RBLIM 250625 benoeming rekenkundige en vaststelling rekenrente; aanbevelingen rekenrente (LOVCK) gevolgd; bezwaren daartegen onvoldoende onderbouwd
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 250625 benoeming rekenkundige en vaststelling rekenrente; aanbevelingen rekenrente (LOVCK) gevolgd; bezwaren daartegen onvoldoende onderbouwd
in vervolg op onder meer:
RBLIM 120423 25 jarige man met dwarslaesie vanaf tepellijn, rolstoelafhankelijk, hulp- en zorgbehoevend na verkeersongeval; smartengeld € 150.000,00, duur van het lijden nvb
- tzv behoefte aan verpleging/verzorging, begeleiding en hh wordt gezamenlijk deskundige (18,5 uur) gevolgd en niet partijdeskundige (25 uur)
- tzv VAV wordt partijdeskundigenrapporte terzijde gesteld; partijen mogen zich uitlaten over vraagstelling en persoon ad-er
- meerkosten autogebruik tov fiets en motor, kilometerkosten adhv ANWB- tabellen; met aftrek van kosten uit jaar voor ongeval
- kosten tzv belangenbehartiging en administratie door familielid en kosten tzv belasting en bezwaar UWV grotendeels afgewezen
- Indien [eiser] een goede belangenbehartiger/advocaat heeft, is het niet nodig dat hij daarnaast advies inwint bij zijn tante en zijn vriend
- onvoldoende onderbouwd dat eiser voorafgaand aan ongeluk € 1.000,- netto per jaar verdiende met kluswerkzaamheden
- BGK advocaat; niet gebleken van verrichtingen anders dan schikkingsvoorstel, inwinnen van eenvoudige inlichtingen en samenstellen dossier
- verzekeraar is gehouden om jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voorschot van € 50.000,00 aan [eiser] te betalen
2De inleiding
2.1.
In het tussenvonnis van 26 maart 2025 heeft de rechtbank beslist dat een rekenkundige moet worden ingeschakeld om de schade als gevolg van het verlies van verdienvermogen uit te rekenen, waarbij de uitgangspunten zoals geformuleerd door arbeidsdeskundige De Haan in zijn rapport van 15 juli 2024 moeten worden gevolgd. Ook heeft de rechtbank een voorstel gedaan voor wat betreft de aan de rekenkundige te stellen vragen en aangegeven dat zij voornemens is om de rekenkundige te vragen om inzake de rekenrente aan te sluiten bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van 1 augustus 2024 (hierna de Aanbevelingen rekenrente) die vanuit de rechtspraak zijn gedaan. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
2.2.
KBC heeft tegen dit voornemen en tegen de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling aan de deskundige geen bezwaren geuit. Tevens heeft KBC conform het verzoek van de rechtbank drie rekenkundigen van haar voorkeur genoemd en drie rekenkundigen genoemd die zij liever niet benoemd wil zien.
2.3.
[eiser] heeft diverse bezwaren tegen hantering van de Aanbevelingen rekenrente aangedragen. Hij heeft geen bezwaar tegen de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling aan de rekenkundige naar voren gebracht. Voor wat betreft de persoon van de te benoemen deskundige heeft [eiser] de rechtbank verzocht een rekenkundige te benoemen van de lijst van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen.
2.4.
In dit vonnis zal de rechtbank de kritiek van [eiser] op de door de rechtbank voorgestelde rekenrente bespreken en de heer Hans Tiemersma, (werkzaam bij Sedgwick Nederland te Rotterdam, hierna Tiemersma) benoemen tot deskundige en het deskundigenvoorschot bepalen.
3De verdere beoordeling
De persoon van de te benoemen rekenkundige
3.1. De door KBC genoemde en op de lijst van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen voorkomende rekenkundige Tiemersma voldoet aan de door partijen opgegeven wensen, zodat de griffier deze deskundige heeft benaderd om te worden benoemd.
3.2.
De deskundige heeft aangegeven onpartijdig en onafhankelijk ten opzichte van partijen een berekening te kunnen maken van het verlies van verdienvermogen en het voorschot voor zijn werkzaamheden begroot op een bedrag van € 6.474,00 (exclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot.
3.3.
De rechtbank zal daarom Tiemersma als deskundige benoemen en het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.835,00 (inclusief btw). KBC dient als verzekeraar het voorschot op de kosten van de deskundige te betalen.
De door de deskundige te hanteren uitgangspunten
3.4.
