Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 030726 whiplash apotheker; partijen gebonden aan gezamenlijke neurologische expertise

RBDHA 030726 whiplash apotheker; partijen gebonden aan gezamenlijke neurologische expertise
- ass. stelt geen vragen na conceptrapport; bezwaren achteraf (bewusteloosheid, delta v 7-11 km/u, FNS-diagnose) onvoldoende zwaarwegend
- consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon; voor ongeval afwezig; alternatieve verklaring ontbreekt; causaal verband aangenomen
- verklaring voor recht t.z.v. volledige en duurzame AO afgewezen; bij gebrek aan vza- en ad-onderzoek
- verzocht 40 uur x € 310 + 21%; begroot en toegewezen, 25 (20?) uur x € 250 + 21% = € 7.562,50, onderzoek Van en Salhi
 

2De feiten

2.1.

Op 2 november 2016 vond een kettingbotsing plaats waar [verzoekster] als automobilist bij betrokken was (hierna: het ongeval). [verzoekster] bestuurde een VW Golf en stond enkele meters voor een rotonde stil op een N-weg. De bestuurder van een VW Caddy reed zonder te remmen achterop een Peugeot 206, die vervolgens werd doorgedrukt op de VW Golf van [verzoekster] , die op haar beurt de voor haar stilstaande Toyota Auris raakte.

2.2.

De VW Caddy was verzekerd bij Delta Lloyd (rechtsvoorganger van NN). Delta Lloyd heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3.

[verzoekster] is na het ongeval per ambulance naar de spoedeisende hulp (hierna: SEH) van het Röpcke-Zweers ziekenhuis gebracht. Het SEH-verslag vermeldt onder meer:

Anamnese

Heeft al een nek hernia, nu meer pijn in de nek en de bovenrug.

Door ambulance naar SEH gebracht. Weigerde in de ambulance te liggen; half zittend vervoerd.

Op SEH op wervelplank, patiente blijft hierbij opstaan omdat zij het oncomfortabel vind.

Lichamelijk onderzoek

(…)

Patiente heeft continue zonnebril op, heeft last van TL licht en wil dat wij lichten uit doen.

(…).

Wervelkolom: Drukpijn CWK + hoog thoracaal (tussen schouderbladen), maar met name ook pijn paravertebraal. Klinisch paravertebraal het meeste last, anamnetisch WK meeste last.”

Op de SEH heeft CT-onderzoek van de halswervelkolom en de borstwervelkolom plaatsgevonden, maar er zijn geen fracturen vastgesteld. Er werden uitsluitend degeneratieve veranderingen gezien. De conclusie luidde: “Status na trauma, myogene klachten.”. [verzoekster] is na het onderzoek naar huis gezonden.

2.4.

De dag na het ongeval heeft [verzoekster] telefonisch contact opgenomen met haar huisarts met de volgende klachten: nekpijn, duizeligheid en overgevoeligheid voor prikkels. De huisarts heeft [verzoekster] op 14 november 2016 doorverwezen naar een neuroloog, omdat het niet beter met haar ging maar slechter.

2.5.

Op 21 november 2016 is [verzoekster] onderzocht door neuroloog [neuroloog 1] . Hierbij is vastgesteld dat haar nek fors hypertoon was. Er is een CT-scan van de hersenen gemaakt en een MRI-scan van de cervicale wervelkolom. In een brief van 8 december 2016 heeft de neuroloog aan de huisarts van [verzoekster] bericht dat geen neurologische respectievelijk recente afwijkingen zijn gevonden.

2.6.

Op 1 december 2016 is [verzoekster] gestart met fysiotherapie en later ook met ergotherapie.

2.7.

Op 16 maart 2017 is een MRI-scan van de hersenen gemaakt waarbij geen traumatische afwijkingen zijn gevonden. De neuroloog heeft [verzoekster] verwezen naar een revalidatiearts voor verdere begeleiding.

2.8.

Op 14 april 2017 heeft de huisarts [verzoekster] verwezen naar een KNO arts vanwege aanhoudende gehoorklachten en overgevoeligheid voor geluid. De vraagstelling van de huisarts luidde: “Bovengemelde patiente heeft in november een auto-ongeval gehad met trauma capitis. Op aanraden van neuroloog [neuroloog 1] en de Arbo arts graag uw nader onderzoek over aanhoudende gehoorsklachten.”. De conclusie van de KNO arts was hyperacusis (overgevoeligheid voor geluid) en last van licht sinds het ongeval en een normaal gehoor.

2.9.

In de periode van 28 november 2016 tot en met 13 november 2017 heeft [verzoekster] verschillende bedrijfsartsen gezien. Zij is uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt verklaard. Vanaf 31 oktober 2018 is aan [verzoekster] een IVA-uitkering toegekend. Zij was ten tijde van het ongeval werkzaam als apotheker.

2.10.

Bij brief van 23 oktober 2018 heeft de huisarts van [verzoekster] bericht dat [verzoekster] in de twee jaren voorafgaand aan het ongeval tweemaal met andersoortige klachten de huisarts heeft bezocht. Deze klachten, een geïrriteerd oog en pijn in haar linker schouder na een val met skiën, zijn vanzelf verdwenen. Verder schrijft de huisarts dat in januari 2011 een MRI-scan is gemaakt, die een cervicale HNP (nekhernia) liet zien. Hierover is geen vervolgcontact meer geweest. De klachten zijn vanzelf verdwenen.

2.11.

Op verzoek van het UWV is, in het kader van een WIA-aanvraag, een psychiatrische expertise verricht door psychiater-psychotherapeut [psychotherapeut 1] (hierna: [psychotherapeut 1] ). In zijn rapport van 10 december 2018 komt [psychotherapeut 1] tot de volgende beschrijvende diagnose:

“Sinds bijna twee jaar bestaande functioneel-neurologische-systeemstoornis, chronisch, zonder duidelijke psychische stressor bij een 52-jarige vrouw, ontstaan na een auto ongeluk, waarbij ze van achteren werd aangereden. Dit heeft geleid tot grote overgevoeligheid voor lawaai, beweging en licht, waardoor betrokkene zich slechts zeer kort kan inspannen en daarna weer een tijd moet rusten, omdat ze anders in een situatie van heftige hoofdpijn, misselijkheid en extreme vermoeidheid terechtkomt. Er is sprake van een blanco psychiatrische en somatische voorgeschiedenis, betrokkene had een druk leven, als apotheker, echtgenote en moeder van drie inmiddels volwassen kinderen.”

