Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 210426 verzocht 23 uur x € 295 + kosten verdere behandeling; begroot op 23 uur x 295 + 21% = € 8209,85, niet toegewezen omdat debat over ES nog gevoerd moet worden

RBOBR 210426 dwarslaesie na noodstop met racefiets vanwege hond op fietspad; ongeval bij regen en schemer; hond niet geraakt; hondeneigenaar aansprakelijk;
- verzocht 23 uur x € 295 + kosten verdere behandeling; begroot op 23 uur x 295 + 21% = € 8209,85, niet toegewezen omdat debat over ES nog gevoerd moet worden 

2De zaak in het kort

2.1.

In deze zaak speelt kort samengevat het volgende.

Op 24 september 2020 rond 20:00 uur is [verzoeker] een ongeval overkomen. [verzoeker] fietste toen met zijn fietspartner de heer [A] (hierna: [A] ) over het vrijliggende fietspad langs de Hoge Mierdenseweg in de richting van Reusel. Zij reden allebei op een racefiets en [verzoeker] reed schuin links achter [A] . [verweerder 1] kwam lopend, aan de voor hem rechterkant over het fietspad de beide fietsers tegemoet. De situatie ter plaatse, bezien vanuit [verzoeker] en [A] , is als volgt:

[verweerder 1] liep [verzoeker] en [A] tegemoet vanuit de richting van de rode pijl. [verweerder 1] liet daar zijn hond [naam hond] uit, die aan een uitrolbare hondenriem ongeveer 2 meter van hem vandaan liep. [verzoeker] en [A] hebben, toen zij de hond en [verweerder 1] zagen, allebei een noodstop gemaakt. [verzoeker] is daardoor op het wegdek van het fietspad gevallen en heeft daarbij een (incomplete, hoge) dwarslaesie opgelopen.

[verzoeker] houdt [verweerder 1] (en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar Achmea) aansprakelijk voor het ongeval. In deze deelgeschilprocedure wil [verzoeker] die aansprakelijkheid vastgesteld zien.

2.2.

De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om [verweerder 1] en Achmea aansprakelijk te houden voor het ongeval toewijzen.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

  1. te bepalen dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor het ontstaan en de gevolgen van het [verzoeker] op 24 september 2020 overkomen ongeval,
  2. [verweerder 1] en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de nog nader vast te stellen schade van [verzoeker] , die hij reeds heeft geleden en mogelijk nog lijdt als gevolg van het ongeval op 24 september 2020,
  3. de kosten van het deelgeschil te begroten en [verzoeker] en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot betaling daarvan.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Primair stelt [verzoeker] dat [verweerder 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld (vgl. artikel 6:162 BW). [verweerder 1] heeft namelijk onzorgvuldig en daarmee gevaarzettend gehandeld. [verzoeker] verwijt [verweerder 1] in de gegeven omstandigheden meer concreet:

  1. dat [verweerder 1] zijn hond niet voldoende kort had aangelijnd, maar deze aan de voor hem, [verweerder 1] , linkerkant van het fietspad in de berm liet lopen, waardoor de hondenlijn over het fietspad gespannen was;
  2. dat [verweerder 1] onvoldoende oplettend is geweest omdat hij [verzoeker] en [A] niet tijdig heeft zien aankomen;
  3. dat [verweerder 1] [verzoeker] en [A] niet heeft gewaarschuwd voor de aanwezigheid van de hond;
  4. at [verweerder 1] zijn hond en de lijn waaraan de hond was bevestigd niet, althans onvoldoende, zichtbaar heeft gemaakt voor andere verkeersdeelnemers.

3.2.2.

Subsidiair stelt [verzoeker] dat [verweerder 1] risico-aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door het gedrag van zijn hond (vgl. artikel 6:179 BW).

3.2.3.

