RBAMS 210526 wanneer nader bewijs nodig is, is dat reden om verzoek af te wijzen, geen reden om zaak niet geschikt te achten voor deelgeschil
- Meer over dit onderwerp:
RBAMS 210526 kop-staart botsing auto op snorscooter; rb beoordeelt getuigenverklaringen en acht auto aansprakelijk
- wanneer nader bewijs nodig is, is dat reden om verzoek af te wijzen, geen reden om zaak niet geschikt te achten voor deelgeschil
- verzocht, begroot en toegewezen, 5 uur × € 255 + 2 uur reistijd tegen half tarief +21 % = € 1.851,30
2De feiten
2.1.
Op 18 juni 2023 heeft op de Haarlemmerweg in Amsterdam voorbij de eerste ingang van de Westergasfabriek een aanrijding plaatsgevonden tussen [verzoeker] als bestuurder van een snorscooter en [verweerder] als bestuurder van een auto. [verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.
Luchtfoto ongevalslocatie voorbij de eerste ingang van het Westergasterrein vanaf Centraal Station (rechts van de ingang) bezien, is [verzoeker] ten val gekomen
2.2.
[verweerder] is ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM ) verzekerd bij Achmea.
2.3.
Partijen hebben geen gezamenlijk schadeformulier ingevuld en ondertekend. Op het door [verweerder] ingevulde schadeformulier staat onder opmerkingen vermeld: “bromscooter reed paralel op de fietspad wat verboden is. Draaide zonder te kijken de autoweg op en botste tegen mijn rechter kant van mijn auto en belande op de grond.”
2.4.
Per e-mailbericht van 17 juli 2023 heeft de advocaat van [verzoeker] aan Achmea het volgende geschreven:
“Cliënt werd, toen hij op zijn snorscooter reed met een snelheid van ongeveer 25 km per uur, van achteren aangereden door uw verzekerde die niet op tijd remde c.q. langs mijn cliënt voorbij reed.
(…)
Gegeven de toedracht van het ongeval dient uw verzekerde in deze aansprakelijkheid te worden gehouden. (…)”
2.5.
[persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) heeft op 22 juli 2023 een schriftelijke verklaring over de toedracht van het ongeval afgelegd.
2.6.
Bij brief van 4 augustus 2023 heeft Achmea aan de advocaat van [verzoeker] medegedeeld geen aansprakelijkheid te erkennen.
2.7.
[verzoeker] heeft een voorlopig getuigenverhoor aanhangig gemaakt. Op 12 en 17 december 2024 en 2 juni 2025 zijn [verzoeker] , [persoon 1] , [verweerder] , [persoon 2] (een zwager van [verzoeker] ), [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) en [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ) in het kader van het door [verzoeker] verzochte voorlopig getuigenverhoor gehoord voor deze rechtbank.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Het verzoek strekt ertoe – samengevat – dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. voor recht verklaart dat Achmea c.s. volledig en hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden;
subsidiair
II. voor recht verklaart dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] dan wel dat er in mindere mate sprake is van eigen schuld dan volgens Achmea c.s. het geval is, en dat de rechtbank in dat geval de eigen mate van schuld vaststelt met toepassing van de billijkheidscorrectie;
primair en subsidiair
III. Achmea c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het deelgeschil, begroot op € 617,10, vermeerderd met kosten in verband met de (voorbereiding van de) zitting en het griffierecht;
IV. bepaalt dat de kosten binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking moeten zijn voldaan en dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd is als de kosten niet binnen de hiervoor genoemde termijn zijn voldaan;
V. een datum bepaalt waarop het verzoekschrift wordt behandeld en de daarop te geven beslissing aan Achmea c.s. dient te worden toegezonden.
3.2.
Achmea c.s. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
4De beoordeling
deelgeschil
4.1.
Achmea c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de zaak niet geschikt is voor voor beoordeling in een deelgeschil omdat in haar optiek nadere bewijslevering nodig is voor het vaststellen van de toedracht.
4.2.
De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase stuiten op geschilpunten die de voortgang van dat onderhandelingstraject belemmeren. Partijen kunnen de rechter vragen om een beslissing op die geschilpunten, zodat zij vervolgens verder kunnen met de onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). De aansprakelijkheidsvraag kan in een deelgeschil aan de orde komen. Een oordeel hierover kan de weg vrij maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Als voor de beoordeling daarvan nadere bewijslevering nodig zou zijn, betekent dat niet dat de zaak niet geschikt is om als deelgeschil te worden behandeld, maar is dat een reden om het verzoek af te wijzen.
