Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB 150126 inlener aansprakelijk voor val van ladder uitzendkracht (betontimmerman); verzocht 46 uur x € 270 + 21%, toegewezen 36 uur x € 270 + 21% = € 11.761,20

RBZWB 150126 inlener aansprakelijk voor val van ladder uitzendkracht (betontimmerman); verzocht 46 uur x € 270 + 21%, toegewezen 36 uur x € 270 + 21% = € 11.761,20
 

2. De feiten 

2.1. [verzoeker] is medio juni 2022 in dienst getreden bij uitzendbureau BWB Flex b.v. Het uitzendbureau heeft [verzoeker]  uitgeleend aan Van der Straaten. 

2.2. [verzoeker] verrichte werkzaamheden als betontimmerman op de locatie RWZI te Retranchement. Op die locatie werd gewerkt aan de bouw van een anaerobe tank. Daartoe moest met panelen een bekisting worden gemaakt waarin beton werd gestort. Deze panelen waren 5.20 meter hoog. 

2.3. De op maat gemaakte panelen werden met een hijskraan in de in aanbouw zijnde anaerobe tank gehesen. Op 7 juli 2022 moest [verzoeker] vanuit compartiment 4 van de in aanbouw zijnde tank de haak waarmee het paneel aan de hijskraan was bevestigd, loskoppelen. [verzoeker] is daartoe op een ladder geklommen waar hij vanaf is gevallen. 

2.4.  Bij de val heeft [verzoeker] ernstig letsel opgelopen aan beide onderbenen. 

2.5. [verzoeker] heeft Van der Straaten op 2 augustus 2022 aansprakelijk geteld voor de schade die hij door het ongeval heeft geleden. 

2.6. Van der Straaten heeft aan aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Achmea. Achmea heeft de aansprakelijkheid voor de schade niet erkend. 

2.7. Op verzoek van [verzoeker] heeft op 25 september 2024 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden bij de kantonrechter waarbij naast [verzoeker] I ook de heer J. en de heer W. zijn gehoord. Op 13 november 2024 heeft op verzoek van Van der Straaten en Achmea een contra enquête plaatsgevonden waarbij de heer K. is gehoord. 

3. Het verzoek en het verweer 

3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat Van der Straaten aansprakelijk is voor het hem op 7 juli 2022 tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden overkomen ongeval en voor recht te verklaren dat Van der Straaten en/of Achmea de nog nader te bepalen materiële en immateriële schade die [verzoeker] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, aan hem moet vergoeden. Daarnaast verzoekt [verzoeker] de kosten van het deelgeschil te begroten en te bepalen dat deze kosten aan [verzoeker] moeten worden voldaan op de derdengeldrekening van zijn gemachtigde, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de 15° dag na dagtekening van de te geven beschikking. 

3.2.  [verzoeker] stelt dat Van der Straaten op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van het arbeidsongeval, omdat zij de uit dit artikel voortvloeiende zorgplicht heeft geschonden. 

3.3. Van der Straaten verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij betwist dat zij tekort is geschoten in haar zorgplicht. Volgens Van der Straaten had [verzoeker] geen gebruik mogen maken van een ladder bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dit volgt onder meer uit de risico-inventarisatie en het overkoepelend V&G-plan 2022 dat is opgesteld ten behoeve van het project. [verzoeker] werkte ten tijde van het ongeval ongeveer twee weken voor Van der Straaten. Aan [verzoeker] en zijn collega's is een (Engelse) startwerkinstructie gegeven. Hierin is vermeld dat er gebruik moet worden gemaakt van een (rol)steiger wanneer er op hoogte moet worden gewerkt. Daarnaast is er een specifieke startwerkinstructie gegeven voor de werkzaamheden aan de wandbekisting. Hierin is volgens Van der Straaten expliciet besproken dat er steigers gebruikt moesten worden. Uit de instructies volgt dat het gebruik van ladders nadrukkelijk niet is toegestaan, alleen voor het verplaatsen van A naar B. [verzoeker] heeft voor beide instructies getekend voor ontvangst. Elke ochtend werd er doorgenomen welke werkzaamheden er die dag moesten worden uitgevoerd. Er was een ploegleider aanwezig op het project die zowel Engels als Roemeens sprak, zodat hij de instructies voor [verzoeker] en zijn Roemeense collega's kon vertalen. [verzoeker] heeft verklaard dat hij wist dat hij gebruik moest maken van een rolsteiger in plaats van de ladder. Er was volgens Van der Straaten die dag ook een rolsteiger beschikbaar voor [verzoeker] en zijn collega's. Deze rolsteiger had door de kraanmachinist in het compartiment kunnen worden gehesen waar [verzoeker] was. Van der Straaten heeft ten slotte aangevoerd dat zij ook voldoende toezicht hield op de naleving van de instructies. Dit toezicht werd uitgevoerd door de heer K. Hij hield dagelijks toezicht op de bouwplaats. Hij liep 80% van zijn werktijd buiten op de bouw en sprak werknemers aan op veiligheidsaspecten. K heeft [verzoeker] en zijn collega's voor het ongeval tweemaal aangesproken op het verboden gebruik van een ladder. Hij heeft daarop zelfs besloten daarover een aparte toolboxmeeting te houden waarin de regels over het gebruik van klimmaterieel zijn herhaald. Deze toolboxmeeting is gehouden op 4 juli 2022, zijnde drie dagen voor het ongeval. [verzoeker] was hierbij aanwezig. 

