gewijzigde verzoeken

4.5.

De rechtbank zal hierna ingaan op de (gewijzigde) verzoeken van [verzoeker] . Het eerste verzoek ziet - kort gezegd - op een verklaring voor recht dat Univé gebonden is aan de verschillende rapportages en dat deze rapportages het uitgangspunt moeten vormen bij het verder tussen partijen te doorlopen schaderegelingstraject. Univé heeft ter zake gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat Univé als regelend verzekeraar optreedt voor een drietal ongevallen die [verzoeker] zijn overkomen, te weten de ongevallen op 16 juni 2012, 8 mei 2013 en 1 mei 2015.

Op basis van de door partijen ingebrachte bescheiden kan worden vastgesteld dat [verzoeker] in de hiervoor genoemde periode meer ongevallen zijn overkomen dan de drie ongevallen, waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt, en dat uit de overgelegde rapportages kan worden opgemaakt dat [verzoeker] niet consistent is in hetgeen hij heeft verklaard over de hem overkomen ongevallen bij de verschillende deskundigen.

4.6.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of op basis van de door [verzoeker] gestelde klachten, die in de verschillende rapportages en de overgelegde medische informatie naar voren komen, kan worden vastgesteld of sprake is van een plausibel klachtenpatroon, in die zin dat op overtuigende wijze naar voren komt dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon dat specifiek ziet op de drie ongevallen waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt.

De rechtbank overweegt dat Univé gemotiveerd heeft bestreden dat een dergelijk plausibel klachtenpatroon op basis van de door [verzoeker] verstrekte (medische) informatie en de ingebrachte expertiserapporten kan worden vastgesteld. Univé heeft in dit verband naar voren gebracht dat [verzoeker] haar vanaf het begin onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en dat uit de overgelegde verschillende expertiserapporten blijkt dat de deskundigen voor hun oordeel niet allen over dezelfde (medische) informatie beschikten. Gelet hierop is door Univé meermaals aangegeven dat het van belang is dat [verzoeker] helderheid verschaft over alle ongevallen, waarbij in de vraagstelling - in het kader van de expertise – naar de verschillende ongevallen moet worden uitgesplitst.

4.7.

De rechtbank acht voor de beoordeling verder van belang dat [verzoeker] ter zitting heeft erkend, dat het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 juni 2021 dat door Univé in het geding is gebracht, in tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] aanvankelijk tegen Univé heeft verklaard, betrekking heeft op [verzoeker] en op het ongeval van 1 mei 2015, waarvoor Univé ook in deze procedure als regelend verzekeraar optreedt.

Op basis van dit arrest kan worden aangenomen dat [verzoeker] ter zake van één van de ongevallen, waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt, opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt en dat er meer ongevallen zijn geweest dan door [verzoeker] zijn gesteld.

De rechtbank overweegt verder dat uit meergenoemd arrest blijkt dat het hof heeft geoordeeld, dat [verzoeker] het oogmerk had om de maatschappij, die in die procedure als verzekeraar optrad, te misleiden om een hoger bedrag uitgekeerd te krijgen dan waarop hij aanspraak kon maken. Het hof heeft voorts geoordeeld dat daarbij sprake was van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij als een strafbaar feit te kwalificeren zijn.

4.8.

De rechtbank komt, gelet op het bovenstaande, tot het oordeel dat op basis van de medische gegevens, in onderling verband en samenhang beschouwd, niet kan worden vastgesteld dat de door [verzoeker] gestelde klachten sinds de ongevallen, waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt, onafgebroken hebben voortgeduurd en dat steeds dezelfde informatie aan de verschillende medische behandelaars is verstrekt.

Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat de subjectieve klachten bestaan, althans dat er een alternatieve verklaring kan bestaan voor de gezondheidsklachten, en is het bewijs van het oorzakelijk verband met de ongevallen niet geleverd. Met andere woorden, in het kader van de beoordeling kan niet van het causaal verband worden uitgegaan en heeft Univé daarmee terecht en op goede gronden aangegeven dat alle ongevallen die [verzoeker] in de periode van 16 juni 2012 tot en met 1 mei 2015 heeft gehad, dienen te worden onderzocht door de verschillende deskundigen en voor een goede beoordeling de vraagstelling aan de deskundigen per ongeval dient te worden uitgesplist.

4.9.

Op grond van het bovenstaande zal de onder A. gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen, en tevens het verzoek onder C., waarin is verzocht te bepalen waaruit de klachten van [verzoeker] bestaan, nu deze, zoals hiervoor is overwogen op basis van de medische informatie en de rapportages niet kunnen worden vastgesteld als zijnde klachten, die (enkel) het gevolg zijn van de ongevallen, waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt. Op basis van de zelfde overwegingen zal ook het verzoek onder D. worden afgewezen.

4.10.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder B. subsidiair verzochte verklaring voor recht, dat het Univé wordt toegestaan om alsnog te reageren op de rapportages van [neuroloog] , psychiater [psychiater] en/of verzekeringsarts [verzekeringsarts] door middel van het verstrekken van aanvullende (medische) informatie en het stellen van vragen dan wel het maken van opmerkingen, dat een deelgeschilprocedure zich niet leent voor een dergelijk verzoek. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat partijen een geschil hebben over de bevoegdheid van Univé om al of niet te reageren op welke informatie dan ook. Wanneer Univé om wat voor reden dan ook alsnog met [verzoeker] verder wil – bijvoorbeeld door te reageren op rapportage – heeft zij daarvoor niet de toestemming van de rechtbank nodig. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] ruimschoots de gelegenheid heeft gehad in de afgelopen periode om de verschillende deskundigen te voorzien van alle noodzakelijke informatie.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat ook bij herhaling om aanvullende informatie is gevraagd, maar deze niet of slechts ten dele is verstrekt.

