RBOVE 070926 moeilijk objectiveerbaar letsel; neurologisch en psychiatrisch desk. bericht cf. IWMD 2025; beslissing over vza en be aangehouden
RBOVE 070926 moeilijk objectiveerbaar letsel; neurologisch en psychiatrisch desk. bericht cf. IWMD 2025; beslissing over vza en be aangehouden
2De beoordeling
2.1
Het verzoekschrift strekt er in de kern toe dat de rechtbank voorlopige deskundigenberichten zal bevelen ter beantwoording van de in het verzoekschrift opgenomen vraagstellingen, met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen neuroloog tezamen met een psychiater, verzekeringsarts en bedrijfseconoom. Daarnaast wordt verzocht om te bepalen dat de kosten van het onderzoek en dus ook van het voorschot op deze kosten ten laste van Univé zullen worden gebracht.
2.2
Univé heeft zich verzet tegen inwilliging van (onderdelen van) de verzoeken.
2.3
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
Ook moet het verzoekschrift vermelden de punten waarover het oordeel van (een) deskundige(n) wordt gevraagd en de namen en hoedanigheid van een of meer door de rechter te benoemen deskundigen.
2.4
[verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Het verzoek zal daarom worden toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Deze afwijzingsgronden doen zich niet voor, zodat het verzoek toewijsbaar is.
2.5
De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat partijen in grote lijnen overeenstemming hebben bereikt over het plan van aanpak in onderhavige zaak. Het plan van aanpak komt er op neer dat partijen het eens zijn dat er eerst een neuroloog en een psychiater worden benoemd. De beslissing op het verzoek tot benoeming van een verzekeringsarts en bedrijfseconoom zal, mede gelet op de daarmee gepaard gaande kosten, in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek van de neuroloog en psychiater, worden aangehouden.
2.6
De rechtbank bepaalt dat eerst de neuroloog zal rapporteren. Daarna zal de pyschiater rapporteren, na kennisname van de rapportages van de neuroloog.
Deskundigen
2.7
[verzoeker] heeft in het verzoekschrift personen voorgesteld die als deskundigen kunnen worden benoemd. Univé was het niet met alle door [verzoeker] voorgestelde deskundigen eens. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over de te benoemen deskundigen en hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de benoeming van neuroloog dr. G.W. van Dijk (hierna: Van Dijk) en psychiater dr. C.C. Kan (hierna: Kan). De griffier heeft daarom contact opgenomen met deze deskundigen. Zij hebben beiden verklaard dat zij bereid zijn het deskundigenonderzoek te verrichten en dat zij hiertoe vrij staan. De rechtbank zal Van Dijk en Kan daarom hierna als deskundigen benoemen.
Vraagstelling
2.8
Partijen zijn het erover eens dat de IWMD-vraagstelling moet worden voorgelegd aan Van Dijk en Kan. Per november 2025 is de IWMD-vraagstelling aangepast. [verzoeker] geeft er de voorkeur aan om de oude vraagstelling (daterend uit 2010) of een tussenvariant te gebruiken. Hij heeft er op gewezen dat door de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP) kritiek op de nieuwe vraagstelling is geuit, omdat deze niet op vergelijkbare wijze tot stand is gekomen als de oude versie en er onvoldoende betrokkenheid van de slachtofferadvocatuur is geweest. Daarnaast zou in de literatuur ook gewezen zijn op inhoudelijke bezwaren tegen de nieuwe vraagstelling, met name waar het gaat om de nadruk op de predispositie en pre-existentie, de verschuiving richting een beoordeling van medisch causaal verband en de beperkte aansluiting bij de bestaande whiplashjurisprudentie. Univé heeft laten weten dat zij niet akkoord gaat met het gebruiken van de oude vraagstelling of de door [verzoeker] voorgestelde tussenvariant. Volgens haar medisch adviseur ligt het voor de hand om de nieuwe vraagstelling te hanteren, omdat deze beter aansluit bij de huidige eisen aan medische deskundigenrapportages, explicieter onderscheid maakt tussen medische en juridische causaliteit, zorgvuldiger omgaat met pre-existentie/predispositie en de deskundige dwingt tot een beter onderbouwde, transparante rapportage. Dat is volgens haar juist in een dossier met discussie over moeilijk objectiveerbare klachten van belang.