Zoals is gemotiveerd in het tussenvonnis van 26 maart 2025 dient de deskundige zijn berekeningen te baseren op de door arbeidsdeskundige De Haan in zijn rapport van 15 juli 2024 genoemde uitgangspunten. Daarbij heeft de rechtbank expliciet gewezen op de conclusies dat [eiser] met ongeval nog zou kunnen werken op basis van een 10-urige werkweek met een startsalaris van € 15,03 exclusief 8% vakantiegeld en zonder ongeval per januari 2016 promotie zou hebben gemaakt naar Manager Food-non food/houdbaar of manager Vers, begin 2018 zou zijn doorgestroomd naar assistent supermarktmanager en per januari 2020 naar supermarktmanager.
3.5.
[eiser] wijst in zijn akte van 23 april 2025 op de overweging van arbeidsdeskundige De Haan, dat het voorstelbaar is dat in de hoogst haalbare functie van supermarktmanager in de loop der tijd ook een verdere groei optreedt van kleiner naar groter filiaal en dus ook indeling in een hogere functieschaal. Daarbij is aangegeven dat een cyclus van vijf jaren een redelijk uitgangspunt zou kunnen zijn. Verwijzend naar deze conclusie van arbeidsdeskundige De Haan geeft [eiser] aan dat de rechtbank ten onrechte dit uitgangspunt niet expliciet heeft benoemd.
3.6.
De rechtbank gaat aan deze opmerking van [eiser] voorbij, aangezien in het tussenvonnis van 26 maart 2025 al expliciet is aangegeven dat de deskundige zijn berekeningen dient te baseren op alle door arbeidsdeskundige De Haan in zijn rapport van 15 juli 2024 genoemde uitgangspunten. De arbeidsdeskundige heeft de verwachting uitgeschreven dat [eiser] zonder ongeval uiteindelijk supermarktmanager zou zijn geworden. Daarbij heeft hij opgemerkt dat er in salarisontwikkeling bij een supermarktmanager veel variatie zit. Hij licht toe: “Er zijn diverse functieschaalindelingen, van G tot en met I. Dit is mede afhankelijk van de grootte van winkel/omzetcategorie. Het is voorstelbaar dat in de loop der tijd ook daar een verdere groei optreedt van kleiner naar groter filiaal en dus ook indeling in een hogere functieschaal. Daarbij zou een cyclus van 5 jaren een redelijk uitgangspunt kunnen zijn”. Uiteindelijk houdt de arbeidsdeskundige het echter bij CAO-functieschaal G als hoogst haalbare schaal zoals blijkt uit de tabel op pagina 21 van het rapport. De rekenkundige dient hier dan ook van uit te gaan.
De tot uitgangspunt te nemen rekenrente
3.7.
Tegen het aansluiten bij de Aanbevelingen (van 1 augustus 2024) voor wat betreft de te hanteren rekenrente heeft KBC geen bezwaar gemaakt.
3.8.
[eiser] maakt daartegen wel bezwaar. De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van [eiser] , maar is van oordeel dat de Aanbevelingen rekenrente dienen te worden gevolgd, omdat geen van de stellingen voldoende zwaarwegend zijn om daarvan af te wijken. In dat kader acht de rechtbank relevant op te merken dat de opstellers van de Aanbevelingen rekenrente weloverwogen keuzes hebben gemaakt waarbij steeds uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente is, dat wordt gewaarborgd dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 26 maart 2025 overwogen dat het bij het vaststellen van de toekomstige rente- en inflatieontwikkeling aankomt op de redelijke verwachting van de rechtbank op dit moment. Weliswaar is sinds 1 augustus 2024 enige tijd verstreken, maar niet gesteld of gebleken is dat in de periode 1 augustus 2024 tot nu zodanig sprake is van andere percentages dat in redelijkheid moet worden geconcludeerd dat de in de Aanbevelingen renterente opgenomen verwachtingen voor de drie gehanteerde periodes niet meer kunnen worden gevolgd. Individuele omstandigheden van de benadeelde spelen in dit geval geen doorslaggevende rol bij het vaststellen van toekomstige rente- en inflatieontwikkeling. Indachtig de rechtseenheid en rechtszekerheid ziet de rechtbank dan ook geen enkele aanleiding om af te wijken van de Aanbevelingen rekenrente per 1 augustus 2024. De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van [eiser] en motiveren waarom die niet tot een ander oordeel leiden.
3.8.1.
