Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 100426 ontbreken lidmaatschap NVMSR wél legitiem bezwaar tegen voorgestelde deskundige; dat deskundige niet bekend is bij MA SO niet

RBROT 100426 plafondplaat in toilet valt op wn-er; Functioneel Neurologische Stoornis (FNS); benoeming neuroloog en neuropsycholoog; 
- ontbreken lidmaatschap NVMSR wél legitiem bezwaar tegen voorgestelde deskundige; dat deskundige niet bekend is bij MA SO niet
- Rb kiest voor "oude" IWMD vraagstelling voor neuroloog & standaard vraagstelling voor NPO
 

2De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[verzoekster] werkte bij KPN B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst. Op 31 januari 2018 heeft zij op het toilet een plafondplaat met een lamparmatuur op haar hoofd en nek gekregen. Zij stelt dat zij daar nog steeds klachten en beperkingen door ervaart. KPN B.V. heeft erkend dat zij aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] die het gevolg is van het bedrijfsongeval. KPN B.V. en [verzoekster] hebben discussie over de klachten die [verzoekster] heeft en in hoeverre die het gevolg zijn van het ongeval. Omdat KPN Insurance Company de betrokken verzekeraar is, is zij ook verweerster in deze procedure. In deze beschikking worden de verweersters samen aangeduid als KPN (enkelvoud).

2.2.

[verzoekster] vraagt de kantonrechter om een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen, om duidelijkheid te krijgen over de vraag welke schade er is en of die het gevolg is van het ongeval. KPN heeft hier geen bezwaar tegen. De partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vragen welke deskundigen moeten worden benoemd, welke vragen moeten worden gesteld en welke stukken de deskundigen moeten betrekken in het onderzoek. In deze beschikking neemt de kantonrechter daar een beslissing over.

Neuroloog drs. Van Hoey Smith wordt benoemd tot deskundige

2.3.

Er is geen discussie over dat in ieder geval een neuroloog moet worden benoemd als deskundige. [verzoekster] heeft drie deskundigen genoemd die haar voorkeur hebben. Zij heeft die deskundigen uitgekozen omdat die expertise hebben op het gebied van Functionele Neurologische Stoornis (hierna: FNS), waarmee [verzoekster] onder andere gediagnosticeerd is. KPN heeft hier bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde deskundigen. Voor KPN is met name van belang dat deze personen geen aantoonbare ervaring hebben met neurologische expertises in letselschadezaken en ook dat zij geen lid zijn van de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage (NVMSR). Dit is een legitiem bezwaar, omdat het rapport uiteraard wel duidelijkheid moet geven tussen de partijen in mogelijke vervolgprocedures.

2.4.

[verzoekster] heeft ook [persoon A] genoemd. Daartegen had KPN geen bezwaar. De griffier heeft contact opgenomen met [persoon A] . Hij heeft echter laten weten dat hij op dit moment geen ruimte heeft om als deskundige op te treden.

2.5.

KPN heeft zelf als deskundigen voorgesteld: [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] . Daartegen heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt, vanwege de (volgens haar) slechte kwaliteit van de rapportages of het hoofdzakelijk oordelen in het belang van verzekeraars.

2.6.

Omdat de partijen er niet in slagen om het samen eens te worden over een deskundige heeft de griffier contact opgenomen met deskundige drs. Van Hoey Smith. Zij heeft laten weten dat zij bereid en in staat is om dit onderzoek uit te voeren.

2.7.

[verzoekster] heeft laten weten dat haar medisch adviseur drs. Van Hoey Smith niet kent en dat zij daarom bezwaar heeft tegen haar benoeming. Aan dat bezwaar gaat de kantonrechter voorbij. Drs. Van Hoey Smith is lid (en secretaris) van de NVMSR. De enkele omstandigheid dat de medisch adviseur van [verzoekster] haar niet kent is tegen die achtergrond onvoldoende om van benoeming af te zien.

2.8.

[verzoekster] heeft verder laten weten dat het aanstellen van een ervaren expertisearts zeer wenselijk is. Waarom drs. Van Hoey Smith dat niet zou zijn stelt zij niet. Daarom is dit ook geen reden om haar niet te benoemen. Voor zover zij bedoelt dat de neuroloog expert moet zijn op het gebied van FNS, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd. Zij heeft zelf gesteld dit slechts een van haar diagnoses is, naast een postcommotioneel syndroom en een whiplash.

2.9.

De kantonrechter zal daarom drs. Van Hoey Smith benoemen tot deskundige. Drs. Van Hoey Smith heeft laten weten dat zij haar onderzoek verricht onder toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden. Deze voorwaarden heeft de griffier voorgelegd aan de partijen. Zij hebben daar geen bezwaar tegen gemaakt. De kantonrechter stelt daarom vast dat die voorwaarden van toepassing zijn op het onderzoek.

