GHSHE 100326 geen letsel; Wilnis-bewijsvermoeden; doorbreken dam/bufferwand voldoende voor vermoeden gebrekkige opstal
- Meer over dit onderwerp:
GHSHE 100326 geen letsel; Wilnis-bewijsvermoeden; doorbreken dam/bufferwand voldoende voor vermoeden gebrekkige opstal
4De feiten
De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.
4.1.
Het Waterschap is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige toestand in Limburg.
4.2.
[geïntimeerde] is eigenaresse van een (monumentaal) pand aan [adres A] . Achter het perceel van [geïntimeerde] is de waterbuffer “ [A] ” gelegen. Aan het perceel van [geïntimeerde] grenst een dam. De dam fungeert als bufferwand van de daarachter gelegen waterbuffer “ [A] ”. [B] stroomt door de waterbuffer heen. Onderstaande illustratie geeft de plaatselijke situatie weer, waarbij het perceel van [geïntimeerde] is aangeduid met de gele ster:
4.3.
Op 13 juli 2021 vond hevige regenval plaats in grote delen van Zuid-Limburg. Als gevolg van die regenval is de buffer vol met water komen te staan. Tijdens de regenval die dag is de dam/bufferwand rondom de buffer doorgebroken. Hierdoor zijn diverse bomen die op de bufferwand stonden, met wortel en al omgevallen. Daarnaast is de tuin van [geïntimeerde] overspoeld met water en modder. Ook zijn de kelder, de schuur en diverse ruimtes op de begane grond van de woning volgestroomd met water.
4.4.
De volgende dag, op 14 juli 2021, was opnieuw sprake van hevige regenval. De tuin en de gebouwen van [geïntimeerde] zijn toen opnieuw volgelopen met water.
5De procedure bij de rechtbank
5.1.
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd 1) te verklaren voor recht dat het Waterschap aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] voor de (water)schade die het gevolg is van de dijkdoorbraak op 13 juli 2021, 2) het Waterschap te veroordelen om de schade van [geïntimeerde] te vergoeden, op te maken bij staat, 3) het Waterschap te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 160.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, 4) het Waterschap te veroordelen in de proceskosten.
5.2.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis, in navolging van het Wilnis-arrest1, het volgende rechtsvermoeden aangenomen. Het enkele feit van het doorbreken van de damwand is voldoende voor het aannemen van het vermoeden dat de dam niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door het Waterschap als bezitter ervan te leveren tegenbewijs, waartoe de rechtbank het Waterschap in de gelegenheid zal stellen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het enkele feit dat een rechtsvermoeden is aangenomen, nog niet meebrengt dat het Waterschap zonder meer aansprakelijk is. Als het Waterschap slaagt in het leveren van tegenbewijs dan herleeft het bewijsrisico bij [geïntimeerde] . Zij moet dan alsnog bewijzen dat sprake is van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174, lid 1, BW. Als het Waterschap niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, dan zal dit leiden tot de conclusie dat het Waterschap aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade, behoudens in het geval dat het beroep van het Waterschap op de ‘tenzij’ clausule van artikel 6:174 BW slaagt. Het Waterschap heeft in dat kader aangevoerd dat sprake was van een dermate exceptionele hoeveelheid water dat de buffer is ingestroomd, dat sprake was van een omstandigheid veroorzaakt door een van buiten komende omstandigheid. De rechtbank heeft de beoordeling van dit verweer aangehouden omdat voor die beoordeling vereist is dat eerst duidelijkheid wordt verkregen omtrent de (meest waarschijnlijke) oorzaak van de doorbraak van de dam. Ook het antwoord op de vraag of het Waterschap jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, door schending van een op haar rustende zorgplicht, heeft de rechtbank aangehouden. Van dit tussenvonnis heeft de rechtbank tussentijds hoger beroep opengesteld.
6De vordering en het verweer in hoger beroep
6.1.
