Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOVE 130426 verzocht € 13.581,94 incl. btw; geen urenspecificatie; toegewezen 16 uur x € 255 + 21% = € 4.936,80 x 50% vanwege ES

RBOVE 130426 e-fietser botst op auto van rechts; causale bijdrage minstens 50%; geen bill. corr.;
verzocht € 13.581,94 incl. btw; geen urenspecificatie; toegewezen 16 uur x € 255 + 21% = € 4.936,80 x 50% vanwege ES

locatie ongeval: https://maps.app.goo.gl/bGei6ykpzh1GjYPy5
 

3. De feiten

3.1.

Op 1 april 2024 heeft een ongeval plaatsgevonden op het Korianderhof in Wierden, waarbij [verzoeker], rijdend op een elektrische fiets, en [naam], bestuurder van de auto met kenteken [kenteken], betrokken waren. De auto van [naam] is bij MSIG verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid (WAM).

3.2.

Op of in de nabijheid van de T-splising ter hoogte van het Korianderhof nummer 1 zijn [verzoeker] en de auto van [naam] met elkaar in aanraking gekomen. Onderstaande afbeeldingen geven de situatie ter plekke weer.
 

[Afbeelding] (afbeelding niet aanwezig op rechtspraak.nl, red. LSA LM)

Deze afbeelding geeft vanaf boven de situatie weer, waarbij de linkse pijl de rijrichting van [verzoeker] weergeeft en de andere pijl de rijrichting van [naam].

 

[Afbeelding] (afbeelding niet aanwezig op rechtspraak.nl, red. LSA LM)

Deze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [verzoeker].

 

[Afbeelding] (afbeeldingen niet aanwezig op rechtspraak.nl, red. LSA LM)

Deze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [naam].


 


 

3.3.

MSIG heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de fiets van [verzoeker] vergoed.

3.4.

De aansprakelijkheidsverzekeraar (AVP) van [verzoeker] heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de auto van [naam] vergoed.

4Het verzoek en het verweer

4.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat MSIG gehouden is de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval volledig te vergoeden althans een causale verdeling vast te stellen, met begroting van en veroordeling in de kosten van dit deelgeschil.

4.2.

Aan het verzochte legt [verzoeker] ten grondslag dat er geen sprake is van eigen schuld aan zijn kant. [verzoeker] stelt dat hij geen verkeersfout heeft gemaakt. Hij heeft voldaan aan de voorrangsverplichting op grond van artikel 15 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV), terwijl [naam] onvoldoende rechts heeft gehouden en bij de afslaande manoeuvre de binnenbocht heeft genomen. Mocht de rechtbank oordelen dat er wel sprake is van eigen schuld, dan wordt verzocht een billijkheidscorrectie toe te passen.

4.3.

MSIG verzet zich gemotiveerd tegen dit verzoek. Zij meent dat er voor haar een schadevergoedingsplicht van 50% geldt. Primair volgt dit volgens haar uit het feit dat de AVP-verzekeraar van [verzoeker] namens [verzoeker] 50% van de aandprakelijkheid heeft erkend tegenover Aon als volmacht van MSIG in verband met de door MSIG uitgekeerde cascoschade aan de auto van [naam]. [verzoeker] is gebonden aan deze erkenning door zijn AVP-verzekeraar, aldus MSIG. Subsidiair stelt MSIG zich op het standpunt dat de schadevergoedingsplicht 50% bedraagt op grond van artikel 185 WVW juncto artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4.

Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.

5De beoordeling

Geschiktheid deelgeschil

5.1.

[verzoeker] baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure, zoals opgenomen in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoeker] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.

Inhoudelijke beoordeling

Hoofdregel artikel 185 WVW

5.2.

In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen [verzoeker] als (elektrische) fietser en [naam] als bestuurder van een auto. Voor zo’n situatie, waarin een gemotoriseerde (auto) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (fietser) betrokken is, bepaalt de wet (artikel 185 WVW) dat de schade van de ongemotoriseerde door de gemotoriseerde (in de praktijk vaak diens verzekeraar) vergoed moet worden. Ongemotoriseerde verkeersdeelnemers worden namelijk als zwakkere verkeersdeelnemers gezien ten opzichte van gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Deze regel geldt niet als de gemotoriseerde zich kan beroepen op overmacht. Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.

5.3.

Partijen zijn het erover eens dat artikel 185 WVW van toepassing is op deze zaak. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat MISG zich niet kan beroepen op overmacht aan de zijde van [naam]. Wel stelt MISG dat zij zich kan beroepen op een andere uitzonderingsbepaling op de hoofdregel, namelijk de ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 BW. MISG meent namelijk dat [verzoeker] zelf veruit het grootste aandeel heeft gehad in het ontstaan van het ongeval en dat daarom de schadevergoedingsplicht niet meer bedraagt dan 50%.