Meer subsidiair kan de aansprakelijkheid van [verweerder 1] volgens [verzoeker] worden gebaseerd op zaakwaarneming (vgl. artikel 6:198 BW en 6:200 BW). Met zijn remactie heeft [verzoeker] namelijk een aanrijding met de hond willen voorkomen. [verzoeker] heeft zo willens en wetens het belang van de hond en daarmee van [verweerder 1] behartigd.

3.2.4.

Op grond van artikel 7:954 BW heeft [verzoeker] een directe actie op Achmea, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder 1] . Op grond van artikel 1019w Rv kan Achmea daarom naast [verweerder 1] in deze deelgeschilprocedure worden betrokken.

3.3.

[verweerder 1] en Achmea voeren – samengevat – de volgende verweren:

[verweerder 1] en Achmea betwisten de door [verzoeker] gestelde toedracht, althans de toedracht kan niet eenduidig worden vastgesteld. [verweerder 1] en Achmea wijzen er hierbij vooral op, dat onduidelijk is gebleven waar de hond zich kort voor het ongeval precies bevond. [verweerder 1] en Achmea betwisten dat de hond in de vanuit [verweerder 1] gezien linkerberm liep.

Verder heeft [verweerder 1] zich niet gevaarzettend gedragen. Hij heeft op zorgvuldige wijze gebruik gemaakt van het fietspad. Het ongeval is voornamelijk het gevolg van het eigen rijgedrag van [verzoeker] . [verzoeker] reed op hoge snelheid in een flauwe bocht met beperkt zicht en hij was bovendien bezig zijn mede-fietser [A] in te halen.

[verzoeker] kan zich ook niet op de risico-aansprakelijkheid voor dieren beroepen, aldus verweerders. Daarvoor is vereist dat de schade is veroorzaakt door de eigen energie van het dier en dat is hier niet het geval.

Ook van zaakwaarneming is geen sprake geweest. De rem-actie (noodstop) van [verzoeker] was niet bedoeld om willens en wetens andermans belang te beschermen.

In ieder geval is sprake van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] (vgl. artikel 6:101 BW).

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt waar nodig hierna verder ingegaan.

4De beoordeling

Het juridisch kader:

4.1.

Het verzoek van [verzoeker] is een verzoek in deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv). De deelgeschilprocedure is bedoeld om partijen die met elkaar in onderhandeling zijn over de afwikkeling van een letselschade, en daarbij in een impasse raken omdat zij het over een bepaalde kwestie niet eens kunnen worden, te helpen om – met een deelbeslissing van de rechter over die kwestie – de onderhandelingen weer te kunnen voortzetten.

4.2.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de aansprakelijkheid van [verweerder 1] en Achmea voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] is overkomen. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

De aansprakelijkheid van [verweerder 1] en Achmea:

4.3.

[verzoeker] baseert zijn verzoek primair op artikel 6:162 BW, waarin de onrechtmatige daad is geregeld. Voor de vraag of [verweerder 1] vanwege onrechtmatig handelen aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] is overkomen, moet worden beoordeeld of [verweerder 1] een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen en daarmee onzorgvuldig jegens [verzoeker] heeft gehandeld.

Het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie is onrechtmatig, als een ander daarmee aan een groter risico is blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord is. Daarbij moet worden gelet op de aard van het gevaar, de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen (Hoge Raad 5 november 1965, NJ 1966, 136; het Kelderluik-arrest).

