RBGEL 010726 whiplash; onderzoek neuroloog a.d.h.v. nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks bezwaren van o.m. ASP; of al dan niet een npo nodig is wordt overgelaten aan de neuroloog
- Meer over dit onderwerp:
RBGEL 010726 whiplash; onderzoek neuroloog a.d.h.v. nieuwe IWMD-vraagstelling, ondanks bezwaren van o.m. ASP
- of al dan niet een npo nodig is wordt overgelaten aan de neuroloog
- aanvullend voorschot (€ 5.000) afgewezen: SO al 2 maanden vóór ongeval volledig uitgevallen;
- kosten opstellen (niet ingediend) verzoekschrift vdo vallen onder proceskostenregime, niet onder bgk
- verzocht 23 uur x € 255 +21%; toegewezen 18 uur x € 235 + 21% = € 5.118,30
2De feiten
2.1.
Op 16 juni 2022 is [de verzoeker] een ongeval overkomen. [de verzoeker] stond op het moment van het ongeval met zijn auto stil voor een rood verkeerslicht. Een andere automobilist is achterop de auto van [de verzoeker] gereden.
2.2.
De automobilist die [de verzoeker] heeft aangereden, was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij InShared. InShared heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.
2.3.
[de verzoeker] stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvende fysieke en mentale klachten heeft ontwikkeld, onder meer bestaande uit hoofdpijn, nekpijn, rugpijn en herbelevingen.
2.4.
Partijen zijn in het kader van de schadeafwikkeling in onderhandeling geweest over de noodzaak van het laten verrichten van een neurologische en neuropsychologische expertise. Aanvankelijk heeft InShared zich na raadpleging van haar medisch adviseur op het standpunt gesteld dat het laten verrichten van medische expertises in deze zaak niet nodig is.
2.5.
Per e-mail van 9 december 2025 heeft mr. Bruin aan InShared geschreven dat hij voornemens is een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht op te stellen en in te dienen bij de rechtbank.
2.6.
Op 9 januari 2026 heeft mr. Bruin aan InShared geschreven dat het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht, op enkele details na, gereed is om bij de rechtbank te worden ingediend.
2.7.
Op 14 januari 2026 heeft InShared aan mr. Bruin geschreven dat zij instemt met het laten verrichten van een neurologische expertise door dr. [expert] (hierna: [expert] ). InShared stelt zich op het standpunt dat daarbij de IWMD-vraagstelling uit 2025 moet worden gehanteerd.
2.8.
Mr. Bruin heeft op 14 januari 2026, voor zover hier van belang aan InShared geschreven:
“Zoals zojuist telefonisch besproken ben ik bereid af te zien van het indienen van het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht indien:
-
De kosten voor het laten verrichten van het deskundigenonderzoek voor rekening komen van Inshared.
-
De reeds gemaakte kosten voor het opstellen van het verzoekschrift worden vergoed. (…)
-
Er uitgegaan wordt van de oude IWMD-vraagstelling. (…)
(…)”
2.9.
Op 15 januari 2026 heeft InShared, voor zover hier van belang, geantwoord:
“InShared handhaaft haar standpunt dat de nieuwe IWMD-vraagstelling dient te worden toegepast. (…)
Uw aangekondigde tijdsbesteding van 9 uur voor het opstellen van het verzoekschrift acht ik bovenmatig. Gelet op de aard van het verzoekschrift is drie uur ruim voldoende. Ik ben bereid deze drie uur te vergoeden tegen een uurtarief van € 135,- exclusief btw. (…)”
2.10.
Op 5 februari 2026 heeft mr. Bruin het onderhavige deelgeschil aanhangig gemaakt.
2.11.
[de verzoeker] was ten tijde van het ongeval in dienst van een automaterialenzaak, waarvoor hij chauffeurswerkzaamheden verrichtte. Twee maanden voor het ongeval, te weten op 4 april 2022, heeft [de verzoeker] zich ziekgemeld bij zijn werkgever. [de verzoeker] heeft zijn chauffeurswerkzaamheden niet meer hervat.
2.12.
[de verzoeker] is tot op heden volledig arbeidsongeschikt.
2.13.