Causale verdeling

5.4.

Een geslaagd beroep op ‘eigen schuld’ in combinatie met artikel 185 WVW kan de vergoedingsplicht van de gemotoriseerde met maximaal 50% verlagen. Dat betekent dat de ongemotoriseerde in ieder geval recht heeft op een vergoeding van 50% van zijn of haar schade. Om te beoordelen of [verzoeker] recht heeft op een hoger vergoedingspercentage dan 50%, zoals door hem gevorderd, zal om te beginnen de causale verdeling moeten worden vastgesteld. Dit betekent dat gekeken wordt naar de mate waarin de gedragingen van zowel de gemotoriseerde als de ongemotoriseerde hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Aan de hand hiervan zal de schade in evenredigheid verdeeld worden tussen de gemotoriseerde en de ongemotoriseerde.

4.5.

MISG stelt (kort gezegd) dat [verzoeker] zelf voor het grootste deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] heeft een verkeersfout begaan door [naam], die van rechts kwam, geen voorrang te verlenen. [verzoeker] fietste de kruising op en sloeg rechtsaf zonder eerst te verifiëren of er verkeer van rechts kwam. Door geen voorang te verlenen en rechtsaf te slaan, is [verzoeker] tegen de auto van [naam] gefietst. Er is eens te meer sprake van een verkeersfout van [verzoeker], nu zijn zicht op de weg rechts van hem zeer beperkt was door de hoge muur van de aanbouw van de Korianderhof, die tot aan het kruispunt reikte. Door deze hem bekende verkeerssituatie had hij extra voorzichtig de kruising moeten naderen en eerst moeten verifiëren of de weg rechts van hem vrij was alvorens rechtsaf te slaan. Dat heeft hij niet gedaan. Volgens MSIG blijkt nergens uit dat [verzoeker] op enigerlei wijze heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat er verkeer van rechts zou kunnen aankomen. Daaraan doet de gestelde verkeersfout van [naam], inhoudende dat hij niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, niet af, aldus MSIG.

5.5.

De rechtbank oordeelt dat het handelen van [verzoeker] voor een aanzienlijk deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval. Op basis van de geldende verkeers-regels (artikel 15 RVV) had [naam] voorrang op [verzoeker]. [naam] kwam immers van rechts. In artikel 1 RVV is uitgelegd wat “voorrang verlenen” inhoudt: “het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen”.1 Het begrip voorrang verlenen omvat dus meer dan het enkel vrijlaten van voldoende ruimte om de voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer door te laten. Het heeft betrekking op het hele gedrag dat mag worden verwacht van de verkeersdeelnemer die voorrang moet verlenen aan een andere weggebruiker. Naar het oordeel van de rechtbank heeft MISG voldoende onderbouwd dat het handelen van [verzoeker] hier niet aan heeft voldaan. Hoewel de precieze plek van de aanrijding niet helemaal duidelijk is geworden, kan de rechtbank, niet tot een andere conclusie komen dan dat het ongeval op het kruisingsvlak of, indien [verzoeker] in zijn standpunt wordt gevolgd, in ieder geval op een zeer korte afstand van het kruisingsvlak heeft plaatsgevonden. Dat maakt dat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] artikel 15 RVV niet heeft geschonden. Hij heeft [naam] niet (voldoende) in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen. [verzoeker] stelt wel dat [naam] de bocht heeft afgesneden, maar dat is betwist door [naam], zodat dat niet is komen vast te staan. Ook als daar wel van zou worden uitgegaan, zou dit betekenen dat [naam] weliswaar een fout heeft begaan, maar dat doet niet af aan de verkeersfout die [verzoeker] heeft begaan. [verzoeker] moet als verkeersdeelnemer ook rekening houden met fouten van een ander, zeker nu hij voorrang moest verlenen aan het van rechts komende verkeer. Dat heeft [verzoeker] niet (voldoende) gedaan. Zo is [verzoeker] niet al wat voor het kruisingsvlak gestopt. Daarbij weegt de rechtbank ook de aard van de kruising/T-splitsing mee. Er is sprake van smalle straten met weinig zicht door de (relatief hoge) aanbouw en er staan vaak, zoals ook ten tijde van het ongeval, auto’s (fout) geparkeerd op de (vanuit de rijrichting van [verzoeker] bezien) linkerweghelft. [verzoeker] was hiermee bekend en kon die auto’s zien bij het naderen van de kruising. Ook daarom mocht van hem extra voorzichtigheid worden verwacht bij het naderen van de kruising/T-splitsing waar hij voorrang moest verlenen aan het van rechtskomend verkeer. De situatie ter plekke brengt ook met zich dat een van rechts komende naar links afslaande auto op enig moment de bocht wel iets moet afsnijden om een botsing met een geparkeerde auto te voorkomen.