2.9
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om aan te sluiten bij de nieuwe IWMD-vraagstelling uit 2025. Anders dan [verzoeker] lijkt te betogen, is het de rechtbank niet gebleken dat de nieuwe vraagstelling onzorgvuldig tot stand is gekomen. De IWMD-vraagstelling is tot stand gekomen onder leiding van De Letselschade Raad, een onafhankelijke en overkoepelende organisatie in de letselschadebranche. Volgens De Letselschade Raad is de nieuwe vraagstelling vastgesteld na een intensief proces van zes jaar, waarbij de vorige versie branche-breed is geëvalueerd. De nieuwe versie sluit volgens De Letselschade Raad aan bij de NVMSR Richtlijn voor medisch specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband 2024 en is naar verwachting beter afgestemd op de wensen en behoeften van zowel medici als juristen werkend binnen het medisch traject bij letselschadezaken.1 Dat daarbij in de vraagstelling meer aandacht is voor de predispositie en pre-existentie mag zo zijn, maar dat zijn volgens de rechtbank ook onderwerpen die niet onderbelicht moeten blijven, zeker niet bij zaken waar het gaat om moeilijk objectiveerbaar letsel.
2.10
Gelet op het voorgaande zullen de volgende vragen aan Van Dijk en Kan worden gesteld:
ALGEMENE TOELICHTING
Deze vraagstelling is een vraagstelling die toegepast wordt in een juridisch kader, zowel binnen als buiten rechte. De vraagstelling heeft als doel de gevolgen van een ongeval in kaart te brengen, zowel op korte als lange termijn. Hierbij worden ook pre-existente of predisponerende factoren in beeld gebracht en gewogen. De deskundige geeft rekening houdend met zijn deskundigheidsgebied antwoord op deze vragen2.3
Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband versie 2024. Deze richtlijn is digitaal te raadplegen via www.nvmsr.nl/publicaties/. In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen. In sommige gevallen is het niet mogelijk om een vraag te beantwoorden. De deskundige moet dan gemotiveerd aangeven waarom deze vraag niet kan worden beantwoord. Ook dienen ingenomen standpunten wetenschappelijk onderbouwd te worden.
1DE SITUATIE MET ONGEVAL
Anamnese
a. Hoe luidt de anamnese? Welke behandelingen heeft onderzochte gehad? Wat was het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u vermelden welke belemmeringen betrokkene ervaart in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), bij het werk, bij werkzaamheden in, aan en om de woning, en bij het uitoefenen van hobby’s en bezigheden in recreatieve sfeer?
Aanbeveling 8.2 NVMSR:
De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet en beperkt zich tot de relevante gegevens ten behoeve van de beantwoording van de aan de deskundige voorgelegde vragen. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de betrokkene, zoveel mogelijk in diens eigen bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebruikt of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Termen als “betrokkene zou (...)” worden vermeden. Ook voegt de deskundige bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. De auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden weergegeven
Medische gegevens
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis (dat wil zeggen gezondheid voor het ongeval) van de onderzochte op uw vakgebied? Wat is de medische behandeling geweest van de klachten en/of ervaren verschijnselen in gevolg op het ongeval en het resultaat daarvan?
Aanbeveling NVMSR:
Bespreking van de ontvangen (medische) gegevens. In deze rubriek worden de beschikbare en ontvangen (medische) gegevens op een zakelijke wijze en zo getrouw mogelijke wijze weergegeven, zonder dat daar een eigen interpretatie of beoordeling van wordt gegeven. Uit brieven uit de behandelend sector wordt zorgvuldig en bij voorkeur letterlijk geciteerd. Indien u onvoldoende medische broninformatie heeft (zowel op, maar ook buiten uw vakgebied) om deze vragen adequaat te kunnen beantwoorden, kunt u deze alsnog in de behandelende sector opvragen, bij voorkeur middels gerichte vragen. Hiervoor is een medische machtiging van betrokkene vereist.
Zie: https://www.knmg.nl/actueel/publicaties/omgaan-met-medische-gegevens
Medisch onderzoek
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij onderzoek4?
Aanbeveling 8.3 NVMSR:
Het lichamelijk onderzoek wordt, indien van toepassing, zoveel mogelijk weergegeven zoals dat gebruikelijk is binnen de beroepsgroep. Afkortingen dienen hierbij zoveel mogelijk te worden vermeden of te worden weergegeven in een aparte tabel.
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? NB Confrontatie met gevonden inconsistenties is wel nodig; een betrokkene moet namelijk de kans krijgen om hier persoonlijk en verbaal op te reageren, dit is een ethisch punt.
Aanbeveling 2.2.8 RMSR:
Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze inconsistenties werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.
Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Aanbeveling 8.5 NVMSR:
Waar nodig of indien van toepassing wordt een differentiaal diagnostische overweging gegeven. In het rapport wordt onderbouwd waarom een differentiaal diagnostische overweging wordt verworpen.
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Aanbeveling 8.7 NVMSR:
De eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.
Medische eindsituatie
Toelichting: deze vraag heeft als doel om toekomstige risico’s en toekomstige verbeteringen in kaart te brengen. Denk hierbij aan enerzijds een kans op post‐traumatische artrose, aanwezigheid van osteosynthese materiaal of risico op post‐traumatische epilepsie en anderzijds aan mogelijke verbeteringen door therapie
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel mogelijk?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?
Optionele vraag:
l. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied als gevolg van het ons aangelegen ongeval? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA‐guides, 6e druk), aangevuld met de meest recente richtlijnen/ leidraad van uw eigen beroepsvereniging?
Aanbeveling NVMSR 8.8:
Bij de bepaling van de functionele invaliditeit behoort een percentage dat de deskundige met verwijzing naar (in principe) de laatste versie van de AMA-guides en/of de richtlijnen van de eigen beroepsgroep beargumenteert. De functionele invaliditeit betreft de beperkingen ongeacht het beroep en de specifieke vaardigheden en heeft uitsluitend betrekking op de vaardigheden in het ADL, iADL en het maatschappelijk verkeer, zoals weergegeven in de AMA-guides. Het ontbreken van functieverlies conform de bepalingen in de AMA-guides, hoeft niet te betekenen dat er ook geen sprake is van beperkingen bij de beroepsuitoefening of bij specifieke activiteiten, maar dat valt niet onder het begrip functionele invaliditeit. Anderzijds hoeft de vaststelling van mate van functieverlies conform de AMA-guides niet automatisch tot beperkingen aanleiding te geven.
2DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.
Aanbeveling 8.4 NVMSR:
De vragen worden volledig, begrijpelijk en vooral eenduidig beantwoord. Bij de beantwoording van de vragen komen niet/nooit plotseling aspecten naar voren, die niet worden ondersteund/onderbouwd in de voorafgaande beschouwing. Het kan van belang zijn om bij de beantwoording van de vragen (zoals bij de IWMD-vraagstelling) inzicht te krijgen in de vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de betrokkene zoals die aanwezig is met/ten gevolge van het ongeval en de hypothetische situatie zonder het ongeval.
Bij de hypothetische situatie zonder ongeval speelt de gezondheidstoestand vóór het ongeval een belangrijke rol en deze moet zorgvuldig worden beoordeeld en beschreven. Soms is dit door gebrek aan gegevens niet eenduidig te onderzoeken of vast te stellen. Op de deskundige rust de verplichting om de voorgeschiedenis expliciet te onderzoeken en waar nodig hiervoor de benodigde informatie op te vragen. Er dient nadrukkelijk onderscheid te worden gemaakt tussen klachten, afwijkingen en beperkingen in de situaties VOOR en ZONDER ongeval. De betrokkene kan immers na het ongeval een nieuwe of andere aandoening hebben gekregen die los staat van het ongeval of al aan een chronische of genetische aandoening lijden. In sommige gevallen is het niet mogelijk om een vraag te beantwoorden. De deskundige moet dan gemotiveerd aangeven waarom deze vraag niet kan worden beantwoord.
Aanbeveling 8.6 NVMSR:
Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vaststelling gebeurt in overeenstemming met de gangbare wetenschappelijk inzichten dan wel richtlijnen binnen het desbetreffende vakgebied. De deskundige zal nooit anamnestische klachten en/of anamnestische beperkingen aan een gebeurtenis (bijvoorbeeld een ongeval of incident) toeschrijven of de causaliteit ervan louter baseren op grond van het feit dat deze na de gebeurtenis voor het eerst worden vermeld. De beoordeling van een eventueel juridisch causaal verband is voorbehouden aan partijen en uiteindelijk de rechter.
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval
a. Bestonden voor het ongeval bij betrokkene reeds klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied? Zo ja, zijn die klachten er nog steeds? Bestaan er andere klachten en/of afwijkingen die wel relevant zijn voor uw vakgebied?
Kunt u hierbij onderscheid maken tussen de gegevens bij anamnese verkregen en informatie op basis van de medische broninformatie verkregen?
b. Zo ja, kunt u zo mogelijk aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeien? Kunt u hierbij aangeven, of deze gegevens anamnestisch zijn of gebaseerd op medische broninformatie?
