Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 251022 Proeftijdontslag vanwege agressieve vorm van longkanker discriminatoir en onrechtmatig

RBLIM 251022 Proeftijdontslag vanwege agressieve vorm van longkanker discriminatoir en onrechtmatig

4
De beoordeling

4.1.
In deze kwestie ligt ter beoordeling voor de vraag of decoZorg heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van de Wgbh/cz. Of met andere woorden, is er sprake van een discriminatoir ontslag. De kantonrechter overweegt op dit punt het volgende.

4.2.
Vast staat dat nadat [werkneemster] op 12 april 2022 te horen heeft gekregen dat zij een agressieve vorm van longkanker heeft er van de kant van [werkneemster] , in de persoon van haar echtgenoot, op of omstreeks 13 april 2022 telefonisch contact is opgenomen met decoZorg. In dat telefonisch contact is enkel de gezondheidssituatie van [werkneemster] aan de orde geweest. Ook in latere gesprekken is er volgens [werkneemster] alleen gesproken over de ziekte en wat dat zou betekenen voor de toekomstige arbeidsrelatie tussen partijen. DecoZorg heeft in die gesprekken – daarbij vertegenwoordigd door HR-manager [naam] - aan [werkneemster] duidelijk gemaakt dat gelet op haar medische situatie de arbeidsovereenkomst niet in stand kon blijven. [werkneemster] heeft nadrukkelijk betwist dat tijdens die telefonische contacten noch anderszins de bedrijfseconomische positie van decoZorg ter sprake is gekomen.

4.3.
In de opzeggingsbrief van 28 april 2022 geeft decoZorg aan dat de huidige situatie haar helaas niet toe staat een andere beslissing te nemen. DecoZorg benoemt die huidige situatie verder niet. Volgens [werkneemster] kan met de huidige situatie niet anders worden bedoeld dan haar medische situatie. Ter zitting is zijdens decoZorg, in de persoon van directeur [naam directeur] , verklaard dat aanvankelijk in de opzeggingsbrief een passage was opgenomen waarin werd ingegaan op de slechte financiële positie van decoZorg. Bij nader inzien heeft decoZorg er voor gekozen om deze passage te schrappen, om negatieve publiciteit en onrust in haar organisatie te voorkomen. De kantonrechter stelt vast dat dit standpunt van decoZorg elke feitelijke onderbouwing mist.

4.4.
Naar eigen zeggen heeft directeur [naam directeur] op 25 februari 2022 (carnavalsvrijdag 2022) al signalen ontvangen dat er zware financiële problemen dreigden. Desondanks is er op 30 maart 2022 met [werkneemster] een arbeidsovereenkomst gesloten. Het had op de weg van decoZorg gelegen om er voor te zorgen dat bij haar HR-afdeling bekend zou worden dat een personeelsstop noodzakelijk was en dat er geen nieuwe arbeidsovereenkomsten meer konden worden aangegaan.

4.5.
De kantonrechter stelt vast dat decoZorg haar stellingen met betrekking tot haar dramatisch slechte financiële positie en aan haar gelieerde bedrijfstakken op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd. In de processtukken noch ter zitting heeft decoZorg haar standpunt dienaangaande gedocumenteerd met bescheiden, zoals financiële verslagen of accountantsverklaringen, waaruit blijkt dat een personeelsstop dan wel proeftijdontslagen noodzakelijk waren. DecoZorg heeft de ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de liquiditeitsproblemen dramatisch zijn op geen enkele wijze voorzien van een deugdelijke onderbouwing.

4.6.
DecoZorg heeft in haar verweerschrift als ook ter zitting nadrukkelijk bewijs aangeboden van door haar ingenomen standpunten en met name ten aanzien van de bedrijfseconomische omstandigheden. De kantonrechter gaat voorbij aan dit bewijsaanbod nu decoZorg vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift – 24 juni 2022 – tot aan het tijdstip van de mondelinge behandeling – 27 september 2022 - ruimschoots de gelegenheid heeft gehad haar verweer op deugdelijke wijze te onderbouwen. Ter zitting stelt de kantonrechter vast dat decoZorg nog geen begin van bewijs van haar stellingen heeft bijgebracht. De kantonrechter legt het thans gedane bewijsaanbod dan ook naast zich neer.

4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat uit het voorgaande niet anders kan worden geconcludeerd dat het door decoZorg aan [werkneemster] gegeven ontslag onlosmakelijk verbonden is met de ziekte van [werkneemster] . DecoZorg heeft daarmee gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4 juncto artikel 1 Wgbh/cz. Dat betekent dat er sprake is van een onrechtmatige en discriminatoire opzegging.

4.8.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het opzeggen in strijd met de daarvoor geldende regels de werkgever ernstig valt aan te rekenen (Kamerstukken II 2013/14, 3318, 4 p.61), zodat in die zin sprake is van ernstige verwijtbaarheid. [werkneemster] kan dan ook op grond van het bepaalde in artikel artikel 9 Wgbh/cz juncto artikel 7:681 lid 1 sub c BW aanspraak maken op een billijke vergoeding.

4.9.
[werkneemster] heeft deze billijke vergoeding becijferd op een totaalbedrag van € 57.346,05, waarbij de transitievergoeding is inbegrepen. DecoZorg heeft deze berekening als zodanig niet weersproken. [werkneemster] heeft echter bij haar berekening als uitgangspunt genomen dat de aanstelling voor bepaalde tijd na ommekomst van 1 jaar zeker verlengd zou worden. De kantonrechter deelt die mening niet. Het had decoZorg immers geheel vrijgestaan om de arbeidsrelatie met [werkneemster] om haar moverende redenen na een jaar niet te continueren. Dat betekent dat aan [werkneemster] een billijke vergoeding zal worden toegekend waarbij wordt uitgegaan van continuering van het dienstverband gedurende 1 jaar. Dat brengt de kantonrechter op een afgerond bedrag van € 33.000,00 bruto. In dit bedrag is verdisconteerd het loon over de periode mei 2022 tot en met april 2023, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, 8,33 % eindejaarsuitkering en de transitievergoeding (€ 918,11)

4.10.
De door [werkneemster] gevorderde pensioenschade zal in voorgaande berekening buiten beschouwing worden gelaten nu deze enkel als PM-post is opgenomen en verder onvoldoende is geconcretiseerd.

4.11.
De kantonrechter acht geen redenen aanwezig voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding. De ziekte van [werkneemster] is immers op geen enkele wijze terug te voeren op het handelen of de houding van decoZorg. ECLI:NL:RBLIM:2022:8265