Overslaan en naar de inhoud gaan

RBZWB 150726 toegewezen cf verzoek: 24 uur (incl. 4 uur zitting) x € 275 + 21% = € 7.986

RBZWB 150726 ernstig hersen- en aangezichtsletsel; rb wijst verzoek om restverdiencapaciteit op nihil te stellen af; 
- 1e NPO voldoet niet aan validiteitscriteria; beperkingen niet vast te stellen; ass. moet meewerken aan nieuw NPO; horen 1e deskundige niet zinvol
- toegewezen cf verzoek: 24 uur (incl. 4 uur zitting) x € 275 + 21% = € 7.986


 

3De feiten

3.1.

[verzoekende partij] , geboren op [geboortedag] 1995, is op 22 juni 2019 betrokken geweest bij een eenzijdig verkeersongeval. Hij zat achterop een driewielmotor, toen de bestuurder met het voorwiel van dit voertuig een stoeprand raakte. Hierdoor kwamen de bestuurder en [verzoekende partij] ten val.

3.2.

[verzoekende partij] heeft ernstig letsel opgelopen als gevolg van het ongeval. Er is onder andere sprake geweest van bloedingen in het brein, uitgebreide breuken van de schedelbasis, het aangezicht, de scapula links, wervels en van zenuwuitval.

3.3.

Unigarant is de verzekeraar van het voertuig en heeft de plicht om de schade van [verzoekende partij] te vergoeden erkend.

3.4.

[verzoekende partij] is na het ongeval opgenomen op de intensive care van het [ziekenhuis] in [plaats] . [verzoekende partij] is van 22 juni tot en met 25 juni 2019 opgenomen geweest op de intensive care. Hij is vervolgens overgebracht naar de chirurgische verpleegafdeling, waar hij tot 10 juli 2019 opgenomen is geweest. Na zijn verblijf in het ziekenhuis heeft [verzoekende partij] tot en met 16 augustus 2019 gerevalideerd bij [revalidatiecentrum] .

3.5.

Eind 2020 is door partijen een arbeidsdeskundige ingeschakeld, [arbeidsdeskundige 1] van [adviesbureau] (hierna: ‘ [arbeidsdeskundige 1] ’). In haar arbeidsdeskundig rapport van 8 december 2020 vermeldt zij in haar conclusie dat zij [verzoekende partij] belastbaar acht.1 Hij is beperkt aan zijn linkerarm, maar kan deze wel gebruiken. In hoeverre de cognitieve klachten nog aanwezig zijn, is moeilijk in te schatten op basis van één gesprek middels beeldbellen. Nader onderzoek, bijvoorbeeld middels een neuropsychologisch onderzoek, kan hierin meer duidelijkheid geven, aldus [arbeidsdeskundige 1] .

3.6.

[verzoekende partij] is op 15 maart 2022 gezien door neuroloog [neuroloog] (hierna: ‘ [neuroloog] ’). [neuroloog] heeft de gebruikelijke IWMD-vraagstelling ontvangen. In het rapport van [neuroloog] van 9 juni 2022 is onder andere opgenomen:2

“De beperkingen op mijn vakgebied samenhangend met de cognitieve problematiek van betrokkene kunnen worden bepaald op grond van de resultaten van neuropsychologisch onderzoek.

Betrokkene heeft daarnaast uitval van de linker bovenarm en wat dit betreft zijn er bij betrokkene matig ernstige beperkingen met betrekking tot boven schouderhoogte werken, zwaar tillen, duwen, trekken en dragen van de linkerarm. Eveneens is reiken matig ernstig beperkt.”

3.7.

[verzoekende partij] is op 1 juni 2022 gezien door orthopedisch chirurg [orthopedisch chirurg] (hierna: ‘ [orthopedisch chirurg] ’). In het rapport van [orthopedisch chirurg] van 24 oktober 2022 is opgenomen dat [verzoekende partij] gering beperkt is in het gebruik van de nek bij het draaien van het hoofd naar links en rechts en het voor- en achterwaarts bewegen van het hoofd.3

3.8.