5.6.

De verwijzing naar het vonnis van 7 oktober 2020 van de rechtbank Noord-Holland2 door [verzoeker] treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de feitelijke situaties niet vergelijkbaar met elkaar. Zo is er in de onderhavige situatie sprake van een onoverzichtelijke kruising. Van een situatie dat [verzoeker] [naam] geen voorrang hoefde te verlenen is, mede gelet op het bepaalde in artikel 1 RVV, naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

5.7.

Wanneer de rechtbank de gedragingen van [verzoeker] en [naam] tegen elkaar afweegt en beoordeelt in welke mate de gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de gedragingen van [verzoeker] voor minder dan 50% aan het ongeval hebben bijgedragen.

Billijkheidscorrectie

5.8.

De rechtbank ziet geen reden om een billijkheidscorrectie toe te passen. Met inachtneming van het vorenstaande is de mate van verwijtbaarheid van het rijgedrag van [naam], afgezet tegen de mate van verwijtbaarheid dat [verzoeker] zelf treft, niet zodanig dat dit een billijkheidscorrectie rechtvaardigt. De omstandigheid dat het aan het motorrijtuig voor andere verkeersdeelnemers verbonden gevaar (Betriebsgefahr) zich heeft verwezenlijkt, is onvoldoende reden om te komen tot een verhoging van de schadevergoedingsverplichting van MSIG. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van een groter deel van de schade van [verzoeker] dan 50%. De rechtbank heeft oog voor het letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen en de gevolgen die hij daarvan ondervindt, maar de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen niet de conclusie dat de billijkheid een andere verdeling eist.

Slotsom

5.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf en/of de billijkheidscorrectie geen aanleiding geeft voor een hogere schadevergoedings-verplichting voor MSIG dan 50%. Dat betekent dat het verzochte door [verzoeker] wordt afgewezen. Bespreking van het primaire verweer van MISG laat de rechtbank dan ook achterwege.

Kosten deelgeschil

5.10.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

5.11.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

5.12.

[verzoeker] maakt aanspraak op € 13.581,94 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. MSIG voert verweer en stelt dat dit een te hoog bedrag aan kosten is voor een niet-complexe zaak waarin slechts één specifieke vraag voorligt. Zij wijst er daarbij ook op dat een groot deel van de door [verzoeker] opgevoerde kosten niet zijn aan te merken als kosten van de deelgschillenprocedure, dat sprake is van dubbele kosten en dat kosten van ANWB niet zijn onderbouwd met een specificatie.

5.13.

De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank constateert dat diverse posten niet zijn onderbouwd met een (uren)specificatie. Daardoor is niet te verifiëren of de kosten in het kader van deze procedure zijn gemaakt. Uit de wel overgelegde specificatie blijkt dat er diverse belangenbehartigers/advocaten betrokken zijn (geweest) bij deze kwestie. Nut en noodzaak daarvan is echter niet (voldoende) onderbouwd. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat bepaalde kosten dubbel in rekening zijn gebracht. Gelet op de mate van complexiteit en de omvang van het dossier acht de rechtbank een totale tijdsbesteding van 16 uur redelijk. Wat betreft het te hanteren uurtarief zal zij aansluiten bij het ook van de zijde van [verzoeker] gehanteerde tarief van € 255,- exclusief btw.3 Dit komt neer op een bedrag van € 4.936,80 inclusief btw. Dat bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van
€ 331,-, zodat de begroting van de kosten van het deelgeschil sluit op € 5.267,80.

5.14.

Omdat de vergoedingsplicht voor MISG 50% is, geldt als uitgangspunt dat er in beginsel een correctie aan de orde is. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt ziet de rechtbank geen aanleiding.4 Dit betekent dat 50% van de kosten voor rekening van [verzoeker] blijft.

5.15.

Nu MISG de aansprakelijkheid (voor 50%) heeft erkend, bestaat er ook aanleiding om een veroordeling uit te spreken. MISG zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.633,90 (50% van € 5.267,80) aan [verzoeker].

1Vgl. o.a. HR, 16 april 1971, NJ 1971/307 en HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4046.

2Rb. Noord-Holland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8554.

3Zie randnummer 43 van het verzoekschrift.

4Vgl. o.a. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:30.

 

Rechtbank Overijssel 13 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3861