4.3.
Volgens [verzoeker] kan de aansprakelijkheidsvraag worden beantwoord aan de hand van de verklaringen van partijen en getuigen van het ongeval, zoals is opgetekend in de processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor. Achmea c.s. betwist dit en stelt dat nader onderzoek naar (onder meer) het schadebeeld mogelijk meer duidelijkheid kan geven over de toedracht van het ongeval. Ook brengt Achmea c.s. naar voren dat onduidelijkheid bestaat over hoe de situatie ter plaatse was (geen of wel een verhoogd fietspad) en de locatie van het ongeval.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen erover eens zijn dat het ongeval na de eerste ingang bij het Westerpark heeft plaatsgevonden, gezien vanuit de richting van het Centraal Station. Of er al dan niet sprake was van een verhoogd fietspad acht de rechtbank voor de beoordeling niet van doorslaggevend belang.
4.5.
Zoals uit het onderstaande zal blijken, is nadere bewijslevering in deze zaak echter niet nodig en behoeft ook naar het oordeel van de rechtbank geen opinie van een deskundige te worden ingewonnen. Op basis van de bij het getuigenverhoor afgelegde verklaringen komt de rechtbank namelijk tot een vaststelling van de toedracht van de aanrijding. Daar komt nog bij dat Achmea c.s. ook niet heeft gesteld dat andere bewijsmiddelen uitsluitsel dan wel meer duidelijkheid kan verschaffen over de toedracht dan de al bij het verzoekschrift in het geding gebrachte stukken, waaronder de getuigenverklaringen. Dit klemt nog eens te meer, omdat de auto van [verweerder] niet meer kan worden (en overigens ook niet eerder is) onderzocht. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de auto niet meer in zijn bezit is. Een oordeel van de rechtbank vraagt dan ook een beperkte investering in tijd, geld en moeite, terwijl de op de aansprakelijkheidsvraag vastgelopen buitengerechtelijke onderhandelingen door dat oordeel weer vlot getrokken kunnen worden.
aansprakelijkheid [verweerder]
4.6.
Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest. [verzoeker] heeft over de toedracht – kort samengevat – naar voren gebracht dat hij nadat hij op de rijbaan optrok na te zijn gestopt voor een stoplicht van achteren werd aangereden door de auto van [verweerder] en daardoor op de grond is beland. [verweerder] betwist deze toedracht en voert aan dat de aanrijding plaatsvond doordat [verzoeker] vanaf het fietspad plotseling de rijbaan opreed en tegen de zijkant van de auto van [verweerder] aanreed.
4.7.
De stelplicht en bewijslast van de toedracht rust op [verzoeker] . Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij op de rijbaan van achteren is aangereden, heeft [verzoeker] gewezen op de processen-verbaal van getuigen die tijdens het voorlopig getuigenverhoor over de toedracht van het ongeval hebben verklaard.
4.8.
Bij de vaststelling van gestelde en voldoende betwiste feiten komt het erop aan of de rechter de overtuiging krijgt dat een feit met een redelijke mate van zekerheid waar is. Feiten behoeven om basis te zijn voor een rechterlijke beslissing niet onomstotelijk vast te komen staan. Met andere woorden: het feit moet voor de rechtbank voldoende aannemelijk zijn. De waardering van het getuigenbewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 152 lid 2 Rv). Dat betekent dat aan een getuigenverklaring in beginsel vrije bewijskracht toekomt.
4.9.
[verzoeker] is een partijgetuige. Met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht per 1 januari 2025 is de beperkte bewijskracht van een partijgetuigenverklaring afgeschaft. Aan de partijgetuigenverklaring van [verzoeker] komt daarom vrije bewijskracht toe net als aan de verklaring van [verweerder] , die als gewone getuige wordt gezien.
4.10.
De getuigen hebben voor zover relevant het volgende over de toedracht verklaard.
4.11.
[verzoeker] :
“De aanrijding heeft plaatsgevonden op 18 juni 2023. Het gebeurde om 16:33. Ik reed op een snorfiets en had een helm op. Ik reed vanaf het centrum richting mijn huis, over de Haarlemmerweg richting West. Ik reed op de rijbaan en niet op het fietspad. Ik stond als eerste midden op de rechter rijbaan stil voor een rood stoplicht. Deze sprong op groen, ik reed toen verder. Mijn snorfiets rijdt 25 km/h. Er reed een auto achter mij. Deze kwam aanrijden toen het stoplicht op groen stond. Dit was een grijze Volkswagen polo. Ik zag in mijn spiegel dat de auto steeds dichterbij kwam en ik vermoedde dat hij mij ging raken. Ik ben toen een beetje uit gaan wijken naar rechts, zodat hij mij kon inhalen. Vervolgens vloog ik de lucht in en lag ik op de grond. Ik had schaafwonden op mijn armen en mijn linker bil.