Aanbeveling 8.7 NVMSR:
De eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval
c. Zijn er bij de onderzochte op uw vakgebied aanwijzingen dat hij/zij ook zonder ongeval de huidige klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied zou kunnen hebben ontwikkeld? Wilt u hierbij de algemene gezondheidstoestand van betrokkene meewegen? Kunt u daarbij aangeven of deze vraag wordt beantwoord op basis van anamnese of dat dit wordt afgeleid uit het medisch dossier?
d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een inschatting geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en/of afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?5
e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en/ of afwijkingen zouden kunnen zijn voortgevloeid?
Kunt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en op semi kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten? Indien dit niet mogelijk is dit graag aangeven.
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
Aanbeveling 8.7 NVMSR:
De eventuele beperkingen van de betrokkene worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De hierbij geadviseerde termen zijn ‘geen, licht, matig, ernstig, volledig’. De deskundige zal zelf geen kwantificerende belastbaarheidsprofielen opstellen. Alleen een bedrijfsarts of een verzekeringsarts is bekwaam om een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen. De deskundige kan wel de vaststellingen in een FML becommentariëren vanuit het eigen vakgebied en op grond van de eigen waarnemingen.
3OVERIG
Aanbeveling 2.2.11 RMSR: Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.
a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak? 6
Voorschot
2.11
Van Dijk heeft verklaard dat hij de kosten begroot € 6.500,00 (exclusief btw) (uurtarief € 260,00 exclusief btw).
2.12
Kan begroot zijn kosten op € 6.000,00 (exclusief btw) (uurtarief € 200,00 exclusief btw).
2.13
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de hoogte van het te deponeren voorschot voor de neurologische en psychiatrische onderzoeken. Voor het geval partijen van deze gelegenheid geen gebruik maken, zal de rechtbank de hoogte van het voorschot reeds nu voor alsdan bepalen op de hiervoor genoemde bedragen. Als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing.
2.14
Univé heeft aansprakelijkheid erkend. Dit is voor de rechtbank reden om van de hoofdregel van artikel 187 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) af te wijken en te bepalen dat Univé de kosten van het deskundigenonderzoek moet voorschieten.
Blokkeringsrecht
2.15
De rechtbank overweegt (ambtshalve) dat nu de onderzoeken door Van Dijk en Kan medische onderzoeken betreffen waarvoor geen geneeskundige behandelingsovereenkomst bestaat, [verzoeker] het inzage- en blokkeringsrecht heeft als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betekent dat hij als eerste het conceptrapport van de deskundige moet ontvangen en vervolgens, als bij dat rapport het blokkeringsrecht niet is uitgeoefend, ook als eerste het definitieve rapport van de deskundige moet ontvangen. De deskundigen zullen daarom moeten handelen als hierna in de beslissing is opgenomen. De rechtbank wijst er bovendien op dat als van het blokkeringsrecht gebruik wordt gemaakt de rechtbank daaraan in een eventueel op het voorlopig deskundigenbericht volgende bodemprocedure de conclusies kan verbinden die zij passend vindt.
Instructies
2.16
De rechtbank zal bepalen dat het psychiatrisch onderzoek eerst na ontvangst van de rapportage van Van Dijk zal plaatsvinden, zodat Kan deze rapportage kan meenemen in zijn onderzoek. Dit betekent dat de griffie het procesdossier ook pas op een later moment aan Kan zal doen toekomen. In de beslissing worden ook enkele voor deskundigentrajecten gebruikelijke instructies aan de deskundigen (nader) uitgewerkt.
2.17
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die de rechtbank geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.18
Als een partij op verzoek van de deskundigen of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
2.19
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.
3De beslissing
De rechtbank
3.1
beveelt een neurologisch onderzoek door de deskundige om de vragen die zijn opgenomen onder punt 2.10 te beantwoorden,
3.2
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
Dr. G.W. van Dijk
neuroloog,
correspondentieadres: CWZ, Weg door Jonkerbos 100, 6532 SZ Nijmegen,
telefoon: 024-3658765,
e-mailadres: secretariaatneurologie@cwz.nl.
3.3
beveelt een psychiatrisch onderzoek door de deskundige om de vragen die zijn opgenomen onder punt 2.10 te beantwoorden,
3.4
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
Dr. C.C. Kan,
psychiater,
correspondentieadres: Harinxmastrjitte 17, 8621 BJ Heeg,
telefoon: 06-59810793
e-mailadres: ceeskan@gmail.com.