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerder 1] een gevaarlijke situatie in het leven geroepen. Aan weerszijden van de Hoge Mierdenseweg bevinden zich vrij liggende fietspaden, elk bedoeld voor het fietsverkeer in één rijrichting. [verweerder 1] liep op het voor hem links van de autorijbaan gelegen fietspad; hij liep daar – vanuit hemzelf gezien – in de rechterberm. Dat is op zichzelf niet gevaarzettend (een voetpad is daar immers niet aanwezig en het is niet verboden daar te lopen), maar het brengt logischerwijs wel met zich, dat [verweerder 1] rekening moest houden met tegemoetkomende fietsers. [verweerder 1] moest zijn wijze van gebruik van het fietspad daarop aanpassen. Dit geldt temeer als, zoals in dit geval, het regent en schemert, wat het zicht naar algemene ervaringsregels beperkt. Daar komt bij dat de waarschijnlijkheid van onoplettend en onvoorzichtig gedrag van het tegemoetkomend fietsverkeer op een fietspad als dit niet gering is. Er wordt in Nederland veel gefietst en ook de sportievere vormen van fietsen (wielrennen/mountainbiken e.d.) worden veelvuldig beoefend. Sportfietsers rijden, zeker als er een competitief element in zit, vaak met meerdere fietsers samen op het fietspad en bereiken bovendien (veel) hogere snelheden dan ‘gewone’ fietsers. De kans dat daarbij een ongeval ontstaat is groot en dergelijke ongevallen leiden niet zelden tot ernstige gevolgen.

4.5.

Het voorgaande betekent hier dat [verweerder 1] zijn hond zodanig kort aangelijnd moest hebben, dat hij bij onverwachte, plotselinge situaties (zoals hem tegemoetkomende fietsers) zijn hond meteen dicht naar zich toe kon trekken. Hoewel partijen verschillen van mening over de precieze plek op/bij het fietspad waar de hond van [verweerder 1] ten tijde van het ongeval liep, heeft [verweerder 1] wel erkend dat zijn hond voorafgaand aan het ongeval 2 meter van hem vandaan liep, dat de hond vóór hem liep en dat de hond óp het fietspad liep. De hond liep dus niet in de berm in de directe nabijheid van [verweerder 1] .

[verweerder 1] moest er ook rekening mee houden dat hijzelf en – des te meer – zijn (kleine) hond voor tegemoetkomende fietsers pas op een laat moment zichtbaar zouden zijn, gelet op de weersomstandigheden, de schemering, de flauwe bocht in het fietspad ter hoogte van de ongevalslocatie en de hoge begroeiing in de berm aldaar. Hoewel [verweerder 1] daartoe niet verplicht was, was het verstandig geweest als hij verlichting had gevoerd (bij zichzelf en/of bij zijn hond en/of aan de riem). Dat is in deze tijd ook in financiële zin niet een veiligheidsmaatregel die bezwaarlijk van hem kon worden gevraagd.

4.6.

Het feit dat [verzoeker] uiteindelijk noch de hond, noch de hondenlijn heeft geraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het causaal verband tussen de aanwezigheid van (de lijn van) de hond op het fietspad en het ontstaan van het ongeval.

4.7.

Het voorgaande brengt met zich dat is voldaan aan de Kelderluik-criteria en dat het nalaten van [verweerder 1] onrechtmatig is. Dit betekent dat [verweerder 1] en Achmea aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 24 september 2020.

De eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] :

4.8.

[verweerder 1] en Achmea hebben uitgebreid gemotiveerd gesteld waarom in hun ogen sprake zou zijn van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] . Uit het verzoekschrift van [verzoeker] leidt de rechtbank echter af dat hij in dit deelgeschil géén beslissing van de rechtbank vraagt over de vraag of sprake was van eigen schuld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] ook uitdrukkelijk verklaard dat zijn verzoek niet inhoudt dat ook (eventuele) eigen schuld wordt meegenomen. [verzoeker] wil dit onderwerp aan de orde stellen tijdens het nadere overleg van partijen buiten rechte. [verweerder 1] en Achmea hebben bovendien geen tegenverzoek gedaan om op dit punt het oordeel van de rechtbank te vragen.

De rechtbank zal daarom in dit deelgeschil niet verder ingaan op de (eventuele) eigen schuld van [verzoeker] en de stellingen die partijen daarover al hebben ingenomen. Dit leidt er ook toe, dat de rechtbank niet zal beslissen over de verdeling van de kosten van dit deelgeschil over partijen. De rechtbank zal ermee volstaan om deze kosten begroten.

De kosten van het deelgeschil:

4.9.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.10.