Buitengerechtelijke kosten

4.11.

[verzoeker] verzoekt vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 25.765,76. De rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoeker] heeft een deel van die kosten vergoed op voorwaarde dat [verzoeker] deze kosten op Univé zou verhalen.

De kosten van rechtsbijstand zien op de (voorgeschoten) kosten van de rapporten van [neuroloog] , psychiater [psychiater] en verzekeringsarts [verzekeringsarts] (totaal € 11.472,01).

Daarnaast is sprake van door de ANWB onbetaald gelaten declaraties van € 2.847,92 en de kosten verbonden aan het onderhanden werk ter zake werkzaamheden verricht na de laatste declaratie van 24 augustus 2020 ten bedrage van € 11.445,94 (34,65 uur x uurtarief van € 260,00, exclusief 5 % kantoorkosten en 21 % BTW).

Univé heeft verweer gevoerd. Zij betwist een bedrag van € 2.847,92 verschuldigd te zijn, onder meer nu het bedrag niet is gespecificeerd. Met betrekking tot de verzochte kosten ter zake het onder handen werk is aangevoerd, dat een deel van de werkzaamheden vergoed zal zijn, gelet op de bij de ANBW ingediende declaratie in oktober 2021. Voorts wijst Univé erop dat er tussen Univé en [verzoeker] in de periode augustus 2020 tot en met 31 januari 2021 nauwelijks is gecorrespondeerd, maar wel tussen [verzoeker] en zijn gemachtigde. Univé betwist dat het gaat om redelijke kosten van rechtsbijstand ex artikel 6:96 lid 2 BW. Ook wordt betwist dat Univé de kosten van de drie expertiserapporten verschuldigd is, nu niet is gesteld of gebleken is dat deze kosten verhaald dienen te worden en het bovendien gaat om eenzijdige expertises, die geen bijdrage leveren aan de schaderegeling en op grond van 6:96 lid 2 BW daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Univé acht voorts het uurtarief van € 260,00 exclusief kantoorkosten bovenmatig; zij is bereid, voor zover zij tot enige vergoeding gehouden is, een uurtarief van € 240,00 te vergoeden.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. In dit verband heeft Univé aangegeven dat zij aan [verzoeker] een bedrag van € 3.950,00 heeft betaald, naast de vergoeding voor de schade aan zijn scooter van € 882,82 en aan de gemachtigde van [verzoeker] is in september 2020 een bedrag van € 1.132,56 betaald.

4.12.

Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen. Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets wordt de omvang van de schade als één van de in aanmerking te nemen aspecten meegewogen.

4.13.

Met in achtneming van vorenstaande maatstaf overweegt de rechtbank dat niet vaststaat of [verzoeker] als gevolg van de ongevallen waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt de door hem gestelde klachten en beperkingen ondervindt. Dat is te wijten aan [verzoeker] zelf. Daar komt bij dat het Gerechtshof Amsterdam in de hierboven besproken uitspraak heeft vastgesteld dat – kort gezegd – [verzoeker] fraudeert bij het claimen van door hem beweerde schade. Er kan nu niet worden beoordeeld of de nu gevorderde buitengerechtelijke kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

Pas nadat nader onderzoek zal zijn verricht, kan hierover mogelijk een oordeel worden gegeven. Dat betekent dat het verzochte binnen het kader van dit deelgeschil niet kan worden toegewezen.

De kosten van het deelgeschil

4.14.

[verzoeker] verzoekt ex artikel 1019w Rv de kosten van zijn advocaat te begroten voor deze procedure. Hij begroot de kosten op 23 uur ad € 260,00 per uur vermeerderd met 21% BTW en het griffierecht van € 86,00 (totaal € 7.321,80). Ter zitting is door [verzoeker] aangegeven dat het aantal daadwerkelijk bestede uren veel hoger ligt dan 23 uur, maar dat hij bereid is dit te beperken tot 23 uur.

Univé heeft primair aangevoerd dat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, nu deze procedure geheel ten onterechte is geëntameerd.

Subsidiair is aangevoerd dat het aantal van 23 uur bovenmatig is, en dat Univé van mening is dat maximaal van 15 uur dient te worden uitgegaan tegen een uurtarief van € 240,00 inclusief kantoorkosten.

4.15.

De rechtbank overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 1019aa lid 1 Rv in beginsel een begroting van de kosten van het deelgeschil dient plaats te vinden. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Ook hier geldt dus de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure (ambtshalve) dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

De rechtbank neemt bij de beoordeling op dit punt in acht hetgeen hiervoor is overwogen over het causaal verband en de buitengerechtelijke kosten en meer in het bijzonder dat wat is overwogen ten zien van de ingebrachte eenzijdige expertiserapporten. Op basis daarvan kan het causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en de ongevallen waarvoor Univé als regelend verzekeraar optreedt niet worden vastgesteld. De inbreng van Univé is niet bij deze rapporten betrokken. Daarnaast staat vast dat de expertises zijn verricht op basis van onvolledige en onjuiste informatie. De kosten van het deelgeschil zijn derhalve nodeloos gemaakt. De verzochte kosten van het deelgeschil liggen daarmee voor afwijzing gereed.Rechtbank Noord-Nederland 10 oktober 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5304