Het Waterschap is onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen. De grieven komen, kort gezegd, op tegen het aangenomen rechtsvermoeden dat sprake is van een gebrekkige opstal, zijnde de regenwaterbuffer (grief I), en betogen dat de rechtbank de in haar beoordeling betrokken factoren om tot dit rechtsvermoeden te komen, op onjuiste wijze heeft toegesneden op dit geval (grief II). Het Waterschap vordert het vonnis waarvan beroep te vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
6.2.
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van het Waterschap in de proceskosten in hoger beroep.
7De beoordeling in hoger beroep
7.1.
Volgens het Waterschap was in het onderhavige geval sprake van zeer extreme en hevige neerslag en is het getroffen gebied zelfs aangemerkt als rampgebied. Door deze extreme neerslag zijn de bovenstroomse visvijvers bij [C] doorgebroken en was bovenstrooms sprake van een grote aanvoer vanuit het gemeentelijk riooloverstort. Deze aanvoer uit drie verschillende bronnen veroorzaakte een golf die met grote kracht door de inlaat van de buffer precies tegenover de inlaat een gat in de bufferwand heeft geslagen. Onder deze omstandigheden mag het bewijsvermoeden niet worden toegepast aldus de eerste grief. Bovendien is ook nog niet uitgemaakt dat het Wilnis-bewijsvermoeden toegepast mag worden op andere waterstaatwerken dan dijken. Dijken hebben primair een waarborgfunctie om omwonenden tegen wateroverlast te beschermen. Andere waterstaatwerken hebben een andere primaire functie en zo ook deze regenwaterbuffer. Bij het beoordelen van enkel de bufferwand, zoals de rechtbank heeft gedaan, wordt slechts één bestanddeel van de opstal geïsoleerd getoetst. Artikel 6:174 BW schrijft echter een integrale beoordeling van de gehele opstal voor. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van het toetsingskader van de rechtbank. De primaire waarborgfunctie van een regenwaterbuffer is dus niet de bescherming van omwonenden tegen het water opgeslagen in de buffer, maar het opslaan van neerslag zodat het geleidelijk kan afstromen. De secundaire functie is de bescherming van omwonenden tegen wateroverlast, aldus steeds het Waterschap.
7.2.
De rechtbank heeft in overweging 5.1. tot en met 5.5. de juiste maatstaf opgenomen om de vraag te beantwoorden of het Waterschap op grond van artikel 6:174 BW als bezitter van de waterbuffer aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade. Het betoog van het Waterschap dat de rechtbank de gebrekkigheid van de opstal heeft beoordeeld vanuit de dam (oftewel bufferwand) en niet vanuit de regenwaterbuffer als geheel, leidt niet tot een ander oordeel. Als (zoals hier) sprake is van een gebrekkige bufferwand die onlosmakelijk en functioneel onderdeel uitmaakt van de gehele waterbuffer, en daarmee dan ook één geheel vormt, is er vanzelfsprekend sprake van een gebrekkige opstal, zijnde de regenwaterbuffer.
7.3.