Libra Arbeidsexpertise heeft een uitvoerig arbeidscapaciteitenonderzoek uitgevoerd. [verzoekende partij] is in het kader van dat onderzoek gedurende vier verschillende dagen (op 27 en 29 september en 5 en 13 oktober 2022) geobserveerd bij het uitvoeren van verschillende taken. In het eindverslag van 31 oktober 2022 is opgenomen:4

“De kenmerken bevattingsvermogen , concentratie , omschakelen en leren/onthouden lijken de grootste belemmerende factoren te zijn bij de uitvoer van activiteiten.

Daarnaast is de verminderde energetische inzet een belemmering. (…)

Wat betreft de fysieke capaciteiten; de heer kent op fysiek gebied veel beperkingen, die hoofdzakelijk veroorzaakt worden door een aangedane linkerschouder wat zich uit in pijnklachten en een verminderd functioneren van de linkerarm. (…)

Door bovenstaande combinatie van fysieke beperkingen, is de heer beperkt inzetbaar voor fysieke werkzaamheden (zowel qua zwaarte als repeterende handelingen).

Bovenstaande heeft consequenties voor het werktempo, de begeleidingsbehoefte en de inzetbaarheid. (…)”

3.9.

Op 3 oktober 2022 vond een neuropsychologisch onderzoek plaats door [persoon] (hierna: ‘ [persoon] ’). Haar definitieve rapportage dateert van 21 november 2022.5 Op de vraag (vraag 4) of er stoornissen aantoonbaar zijn in het mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en het gedrag of in de helderheid van het bewustzijn, geeft [persoon] aan:

Huidig NPEO had tot doel het mentaal functioneren te objectiveren en te beoordelen of er sprake is van aantoonbare ongevalsgerelateerde stoornissen en beperkingen. Helaas wordt bij herhaling niet voldaan aan de vigerende validiteits- en betrouwbaarheidscriteria. Derhalve is het niet verantwoord het testprofiel te interpreteren in termen van stoornissen; dientengevolge levert huidig onderzoek geen evidentie voor ongevalsgerelateerde mentale beperkingen. (…)

3.10.

[neuroloog] heeft vervolgens zijn rapport aangevuld op 23 november 2022.6 Hij heeft het antwoord op de vraag naar de beperkingen van [verzoekende partij] aangevuld met een verwijzing naar het antwoord op vraag 4 in de neuropsychologische rapportage van [persoon] van 21 november 2022 (zie hiervoor 3.9).

3.11.

[arbeidsdeskundige 1] heeft in haar voortgangsverslag van 1 december 2022 aangegeven een verder NPO noodzakelijk te vinden om meer duidelijkheid te krijgen over de cognitieve belastbaarheid van [verzoekende partij] .7 Zij schrijft:

“Op basis van de uit het onderzoek van Libra verkregen informatie zie ik op dit moment geen mogelijkheden om betrokkene te re-integreren naar een reguliere, betaalde baan gezien zijn beperkingen op cognitief en fysiek gebied. Er heeft geen NPO bij Libra plaatsgevonden, en er zijn dus ook geen uitkomsten op dit gebied, zodat ik deze niet kan meenemen in de beoordeling. Ik acht een verder NPO wel noodzakelijk om meer duidelijkheid te krijgen over de cognitieve belastbaarheid van betrokkene.”

3.12.

Unigarant heeft geen toestemming gegeven voor het uitvoeren van een nieuw NPO. [arbeidsdeskundige 1] heeft op 11 augustus 2023 laten weten geen mogelijkheden voor aanvullende begeleiding van [verzoekende partij] te zien zonder het NPO en heeft daarom haar dossier gesloten.

3.13.

Vervolgens heeft een andere arbeidsdeskundige, de heer [arbeidsdeskundige 2] van [arbeidsdeskundig bureau] (hierna: ‘ [arbeidsdeskundige 2] ’), op 5 december 2024 opdracht gekregen om te adviseren over de eventuele mogelijkheden van [verzoekende partij] om een betaalde baan op de arbeidsmarkt te verkrijgen. [arbeidsdeskundige 2] heeft op 30 januari 2024 een rapportage uitgebracht.8 Daarin concludeert hij:

“Betrokkene presenteert een complex aan klachten en beperkingen.

Op basis van zijn presentatie en de informatie van Libra ben ik van mening dat als de door hem genoemde beperkingen correct zijn, betrokkene geen reëel aanbod is op de vrije arbeidsmarkt.