De oude IWMD-vraagstelling wordt voorgelegd aan drs. Van Hoey Smith

2.10.

De partijen zijn het erover eens dat de IWMD-vraagstelling moet worden voorgelegd aan drs. Van Hoey Smith. Daar was in juni 2025 al overeenstemming over. Per november 2025 is de IWMD-vraagstelling aangepast. [verzoekster] geeft er de voorkeur aan om de oude vraagstelling te gebruiken. Zij heeft erop gewezen dat er ‘in de markt’ discussie bestaat over de nieuwe vraagstelling, omdat sommige vragen onduidelijk of onjuist zouden zijn geformuleerd. KPN heeft aangegeven dat zij de nieuwe vraagstelling wil gebruiken, omdat die het meest recent is.

2.11.

De kantonrechter beslist dat de oude vraagstelling wordt voorgelegd. KPN heeft immers geen inhoudelijke bezwaren tegen deze vraagstelling, terwijl [verzoekster] die wel heeft tegen de nieuwe. Bovendien waren de partijen het er eerder al over eens dat deze vraagstelling zou worden gebruikt. Dat die vraagstelling daarna is veranderd maakt in dat opzicht niet uit.

2.12.

De vraagstelling is opgenomen als productie 7 bij het verzoekschrift. Deze wordt hierna in de beslissing opgenomen.

2.13.

[verzoekster] heeft voorgesteld om een extra vraag toe te voegen aan deze vraagstelling. KPN heeft daar bezwaar tegen gemaakt omdat de vraag sturend zou zijn. De kantonrechter ziet nu geen aanleiding om de vraag toe te voegen. Drs. Van Hoey Smith zal haar conceptrapport aan de partijen sturen. Als dan blijkt dat in het conceptrapport geen antwoord op de door [verzoekster] beoogde vraag te vinden is dan kan zij die vraag alsnog aan de deskundige voorleggen.

KPN moet het voorschot betalen

2.14.

KPN moet het voorschot betalen. Zij heeft namelijk erkend dat zij aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het ongeval. Daarin ziet de kantonrechter aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt dat [verzoekster] als verzoeker het voorschot moet betalen (artikel 187 Rv).

2.15.

Drs. Van Hoey Smith heeft laten weten dat haar uurtarief € 250,- per uur is, exclusief btw, reiskosten en overige kosten. Zij heeft de kosten van de expertise begroot op € 5.500,- tot € 8.000,-, afhankelijk van de omvang van het dossier. Dat is exclusief kosten voor eventueel geïndiceerd aanvullend onderzoek, zoals een MRI-onderzoek. De kantonrechter heeft deze begroting voorgelegd aan de partijen. Zij hebben daar geen bezwaar tegen gemaakt. De kantonrechter stelt daarom het voorschot vast op € 6.750,-, in het midden van de bandbreedte die drs. Van Hoey Smith heeft genoemd.

Neuropsycholoog Bruins wordt benoemd tot deskundige

2.16.

[verzoekster] vraagt de kantonrechter om ook een neuropsycholoog te benoemen als deskundige. De reden daarvan is dat FNS zich bevindt op het snijvlak van cognitieve, psychologische en neurologische factoren. KPN wil dat het aan de neuroloog wordt overgelaten of het nodig is om ook een neuropsycholoog in te schakelen. Zij vindt het te voorbarig als dat nu al gedaan wordt.

2.17.

De kantonrechter benoemt nu wel al een neuropsycholoog tot deskundige. KPN heeft namelijk niet betwist dat de klachten van [verzoekster] zich deels bevinden op het gebied van een neuropsycholoog. Zij heeft ook niet aangevoerd dat het onaannemelijk is dat een neuropsychologisch onderzoek nodig is. Mocht achteraf toch blijken dat het onderzoek overbodig was, dan is dit hoogstens mogelijk een aanleiding om die kosten niet voor rekening van KPN te laten komen.

2.18.

[verzoekster] heeft [persoon G] genoemd als eerste voorkeur. Daar heeft KPN bezwaar tegen gemaakt, omdat zij slechte ervaringen zou hebben met hem. [verzoekster] heeft als tweede keus dr. J. Bruins genoemd. Daar heeft KPN geen bezwaar tegen gemaakt.

2.19.

De griffier heeft contact opgenomen met dr. Bruins. Dr. Bruins heeft laten weten dat zij bereid en in staat is om dit onderzoek uit te voeren. Zij zal daarom worden benoemd tot deskundige.

2.20.