De rechtbank heeft terecht voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van het Waterschap het arrest van de Hoge Raad met betrekking tot de verschuiving van de kade (veendijk) in Wilnis, van 17 december 2010, tot uitgangspunt genomen. Voor de leesbaarheid van dit arrest neemt ook het hof de van belang zijnde overwegingen van dit arrest hierna op:
“4.4.3. Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
Bij de eisen als bedoeld in art. 6:174 lid 1 gaat het om de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal mag stellen (vgl. HR 15 juni 2001, nr. C99/350, LJN AB2149, NJ 2002/336 en HR 20 oktober 2000, nr. C99/004, LJN AA7686, NJ 2000/700). Daarbij spelen, zo volgt uit de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1380), gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en in het algemeen aan een bezitter of gebruiker van die zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol. De omstandigheid dat een opstal in algemene zin voldoet aan geldende veiligheidsvoorschriften, staat niet in de weg aan het oordeel dat de opstal (niettemin) niet aan bedoelde eisen voldoet en derhalve gebrekkig is in de zin van art. 6:174 lid 1 (vgl. de genoemde uitspraak van 20 oktober 2000). Het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand hangt immers af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard van de opstal (bijvoorbeeld een voor publiek toegankelijk gebouw of werk of een gesloten huis of werk op besloten terrein, vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 755), de functie van de opstal, de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de opstal te verwachten gebruik door derden (vgl. HR 17 november 2000, nr. C99/016, LJN AA8364, NJ 2001/10). Voorts dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar (vgl. de genoemde uitspraak van 15 juni 2001), alsmede, zo kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid (Parl. Gesch. Boek 6, p. 756), de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Daarbij kan voor het geval de aansprakelijkheid op een overheidslichaam rust mede betekenis toekomen aan de hem toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1394, met betrekking tot de eveneens op art. 6:174 berustende aansprakelijkheid van een wegbeheerder).
Vorenbedoelde gezichtspunten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van art. 6:174; de wetgever heeft immers een te ruime aansprakelijkheid van de bezitter willen voorkomen door bepaalde begrenzingen die in afdeling 6.3.1 aan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad worden gesteld, ook te laten gelden voor de onderhavige aansprakelijkheid (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1378–1379). Van een op de bezitter van een zaak rustende garantienorm is dan ook geen sprake (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1380).
4.4.4.
Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de — naar objectieve maatstaven te beantwoorden — vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.
4.4.5.
Toegesneden op de onderhavige vraagstelling betekent het vorenstaande dat rekening moet worden gehouden met factoren als de aard en bestemming van de kade (een publiek toegankelijke dijk), de waarborgfunctie van de veendijk (bescherming van omwonenden tegen water), de fysieke toestand van de kade ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar, de naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van het gebrek en het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving, de bij de uitvoering van zijn publieke taak aan het Hoogheemraadschap toekomende beleidsvrijheid en de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan, een en ander mede gelet op de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek en de daadwerkelijke (technische) mogelijkheid van het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen.
Het enkele feit van de kadeverschuiving zal in het algemeen voldoende zijn voor het aannemen van het vermoeden dat de kade (dijk) niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door de bezitter ervan te leveren tegenbewijs (zoals de rechtbank heeft geoordeeld).
De hierboven genoemde factoren kunnen in voorkomend geval in uiteenlopende richting wijzen, maar daarbij verdient aantekening dat de aard, de bestemming en de waarborgfunctie van de kade zwaarwegende factoren zijn die kunnen meebrengen dat daartegenover aan andere omstandigheden minder gewicht toekomt of ertoe kunnen nopen dat aan de onderbouwing van stellingen met betrekking tot de niet-kenbaarheid van het gevaar van een kadeverschuiving strenge eisen worden gesteld.”
7.4.
In dit geval is sprake van een waterbuffer. Een regenwaterbuffer is een opvangbassin dat bij hevige regen het teveel aan water tijdelijk opvangt en geleidelijk weer loost. De regenwaterbuffer [A] is gerealiseerd door het aanleggen van een bufferwand (door de rechtbank ‘dam’ genoemd) rond de verdiepte ligging, het plaatsen van een duiker, een automatische schuif voor de leegloop en twee noodoverlaten. In 2017 is de leegloopconstructie van de regenwaterbuffer aangepast (vergroten van de uitstroom), is de bestaande bufferwand opgehoogd en is een nieuwe afsluiter (schuif) geplaatst, en is deze voorzien van een nieuwe en grotere vuilvang met palen (palenrooster) en nieuwe verharding (bodembescherming). De regenwaterbuffer is aldus bestemd voor verbetering van het watersysteem als groter geheel, het voorkomt dat grote hoeveelheden neerslag in één keer worden geloosd op het watersysteem om wateroverlast benedenstrooms zo veel mogelijk te voorkomen. Dat dit een opstal betreft waarvoor het Waterschap als bezitter in beginsel aansprakelijk is (in het kader van artikel 6:174 BW), staat vast. De bufferwand is een onderdeel van de opstal, zijnde de waterbuffer. Deze bufferwand heeft een waterkerende functie, namelijk het vasthouden van het water in de waterbuffer.