Hij is volgens mij aangewezen op beschutte arbeid. Om dit te verkrijgen zal hij toegelaten moeten worden tot het doelgroep register.

Daaraan ligt een medische keuring ten grondslag. Om een kans te maken om op basis van die keuring tot het doelgroep register toegelaten te worden, is meer medisch objectieve informatie nodig omtrent zijn mentale/cognitieve problematiek. (…)”

4Het verzoek en het verweer

4.1.

[verzoekende partij] verzoekt de rechtbank – samengevat – om bij beschikking:

primair:

op basis van de beschikbare documentatie te oordelen dat de restverdiencapaciteit van [verzoekende partij] nihil is,

subsidiair:

Unigarant te veroordelen om mee te werken aan een nieuw neuropsychologisch onderzoek,

meer subsidiair:

te oordelen dat de revalidatiearts moet worden ingeschakeld als onafhankelijk deskundige, om partijen verder te helpen in de onderhandelingen en vaststelling en afwikkeling van de schade,

in alle gevallen:

de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoekende partij] te begroten en Unigarant te veroordelen tot betaling hiervan.

4.2.

Unigarant vindt dat [verzoekende partij] niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken of dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen, zonder de kosten te begroten.

4.3.

De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante standpunten die partijen ter onderbouwing van het verzoek en het verweer daartegen hebben ingenomen.

5De beoordeling

De zaak is geschikt voor de deelgeschilprocedure

5.1.

[verzoekende partij] heeft een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv bij de rechtbank ingediend. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen het op bepaalde punten niet eens kunnen worden, waardoor de buitengerechtelijke onderhandelingen worden belemmerd. Een partij (of partijen gezamenlijk) kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter verzoeken op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met buitengerechtelijke onderhandelingen, met als uiteindelijke doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Als dit doel onvoldoende kan worden bereikt, moet het verzoek worden afgewezen. Een zaak is ook niet geschikt voor de deelgeschilprocedure als feitelijk het gehele geschil aan de rechter wordt voorgelegd.

5.2.

Volgens Unigarant is de zaak niet geschikt voor behandeling in deelgeschil. Partijen zijn het niet eens over de situatie van [verzoekende partij] vóór en zonder ongeval, zodat de eventuele schade nog niet kan worden bepaald. Dat geschil blijft in de weg staan aan een vaststellingsovereenkomst, ook als beslist wordt op de verzoeken van [verzoekende partij] , aldus Unigarant.

5.3.

De rechtbank oordeelt dat de zaak zich leent voor behandeling in deelgeschil. Dat er naast het geschil dat [verzoekende partij] aan de rechter voorlegt nog andere geschilpunten zijn, betekent niet dat een beslissing op het voorliggende geschilpunt een vaststellingsovereenkomst niet dichterbij kan brengen. Met een oordeel over de restverdiencapaciteit van [verzoekende partij] wordt één geschilpunt beslecht en kunnen partijen verder onderhandelen om te bezien of een totale regeling tot de mogelijkheden behoort. Zekerheid over het bereiken daarvan is geen voorwaarde om een deelgeschilprocedure te kunnen starten. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.

Het primaire verzoek: de restverdiencapaciteit van [verzoekende partij]

5.4.

[verzoekende partij] verzoekt de rechtbank primair om te oordelen dat hij geen restverdiencapaciteit meer heeft. [verzoekende partij] verwijst naar de diverse rapporten en verslagen van (arbeids)deskundigen waaruit de ernst en de omvang van de klachten en beperkingen die hij ervaart blijken. Deskundigen zien geen reële mogelijkheid om [verzoekende partij] te begeleiden naar betaald werk, behalve naar werk in een beschutte werkomgeving. Dit is volgens [verzoekende partij] geen arbeid tegen loonwaarde, zodat zijn restverdiencapaciteit nihil is.

5.5.

Unigarant voert verweer. Volgens Unigarant kan op basis van de stukken niet de conclusie worden getrokken dat [verzoekende partij] geen verdiencapaciteit meer heeft. Partijen kunnen niet van cognitieve klachten en beperkingen uitgaan, terwijl dat nu vooral als de beperkende factor voor betaalde arbeid wordt gezien, aldus Unigarant.

5.6.