Overigens had KPN in reactie op de (in haar ogen hoge) begroting van Bruins ook nog [persoon H] als deskundige voorgesteld. [persoon H] heeft echter laten weten dat zij op dit moment geen gelegenheid heeft om als deskundige op te treden. Op het bezwaar tegen de kosten gaat de kantonrechter hierna in (2.23).

De vragen van KPN worden voorgelegd

2.21.

De partijen zijn het er in beginsel over eens dat de standaardvraagstelling voor neuropsychologisch onderzoek aan dr. Bruins moeten worden voorgelegd. Het enige inhoudelijk verschil is dat [verzoekster] aan vraag 1 heeft toegevoegd “of in helderheid van bewustzijn’. Dat zinsdeel staat niet in de standaardvraagstelling. Dat deel laat de kantonrechter daarom weg. Daarnaast staat in de vragen van [verzoekster] steeds “een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis of aandoening” en in de vraagstelling van KPN “het ongeval”. Aangezien het in deze zaak specifiek gaat om een bedrijfsongeval, gebruikt de kantonrechter de vraagstelling van KPN. Die wordt hierna onder de beslissing opgenomen.

KPN moet het voorschot betalen

2.22.

KPN moet ook het voorschot van de neuropsycholoog betalen, om dezelfde reden als hiervoor genoemd (2.14).

2.23.

Dr. Bruins heeft de kosten van het onderzoek begroot op € 8.000,-. KPN heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Zij heeft laten weten dat de kosten ruimer zijn dan gebruikelijk. Twee andere neuropsychologen rekenen volgens haar doorgaans tussen de € 5.000,- en € 6.500,-. De griffier heeft de bezwaren voorgelegd aan dr. Bruins. Die heeft daarop laten weten dat zij voor het onderzoek, het scoren en interpreteren van de resultaten en het beantwoorden van de vraagstelling een uurtarief van € 252,86 hanteert en uitgaat van 15 uur. Dat komt neer op € 3.792,90. Voor het schrijven van het rapport, het bestuderen van het dossier en het beantwoorden van aanvullende vragen en mails hanteert zij een tarief van € 175,- en gaat zij uit van 20 uur. Dat komt neer op € 3.500,-. Dit leidt in totaal tot ongeveer € 7.300,-. Dat ligt relatief dicht bij de bedragen die KPN zelf heeft genoemd. Daarom stelt de kantonrechter het voorschot vast op dat bedrag.

De stukken die moeten worden voorgelegd aan de deskundigen

2.24.

De partijen zijn het erover eens dat aan de deskundigen in ieder geval het volgende stukken moeten worden voorgelegd:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen;

  • -

    deze beschikking;

  • -

    het volledige huisartsenjournaal van [verzoekster] van 2014-2018;

  • -

    de medische informatie over de ziekenhuisbehandelingen van [verzoekster] van 2014-2018.

2.25.

KPN wil dat de kantonrechter [verzoekster] de opdracht geeft om nog meer informatie aan de deskundigen te geven. Het gaat onder andere om een oordeel van de bedrijfsarts en de psycholoog naar aanleiding van een hockey-ongeval uit 2014. De kantonrechter ziet hiervoor geen aanleiding. Uit het huidige dossier blijkt voldoende duidelijk dat deze informatie wellicht van belang kan zijn. Als de deskundigen het nodig vinden om te beschikken over die informatie, dan kunnen zij die zelf opvragen. Uiteraard moeten de partijen daar dan aan meewerken.

3De beslissing

De kantonrechter:

neurologisch onderzoek

3.1.

beveelt een neurologisch deskundigenonderzoek om de volgende vragen te beantwoorden:

ALGEMENE TOELICHTING

Deze vraagstelling is bedoeld om niet-medici die zich bezighouden met de afwikkeling van letselschade inzicht te geven in de medische uitgangspunten die van belang zijn bij het bepalen van de omvang van de schade die de onderzochte heeft geleden (en in de toekomst mogelijk zal lijden) als gevolg van een ongeval. Deze schade wordt in het civiele aansprakelijkheidsrecht vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gezondheidstoestand van de onderzochte zoals die na het ongeval is ontstaan en zich waarschijnlijk in de toekomst zal voortzetten (de situatie met ongeval) en de hypothetische situatie waarin de onderzochte zich zou hebben bevonden als het ongeval nooit had plaatsgevonden (de situatie zonder ongeval).

Deze systematiek vormt de grondslag van deze vraagstelling. Onderdeel 1 heeft betrekking op de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de situatie met ongeval. In onderdeel 2 wordt aan de deskundige gevraagd zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven hoe de gezondheidstoestand en het functioneren van de onderzochte in de hypothetische situatie zonder ongeval zouden zijn geweest. De gezondheidssituatie van de onderzochte voorafgaand aan het ongeval is relevant voor de beoordeling van beide situaties.

Bij het opstellen van deze vraagstelling is aansluiting gezocht bij de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage (RMSR. Deze richtlijn is digitaal te raadplegen via www.nvmsr.nl, > publicaties). In deze richtlijn is geformuleerd aan welke eisen een deskundige en diens rapportage moeten voldoen. De richtlijn is bedoeld als hulpmiddel voor deskundigen bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. De deskundige wordt verzocht de aanbevelingen en bepalingen in de richtlijn – zo veel als mogelijk – in acht te nemen.

1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese

a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?

Aanbeveling 2.2.4. RMSR:

De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.

Medische gegevens

b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: - de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied;

- de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.

Aanbeveling 2.2.6 RMSR:

Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.

Medisch onderzoek

c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?

Aanbeveling 2.2.5 RMSR:

Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.

Aanbeveling 2.2.7 RMSR:

Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?

Aanbeveling 2.2.8 RMSR:

Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal-diagnostische overweging geven?

Aanbeveling 2.2.15 RMSR:

Waar nodig wordt een differentiaal-diagnostische overweging gegeven.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?

i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

l. Welke huidige mate van functieverlies (impairment) kunt u vaststellen op uw vakgebied? Wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de American Medical Association (AMA-guides, 6e druk) aangevuld met de meest recente richtlijnen/ leidraad van uw eigen beroepsvereniging?

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.

Aanbeveling 2.2.14 RMSR:

Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.

Aanbeveling 2.2.16 RMSR:

Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen en welk percentage functionele invaliditeit voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval

c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen?

d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?

e. Kunt u aangeven welke beperkingen en welk percentage functionele invaliditeit uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet-ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?

g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?

h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?

i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

Aanbeveling 2.2.17 RMSR :

Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.

Aanbeveling 2.2.18 RMSR:

De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).

3. OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Aanbeveling 2.2.11 RMSR:

Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij ter zake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.

3.2.

benoemt tot deskundige:

drs. J. van Hoey Smith

[gsm-nummer]

info@neurologischeexpertises.nl

3.3.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 6.750,-;

neuropsychologisch onderzoek

3.4.

beveelt een neuropsychologisch deskundigenonderzoek om de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentaal functioneren, het taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag?

  2. Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het ongeval?

  3. Zijn er wellicht andere factoren dan die van het ongeval (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?

  4. Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een ten gevolge van het ongeval ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?

3.5.

benoemt tot deskundige:

dr. J. Bruins,

Praktijk Neuropsychologie Bruins

[telefoonnummer] ,


 

3.6.

stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.300,-;

betaling van het voorschot

3.7.

bepaalt dat KPN de voorschotten moet betalen binnen twee weken na ontvangst van een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR);

3.8.

bepaalt dat als KPN de voorschotten niet of niet op tijd betaalt de kantonrechter beslist wat er verder met de zaak gebeurt;

3.9.

draagt de griffier op aan de deskundigen te melden dat het voorschot is gestort en bepaalt dat de deskundigen daarna pas met het onderzoek mogen beginnen;

het dossier

3.10.

bepaalt dat [verzoekster] een kopie van de processtukken, het volledige huisartsenjournaal van [verzoekster] van 2014-2018 en de medische informatie over de ziekenhuisbehandelingen van [verzoekster] van 2014-2018 aan de deskundigen stuurt;

instructies voor beide deskundigen

3.11.

bepaalt dat elke deskundige zich houdt aan de Leidraad deskundigen in civiele zaken (hierna: ‘leidraad’) en de gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken (zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) en wijst in het bijzonder op de informatie over het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van het communiceren met en door de partijen;

3.12.

bepaalt dat de partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld om op- en aanmerkingen op het concept-rapport te maken en dat elke deskundige deze op- en of aanmerkingen met haar reactie daarop in het definitieve rapport zal opnemen;

3.13.

bepaalt dat elke deskundige het definitieve rapport uiterlijk zes maanden na de start van het onderzoek inlevert en dat als deze termijn niet haalbaar blijkt de deskundige de kantonrechter en de partijen dat zo spoedig mogelijk laat weten en ook welke termijn wel haalbaar is;

3.14.

bepaalt dat elke deskundige bij de inlevering van het rapport een eindnota voegt die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in de leidraad;

3.15.

bepaalt dat elke deskundige het onderzoek onderbreekt als dreigt dat het voorschot wordt overschreden en in dat geval een schriftelijk verzoek aan de kantonrechter doet om een aanvullend voorschot. Rechtbank Rotterdam 10 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4483