7.5.
[geïntimeerde] heeft betwist dat er sprake was van een grote golf. De bufferwand is van onderaf doorgebroken, het water sijpelde als eerste aan de onderzijde van de bufferwand en er onderdoor, naar het terrein van [geïntimeerde] . In het gras en in de tuin van [geïntimeerde] ontstonden waterbellen, daarna vielen de grote bomen die op de bufferwand stonden stuk voor stuk met wortel en al omver. Korte tijd later heeft de bufferwand het begeven en spoelde met het water mee de tuin en de opstallen van [geïntimeerde] in. De doorbraak van de hoger gelegen visvijver heeft volgens [geïntimeerde] geleid tot een geleidelijke toevoer van water en zeker niet tot een golf. Bovendien, zo stelt [geïntimeerde] , vond de grote extra watertoevoer vanuit de visvijver naar de waterbuffer plaats nadat de bufferwand al was bezweken.
7.6.
Als onbetwist staat vast dat het waterpeil in de waterbuffer op 13 juli 2021 niet tot de kruin van de bufferwand is gestegen. Het water is ook niet over de bufferwand gestroomd. De maximale capaciteit van de waterbuffer was dus nog niet bereikt. Ook is niet betwist dat de bufferwand het heeft begeven voordat het waterpeil de noodoverlaat heeft bereikt. Dit betekent dat de waterbuffer, die is aangelegd als systeem om het water te beheersen door het water op te vangen en geleidelijk door te geleiden, niet heeft gefunctioneerd zoals had mogen verwacht. Of het nu de primaire of secundaire functie van de bufferwand is om het water te keren kan in het midden blijven. Door het bezwijken van de bufferwand heeft de waterbuffer als geheel, niet voldaan aan diens bestemming. Het hof onderschrijft dan ook overwegingen 5.1. tot en met 5.5. van het vonnis van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Gelet op de aard, bestemming en waarborgfunctie van de waterbuffer, waaronder de daarvan onderdeel uitmakende bufferwand, is het enkele feit van het doorbreken van de bufferwand voldoende voor het oordeel dat deze niet heeft voldaan aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Op grond van artikel 6:174 lid 1 BW is de bezitter van een opstal, die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.
7.7.
Het betoog van het Waterschap dat er in dit geval door het extreme weer een zodanig bijzondere situatie is ontstaan dat het bewijsvermoeden van artikel 6:174 BW toepassing mist, verwerpt het hof. Het Waterschap heeft (vooralsnog), mede gezien de stellingen van [geïntimeerde] over het feitelijke verloop van de gebeurtenissen, weergegeven in overweging 7.5., onvoldoende onderbouwd dat de bufferwand is bezweken door een golf die is veroorzaakt door het extreme weer. Of er nu wel of geen golf is geweest kan aan de orde komen in het kader van het te leveren tegenbewijs, danwel in het kader van het antwoord op de vraag of het Waterschap een beroep toekomt op de tenzij-clausule van artikel 6:174 BW, aan welk antwoord de rechtbank nog niet is toegekomen.
7.8.