De rechtbank oordeelt dat uit de diverse rapporten en verslagen van deskundigen in het dossier blijkt dat [verzoekende partij] de nodige fysieke klachten en beperkingen heeft overgehouden aan het ongeval. Of het ongeval wel of niet heeft geleid tot cognitieve klachten en beperkingen en zo ja in welke mate, kan op basis van het beschikbare dossier niet worden vastgesteld. Het dossier geeft wel aanwijzingen dat [verzoekende partij] kampt met cognitieve klachten en beperkingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van Libra (zie 3.8). Aan het door [persoon] uitgevoerde NPO kunnen geen conclusies worden verbonden, nu bij herhaling niet is voldaan aan de vigerende validiteits- en betrouwbaarheidscriteria. Op basis van het uitgevoerde NPO kan dus niet geoordeeld worden dat er geen cognitieve klachten en beperkingen zijn, maar ook niet dat die er wel zijn. Nu geen oordeel kan worden geveld over de cognitieve klachten en beperkingen, en de fysieke klachten en beperkingen van [verzoekende partij] niet zodanig zijn dat elke restverdiencapaciteit alleen daarom al ontbreekt, moet het primaire verzoek worden afgewezen. Ook het feit dat de arbeidsdeskundigen rapporteren over de mogelijkheid voor [verzoekende partij] om arbeid te verrichten op een beschutte werkplek, maakt dat afwijzing aan de orde moet zijn. Ook arbeid op een beschutte werkplek is tenslotte – anders dan [verzoekende partij] aanvoert – arbeid tegen loonwaarde.

Het subsidiaire verzoek: een nieuw NPO

5.7.

Subsidiair verzoekt [verzoekende partij] veroordeling van Unigarant om mee te werken aan een nieuw NPO. Unigarant verzet zich daartegen. Volgens Unigarant is het eerste NPO correct uitgevoerd en heeft dit geleid tot de valide conclusie dat er geen evidentie is voor cognitieve beperkingen. Er zijn geen relevante medische ontwikkelingen geweest die een nieuw NPO nodig maken. Unigarant heeft contact opgenomen met [persoon] . Zij raadt een nieuw NPO af. Ook de medisch adviseur van Unigarant raadt een tweede NPO af, vanwege de leereffecten. Tussen opeenvolgende neuropsychologische onderzoeken moet zo’n twee jaar zitten. Als er al het voornemen bestaat om een nieuw NPO te gelasten of een andere deskundige te benoemen, dan gaat Unigarant er gelet op artikel 186 lid 5 Rv vanuit dat de rechtbank [persoon] eerst om een mondelinge toelichting zal worden gevraagd.

5.8.

De rechtbank constateert dat meerdere deskundigen wijzen op de noodzaak om te beschikken over een NPO waaruit conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de (eventuele) cognitieve klachten en beperkingen van [verzoekende partij] als gevolg van het ongeval. Anders dan Unigarant stelt, heeft het door [persoon] afgenomen NPO niet tot een inhoudelijke conclusie geleid. Haar conclusie is niet geweest dat er geen cognitieve beperkingen zijn, haar conclusie is geweest dat het niet verantwoord is om het testprofiel te interpreteren in termen van stoornissen omdat niet is voldaan aan de ingebouwde validiteitstesten. De arbeidsdeskundigen [arbeidsdeskundige 1] en [arbeidsdeskundige 2] achten allebei een NPO noodzakelijk is. [arbeidsdeskundige 1] meldt dat een NPO noodzakelijk is om de belastbaarheid van [verzoekende partij] vast te stellen, [arbeidsdeskundige 2] voegt toe dat er meer medisch objectieve informatie nodig is over de mentale/cognitieve problematiek van [verzoekende partij] om een kans te maken om toegelaten te worden tot het doelgroepregister.

5.9.

De (omvang van eventuele) cognitieve klachten en beperkingen van [verzoekende partij] als gevolg van het ongeval zijn onderwerp van discussie tussen partijen. Oplossing van dit geschilpunt kan bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst over de afwikkeling van de gevolgen van het ongeval. Een nieuw NPO kan de discussie tussen partijen op dit punt oplossen, en kan [verzoekende partij] verder helpen richting het verkrijgen van (beschutte) arbeid.

5.10.