[eiser] stelt dat het realiseren van een spaarrente van 1,5% in de eerste vijf jaar niet haalbaar is, omdat de rente in de afgelopen jaren gemiddeld onder de 1,5% ligt. [eiser] verwijst naar een overzicht van de Nederlandse Bank, waarin over de periode 2002 tot en met 2025 de gemiddelde rente op deposito’s met opzegtermijn (vrij opneembare spaarrekening) is opgenomen. De rechtbank ziet dat de rente over 2024 gemiddeld 1,47% bedroeg en over januari 2025 1,45%. Dat is inderdaad lager dan 1,5% voor vrij opneembare spaarrekeningen (waarvan ook de Aanbeveling uitgaat omdat niet van een slachtoffer mag verwachten dat die de schadeuitkering risicovol en voor langere periode belegd), maar het verlies aan verdienvermogen wordt pas gekapitaliseerd vanaf het moment van het becijferen daarvan. Het gaat dus niet om de rente in het verleden. Het gaat om de verwachte ontwikkeling van de rente in de toekomst. [eiser] heeft niet onderbouwd dat de gemiddelde spaarrente over een periode van vijf jaar te rekenen vanaf het moment van becijferen niet in redelijkheid op 1,5 % kan worden vastgesteld.
3.8.2.
Verder voert [eiser] aan dat hij de komende vijf jaar zijn woonlastenrisico wil beperken en een levensbestendige woning wil kopen en verbouwen, en daarom het verlies aan verdienvermogen in een keer wil afrekenen (in tegenstelling tot zijn zorgkosten). Wat [eiser] met deze stelling beoogt is onduidelijk, aangezien het verlies aan verdienvermogen wordt gekapitaliseerd c.q. in een keer wordt afgerekend (en dus niet periodiek). Dat vast staat dat [eiser] de toekomstschade al op korte termijn zal verbruiken volgt in ieder geval niet uit deze stelling.
3.8.3.
Over de rente en inflatie voor de jaren 6-30 en de rente en inflatie van de periode daarna, die volgens de Aanbevelingen rekenrente steeds op 2% zou moeten worden vastgesteld, geeft [eiser] aan dat het een gok is en niet acceptabel. Hij meent dat de rente moet worden vastgesteld op 0,5%. [eiser] onderbouwt dit rentepercentage op geen enkele manier. Daarentegen is in de (notitie bij de) Aanbevelingen rekenrente1 goed onderbouwd waarom verwacht wordt dat de rente en inflatie voor de periode na vijf jaar 2% is. Immers, aangeven is dat voor de periode 6-30 jaar de rente op de lange termijn onder normale omstandigheden hoger is dan de rente op korte termijn. Echter, aangezien de ECB in de jaren tot en met 2023 meerdere malen was verhoogd, was er eind 2024 sprake van een ‘omgekeerde rentecurve’. Economen verwachten dat de rente weer zal dalen om de economie te stimuleren. De rente werd in juni 2024 inderdaad verlaagd. De rente op de lange termijn zal naar verwachting laag blijven. Er is dan ook geen sprake van een gok maar van op feiten gebaseerde verwachtingen, zodat dit bezwaar als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd.
3.8.4.
[eiser] stelt dat de inflatie van 2% voor de eerste 5 jaar te laag is gezien de CAO-ontwikkeling voor supermarktmedewerkers die is gebaseerd op de inflatie. In de CAO is afgesproken dat de lonen per 1 januari 2025 zullen stijgen met 3,5%, per 1 juli 2025 met 1,5% en per 1 januari 2026 met 1%, bij elkaar dus 6%. Uit een artikel in het Financieel Dagblad blijkt dat de salarissen sinds 2018 met ruim 33% zijn gestegen. Ook is de inflatie volgens het CBS de afgelopen 10 jaar gemiddeld 3,15% geweest, stelt [eiser] . [eiser] wil het geld gebruiken om een aangepast huis te bouwen en de bouwkosten zijn de afgelopen 10 jaar enorm gestegen (ter onderbouwing van gestegen bouwkosten verwijst hij naar productie 10).
De rechtbank overweegt opnieuw dat het niet gaat om de inflatie in het verleden, maar om de inflatie die verwacht wordt in de toekomst. Bovendien nemen de Aanbevelingen rekenrente de prijsinflatie (CPI) tot uitgangspunt, niet de (hogere) looninflatie, omdat met de looninflatie al rekening wordt gehouden in de begroting van de jaarschade. Bij de berekening van het inkomen in de fictieve situatie wordt al uitgegaan van een stijging van het loon. Indien uitgegaan zou worden van looninflatie (zoals [eiser] lijkt te betogen) dan zou dat dubbelop zijn. De rechtbank verwijst verder naar de (notitie bij de) Aanbevelingen rekenrente (zie noot) waarin is gemotiveerd dat voor de inflatie is uitgegaan van voorspellingen van het CPB, DNB en het ECB voor de periode 2025 t/m 2029 en dat die uitkomen op 2%. Voor de tweede periode wordt uitgegaan van het percentage waar de ECB naar streeft, namelijk 2%, en wat ook ongeveer overeenkomt met het langjarig gemiddeld inflatiepercentage. Het percentage is ook in lijn met de middellange termijnverkenningen van het CPB. De Ultimate Forward Rate (UFR) gaat ook uit van een inflatie van 2%. Voor de derde periode wordt ook van 2% uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd waarom deze voorspellingen niet zouden kunnen worden gevolgd. Ook in de literatuur is toegelicht dat een basisinflatie van 2% een goed uitgangspunt is2. De rechtbank ziet in het door [eiser] gestelde geen aanleiding om daarvan af te wijken.