In rechtsoverweging 5.6. heeft de rechtbank de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal mag stellen en de daarmee samenhangende factoren die door de Hoge Raad zijn genoemd in het Wilnis-arrest, benoemd en die vervolgens in overweging 5.7. toegepast op dit geval. Ook deze overwegingen onderschrijft het hof en maakt deze tot de zijne. In het onderhavige geval dient rekening te worden gehouden met de volgende factoren:
- de aard en bestemming van de waterbuffer, waaronder de bufferwand (een publiek toegankelijke opstal bestemd om water te beheersen door het water op te vangen en geleidelijk door te geleiden);
- de waarborgfunctie van de waterbuffer, waaronder de bufferwand (het vasthouden van water);
- de fysieke toestand van de waterbuffer ten tijde van de doorbraak (verwezenlijking van het gevaar);
- de naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van het mogelijke gebrek en het daaraan verbonden doorbraakgevaar;
- de bij de uitvoering van zijn publieke taak aan het Waterschap toekomende beleidsvrijheid en de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan;
- de stand van de wetenschap en de techniek op het moment van de doorbraak en de daadwerkelijk (technische) mogelijkheid van het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen.
Het betoog van het Waterschap dat deze factoren geen rol spelen bij het al dan niet aannemen van het bewijsvermoeden, maar alleen dienen te worden gewogen in het kader van de vraag of er sprake is van gebrekkigheid van de opstal, berust op een onjuiste rechtsopvatting en wordt daarom verworpen. Het bewijsvermoeden is immers het vermoeden dat de opstal gebrekkig is, waarbij het antwoord of sprake is van een gebrekkige toestand afhangt van de genoemde factoren.
7.9.
Ook de stelling van het Waterschap dat het onduidelijk is waarom de rechtbank de publieke toegankelijkheid in het kader van de aard en bestemming van de opstal relevant acht, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Dit heeft de rechtbank terecht meegewogen. Immers (zie ook het arrest inzake Wilnis, onder 4.4.3.) hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard van de opstal (bijvoorbeeld een voor publiek toegankelijk gebouw of werk of een gesloten huis of werk op besloten terrein). Uit het oogpunt van veiligheid mogen aan een voor het publiek toegankelijk werk hogere eisen worden gesteld, dan wanneer het gaat om een werk op een besloten terrein. In dit geval bevond zich op de wand een wandelpad en was dat wandelpad op de wand toegankelijk voor wandelaars.
7.10.
Uit het Wilnis-arrest volgt dat aard, bestemming en waarborgfunctie van
de opstal zwaarwegende factoren zijn. Net als de rechtbank in overweging 5.7. heeft overwogen betreft de waterbuffer een publiek toegankelijke opstal die (mede) een
waarborgfunctie kent en waarvoor geen wettelijke veiligheidsnormen bestaan. De
waterbuffer heeft een opslagfunctie voor het overtollige (regen)water en de bufferwand vormt als wand de afscheiding tussen de waterbuffer en aangrenzende omgeving. Daarmee heeft de bufferwand aldus mede tot functie om omwonenden te beschermen tegen het water, waarvoor de buffer de opvangcapaciteit biedt.
7.11.
Aldus is ook het hof van oordeel (net als de rechtbank in overweging 5.8.) dat in dit geval het enkele feit van het doorbreken van de bufferwand voldoende is voor het aannemen van het vermoeden dat de waterbuffer niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door het Waterschap als bezitter ervan te leveren tegenbewijs.
7.12.
Voorzover het Waterschap tevens grieft tegen overweging 5.9. en in het bijzonder tegen de daar voorgestelde vraag 1, geldt dat het gebruikelijk is dat de rechtbank partijen in de gelegenheid zal stellen te reageren op de door de rechtbank voorgestelde vragen en aanvullingen of opmerkingen te plaatsen. In dat kader zal het bezwaar van het Waterschap door de rechtbank worden meegenomen. Een en ander kan niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
Bewijsaanbod
7.13.
Het bewijsaanbod van het Waterschap wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Conclusie, proceskosten, tussentijds cassatieberoep
7.14.
De conclusie is dan ook dat de grieven van het Waterschap falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Het Waterschap zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal, ambtshalve, van dit arrest tussentijds cassatieberoep openstellen (artikel 401a, lid 1, Rv). De zaak zal worden terugverwezen naar de rechtbank.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:648