Ik had veel nekpijn en schouderpijn. Ik lag op de grond. De automobilist is gestopt en de auto erachter ook. De auto erachter was een taxi. Er reed ook iemand in tegenovergestelde richting, die is gestopt en heeft mij een flesje water aangeboden. Ik stond op en heb de ambulance gebeld. Deze gaf aan dat ik goed aanspreekbaar was en geen ambulance nodig had. Ik heb mijn zwager gebeld, een verpleegkundige, en deze is toen naar mij gekomen. Mijn zwager heeft met dc dader gesproken en de persoon die achter de dader reed.
(…)
Ik heb het nummer van de getuigen gekregen. De eerste is [persoon 4] , de taxichauffeur die achter de Volkswagen reed. Dat is inderdaad de getuige [persoon 4] [rb: [persoon 4] ]. De tweede is [persoon 3] , de automobilist die mij een flesje water gaf. Dit is getuige [persoon 3] . Ze hebben beiden een briefje met daarop hun nummer aan mij gegeven. [persoon 4] gaf aan dat hij het had zien gebeuren. Ik kende deze beide personen niet.
(…)
De schade op mijn scooter zat linksachter en midden achter. Ik ben linksachter geraakt. De polo had rechtsvoor schade.
(…)”
4.12.
[verweerder] :
“(…) Ik kwam aan op het Haarlemmerplein . Ik stond achter een scooter voor het rode stoplicht. De scooter wachtte niet op groen en is het fietspad op gereden. Ik ging toen het stoplicht op groen sprong weer verder rijden, het duurde niet lang voordat het groen werd. De scooter reed nog steeds op het fietspad. Ik ben de Willemsbrug over gegaan en kwam toen bij een stoplicht verderop, ter hoogte van de ingang van het Westergasterrein. Ik stond als eerste bij het stoplicht en toen het groen is ben ik weer gaan rijden en trok ik op. Vervolgens draaide de scooter plotseling de rijbaan op vanaf het fietspad. Hij verloor toen volgens mij de controle over het stuur. Hij heeft toen de rechtervoorkant van mijn auto geraakt. Hij heeft vervolgens een val gemaakt en gleed voor mijn auto langs de tegenoverliggende rijbaan op. Daar kwam hij tot stilstand. De aanrijding gebeurde vlak na het kruispunt. (…)”
4.13.
[persoon 4] :
“(…) Ik reed achter de automobilist die het ongeluk had. (…)
Ik reed al achter de automobilist en de brommer aan vanaf Centraal Station. Er was toen nog
niets aan de hand.
De scooter reed eerst op het fietspad. Bij het Centraal Station moet je met een scooter op het fietspad. Vanaf het Haarlemmerplein mag je de autoweg op, omdat daar geen fietspad is. Daar ging hij dus de autoweg op. Het stuk vanaf de Haarlemmerweg richting de ingang van het park reed de scooter ook al voor de auto.
We kwamen tot stilstand bij het stoplicht. De brommer stond vooraan opgelijnd op de rijweg. Daarachter stond de auto en daarachter stond ik. Er stonden ook nog auto’s achter mij. Het stoplicht werd op een gegeven moment groen en toen mochten we doorrijden. Toen knalde de auto tegen de scooter aan.
Ik weet niet meer precies of de scooter op het midden van de weg of meer aan de zijkant reed. Als taxichauffeur zie je wel meer ongelukken, maar het blijft toch altijd bij je.
Toen het stoplicht groen werd begon iedereen langzaam te rijden. De scooter reed ook al, die stond niet meer stil. De automobilist reed toen tegen de scooter aan. Ik weet niet of de automobilist misschien iets anders aan het doen was. De auto reed harder dan de scooter.
Ik zag het gebeuren van achter en ik vond het raar dat het zo ging. Ik weet niet wat er precies gebeurd is. Ik heb niet naar binnen gekeken, in de auto wat de automobilist op dat moment aan het doen was. Je bent natuurlijk continu op het verkeer aan het letten.