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 

4. De beoordeling 

4.1. [verzoeker]  heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt. 

4.2. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). 

4.3. In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of Van der Straaten aansprakelijk is voor het ongeval van [verzoeker] 

Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken. 

Inhoudelijke beoordeling 


4.4. [verzoeker] heeft artikel 7:658 BW aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Ingevolge dit artikel is een werkgever aansprakelijk voor schade die een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. 

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat deze norm op grond van lid 4 van dat artikel ook van toepassing is op de relatie tussen [verzoeker] en Van der Straaten. In lid 4 is bepaald dat een 'werkgever' die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig lid 1-3 aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Het doel van deze schakelbepaling is om bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. 

4.6. Van der Straaten heeft niet weersproken dat [verzoeker] werkzaamheden van een ladder is gevallen en daardoor schade heeft geleden zodat de kantonrechter hiervan zal uitgaan. De vraag die dan vervolgens dient te worden beantwoord is of Van der Straaten hiervoor aansprakelijk is. 

4.7. Het ligt op de weg van Van der Straaten om aan te tonen dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. 

4.8. [verzoeker] heeft aangevoerd dat Van der Straaten in strijd heeft gehandeld met haar eigen V&G plan. In dit plan is opgenomen dat iedereen op de bouwplaats moet beschikken over een VCA-diploma. Dat [verzoeker] dit diploma niet bezit, betekent echter niet dat Van der Straaten daarom in dit specifieke geval in haar zorgplicht is tekortgeschoten. Uit de verklaringen die [verzoeker] kort na het ongeval en tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd en uit wat hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, volgt dat hij wist dat een ladder alleen was bedoeld om zich van A naar B te verplaatsen en niet voor het uitvoeren van werkzaamheden. Het bezit van een VCA-diploma zou [verzoeker] dan ook niet meer kennis hierover hebben gegeven dan hij al had. 

4.9. [verzoeker] en de heer M hebben verklaard dat zij desondanks gebruik maakten. van een ladder wanneer het gebruik van een steiger niet mogelijk was. Dit werd volgens hen ook toegestaan door K en/of de ploegleider, de heer C. Hoewel Van der Straaten heeft weersproken dat er toestemming werd verleend voor het gebruik van de ladder, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken dat er vaker werkzaamheden werden uitgevoerd met behulp van een ladder. Dit volgt onder meer uit de verklaringen die twee collega's van [verzoeker] de heren M en M hebben afgelegd afgelegd ten overstaan van de gemachtigde van [verzoeker]. De heer M heeft dit vervolgens nog eens herhaald in het voorlopig getuigenverhoor bij de kantonrechter. De kantonrechter acht het dan ook aannemelijk dat [verzoeker] en zijn collega's zagen dat de ladder door anderen werd gebruikt en dat zij dat vervolgens ook zijn gaan doen. 

4.10. Van der Straaten stelt dat K [verzoeker] en zijn collega's daar tweemaal op heeft aangesproken en dat hij daarop heeft besloten hierover een toolboxmeeting te houden. Over de inhoud van deze toolboxmeeting verschillen partijen van mening. Volgens Van der Straaten zou hierin (nogmaals) aan de orde zijn gesteld dat er gebruik moest worden gemaakt van steigers. [verzoeker] betwist dit. Hij stelt zich op het standpunt dat in deze toolboxmeeting is gesproken over persoonlijke veiligheidsmiddelen. Ook zou er zijn besproken dat er niet gegeten en gedronken mocht worden op de bouwplaats. 

4.11. Of de instructies over het gebruik van steigers wel of niet zijn gegeven, kan naar het oordeel van de kantonrechter echter in het midden blijven. Zij overweegt daartoe dat Van der Straaten onvoldoende heeft toegezien op het gebruik van ladders dan wel heeft zij het gebruik daarvan - ook na de toolboxmeeting - gedoogd. [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat er de dag voorafgaand aan het ongeval stempels waren geplaatst tegen een van de wanden in compartiment 4 van de tank. Het bevestigen van deze stempels moet eveneens zijn gebeurd met gebruik van de ladder die in het compartiment stond. Er was immers geen steiger opgebouwd. Van der Straaten heeft bovendien aangevoerd dat de werkplek op de dag van het ongeval voor aanvang van de werkzaamheden is gezien door K Hij moet op dat moment dus hebben gezien dat er wel stempels en een ladder in het compartiment stonden maar dat er geen steiger aanwezig was. Hierop is vervolgens geen actie ondernomen en er is gestart met de werkzaamheden van die dag. Het had echter op de weg van Van der Straaten gelegen om ervoor te zorgen dat er een rolsteiger in het compartiment zou worden geplaatst alvorens de werknemers met hun werkzaamheden te laten starten. 

4.12. Daarbij komt dat C. als ploegleider, steeds aanwezig was op de werkplaats. Ook hij heeft dus kennelijk geen uitvoering gegeven aan de instructies die Van der Straaten stelt te hebben gegeven. Dit komt voor rekening en risico van Van der Straaten. Het ongeval van [verzoeker] heeft plaatsgevonden omstreeks 11.00 uur. Dit betekent dat er in de periode van 7.00 uur tot 11.00 uur geen toezicht meer is gehouden in het compartiment waar het ongeval heeft plaatsgevonden dan wel dat werd gedoogd dat er werkzaamheden werden verricht vanaf een ladder in plaats van een rolsteiger. 

4.13. Van der Straaten legt de verantwoordelijkheid voor het niet in gebruik nemen van de steiger ten onrechte bij [verzoeker] Het lag op de weg van Van der Straaten om toezicht te houden op de naleving van de instructies die zij stelt te hebben gegeven. Dit geldt te meer nu Van der Straaten stelt dat [verzoeker] en zijn collega's in de korte periode dat zij werkzaam waren voor Van der Straaten al twee keer waren aangesproken op het gebruik van een ladder. Nu dit toezicht er in onvoldoende mate is geweest, is Van der Straaten in haar zorgplicht tekort geschoten. Dit betekent dat zij aansprakelijk is voor het ongeval dat [verzoeker] is overkomen en voor de schade die [verzoeker] daardoor heeft geleden en nog zal lijden. 

Kosten deelgeschil 

4.14. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. 

4.15. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. 

4.16. [verzoeker] maakt aanspraak op € 15.060,87 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. De gemachtigde van [verzoeker] hanteert een uurtarief van € 270,00 exclusief btw. Voor het opstellen van het verzoekschrift heeft hij bijna 30 uur gerekend. Daarnaast is er nog 16 uur begroot voor de verdere behandeling van de zaak. Van der Straaten heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief van de gemachtigde van [verzoeker] 

Met betrekking tot het aantal uren heeft Van der Straaten aangevoerd dat 46 uur bovenmatig is. Volgens Van der Straaten is een bedrag van € 5.000,00 aan kosten redelijk. 

4.17. De gemachtigde van [verzoeker] heeft bijna 30 uur gedeclareerd voor het opstellen van het verzoekschrift. De kantonrechter is met Van der Straaten van oordeel dat dit bovenmatig is. Daar staat echter tegenover dat het een bewerkelijke zaak is en dat de afstemming tussen [verzoeker] en zijn gemachtigde in verband met een taalbarrière meer tijd dan gebruikelijk zal hebben gekost. Het door Van der Straaten genoemde bedrag van € 5.000,00 aan redelijke kosten is daarom niet reëel. De kantonrechter acht 20 uur voor het opstellen van het verzoekschrift redelijk. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter daarom in totaal worden begroot op 36 uren x € 270,00 exclusief btw, dus op € 9.720,00 exclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Van der Straaten zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15° dag na dagtekening van deze beschikking. 
 

Met dank aan mr Huib Staal, Balans Letselschade Advocaten voor het inzenden van deze uitspraak.
 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2026/RBZWB-150126