In het kader van de afwikkeling van de schade heeft InShared in totaal een bedrag van € 10.250,00 aan voorschotten aan [de verzoeker] betaald.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[de verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
I. voor recht te verklaren dat lnShared gehouden is aan de vraagstelling aan de neuroloog zoals opgesteld door Westerweel Intermediair Medisch Adviseurs;
III. te gelasten dat lnshared een voorschot van € 5.000,00 aan [de verzoeker] dient te voldoen of een door uw rechtbank te bepalen bedrag;
IV. te gelasten dat de kosten voor het opstellen van een verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht worden beschouwd als onderdeel van de buitengerechtelijke kosten en dienen te worden begroot en voldaan tegen negen uur bestede tijd en tegen een uurtarief van € 235,00 exclusief btw of een door uw rechtbank te bepalen bedrag;
V. te gelasten dat lnShared de kosten van deze procedure dient te dragen.
3.2.
InShared heeft verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans tot afwijzing van de verzoeken.
4De beoordeling
4.1.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.2.
In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag welke versie van de IWMD-vraagstelling aan [expert] moet worden voorgelegd. Ook is tussen hen in geschil of InShared aan [de verzoeker] een aanvullend voorschot moet voldoen. Deze geschilpunten lenen zich voor behandeling in deelgeschil. Met een oordeel over de aan de deskundige te stellen vragen en over het al dan niet door InShared moeten betalen van een (aanvullend) voorschot kán de ontstane impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en zouden de onderhandelingen in principe kunnen worden voortgezet en mogelijk kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. Het feit dat er mogelijk vervolgexpertises verricht moeten worden, voordat de zaak defintief buiten rechte kan worden afgewikkeld, betekent niet zonder meer dat een rechterlijke beslissing op het verzoek zoals dat in deze deelgeschilprocedure is voorgelegd, onvoldoende aan een buitengerechtelijke afdoening zou kunnen bijdragen. De rechtbank zal de verzoeken dan ook inhoudelijk bespreken.
4.3.
De door [de verzoeker] verzochte verklaring voor recht dat lnShared gehouden is aan de vraagstelling die is opgesteld door Westerweel Intermediar Medisch Adviseurs (hierna: Westerweel), is niet toewijsbaar. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.3.1.
Westerweel is bij het opstellen van de aan de neuroloog te stellen vragen uitgegaan van de oude versie van de IWMD-vraagstelling, terwijl sinds 1 november 2025 een nieuwe, herziene versie van de IWMD-vraagstelling geldt. De nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen onder leiding van de Letselschade Raad, een onafhankelijke organisatie, waarin alle partijen vertegenwoordigd zijn die bij de behandeling van letselschadezaken betrokken zijn. De Letselschade Raad is daabij niet over één nacht ijs gegaan. Integendeel, de nieuwe vraagstelling is tot stand gekomen na een intensief proces van zes jaar, waarin de vorige versie van de vraagstelling is geëvalueerd en vervolgens is gereviseerd. Die evaluatie heeft branchebreed plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat de nieuwe vraagstelling aansluit bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024. Naar verwachting van de Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling daarmee beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken. Gelet op dit alles geldt als uitgangspunt dat vanaf 1 november 2025 de nieuwe IWMD-vraagstelling wordt toegepast. Er bestaat geen aanleiding om daar in dit specificieke geval van af te wijken. De brief van de ASP - letsel- schadeadvocaten, waarop [de verzoeker] zich beroept, maakt dit niet anders, reeds nu dit verbond niet onafhankelijk is, maar zich inzet voor de belangen van slachtoffers. [de verzoeker] wijst voorts op een volgens hem vergelijkbare zaak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:4483). In die zaak hadden partijen echter al vóór 1 november 2025 een akkoord bereikt over de hanteren vraagstelling en had geen van partijen inhoudelijke bezwaren tegen het hanteren van de oude vraagstelling. In de zaak van [de verzoeker] heeft InShared wel inhoudelijke bezwaren tegen het hanteren van de oude vraagstelling geuit én is niet voor 1 november 2025 een akkoord bereikt over de hanteren vraagstelling. [de verzoeker] voert weliswaar aan dat het aan de houding van InShared te wijten is dat niet vóór 1 november 2025 overeenstemming over de vraagstelling is bereikt, maar daarin wordt hij niet gevolgd. Het concept verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht van [de verzoeker] dateert immers ook van na 1 november 2025.
4.3.2.