Unigarant voert aan dat [persoon] het eerste NPO juist heeft uitgevoerd. [verzoekende partij] heeft dit ook niet betwist. Wel heeft hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij zijn best heeft gedaan, maar het onderzoek op enig moment is gaan afraffelen omdat het te lang duurde. Daarmee is niet op voorhand uit te sluiten dat een nieuw NPO wel tot een bruikbare conclusie zal leiden. Het tijdsverloop sinds het eerste NPO ondervangt het bezwaar dat de medisch adviseur van Unigarant heeft aangevoerd, namelijk dat er zo’n twee jaar moet zitten tussen opeenvolgende neuropsychologische onderzoeken.

5.11.

Artikel 186 lid 5 Rv brengt niet met zich mee dat voorafgaand aan toewijzing van het subsidiaire verzoek [persoon] dient te worden gehoord. Dit artikel is strikt genomen niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een verzoek tot het benoemen van een gerechtelijke deskundige door de rechtbank, maar een verzoek tot het gelasten van medewerking aan een nieuw NPO. Omdat beide situaties materieel dicht bij elkaar liggen, in die zin dat de uitkomst in beide situaties zal zijn dat er een deskundige aan de slag gaat, heeft de rechtbank beoordeeld of het zinvol is om [persoon] te horen zoals Unigarant voorstaat.

5.12.

De rechtbank acht dit niet zinvol. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat Unigarant [persoon] voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft benaderd met de vraag of het herhalen van het NPO gebruikelijk en/of wenselijk is. Unigarant heeft in haar verweerschrift verwoord wat [persoon] in reactie daarop heeft aangegeven. [persoon] vindt het afnemen van een nieuw NPO niet zinvol. Het standpunt van [persoon] is helder. Welke vragen er desalniettemin aan [persoon] zouden moeten worden voorgelegd, heeft Unigarant niet toegelicht.

5.13.

De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek om Unigarant te veroordelen tot medewerking aan een nieuw NPO toe. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het meer subsidiaire verzoek van [verzoekende partij] .

5.14.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen nog opmerkingen gemaakt over welke deskundige een nieuw NPO zou moeten uitvoeren. Unigarant heeft aangegeven dat [persoon] het zou kunnen doen. Hoewel de persoon van de deskundige niet ter beoordeling van de rechtbank voorligt, merkt dat rechtbank op dat [persoon] niet de aangewezen persoon lijkt om het nieuwe NPO uit te voeren. Zonder af te doen aan de professionaliteit en deskundigheid van [persoon] , geldt dat zij zich in deze zaak al negatief heeft uitgelaten over de zin van een nieuw NPO. Het komt de rechtbank daarom geraden voor om een andere deskundige te benaderen.

Kosten deelgeschil

5.15.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake, anders dan Unigarant heeft aangevoerd. Dat volgt alleen al uit de toewijzing van het (subsidiaire) verzoek van [verzoekende partij] .

5.16.

De advocaat van [verzoekende partij] heeft de met dit deelgeschil gemoeide kosten begroot op een besteding van 20 uur, te vermeerderen met de tijd voor de mondelinge behandeling, tegen een uurtarief van € 275,00 exclusief btw (€ 332,75 inclusief btw). Het aantal uren dat de advocaat van [verzoekende partij] aan het deelgeschil heeft besteed en het gehanteerde uurtarief zijn naar het oordeel van de rechtbank redelijk te noemen. Unigarant heeft daar ook geen verweer tegen gevoerd. [verzoekende partij] heeft daarnaast een bedrag van € 341,00 aan griffierecht betaald. Uitgaande van een tijdsbesteding inclusief reistijd van 4 uur voor de mondelinge behandeling, begroot de rechtbank de totale deelgeschilkosten op een bedrag van € 8.327,00 (24 uur x € 332,75 + € 341,00). Nu de aansprakelijkheid van Unigarant vaststaat, zal Unigarant ook veroordeeld worden tot betaling van de kosten.

1Productie 12 bij het verzoekschrift.

2Productie 5 bij het verzoekschrift.

3Productie 7 van het verzoekschrift.

4Productie 16 van het verzoekschrift.

5Productie 8 van het verzoekschrift.

6Productie 9 van het verzoekschrift.

7Productie 17 van het verzoekschrift.

8Productie 19 van het verzoekschrift.

 

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6708