U vertelt mij dat volgens de automobilist de bromfietser plotseling vanaf het fietspad de rijbaan opreed. Dat is niet hoe ik het heb zien gebeuren. Als ik het mij goed kan herinneren waren er ook geen fietsers. Scooters mogen daar sowieso niet op het fietspad. Er waren niet zoveel fietsers dat je er via de autoweg omheen zou moeten gaan. Bij Haarlemmerweg kan dat ook niet goed. Het fietspad is iets verhoogd ten opzichte van de autoweg. De bromfiets reed op de Haarlemmerweg al op de autoweg, niet op het fietspad. (…)
De scooter werd van achter geschept. (…)
Ik zag wel dat de automobilist harder reed dan de scooter. Anders had hij hem natuurlijk nooit kunnen scheppen. (…)”
4.14.
[persoon 3] :
“Ik weet dat het vandaag gaat over een ongeluk tussen een scooter en een autobestuurder. Het is inmiddels al lang geleden. Ik heb het soort van zien gebeuren. Er reden twee of drie auto’s voor mij op dezelfde rijbaan. Ik teken op een papier hoe de situatie er op de twee rijbanen uitzag (dit papier wordt aan het proces-verbaal gehecht).
Ik was op het moment van het ongeval in een privévoertuig onderweg naar huis. Ik reed op de Haarlemmerweg richting het centrum. Ik reed rechtdoor, de linkerweghelft en rechterweghelft zijn alleen door een witte streep van elkaar gescheiden. Ik zag een auto die een scooter denk ik wilde inhalen, de auto had daarvoor ook al iemand ingehaald. De scooter reed een klein beetje aan de rechterkant van de rijbaan. Ik denk dat hij dit deed zodat de auto erlangs kon gaan. Het volgende moment zag ik de scooter op de grond liggen. Ik heb het moment van de aanrijding niet gezien. Ik heb wel de klap gehoord.
Ik ben gestopt, naar mijn idee was het ongeluk net gebeurd. Ik heb flesjes water uit mijn auto gepakt en deze aan twee jongens gegeven. Ik zag de scooter op de grond liggen. (…)”
4.15.
[persoon 1] :
“(…) Ik heb dat ongeluk zien gebeuren. Ik was op de Haarlemmermeerweg aan het lopen richting het centrum. Ik liep op de stoep ongeveer halverwege de twee ingangen van de Westergastfabriek . Iets meer ter hoogte van de ingang aan de centrumkant. Ik liep richting het stoplicht, maar was daar nog niet helemaal.
Ik zag een scooter, die reed op het fietspad en draaide plotseling de weg op. Het fietspad is daar niet verhoogd. (…) Het was druk op het fietspad. Door de plotselinge draai kon de automobilist daarachter niet goed remmen. De scooter raakte op de een of andere manier de automobilist. Hij gleed toen over de weg. Ik weet het niet meer zo goed, het gebeurde binnen een fractie van een seconde. (…)
De scooter reed snel en de auto reed langzaam. Ik heb de snelheden in het formulier geschat.
In ieder geval reed de scooter sneller dan de auto. (…)
De bromfiets draaide de weg op ter hoogte van de witte vierkanten op de weg. Nog voor het 30 km/h bord. Direct nadat de bromfiets instuurde vond het ongeval plaats.
De scooter is door de auto geraakt doordat de auto niet meer kon uitwijken. Het gebeurde aan de rechterkant van de weg, dus dan zou de schade bij de scooter aan de linkerkant moeten zitten. Ik heb niet gekeken naar wat schade van de scooter was. Ik heb de scooter alleen zien glijden over de weg. (…)”
4.16.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de door [verzoeker] gestelde toedracht steun in de afgelegde verklaringen. De onafhankelijke verklaringen van [persoon 4] en [persoon 3] onderschrijven de door [verzoeker] gestelde toedracht. De verklaringen van [verzoeker] , [persoon 4] en [persoon 3] zijn ten aanzien van de positie op de weg ( [verzoeker] reed – voor [verweerder] – op de rijbaan en niet op het fietspad) eensluidend (zie 4.11, 4.13 en 4.14). Ook verklaren [verzoeker] en [persoon 4] expliciet dat [verweerder] de aanrijding heeft veroorzaakt (zie 4.11 en 4.13). [persoon 4] heeft verklaard dat: “De brommer stond vooraan opgelijnd op de rijweg. Daarachter stond de auto en daarachter stond ik” en “Toen het stoplicht groen werd begon iedereen langzaam te rijden. De scooter reed ook al, die stond niet meer stil. De automobilist reed toen tegen de scooter aan. (…) De auto reed harder dan de scooter. Ik zag het gebeuren van achter en ik vond het raar dat het zo ging.”
