RBLIM 140126 vordering t.z.v. afgenomen inkomsten uit gedwongen prostitutie niet geschikt voor deelgeschil; geen schade a.g.v. letsel
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 140126 vordering t.z.v. afgenomen inkomsten uit gedwongen prostitutie niet geschikt voor deelgeschil; geen schade a.g.v. letsel
in relatie tot Rechtbank Limburg 27 november 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10210
2De feiten
2.1.
Bij vonnis van de meervoudige (straf)kamer van deze rechtbank van 27 november 2024 is [verweerder] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, voor onder meer het seksueel uitbuiten van [verzoekster] .
2.2.
[verzoekster] heeft zich in voornoemde strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en heeft een vordering ingesteld die opgebouwd is uit de volgende posten: (a) afgenomen inkomsten van € 24.910,-, (b) ontruiming van het gehuurde van € 17.178,02, (c) reiskosten van € 46,28, (d) eigen risico van € 378,95 en (e) immateriële schade van € 30.000,-. De rechtbank heeft de vordering deels toegewezen. De rechtbank heeft aan immateriële schade een bedrag van € 10.000,- toegewezen en heeft het toegewezen bedrag aan afgenomen inkomsten onder meer als volgt gemotiveerd: “Rekening houdend met bovenstaande feiten bedraagt een voorzichtige - in het voordeel van de verdachte - begroting van de afgenomen inkomsten 52 x 4 x 80 x 50% = 8.320 euro”. [verweerder] is uiteindelijk veroordeeld tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 18.708,60 met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 1 mei 2021 tot de dag van volledige voldoening, waarna door de rechtbank is bepaald dat [verzoekster] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
3Het verzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:
I. dat [verweerder] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor alle door [verzoekster] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de in deze procedure gestelde onrechtmatige gedragingen;
II. dat het verlies van verdienvermogen dat [verzoekster] heeft geleden en dat [verweerder] aan [verzoekster] dient te betalen, dient te worden begroot op € 24.910,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag en dat dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. dat [verweerder] wordt veroordeeld in de kosten van het deelgeschil op grond van artikel 1019aa Rv, zijnde het bedrag van € 1.197,90, vermeerderd met aanvullende kosten gemaakt in verband met de (voorbereiding van de) zitting alsmede het door [verzoekster] voldane griffierecht.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat zij de redenatie van de rechtbank (in de strafrechtelijke procedure) ten aanzien van het verlies van verdienvermogen niet kan volgen. [verzoekster] zal een hoger bedrag aan smartengeld vorderen, maar zij wil in dit deelgeschil met name de focus houden op het verlies van verdienvermogen, omdat nog niet alle gevolgen van het strafbaar feit in kaart zijn gebracht. Daarom wenst [verzoekster] in dit deelgeschil slechts een deel van de materiële schade ter beoordeling voor te leggen, namelijk enkel het verlies aan inkomsten. De schade die [verzoekster] heeft geleden, is al door de politie berekend op een bedrag van € 24.910,-. Tussen de onrechtmatige daad van [verweerder] (mensenhandel in dit geval) en de geleden schade (de inkomstenderving bij [verzoekster] van € 24.910,-) is een causaal verband aanwezig. [verweerder] is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade. Nu de vraag omtrent het verlies van verdienvermogen (de gederfde inkomsten) een onderdeel is waar partijen over verdeeld zijn, ligt het ook in de rede om aan te nemen dat de onderhandelingen tussen partijen vervolgens kunnen worden voortgezet als een uitspraak is gedaan over de vraag omtrent het verlies van verdienvermogen.
3.3.
[verweerder] heeft geen verweer gevoerd.
4De beoordeling
Het verzoek heeft geen betrekking op een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv
4.1.
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet in dit kader beoordelen of sprake is van schade die wordt geleden door, in dit geval, letsel.
4.2.
De door [verzoekster] geleden (materiële) schade die zij het onderwerp heeft gemaakt van deze procedure, is de schade die zij heeft geleden doordat de inkomsten die door haar zijn verworven niet aan haar zijn toegekomen, maar door [verweerder] zijn geïnd en behouden. Het betreft daarmee geen schade als gevolg van letsel.
De in het verzoekschrift gehanteerde term ‘verlies van verdienvermogen’, die ook wordt gehanteerd bij de berekening van letselschade, maakt dat niet anders. Met die term wordt in letselschadezaken gedoeld op het geheel of gedeeltelijk verlies van de capaciteit om inkomsten te verwerven als gevolg van het letsel toebrengend voorval. Een vergoeding ter zake ziet dan op het compenseren van inkomen dat niet meer verworven kan worden omdat er letsel is toegebracht. In die definitie is het verlies van verdienvermogen een schadepost die het gevolg is van het toegebrachte letsel. De in het verzoekschrift aan de orde gestelde schade, is de schade die is geleden als gevolg van het feit dat daadwerkelijk verworven inkomen niet aan [verzoekster] ten goede is gekomen. Dat is dus iets heel anders en geen verlies van verdienvermogen in de daaraan gebruikelijk toegekende betekenis en – zoals gezegd – geen schade als gevolg van het aan [verzoekster] toegebracht letsel.
4.3.
Omdat het verzoek niet ziet op schade als gevolg van letsel, kan het geschil daarover niet in een deelgeschilprocedure worden voorgelegd. Het onder II verzochte moet daarom worden afgewezen. Het onder I verzochte heeft ten opzichte van de kern van het verzoek, zijnde de onder II verzochte bepaling van de omvang van de schade, geen zelfstandige betekenis. Bovendien is in de vaststelling van het onrechtmatig handelen van [verweerder] al voorzien middels de uitspraak van de strafkamer. Ook dit verzoek moet dus worden afgewezen.
Geen begroting van de kosten
4.4.
De rechtbank moet in principe op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in een deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld en geen sprake is van schade als gevolg van dood of letsel, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval sprake, zodat de rechtbank niet zal overgaan tot een begroting van de kosten. Rechtbank Limburg 14 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:126