InShared kan evenmin worden gehouden aan de door Westerweel toegevoegde vraag onder 1c. Of al dan niet een neuropsychologische expertise nodig is, wordt overgelaten aan het oordeel van de neuroloog.
4.4.
[de verzoeker] verzoekt verder dat InShared wordt gelast een (aanvullend) voorschot van € 5.000,00 te voldoen.
4.4.1.
Voorop staat dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding of provisionele eis in een bodemprocedure zou worden gevorderd (waarin de rechter voorlopig oordeelt). Voor toewijzing van de vorderingen moet in dit geschil vastgesteld worden dat [de verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door InShared betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure in beginsel geen plaats.
4.4.2.
De schadestaat van [de verzoeker] van 29 augustus 2025 sluit, na vermindering van de reeds door InShared betaalde voorschotten, op een bedrag van € 25.052,00. Dat bedrag bestaat voor het overgrote gedeelte uit het verlies aan verdienvermogen ter hoogte van € 24.600,00. Dat die schadepost in causaal verband staat met de aanrijding is gemotiveerd door InShared betwist. [de verzoeker] was immers al vóór het ongeval volledig uitgevallen op zijn werk. Juist vanwege deze omstandigheid is door de medisch adviseurs van zowel [de verzoeker] als InShared herhaaldelijk gevraagd om nadere informatie met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan het ongeval. Deze omstandigheid geeft reden tot gegronde twijfel over de causaliteit tussen het ongeval en het verlies aan verdienvermogen. Er is voldoende gebleken van relevante pre-existente klachten en juist op dat punt is het medische dossier nog onvolledig. Dit maakt dat onvoldoende is komen vast te staan dat [de verzoeker] als gevolg van de aanrijding aanspraak heeft op een schadevergoeding waarvan de hoogte het reeds door InShared betaalde bedrag van € 10.250,00 significant overstijgt. De conclusie is dat het verzoek met betrekking tot betaling van een (aanvullend) voorschot moet worden afgewezen.
4.5.
Het verzoek van [de verzoeker] om de kosten voor het voorbereiden en vervaardigen van het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht te beschouwen en vergoeden als buitengerechtelijke kosten is evenmin toewijsbaar. Voor de verzoekschriftprocedure voorlopig deskundigenbericht geldt een ander kostenregime. De in dat kader gemaakte advocaatkosten vallen onder het regime van proceskosten in de zin van artikel 237 Rv en kunnen om die reden niet als buitengerechtelijke kosten worden beschouwd en vergoed. Dat [de verzoeker] het verzoekschrift uiteindelijk niet heeft ingediend, maakt dit niet anders.
4.6.
Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv zal de rechtbank wel de kosten van de deelgeschilprocedure begroten, ook al worden de verzoeken van [de verzoeker] afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.
4.7.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.8. [de verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 7.096,65 inclusief btw aan kosten voor het deelgeschil. Uit de overgelegde specificatie blijkt dat dit bedrag is gebaseerd op 23 uur tegen een uurtarief van € 255,00, exclusief 21% btw. Wat betreft het uurtarief is [de verzoeker] in het verzoekschrift uitgegaan van een tarief van € 235,00 exclusief btw. Dit uurtarief wordt redelijk geacht. In de specificatie van 1 mei 2026 noemt mr. Bruin weliswaar een uurtarief van € 255,00 exclusief btw, maar zonder toelichting valt niet in te zien waarom voor een deel van de bestede uren van een hoger tarief zou moeten worden uitgegaan. Met betrekking tot de omvang van de bestede tijd is door InShared verweer gevoerd. Een urenaantal van 23 wordt door InShared bovenmatig geacht. Deze zaak betreft een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan relatief overzichtelijk deelgeschil. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dit bij het specialistentarief van € 235,00 niet een tijdsbesteding van 23 uren. Al met al wordt een totale tijdbesteding van 18 uur redelijk geacht. Dit maakt dat de kosten van het deelgeschil zullen worden begroot op € 5.118,30 (18 uur x € 235,00, vermeerderd met 21% btw). Ten slotte zal een bedrag van € 93,00 aan griffierecht in aanmerking worden genomen, zodat het totaal aan kosten voor het deelgeschil uitkomt op een bedrag van € 5.211,30. InShared zal tot betaling daarvan aan [de verzoeker] worden veroordeeld. Rechtbank Gelderland 1 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6378