[verzoeker] begroot zijn kosten voor dit deelgeschil op in totaal € 8.209,85 (inclusief btw). Daarbij gaat [verzoeker] uit van een tijdsbesteding van zijn advocaat van 23 uur (18 uur voor het opstellen van het verzoek, 2,5 uur voor overleg met [verzoeker] , 2,5 uur voor overleg met een door [verzoeker] ingeschakelde deskundige) en een uurtarief van € 295,- (exclusief btw). In het verzoekschrift merkt [verzoeker] hierbij op dat hij nog niet heeft vermeld de kosten die verband houden met de verdere behandeling van het deelgeschil en dat hij zich daarover nog nader zal uitlaten.

Dat laatste heeft [verzoeker] vervolgens echter niet gedaan, reden waarom de rechtbank uitgaat van het hiervoor genoemde aantal uren en uurtarief. Wel heeft [verzoeker] op de mondelinge behandeling gevraagd het betaalde griffierecht mee te nemen in de kostenbegroting.

4.11.

[verweerder 1] en Achmea voeren hiertegen aan, dat onduidelijk is of deze kosten daadwerkelijk voor rekening van [verzoeker] zijn gekomen of zullen komen. Verder stellen [verweerder 1] en Achmea dat aan het verzoekschrift, gelet op de inhoud en omvang, in redelijkheid geen 18 uur besteed hoefde te worden. Maximaal 10 uur achten [verweerder 1] en Achmea daarvoor redelijk.

4.12.

De rechtbank passeert de stelling van [verweerder 1] en Achmea dat onduidelijk is of [verzoeker] de kosten voor dit deelgeschil uiteindelijk zelf zal moeten betalen. In reactie daarop heeft [verzoeker] namelijk aangevoerd dat de rechtsbijstandverzekeraar van [verzoeker] de kosten van de advocaat alleen dekt voor zover die niet kunnen worden verhaald of door derden worden vergoed en dat geïncasseerde proceskostenveroordelingen en buitengerechtelijke kosten toekomen aan de rechtsbijstandverzekeraar. De verzekeraar heeft de advocaat van [verzoeker] ook te kennen gegeven dat de gemaakte en te maken (buitengerechtelijke) kosten ‘dienen’ te worden verhaald. Volgens [verzoeker] is dit een werkwijze die in de polissen van alle rechtsbijstandverzekeraars is opgenomen.

[verweerder 1] en Achmea hebben dit vervolgens onbetwist gelaten. De rechtbank gaat daarom aan dit bezwaar van [verweerder 1] en Achmea voorbij.

4.13.

In het kader van de kostenbegroting ziet de rechtbank – anders dan [verweerder 1] en Achmea – geen grond om het aantal uren voor het opstellen van het verzoekschrift te beperken. De opgegeven 18 uur voor het opstellen van het verzoekschrift acht de rechtbank in de deze zaak redelijk. Bij het totaal van 23 uur gaat de rechtbank er dan wel vanuit dat daarin ook “de kosten van de verdere behandeling van het deelgeschil” (zie r.o. 4.10) zijn inbegrepen. Tegen het gehanteerde uurtarief hebben [verweerder 1] en Achmea geen bezwaren geuit en ook overigens ziet de rechtbank geen grond om dat tarief te matigen.

De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 23 uren × € 295,- (exclusief btw), dus in totaal op € 8.209,85 (inclusief btw), nog te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,-.

4.14.

Zoals gezegd zal de rechtbank, hoewel zij de aansprakelijkheid van [verweerder 1] en Achmea heeft vastgesteld, de kosten van het deelgeschil alleen begroten. [verzoeker] heeft er immers bewust voor gekozen om de discussie tussen partijen over de eigen schuld buiten dit deelgeschil te houden en de uitkomst van die discussie is van belang voor de vraag in hoeverre [verweerder 1] en Achmea de buitengerechtelijke kosten (waar de kosten van dit deelgeschil toe worden gerekend) aan [verzoeker] moet vergoeden. Rechtbank Oost-Brabant 21 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3262