4.17.
De rechtbank acht van belang dat [persoon 4] in zijn auto al geruime tijd voor de aanrijding achter de auto van [verweerder] reed en dat [persoon 3] in zijn auto op dezelfde weg in de tegenovergestelde richting reed. Beiden namen als bestuurder van een auto deel aan het verkeer, waarbij [persoon 4] bovendien doorlopend zicht had op de auto van [verweerder] en de snorscooter van [verzoeker] . Hoewel [persoon 3] de daadwerkelijke aanrijding niet heeft zien gebeuren, doet dat – anders dan Achmea c.s. naar voren brengt – geen afbreuk aan de steun die de verklaring biedt. Zo verklaart [persoon 3] dat: “De scooter reed een klein beetje aan de rechterkant van de rijbaan. Ik denk dat hij dit deed zodat de auto erlangs kon gaan. Het volgende moment zag ik de scooter op de grond liggen.” Dit stemt overeen met de verklaring van [verzoeker] , hij heeft verklaard dat: “Ik zag in mijn spiegel dat de auto steeds dichterbij kwam en ik vermoedde dat hij mij ging raken. Ik ben toen een beetje uit gaan wijken naar rechts, zodat hij mij kon inhalen. Vervolgens vloog ik de lucht in en lag ik op de grond.” Voor de rechtbank is er geen reden om aan de juistheid van de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 3] , destijds taxichauffeur respectievelijk beroepschauffeur van beroep, te twijfelen dan wel om aan hun verklaringen minder waarde te hechten.
4.18.
[persoon 1] en [verweerder] hebben een afwijkende lezing gegeven. De rechtbank hecht minder waarde aan de verklaringen van [persoon 1] en [verweerder] en licht dit als volgt toe.
4.19.
[persoon 1] had als voetganger aan de andere kant van de weg een beperkter en korter zicht op de situatie ter plaatste dan de getuige [persoon 4] . Daarnaast heeft [persoon 1] een andere herinnering aan de feitelijke situatie (locatie aanrijding) en heeft zij ook verklaard “Ik weet het niet meer zo goed, het gebeurde binnen een fractie van een seconde.” hetgeen haar verklaring minder overtuigend maakt. [persoon 1] heeft een andere locatie aangewezen als waar de aanrijding volgens [verzoeker] en [verweerder] heeft plaatsgevonden, namelijk ter hoogte van de witte vierkanten op de weg en dus (vlak) voor de ingang van het Westergasterrein (zie afbeelding onder 2.1). [verzoeker] en [verweerder] hebben daarentegen tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de aanrijding voorbij de eerste ingang van het Westergasterrein en dus verder (naar schatting (meer dan) 100 meter) plaatsvond. De rechtbank acht om die redenen de verklaring van [persoon 1] niet overtuigend. Aan de verklaring van [verweerder] hecht de rechtbank, gelet op zijn hoedanigheid als betrokken partij bij de aanrijding en zijn eventuele belang bij de uitkomst van deze procedure, minder gewicht toe.
4.20.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de foto’s die na de aanrijding zijn gemaakt van de auto van [verweerder] en de snorscooter van [verzoeker] aan de orde gesteld. [verzoeker] stelt dat op de door hem overgelegde foto’s die zijn gemaakt direct na de aanrijding is te zien dat de spiegel van de auto van [verweerder] intact is en geen krassen heeft (onder 4.21, foto [verzoeker] 1). [verweerder] heeft een foto in het geding gebracht waarop is te zien dat de rechterzijspiegel van zijn auto is beschadigd (onder 4.21, foto [verweerder] 1). [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [verzoeker] met zijn snorscooter eerst de rechterspiegel en de voorzijkant van zijn auto raakte. Desgevraagd heeft [verweerder] niet kunnen bevestigen dat de foto van de auto (onder 4.21, foto [verweerder] 1) op de dag van de aanrijding is gemaakt. [verweerder] geeft als verklaring voor de discrepantie tussen de foto’s van de spiegels zoals door hem en [verzoeker] zijn gemaakt dat hij de rechterspiegel direct na de aanrijding weer in de juiste vorm heeft teruggeduwd. Verder heeft [verweerder] (als enige) verklaard dat de snorscooter van [verzoeker] alleen schade had aan de linkerzijkant. [verzoeker] heeft dit betwist en hij heeft gewezen op een door hem overgelegde foto van de snorscooter (onder 4.21, foto [verzoeker] 2).