3.5
bepaalt dat het psychiatrisch onderzoek na ontvangst van de rapportage van
Van Dijk zal plaatsvinden, zodat Kan deze rapportage kan meenemen in zijn onderzoek,
het voorschot
3.6
begroot de hoogte van het voorschot op de kosten van Van Dijk op het bedrag van
€ 6.500,00 (exclusief btw) en van deskundige Kan € 6.000,00 (exclusief btw) en stelt partijen in de gelegenheid binnen twee weken na datum beschikking schriftelijk bij de griffie van deze rechtbank hiertegen bezwaar te maken,
3.7
bepaalt dat:
-
als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, het voorschot reeds nu voor alsdan wordt vastgesteld op wat in 3.6 staat en bepaalt dat Univé die bedragen dient te voldoen binnen twee weken nadat van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota is ontvangen,
-
als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt het voorschot zal worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,
3.8
draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.9
bepaalt dat de griffie het procesdossier in afschrift aan de deskundigen moet doen toekomen, met dien verstande dat – met inachtneming van het vermelde onder dictumonderdeel 3.5 – het procesdossier, inclusief de (definitieve) rapportage van Van Dijk, (eerst) aan Kan moet doen toekomen nadat partijen in het bezit zijn gesteld van de (definitieve) rapportage van Van Dijk;
3.10
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.11
wijst de deskundigen erop dat:
- de deskundigen voor aanvang van het onderzoek kennis moeten nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/),
- de deskundigen het onderzoek pas beginnen na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundigen het onderzoek onmiddellijk staken en contact opnemen met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundigen bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het schriftelijk bericht vermelden of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
3.12
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen moeten verstrekken als de deskundigen daarom vragen, de deskundigen toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
3.13
draagt Van Dijk op om uiterlijk 1 januari 2027 een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van het Team kanton en handelsrecht van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie, waarbij om verlenging van de termijn kan worden verzocht;
3.14
draagt Kan op om uiterlijk 1 mei 2027 een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van het Team kanton en handelsrecht van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie, waarbij om verlenging van de termijn kan worden verzocht;
3.15
wijst de deskundigen erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,
- zij, onder verwijzing naar rechtsoverweging 2.15 van deze beschikking, [verzoeker] in de gelegenheid moeten stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, indien hij als eerste kennis wensen te nemen van de deskundigenrapportage, hij een concept van de rapportage aan [verzoeker], onder gesloten couvert via zijn advocaat moet toesturen en [verzoeker], daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of hij gebruik wil maken van het blokkeringsrecht (waarbij hij zich van commentaar op het concept moet onthouden);
- als [verzoeker] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van het blokkeringsrecht, zij de werkzaamheden onmiddellijk moeten staken en dit aan de rechtbank moeten mededelen;
- dat, als [verzoeker] geen gebruik maakt van het inzage- of blokkeringsrecht, zij het concept van de rapportage aan de advocaten van partijen moeten toezenden (zie verder paragraaf 11.5. van de Leidraad over het blokkerings- en inzagerecht),
3.16
bepaalt dat de deskundigen eerst een concept van hun rapport aan partijen zullen toezenden, waarbij partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld opmerkingen over het concept te maken en dat uit het (definitieve) rapport van de deskundige(n) moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, waarbij van de inhoud van bedoelde opmerkingen en verzoeken in het rapport melding moet worden gemaakt.
Overige
3.17
houdt iedere verdere beslissing aan.
1https://deletselschaderaad.nl/actueel/nieuw-iwmd-vraagstelling-2025/
2De criteria uit Zwolse – De Greef zijn hierin niet opgenomen, omdat deze voor een deel moeilijk te operationaliseren en vooral niet medisch zijn.
3[naam] (2005). Verbeterde vraagstelling voor medische expertises. Een inventarisatie van knelpunten, verbeteringen en mogelijke verdere aanpak. Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, 2005(3), 69-80
4Bedoeld wordt: lichamelijk en eventueel hulponderzoek
5Ad 2.d., 2.f. en 2.g.: Verwachtingen/kansen waar mogelijk onderbouwen met wetenschappelijke referenties, zie inleiding
6Zijn er bijvoorbeeld nog therapeutische suggesties binnen uw vakgebied, d.w.z. zijn er nog gangbare behandelingsopties, bij voorkeur volgens vigerende richtlijnen / zorgstandaarden van uw beroepsvereniging?
Rechtbank Overijssel 7 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5558