[psychotherapeut 1] komt in zijn rapport tot de volgende hoofddiagnose:

“functioneel-neurologische-systeemstoornis, chronisch, zonder duidelijke psychische stressor.”

2.12.

Op 7 maart 2019 is bij [verzoekster] een QEEG-onderzoek afgenomen. Dit is een hersenmeting die de hersenactiviteit in kaart brengt. Klinisch psycholoog en psychotherapeut drs. [psychotherapeut 2] (hierna: [psychotherapeut 2] ) heeft daarover een onderzoeksrapport uitgebracht. [psychotherapeut 2] heeft hierin geconcludeerd dat bij het uitvoeren van de verschillende cognitieve testen de hersenactiviteit bij [verzoekster] in alle frequenties over vrijwel de gehele cortex significant verlaagd is vergeleken met haar leeftijdsgroep. Dit wijst erop dat zij chronisch stress ondervindt en moeite heeft om soepel in haar brein te schakelen en informatie met elkaar te verbinden. Verder schrijft [psychotherapeut 2] in zijn conclusie onder meer:

“De persisterende klachten van mevrouw [verzoekster] sinds het verkeersongeval op 2 november 2016 met acceleratie-deceleratie mechanisme zijn haar overgevoeligheid voor visuele prikkels (o.a. licht), overgevoeligheid voor geluid, hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, snelle overprikkeling, extreme vermoeidheid, geheugen- en concentratiestoornissen en een trager denkvermogen naast haar nek- en schouderklachten.

Dit zijn klachten die vaak voorkomen bij mensen met licht traumatisch hoofd/hersenletsel (LTH). In meerdere wetenschappelijke onderzoeken is significant verhoogde activiteit in de delta frequentie en significante verlaagde activiteit in de alpha frequentie bij mensen met LTH aangetoond.

(…)

Een significant verhoogde activiteit in de delta frequentie in combinatie met een verlaagde activiteit in de alpha frequentie doet zich vaak voor bij problemen in de zogenaamde witte stof, de gemyeliniseerde zenuwbanen in de hersenen die verschillende gebieden met elkaar verbinden. Deze problemen in de witte stof kunnen het gevolg zijn van het zgn. “tearing” effect wat zich voordoet wanneer de hersenen bij een acceleratie-deceleratie trauma heftig uitgerekt en heftig gecomprimeerd worden tegen de schedelwand, (…). Het is traumatisch hersenletsel dat niet zichtbaar is op een CT-scan en een MRI-scan.”

2.13.

In de rapportage van 14 mei 2019 van een neuropsychologisch onderzoek staat onder meer dat geen cognitieve stoornissen worden geobjectiveerd. Wel werd een zwakke geheugenprestatie bij [verzoekster] gezien.

2.14.

Nadat [verzoekster] haar huisarts op 21 juni 2019 telefonisch heeft gesproken in verband met blijvende extreme vermoeidheid, heeft de huisarts haar verwezen naar een endocrinoloog, die concludeert:

“Moeheid en aandoening in de prikkelverwerking, normale hypofyse assen behoudens laag cortisol doch gezien overig intacte assen niet duidelijk insufficient (ook gezien gewichtstoename)”

2.15.

Op 19 september 2019 is [verzoekster] onderzocht in het UMCG, op de polikliniek neurologie, door prof. dr. [naam 2] . Zij constateert dat sprake is van aanhoudende klachten na een ongeval waarbij een hyperextensie trauma van de nek is opgetreden en mogelijk een licht traumatisch hersenletsel op basis van het gerapporteerde bewustzijnsverlies.

2.16.

Op 26 februari 2020 is bij [verzoekster] een functioneel MRI-onderzoek afgenomen in een kliniek in de Verenigde Staten. Daarbij zijn in vier gebieden in de hersenen significante afwijkingen gevonden. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de klachten die [verzoekster] ervaart met een redelijke mate van medische zekerheid gevolg zijn van het ongeval.

2.17.

Op verzoek van [verzoekster] heeft medisch adviesbureau Triage op 25 juli 2018, 28 januari 2019, 4 maart 2019, 28 november 2019 en 16 april 2020 medische adviezen uitgebracht. In het advies van 25 juli 2018 staat onder meer:

“De klachten die cliënt ondervindt (hoofdpijn, nekklachten, misselijkheid, duizeligheid, overgevoeligheid voor prikkels, concentratiestoornissen, geheugenstoornissen, mentale traagheid en verhoogde prikkelbaarheid voor licht en geluid) en de aard van het ongeval passen bij een whiplashtrauma. Uit het voorliggend medisch dossier blijkt niet dat er sprake is van een ongevalsvreemde oorzaak die de huidige klachten van cliënt kunnen verklaren. Daarom is het ongeval de enige logische verklaring voor de actuele klachten van cliënt. Deze kunnen dus als ongevalsgevolg worden aangenomen.”

2.18.

Op 24 september 2020 is [verzoekster] onderzocht bij Brain & Spine Rehab. In het rapport van 30 november 2020 staat onder meer:

“Alle voornoemde problematiek kan toegeschreven worden aan het acceleratie-deceleratie ongeval waar mevrouw [verzoekster] mee te maken heeft gehad op 2-11-2016.”

2.19.

Op 29 oktober 2020 is [verzoekster] onderzocht bij Eye4Health door een neuro-optometrist. In de rapportage van 26 november 2020 staat de volgende diagnose: PostCommotioneel Syndroom (PCS), ofwel aanhoudende symptomen na een hersenschudding en PTVS (Post Traumatisch Visueel Syndroom). Verder staat in de conclusie:

Conclusie/Advies:

- Het is zeer waarschijnlijk dat de klachten zoals [verzoekster] deze ervaart, een oorzakelijk verband hebben met het opgelopen trauma. Er is een verminderde cognitieve verwerking van ondermeer de visuele informatie, hetgeen duidt op een stoornis van met name de sensorische integratie.

- [verzoekster] heeft nog veel last van energieverlies en daardoor moeite met het vasthouden van de concentratie. Ook haar belastbaarheid is nog steeds minimaal.”

2.20.

Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft een neurologische expertise plaatsgevonden door neuroloog prof. dr. [neuroloog 2] (hierna: [neuroloog 2] ). Het onderzoek had als doel de gevolgen op neurologisch gebied van het ongeval vast te stellen. Naar aanleiding van het concept rapport van [neuroloog 2] heeft de medisch adviseur van [verzoekster] aanvullende vragen gesteld die [neuroloog 2] in zijn definitieve rapportage heeft beantwoord. De medisch adviseur van NN zag geen aanleiding tot het stellen van vragen. Daarna heeft [neuroloog 2] het definitieve rapport van 27 januari 2021 aan partijen aangeboden.

2.20.1.

[neuroloog 2] schrijft in zijn rapport van 27 januari 2021 in de beschouwing onder meer dat de huidige klachten van pijn in de nek en het achterhoofd redelijkerwijs als een gevolg van het trauma van 2 november 2016 moeten worden beschouwd.

2.20.2.

In zijn rapport komt [neuroloog 2] tot de volgende conclusie:

“Verkeersongeval d.d. 02.11.2016 waardoor hyperextensie letsel van de cervicale wervelkolom en licht traumatisch hersenletsel met als gevolg pijnklachten passend bij whiplash associated disorder type 1 en overprikkelbaarheid als gevolg van een functioneel-neurologische-systeem stoornis. Geen afwijkingen bij neurologisch en neuropsychologisch onderzoek.”

2.20.3.

[neuroloog 2] vermeldt in zijn het rapport (op bladzijde 3) het volgende over de klachten van [verzoekster] :

Momenteel is betrokkene nog steeds zeer gevoelig voor externe prikkels in de vorm van o.a. licht, geluid, beweging en aanraking. Zij heeft ook nog hoofdpijn en pijn in de nek en is bij hevige pijn misselijk. De nekpijn is minder hevig dan voorheen, waarschijnlijk door de recente behandeling in de Verenigde Staten. Betrokkene heeft het gevoel minder evenwicht te hebben en voelt zich vaak duizelig. Zij kan alleen maar op schoenen met dikke zolen lopen omdat het lopen anders te veel door dreunt. Zij is zeer snel vermoeid en heeft een grote slaapbehoefte (11 uur per dag). Ze is, vooral bij vermoeidheid, trager in haar denken en heeft dan ook moeite met het vinden van de juiste woorden. Ze kan zich minder goed concentreren en vergeet meer dan voorheen. De aanvullende anamnese vermeld klachten over overmatig transpireren, maar is verder niet bijdragend.”

2.20.4.

Op vraag 1b naar de medische voorgeschiedenis heeft [neuroloog 2] als volgt geantwoord:

“(…). De medische voorgeschiedenis vermeldt een HNP op niveau C5-C6 in 2011 met spontaan herstel van de pijnklachten.”

2.20.5.

Op vraag 2a naar de klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval heeft [neuroloog 2] als volgt geantwoord:

“Betrokkene had voor het ongeval geen neurologische klachten of afwijkingen. In 2011 heeft zij klachten gehad passend bij een cervicaal radiculair syndroom, maar deze klachten zijn restloos genezen.”

2.20.6.

Verder heeft [neuroloog 2] het percentage functionele invaliditeit als gevolg van het ongeval geschat op 0%. Er zijn geen afwijkingen bij neurologisch onderzoek en er kan daarom volgens [neuroloog 2] geen sprake zijn van functionele invaliditeit.

2.21.

Daarna hebben partijen in juni 2021 telefonisch contact met elkaar gehad over het vervolg en heeft NN [verzoekster] laten weten dat NN geen ernstige beperkingen kan concluderen. NN baseert dit oordeel op het advies van haar medisch adviseur. In het advies van 6 maart 2021 van de medisch adviseur van NN staat dat een medisch causale relatie tussen het persisterende klachtenbeeld en het ongeval niet met feitelijke bevindingen en medische argumenten aannemelijk is gemaakt. NN heeft dit advies op 7 december 2021 naar (de belangenbehartiger van) [verzoekster] gezonden.

2.22.

Vervolgens hebben partijen nog met elkaar gecorrespondeerd en telefoongesprekken gevoerd. NN bleef zich op het standpunt stellen dat er geen causaal verband is tussen de klachten en het ongeval.

2.23.

Op 19 oktober 2022 en 4 januari 2023 is [verzoekster] onderzocht bij Oogbalans, door neuro-optometrist [neuro-optometrist] . In het optometrisch verslag van 6 januari 2023 komt [neuro-optometrist] onder meer tot de conclusie dat sprake is van een zeer zwak functionerend visueel systeem. [neuro-optometrist] schrijft over [verzoekster] in het verslag onder meer:

“Doordat zij met haar visuele systeem beelden niet kan grijpen en vasthouden is het begrijpelijk dat door de inspanning klachten ontstaan zoals hoofdpijn, vermoeidheid en concentratieverlies (visuele stress). Het uitvoeren van visuele taken op alle afstanden is lastig en erg belastend voor haar. Zij raakt overprikkeld van o.a. nauwkeurig en snel kijken. Haar verstoorde visuele waarnemingsvermogen brengt haar uit balans waardoor klachten ontstaan zoals duizeligheid en misselijkheid. Klachten zijn ontstaan na het ongeval op 2 november 2016 en zijn typerend voor het ”post traumatic vision syndrome”.

2.24.

NN heeft Ongevallen Analyse Nederland (OAN) een delta v onderzoek laten uitvoeren. Bij brief van 15 maart 2023 heeft OAN haar bevindingen meegedeeld aan NN.

In het onderzoek is OAN uitgegaan van enkelvoudige botsingen tussen de voertuigen, omdat betrokkenen niet hebben verklaard dat zij meerdere botsstoten in dezelfde richting hebben gevoeld. OAN acht overlap van belasting niet aannemelijk, omdat [verzoekster] heeft verklaard dat zij op een voertuiglengte afstand van de Toyota stilstond voor de rotonde. OAN had voor het onderzoek de beschikking over een expertiserapport met betrekking tot de schade aan de Peugeot en een aantal foto’s van (zeer) slechte kwaliteit. In de brief van 15 maart 2023 staat verder:

“Uit een reconstructie van de impact van de botsing tussen de Peugeot en de Golf en daarbij behorende berekening, waarbij gebruik wordt gemaakt van de resultaten van zo goed mogelijk vergelijkbare botsproeven, blijkt dat de bestuurster van de Golf een delta v heeft ondergaan van circa 7 tot 11 km/uur. De daarbij behorende gemiddelde voertuigversnelling bedroeg 1,6 tot 3,4 g. Uit eerder verricht extern onderzoek (verricht (…) bij delta’s v tussen ongeveer 16 en 24 km/uur) blijkt dat de voorstoelen van de Volkswagen een goede bescherming bieden tegen het ontstaan van letsel.

(…)

Ten gevolge van de botsing tussen de Golf en de Toyota heeft de bestuurster van de Golf een delta v tussen circa 4 en 9 km/uur ondergaan, gepaard gaande met een gemiddelde voertuigversnelling tussen 0,9 en 2,8 g.”

2.25.

Naar aanleiding van de rapportage van [neuroloog 2] heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts] (hierna: [verzekeringsarts] ) in opdracht van NN een medisch advies opgesteld, gedateerd 12 maart 2023. In dit advies schrijft [verzekeringsarts] onder meer:

“Kortom, ik heb vooralsnog onvoldoende overtuigende aanwijzingen dat betrokkene bij de aanrijding op 2 november 2016 een hoofdtrauma en hersenletsel heeft opgelopen, terwijl de vraag is of de geweldsinwerking waaraan ze onderhevig was, voldoende is geweest om een overmatige en geforceerde whiplashbeweging van de halswervelkolom te doen ontstaan. Een psychiatrische verklaring voor de gestelde restklachten op basis van syndromale psychopathologie lijkt niet direct aannemelijk gezien de bevindingen van psychiater [psychotherapeut 1] . Maar van FNS kan ik anderzijds op basis van voornoemde overwegingen, ook niet volledig overtuigd zijn.”

2.26.

Omdat NN tot het moment van het verzoekschrift niet bekend was met het onderzoek dat door [neuro-optometrist] is verricht (zie 2.23), heeft zij [verzekeringsarts] verzocht de rapportage van [neuro-optometrist] te beoordelen. [verzekeringsarts] heeft op 14 april 2026 verslag uitgebracht. Hierin concludeert hij:

“Kortom, ik kan aan het als nieuw gegeven ingebrachte optometrisch verslag geen belangrijke conclusies verbinden, in ieder geval niet de conclusie dat er sprake is van visuele problematiek die rust op traumatisch hersenletsel (of een whiplash) of meer in het algemeen aangemerkt moet worden als voldoende aannemelijk geworden ongevalsgevolg.”

2.27.

Vervolgens heeft [verzoekster] het verslag van [verzekeringsarts] van 14 april 2026 en de rapportage van [neuro-optometrist] voorgelegd aan drs. [naam 3] (hierna: [naam 3] ), medisch adviseur. [naam 3] heeft op 13 mei 2026 advies uitgebracht. De conclusie van [naam 3] is dat hij zich niet kan vinden in de punten die [verzekeringsarts] heeft geformuleerd in reactie op het optometrisch rapport van [neuro-optometrist] . [naam 3] heeft geen twijfel over de oogklachten en de causaliteit van de oogklachten en de postcommotionele klachten van [verzoekster] .

3Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de in het verzoekschrift besproken symptomen en klachten waaronder in ieder geval persisterende extreme gevoeligheid voor externe prikkels (o.a. licht, geluid, beweging en aanraking), hoofdpijn, nekpijn, misselijkheid, minder evenwicht, duizeligheid, zeer snel vermoeid, grote slaapbehoefte, trager in denken, woordvindingsstoornissen, concentratiestoornissen en vergeetachtigheid, een gevolg zijn van het haar overkomen verkeersongeval op 2 november 2016;

II. voor recht te verklaren dat (een deel van) de onder I beschreven symptomen en klachten leiden tot beperkingen bij [verzoekster] als gevolg waarvan zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is;

III. de kosten voor deze deelgeschilprocedure te begroten op een bedrag van € 10.540 exclusief btw en te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht en NN te veroordelen die kosten te betalen aan [verzoekster] .

3.2.

[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij gezondheidsklachten ervaart en dat deze klachten in causaal verband met het ongeval staan. Deze klachten leiden tot beperkingen die ertoe leiden dat [verzoekster] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Dit alles blijkt uit het medisch dossier van [verzoekster] en met name uit het rapport van [neuroloog 2] . [verzoekster] stelt ten slotte dat zij forse schade lijdt als gevolg van het ongeval.

3.3.

NN verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert verweer.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In geschil tussen partijen is of de rapportage van [neuroloog 2] kan dienen als uitgangspunt voor de juridische beoordeling van de verzoeken van [verzoekster] .

4.2.

Partijen hebben [neuroloog 2] in gezamenlijk overleg ingeschakeld. Partijen zijn daarom in beginsel gebonden aan de inhoud van het door [neuroloog 2] uitgebrachte rapport. Dit is alleen anders als er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen (de inhoud of wijze van totstandkoming van) de rapportage. Hiervan is onder meer sprake wanneer de rapportage niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica of als de deskundige zijn werkzaamheden niet op een deugdelijke wijze heeft verricht.

De bezwaren van NN tegen het rapport van [neuroloog 2]

4.3.

NN betoogt dat sprake is van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van [neuroloog 2] . De bezwaren van NN zien op:

  1. onjuiste feitelijke mededelingen van [verzoekster] over bewusteloosheid en geheugenverlies;
  2. de aard en de ernst van de geweldsinwerking;
  3. de diagnose FNS (functioneel-neurologische-systeem stoornis).

a). Onjuiste feitelijke mededelingen van [verzoekster] over bewusteloosheid en geheugenverlies

4.4.

In de eerste plaats is NN het niet eens met de conclusies van [neuroloog 2] omdat die in relevante mate berusten op feitelijke mededelingen van [verzoekster] die volgens NN aantoonbaar onjuist zijn. NN stelt dat [neuroloog 2] zijn diagnose van mogelijk licht traumatisch hersenletsel uitdrukkelijk baseert op de anamnetische mededelingen van [verzoekster] over kortdurende amnesie en/of bewusteloosheid na het ongeval. [verzoekster] verklaarde tegenover [neuroloog 2] dat zij zich de klap van de aanrijding van achteren kan herinneren, maar van de daaropvolgende vijftien tot twintig minuten niets meer weet en dat een politieman haar later vertelde dat ze waarschijnlijk bewusteloos is geweest. Deze mededelingen zijn volgens NN niet in overeenstemming met de vroegste beschikbare documentatie. Neuroloog [neuroloog 1] noteerde drie weken na de aanrijding: “Patiënte weet alles nog en kreeg direct last van de nek, het hoofd was later.”.

4.5.

Daarnaast bevat het dossier een ongedateerde eigen verklaring van [verzoekster] waarin zij het ongeval en de ontwikkelingen daarna in grote details beschrijft zonder enige melding van bewusteloosheid of geheugenverlies. Ook het SEH-bericht vermeldt geen bewusteloosheid, verwardheid, desoriëntatie of andere commotionele verschijnselen. De mededelingen over bewusteloosheid en geheugenverlies zijn pas geruime tijd na de aanrijding gedaan en zijn daarmee, gelet op het gegeven dat de vroegste documentatie het meest betrouwbaar is, niet geloofwaardig.

4.6.

NN vindt het bovendien opvallend dat het concept rapport van [neuroloog 2] vermeldde: “waarschijnlijk is ze niet bewusteloos geweest” en dat de passage over de politieman en het geheugenverlies pas na de reactie van [verzoekster] op het concept in het definitieve rapport is opgenomen. De conclusie over mogelijk licht traumatisch hersenletsel is dus gebaseerd op anamnetische informatie die door de overige feiten in het dossier wordt weersproken. Daarom kan het rapport van [neuroloog 2] volgens NN op dit punt niet als uitgangspunt dienen.

b). De aard en de ernst van de geweldsinwerking

4.7.

Verder is NN van mening dat ook de aard en ernst van de geweldsinwerking vooral is gebaseerd op anamnetische informatie. De latere vaststelling van de geringe geweldsinwerking door OAN kon [neuroloog 2] niet bij de beoordeling meenemen, maar was volgens NN wel relevant.

c). [neuroloog 2] heeft niet de diagnose FNS gesteld

4.8.

NN betoogt dat [neuroloog 2] niet zelf de diagnose FNS heeft gesteld. [neuroloog 2] heeft deze diagnose overgenomen dan wel aangenomen van psycholoog [psychotherapeut 1] , terwijl dat is strijd is met de richtlijnen. NN baseert dit op het volgende.

4.9.

Vraag 4, op bladzijde 13 van het rapport van [neuroloog 2] , luidt:

Nu de DSM-5 aangeeft dat de diagnose functioneel-neurologische-systeemstoornis zonder psychiatrische stressor zich niet op het vakgebied van de psychiater bevindt, maar van de neuroloog, vindt u ook met de nieuwe gegevens nog steeds dat er op uw vakgebied geen beperkingen zijn en dat er geen percentage functionele invaliditeit (BI, GP) kan worden vastgesteld? Op welk vakgebied zouden deze zich dan eventueel wel kunnen bevinden?

Het antwoord van [neuroloog 2] op deze vraag luidt, onder meer:

“Ik acht mij zelf onvoldoende deskundig om te kunnen beoordelen of de klachten en symptomen van betrokkene louter en alleen als gevolg van het ongeval d.d. 02-11-2016 moeten worden beschouwd, maar als de psychiater stelt dat er geen enkele afwijking op psychiatrisch gebied is die hierbij (mede) een rol speelt, is het logisch te veronderstellen dat de functioneel-neurologische-symptoomstoornis als een rechtstreeks gevolg van het ongeval d.d. 01-11-2016 moet worden beschouwd.”

4.10.

Dit is volgens NN in strijd met de richtlijnen van de WMSR (Richtlijnen Functieverlies – vijfde editie, 1.1.2 aanbevelingen, onder 15), namelijk:

“Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vaststelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende medisch-specialistische beroepsvereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval ‘toerekenen’ of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.”

4.11.

NN trekt hieruit de conclusie dat [neuroloog 2] voor de beperkingen geen verklaringen geeft die op zijn vakgebied liggen.

Het oordeel van de rechtbank over de bezwaren van NN tegen het rapport van [neuroloog 2]

4.12.

De rechtbank gaat voorbij aan de bezwaren van NN tegen het rapport van [neuroloog 2] . Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren. Zij motiveert dit als volgt.

4.13.

NN is na toezending van het concept rapport door [neuroloog 2] in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over en kanttekeningen te plaatsen bij het conceptrapport. De medisch adviseur van NN heeft geen aanleiding gezien tot het stellen van (aanvullende) vragen. Gelet op voormelde bezwaren van NN had dat wel op de weg van NN gelegen. NN heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat dit beter had gekund.

NN had [neuroloog 2] bijvoorbeeld om een toelichting kunnen vragen op haar voormelde bezwaren en vragen kunnen stellen over alternatieve oorzaken van de klachten van [verzoekster] waar NN nu in het kader van deze procedure een beroep op doet, of kunnen vragen naar het nut van nader of aanvullend onderzoek. Dit heeft NN niet gedaan.

4.14.

Om die reden moeten de bevindingen van [neuroloog 2] tussen partijen tot uitgangspunt worden genomen. NN kan niet achteraf, als de uitkomsten van de gezamenlijke rapportage van 27 januari 2021 haar niet bevallen en er pas in 2023 een onderzoek is uitgevoerd naar de impact van het ongeval, alsnog aanvullende vragen stellen en dan in dit stadium nog verlangen dat er aanvullend psychologisch en neurologisch onderzoek wordt gedaan of verder onderzoek wordt gedaan naar de impact van het ongeval. Dat had NN allemaal kunnen aankaarten in het kader van de gezamenlijke expertise en dat heeft zij niet gedaan. Van een redelijk handelend verzekeraar mag onder deze omstandigheden worden verwacht dat zij zich conformeert aan het rapport van een in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundige.

4.15.

Daar komt overigens bij dat alle bezwaren die NN heeft geuit tegen het rapport van [neuroloog 2] onder de gegeven omstandigheden onvoldoende zwaarwegend en steekhoudend zijn om het rapport van [neuroloog 2] terzijde te schuiven.

4.16.

Met betrekking tot de onjuiste feitelijke mededelingen van [verzoekster] over bewusteloosheid en geheugenverlies geldt dat dit in de anamnese is opgenomen, terwijl NN zelf constateert dat [neuroloog 2] ook kennis heeft genomen van medische stukken waaruit volgt dat [verzoekster] niet bewusteloos is geweest. NN speculeert dan ook voor zover zij stelt dat [neuroloog 2] zijn conclusies uitsluitend heeft gebaseerd op de – volgens NN onjuiste – anamnese van [verzoekster] .

4.17.

Ook het bezwaar van NN dat de aard en de ernst van de geweldsinwerking te gering zou zijn geweest voor de klachten die [neuroloog 2] in zijn rapportage als ongevalsgevolg duidt, is onvoldoende zwaarwegend en steekhoudend. Met de door OAN uitgevoerde ongevalsanalyse kan NN een en ander niet aantonen. Het onderzoek is uitgevoerd zonder voldoende kennis van de feitelijke situatie en gang van zaken ten tijde van het ongeval en is gebaseerd op uitgangspunten waarvan niet kan worden vastgesteld dat die overeenkomen met de werkelijke situatie en gang van zaken ten tijde van het ongeval (zie ook hierna 4.29 en 4.30). Dat de aard en de ernst van de geweldsinwerking te gering zou zijn geweest, kan dan ook niet (meer) worden aangetoond, zodat aan dit bezwaar voorbij moet worden gegaan en het rapport van [neuroloog 2] niet kan aantasten.

4.18.

Het bezwaar van NN dat [neuroloog 2] ten onrechte de diagnose FNS heeft gesteld kan het rapport van [neuroloog 2] onder de gegeven omstandigheden ook niet aantasten. De door NN aangehaalde passage uit het rapport (zie 4.9) is niet in strijd met de richtlijnen van de WMSR. De richtlijnen verbieden slechts dat een deskundige zelf beperkingen vaststelt die niet op zijn vakgebied liggen. Dat heeft Van [neuroloog 2] niet gedaan. Hij maakt in de passage duidelijk dat hij zichzelf onvoldoende deskundig acht, waarmee ook duidelijk is dat hij geen verklaringen geeft voor beperkingen die niet op zijn vakgebied liggen. Vervolgens neemt hij de bevindingen van de psychiater tot uitgangspunt en stelt slechts dat het op basis daarvan logisch is te veronderstellen dat de functioneel-neurologische-symptoomstoornis als een rechtstreeks gevolg van het ongeval moet worden beschouwd.

4.19.

Kortom, er is geen sprake van een situatie waarin in dit stadium de bevindingen en conclusies van de deskundige nog ter discussie kunnen worden gesteld, terwijl de bezwaren ook inhoudelijk niet tot een aantasting van het rapport van [neuroloog 2] kunnen leiden. De rechtbank neemt daarom bij de verdere beoordeling van de verzoeken van [verzoekster] het rapport van [neuroloog 2] als uitgangspunt.

Causaal verband met het ongeval

4.20.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank te bepalen dat haar in het verzoekschrift besproken symptomen en klachten een gevolg zijn van het ongeval van 2 november 2016.

Om welke klachten gaat het?

4.21.

Mr. Spronck heeft tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht dat het gaat om de klachten die zijn opgenomen op bladzijde 3 van het rapport van [neuroloog 2] . De rechtbank gaat daarom uit van de klachten zoals die verwoord staan in het rapport van [neuroloog 2] . De rechtbank constateert dat dit dezelfde klachten zijn als de klachten die [verzoekster] expliciet noemt onder I van het petitum van het verzoekschrift. Dit zijn de volgende gezondheidsklachten:

  1. persisterende extreme gevoeligheid voor externe prikkels (o.a. licht, geluid, beweging en aanraking);
  2. hoofdpijn;
  3. nekpijn;
  4. misselijkheid;
  5. minder evenwicht;
  6. duizeligheid;
  7. zeer snel vermoeid;
  8. grote slaapbehoefte;
  9. trager in denken;
  10. woordvindingsstoornissen;
  11. concentratiestoornissen;
  12. vergeetachtigheid.

4.22.

Over het melden van deze klachten door [verzoekster] bij de verschillende artsen, medisch deskundigen en bij [neuroloog 2] bestaat bij partijen geen discussie, zodat de rechtbank van het bestaan van deze gezondheidsklachten uitgaat.

Causaal verband

4.23.

Vervolgens is aan de orde of deze gezondheidsklachten door het ongeval zijn veroorzaakt, zoals [verzoekster] stelt en NN betwist. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe is het volgende redengevend.

4.24.

Op basis van de verschillende door [verzoekster] overgelegde medische rapporten die zijn opgesteld sinds het ongeval in november 2016 en het rapport van [neuroloog 2] is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] heeft aangetoond dat haar klachtenpatroon plausibel is en dan mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Causaal verband (in juridische zin) tussen de klachten en het ongeval is in beginsel voldoende aannemelijk als komt vast te staan dat [verzoekster] voorafgaand aan het ongeval de klachten niet had, de klachten door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt.

4.25.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] de klachten voorafgaand aan het ongeval niet had en dat deze klachten pas na het ongeval zijn ontstaan. Dit blijkt uit het volgende.

  • -

    Uit het bericht van de SEH blijkt dat [verzoekster] een nekhernia heeft gehad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] toegelicht dat zij heeft genoemd bij de SEH dat zij in 2010/2011 een nekhernia heeft gehad en dat de klachten na maximaal een jaar vanzelf zijn overgegaan. De nekhernia was dus niet actief ten tijde van het ongeval en dat dit anders was blijkt verder ook nergens uit.

  • -

    De huisarts van [verzoekster] heeft bij brief van 23 oktober 2018 bericht dat [verzoekster] de huisarts in de twee jaren voorafgaand aan het ongeval tweemaal met andersoortige klachten heeft bezocht.

  • -

    Het rapport van [neuroloog 2] vermeldt over de medische voorgeschiedenis en de klachten voor het ongeval (antwoorden op vraag 1b en vraag 2a) alleen een nekhernia in 2011, met spontaan herstel van de pijnklachten.

4.26.

NN wijst er in dit verband nog op dat het arbeidsverleden van [verzoekster] wisselend is en niet volledig objectief in kaart is gebracht. Volgens NN kunnen de context van langdurige inactiviteit en het ontbreken van een activerende benadering het klachtenbeeld mede verklaren. [verzoekster] heeft haar cv overgelegd waaruit weliswaar blijkt dat zij regelmatig van baan is gewisseld, maar daaruit blijkt niet dat zij in de periode voor het ongeval langdurig niet heeft gewerkt. De rechtbank is van oordeel dat NN onvoldoende heeft onderbouwd dat uit het arbeidsverleden van [verzoekster] een medische voorgeschiedenis volgt of kan volgen. Het enkele feit dat [verzoekster] regelmatig van baan wisselde is geen reden om haar arbeidsverleden te betrekken in de vraag of de klachten causaal zijn.

4.27.

[verzoekster] heeft dus geen relevante medische voorgeschiedenis.

4.28.

Vervolgens is de vraag of de klachten van [verzoekster] door het ongeval kunnen worden veroorzaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit als volgt toe.

4.29.

NN betoogt dat sprake was van een ongeval met een zeer lage impact. Daarom is volgens NN niet zonder meer aannemelijk dat hierdoor klachten zijn ontstaan bij [verzoekster] . Het klachtenbeeld van [verzoekster] is volgens NN extreem en niet passend bij een ongeval zoals dit ongeval. Het contact dat tussen de beide voertuigen heeft plaatsgevonden was zodanig gering dat de daarmee gepaard gaande geweldsinwerking niet uit is gekomen boven de krachten waaraan een menselijk lichaam dagelijks wordt blootgesteld. NN wijst ter onderbouwing op het delta v onderzoek van OAN en op een analyse van Koopman van 21 mei 20151, waaruit volgt dat voor gezonde proefpersonen een achterop botsing met 10 km/uur nog veilig is te doorstaan en pas boven de 20 km/uur risico’s ontstaan. Verder wijst NN op de Richtlijn Whiplash Associated Disorder I/II (2008) waaruit volgt dat er bij verkeersongevallen sterke aanwijzingen zijn dat een impactsnelheid tot circa 15 km/uur geen letsel veroorzaakt. Ten slotte verwijst NN nog naar jurisprudentie.

4.30.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld is, anders dan in de door NN aangehaalde jurisprudentie, sprake is van een vrij summier rapport van OAN en een summiere onderbouwing. Het rapport van OAN is opgesteld op basis van foto’s van (zeer) slechte kwaliteit en een expertiserapport met betrekking tot de schade aan de Peugeot die achterop de auto van [verzoekster] reed. Er is veel onduidelijk gebleven over de toedracht van het ongeval. Zo staat de snelheid van de achterop rijdende auto’s niet vast en evenmin staat de afstand tussen de auto’s vast. Het rapport van OAN is daarom geen betrouwbaar rapport om te kunnen concluderen dat het ongeval alleen een lage snelheidsimpact kan zijn geweest.

4.31.

De gezondheidsklachten van [verzoekster] zijn deels typische whiplashklachten die passen bij een kop-staartbotsing (hoofdpijn, nekpijn, concentratiestoornissen en duizeligheid) en deels atypische klachten, zoals de persisterende extreme gevoeligheid voor externe prikkels (onder andere licht, geluid, beweging en aanraking).

4.32.

Voor whiplashklachten (graad I/II) geldt dat de werkgroep Neurologische Expertise zich sinds 2007 op het standpunt stelt dat het postwhiplash-syndroom moet worden gezien als een chronisch pijnsyndroom zonder neurologisch substraat, waaraan volgens de huidige inzichten door de neuroloog geen percentage functieverlies kan worden toegekend. Het feit dat deskundigen op grond van hun wetenschappelijke standaarden geen aantoonbare medische verklaring voor klachten van de benadeelde kunnen vaststellen, wil echter niet zeggen dat er vanuit juridisch perspectief geen sprake kan zijn van klachten die door een ongeval zijn veroorzaakt. Aangenomen wordt dat whiplashklachten reëel, niet voorgewend, niet ingebeeld en niet overdreven zijn als sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten. Ook wordt wel een weerlegbaar vermoeden aangenomen van aanwezigheid van het conditio sine qua non-verband tussen gezondheidsklachten en het ongeval indien a) voor het ongeval geen sprake was van dezelfde of vergelijkbare klachten, b) het ongeval de klachten kan veroorzaken en c) een alternatieve verklaring ontbreekt.2

4.33.

De rechtbank is van oordeel dat de atypische klachten van [verzoekster] niet zo onwaarschijnlijk zijn dat die niet als ongevalsgevolg kunnen worden gezien. [verzoekster] toont een consistent, consequent en samenhangend klachtenpatroon. De artsen hebben geen reden gezien om hieraan te twijfelen en ook [neuroloog 2] schrijft dat de nekpijn en hoofdpijn als gevolg van het ongeval moeten worden beschouwd. De rechtbank neemt daarom aan dat de klachten van [verzoekster] reëel, niet voorgewend, niet ingebeeld en niet overdreven zijn.

4.34.

Een alternatieve (zelfstandige) verklaring voor de klachten is onvoldoende aannemelijk geworden. Het uitgebreide medische dossier van [verzoekster] biedt geen aanknopingspunten voor een alternatieve verklaring voor de klachten.

4.35.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat causaal verband tussen de klachten en het ongeval wordt aangenomen. Het onder 3.1 sub I verzochte zal dan ook op na te melden wijze worden toegewezen.

4.36.

Het onder 3.1 sub II verzochte zal de rechtbank niet toewijzen. Een in opdracht van partijen uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek hebben immers nog niet plaatsgevonden en het is niet aan de rechtbank om zonder dergelijk onderzoek zelf vast te stellen dat de aan het ongeval causale klachten en symptomen leiden tot beperkingen die tot gevolg hebben dat [verzoekster] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden geacht. Dat geldt zelfs in het geval dat dit voor de hand lijkt te liggen.

De kosten van het deelgeschil

4.37.

[verzoekster] verzoekt om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt voor deze deelgeschilprocedure.

4.38.

Artikel 1019aa Rv3 bepaalt dat de rechter de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de benadeelde begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW4 in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.39.

Mr. Spronck heeft tijdens de mondelinge behandeling aanspraak gemaakt op een bedrag aan kosten van € 12.400. Dit bedrag is exclusief 21% btw en griffierecht van € 331. Mr. Spronck heeft de hoogte van de kosten als volgt onderbouwd. Mr. Spronck stelt de totale tijdsbesteding aan dit deelgeschil op 40 uur, hoewel de werkelijke tijdsbesteding daar bovenuit gaat. Hij hanteert daarbij een uurtarief van € 310 exclusief 21% btw.

4.40.

NN heeft de hoogte van de door mr. Spronck opgevoerde kosten betwist.

4.41.

NN stelt dat het door mr. Spronck gehanteerde uurtarief van € 310 exclusief btw te hoog is. NN vindt een uurtarief van € 250 exclusief btw redelijk.

4.42.

NN betoogt voor wat betreft de bestede tijd dat er rekening mee moet worden gehouden dat de aan de rechtbank voorgelegde vraag relatief eenvoudig is, hoewel het om een omvangrijk dossier gaat. Daarbij komt dat [verzoekster] meerdere malen van belangenbehartiger is gewisseld, waardoor de zaak voor mr. Spronck nieuw was en onnodig herbestudering vergde. NN stelt voor om aan te sluiten bij de tabel in het artikel van mr. Van en mr. Salhi5, waarnaar ook mr. Spronck verwijst. Mr. Spronck betoogt dat de zaak voor wat betreft de complexiteit kan worden ingedeeld op de grens van categorie 4 (complex) en categorie 5 (uitzonderlijk) als genoemd in dat artikel.

4.43.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek een overzichtelijke kwestie betreft als bedoeld in categorie 3 (gemiddeld) van voormelde tabel. De rechtbank acht het door mr. Spronck begrote aantal uren in combinatie met het gehanteerde uurtarief – met inachtneming van de door NN geuite kritiek – niet redelijk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat mr. Spronck pas na 24 juli 2025 bij de zaak betrokken is en dat [verzoekster] voordien drie andere belangenbehartigers heeft gehad. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat mr. Spronck een advocaat is met expertise op het gebied van letselschade. De rechtbank acht een tijdsbesteding van in totaal 20 uur daarom redelijk en acht een uurtarief van € 250 redelijk.

4.44.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten in deze procedure in redelijkheid begroten op een bedrag van € 7.893,50 (25 uur x € 250 te vermeerderen met 21% btw en met het betaalde griffierecht van € 331).

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat de symptomen en klachten van [verzoekster] zoals die volgen uit het rapport van [neuroloog 2] van 27 januari 2021 zijn toe te rekenen aan het ongeval van 2 november 2016, waarbij het gaat om de volgende klachten:

  1. persisterende extreme gevoeligheid voor externe prikkels (o.a. licht, geluid, beweging en aanraking);
  2. hoofdpijn;
  3. nekpijn;
  4. misselijkheid;
  5. minder evenwicht;
  6. duizeligheid;
  7. zeer snel vermoeid;
  8. grote slaapbehoefte;
  9. trager in denken;
  10. woordvindingsstoornissen;
  11. concentratiestoornissen;
  12. vergeetachtigheid;

5.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 7.893,50 en veroordeelt NN tot betaling van dit bedrag aan [verzoekster] ;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

1Prof. dr. ir. H.F.J.M. Koopman, Vakgroep Biomedische Werktuigbouwkunde Universiteit Twente, Nekbelasting bij lage impactsnelheden, Analyse van de effecten van een (achterop) aanrijding met een snelheidsverschil lager dan 20 km/uur, 21 mei 2015.

2Vgl. HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1275, r.o. 3.2. en de conclusie van 17 maart 2023 van A-G Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2023:308.

3Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4Burgerlijk Wetboek.

5Mr. A.J. Van en mr. D. Salhi, De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?, TVP 2025, nr. 2, p. 47-61.

Rechtbank Den Haag 3 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18581