4.21.
De rechtbank is van oordeel dat de foto’s de door [verzoeker] gestelde toedracht niet weerleggen. Voor zover het gaat om de schade aan de auto van [verweerder] wijst de rechtbank daarbij ook op de schriftelijke verklaring van [persoon 1] , waarin zij naar voren heeft gebracht dat: “De auto is aan de rechterkant aan de voorzijde geraakt.” en de daarbij gemaakte tekening met een pijl naar de rechtervoorzijde van de auto (zie hieronder tekening [persoon 1] ). [verweerder] heeft daarmee als enige verklaard dat hij aan de rechterspiegel schade heeft als gevolg van de aanrijding, terwijl dit met de foto’s onvoldoende wordt onderbouwd.
Foto [verweerder] 1 Foto [verweerder] 2 Foto [verzoeker] 1 Tekening [persoon 1] Foto [verzoeker] 2
4.22. Uit het vorenstaande volgt dat de door [verzoeker] bij het verzoekschrift overgelegde producties voldoende bewijs bieden voor de door hem gestelde toedracht van het ongeval. Uit de door [verzoeker] bewezen toedracht van het ongeval volgt dat [verweerder] tegen [verzoeker] is aangereden. [verweerder] heeft daarmee onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld. Omdat de auto van [verweerder] ten tijde van het ongeval voor het risico van wettelijke aansprakelijkheid bij Achmea was verzekerd, is hiermee het recht op schadevergoeding van [verweerder] jegens Achmea als gevolg van het ongeval gegeven. De rechtbank zal beslissen dat [verweerder] en Achmea, als de betrokken WAM verzekeraar van de auto van [verweerder] , aansprakelijk zijn voor de schade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval.
geen eigen schuld
4.23.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het door Achmea c.s. gevoerde eigen schuld verweer. Op grond van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de schadevergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het eigen schuld verweer van Achmea c.s. is gebaseerd op een andere lezing van de toedracht, namelijk dat [verzoeker] voorafgaande aan de aanrijding aan het slingeren was tussen het fietspad en de rijbaan. Uit het vorenstaande blijkt dat daarvan niet is gebleken, zodat het eigen schuld verweer niet slaagt.
kosten deelgeschil
4.24.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij deze begroting moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.25.
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om de kosten van het deelgeschil voor het opstellen van het verzoekschrift te begroten op € 617,50 inclusief btw (2 uur × € 255,00 + 21 % btw). Wat betreft de verdere behandeling van het verzoek houdt de rechtbank conform de toelichting van (de advocaat van) [verzoeker] rekening met een tijdsbesteding 2 uur aan reistijd (× € 127,50 = € 255,00) en 1 uur (× € 255,00 = € 255,00) voor het opstellen van spreekaantekeningen en correspondentie/telefonisch contact. Voor de mondelinge behandeling gaat de rechtbank uit van de bestede tijd van 2 uur (× € 255,00 = € 510). Achmea c.s. heeft geen bezwaar gemaakt tegen de door [verzoeker] begrote kosten voor het deelgeschil.
4.26.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van (€ 617,50 + (€ 510,00 + € 510,00 = € 1.020,00 + 21% btw=) € 1.234,50 =) € 1.851,70. Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00, zodat het totaal uitkomt op een bedrag van € 1.941,70. Achmea c.s. zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.
4.27.
De verzochte wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.28.
Hierna in ‘de beslissing’ staat welk bedrag Achmea c.s. moet betalen aan nakosten. Dit is een standaardbedrag dat altijd wordt toegewezen aan de in het gelijk gestelde partij (in dit geval [verzoeker] ) als vergoeding voor advocaatkosten en eventuele betekeningskosten die hij nog maakt na het wijzen van deze beschikking.
hoofdelijke veroordeling
4.29.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
niet uitvoerbaar bij voorraad
4.30.
De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [verzoeker] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [verweerder] en Achmea, als de betrokken WAM verzekeraar van de auto van [verweerder] , ieder volledig en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval;
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 1.941,70 en veroordeelt Achmea c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoeker] , te voldoen op rekeningnummer
[iban] ten name van Boschrecht Advocatenkantoor B.V. onder vermelding van “vergoeding buitengerechtelijke kosten [verzoeker] ” binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Achmea c.s. hoofdelijk in de na deze beschikking ontstane kosten, vastgesteld op € 189,00 aan salaris advocaat. Als Achmea c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet Achmea c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van de betekening,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af. Rechtbank Amsterdam 21 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5562