3.9.
Voor zover [eiser] in zijn akte van 23 april 2025 kritiek uit op de schadeafwikkeling, op KBC dat de jaarlijkse voorschotten van € 50.000,00 te laat betaalt, aanvoert dat hij de jubelton zou zijn misgelopen en dat hij geen aanspraak meer kan maken op personeelskortingen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dat onderhavige schadeafwikkeling frustraties bij [eiser] veroorzaakt maar stelt vast dat voornoemde stellingen en verwijten niet relevant zijn voor het begroten van het verlies aan verdienvermogen, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
3.10.
In het tussenvonnis van 12 april 2023 heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.93 en 4.94 beslist dat KBC gehouden is om jaarlijks, uiterlijk op 1 februari, een voorschot van € 50.000,00 aan [eiser] te betalen. Indien en voorzover KBC zich daar niet aan houdt ( [eiser] stelt dit, maar KBC heeft zich hier nog niet over kunnen uitlaten) levert dat strijd op met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis en levert dat nog meer ontevredenheid over de schadeafwikkeling op, hetgeen onnodig is. De rechtbank gaat er vanuit dat KBC hier in de toekomst zorgvuldiger mee omgaat.
3.11.
Het voorgaande betekent dat de rekenkundige voor wat betreft de rekenrentes dient uit te gaan van percentages zoals opgenomen in de (meeste recente) Aanbevelingen rekenrente3.
3.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Kunt u, rekening houdend met de door arbeidsdeskundige De Haan in het arbeidsdeskundig rapport van 15 juli 2024 en in het verlengde daarvan de door de rechtbank in de vonnissen van 26 maart 2025 en dit vonnis (vonnis van 25 juni 2025) vastgestelde uitgangspunten, een rekenkundige opstelling van het verlies van verdienvermogen van [eiser] vaststellen?
2. Zo ja, wat is het verlies verdienvermogen van [eiser] ?
3. Heeft u opmerkingen die u van belang acht voor een goede beoordeling van deze zaak?
4.2.
benoemt tot deskundige:
Hans Tiemersma QC BC LRGD
senior rekenkundig expert / gerechtelijk deskundige werkzaam bij Sedgwick,
(etc. red. LSA LM)
1https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/aanbevelingen-rekenrente.pdf
2AP 2023, nr. 2, pag. 22-27: “Rekenrente” door E. Bakker en M. Neeser: “dat er een onderscheid is tussen de inflatiecorrectie die wordt gebruikt voor kapitalisatie (op de lange termijn) en de huidige inflatie van lonen en uitkeringen die de netto jaarschade beïnvloed. (..) Het afgelopen jaar hebben we duidelijk gezien hoe de hoge inflatie de ontwikkeling van lonen en uitkeringen heeft beïnvloed. De inflatiecorrectie die voor de kapitalisatie wordt gebruikt, heeft echter pas effect op de schadeberekeningen vanaf 2024 (…)Het gegeven dat in 2022 en 2023 sprake is van een historisch hoge en uitzonderlijke inflatie, die inmiddels al aanzienlijk is verminderd, geeft echter geen directe aanleiding om de inflatie in de rekenrente hierop aan te passen (…) Prijsinflatie is echter niet hetzelfde als looninflatie, zoals hiervoor al is uiteengezet. Bij het berekenen van de schade gaat het om inkomensschade, niet om verlies van koopkracht. (..) Historische data uit de periode 2001 tot 2023 tonen aan dat de cao-lonen en sociale uitkeringen gemiddeld met 2,1% per jaar zijn verhoogd. Dit bevestigt dat een basisinflatie van 2% een solide en betrouwbaar uitgangspunt is.”
3Zie ook rechtsoverweging 3.25 van het tussenvonnis van 26 maart 2025, waarin de meest recente percentages zijn opgenomen.
4type: SS coll: