Overslaan en naar de inhoud gaan

GHDHA 220426 straf; aanspraken t.z.v. verblijfskosten en voorzieningen o.b.v. de WLZ worden niet in mindering gebracht op schade

GHDHA 220426 straf; aanspraken t.z.v. verblijfskosten en voorzieningen o.b.v. de WLZ worden niet in mindering gebracht op schade
- straf; € 350.000 smartengeld voor blijvend, ernstig hersenletsel na poging tot doodslag
 

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn vriendin en levensgezel in de periode van januari 2021 tot 3 juli 2021 meermalen mishandeld en voorts op 4 juli 2021 zoveel geweld tegen haar toegepast dat zij als gevolg daarvan de rest van haar leven de ernstige en ingrijpende gevolgen zal ondervinden.

De verdachte heeft zich daarbij op 4 juli 2021 in kwalificerende zin schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van zijn vriendin met wie hij al lange tijd samen was. Hij heeft zich daarbij extreem gewelddadig gedragen en het slachtoffer meerdere malen en met kracht geslagen, onder meer met een metalen pijp, en geschopt, onder meer op en tegen haar hoofd. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer ernstig hersenletsel opgelopen. Er was sprake van grote bloeduitstortingen over haar hele lichaam, onder meer aan de borstkas, beide benen aan boven- en onderzijde, alsmede aan de linkerarm en -schouder, de rechter arm en aan de rechterhand. Als gevolg van het uitgeoefende geweld op het hoofd bevonden zich meerdere letsels over het hele hoofd verspreid. Niet in de laatste plaats was sprake van inwendig hoofdletsel, zoals een bloeduitstorting in de hersenen, diffuus hersenletsel en kenmerken van zuurstofgebrek, waardoor het slachtoffer in kritieke en comateuze toestand in het ziekenhuis is opgenomen. De druk in de schedel was door de aanwezige bloedingen dermate hoog dat direct neurochirurgisch ingrijpen noodzakelijk was om haar leven te redden. Het slachtoffer heeft daarna nog een lange tijd in coma gelegen en het was onduidelijk of zij ooit nog zou ontwaken.

Na het ontwaken is het slachtoffer in september 2021 overgeplaatst naar een revalidatiecentrum voor jongeren met ernstig hersenletsel. Er was toen sprake van volledige afhankelijkheid van zorg en een wisselend gestoord bewustzijn. Door de revalidatiearts werd een beeld geschetst van een zeer ernstig neurologisch beschadigde patiënte zowel in somatisch als in neurocognitief opzicht. Ze kon bijvoorbeeld niet zelfstandig eten en drinken en vrijwel niet spreken. Dit beeld was op het moment van de terechtzitting in hoger beroep nauwelijks veranderd. Eerst leek het slachtoffer met kleine stappen vooruit te gaan in haar ontwikkeling, maar op dit moment is geen sprake meer van een revalidatietraject. Het slachtoffer beweegt uitsluitend onder begeleiding om te voorkomen dat een proces van afsterven van spieren zal intreden. Op een video opname die de raadsman van het slachtoffer voorafgaand aan de zitting aan het hof heeft gestuurd en die door alle procesdeelnemers is gezien, komt die toestand van het slachtoffer duidelijk naar voren.

Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer naar het zich laat aanzien dan ook geen enkel perspectief meer op een normaal leven.

Het handelen van de verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, nota bene op het moment van het incident zijn levensgezel. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting weliswaar heeft gezegd de gevolgen die het slachtoffer ondervindt niet te hebben gewild en dat hij haar dit nooit heeft willen aandoen, maar de verdachte heeft niet verklaard wat hem op 4 juli 2021 tot dit gedrag heeft gebracht, waar hij het slachtoffer in haar eigen huis waar zij zich bij uitstek veilig had behoren te voelen op zo een verschrikkelijke wijze heeft toegetakeld. Nog afgezien van de gevolgen voor het slachtoffer, heeft dit feit ook grote gevolgen voor haar familie. Ook zij moeten leven en omgaan met de ingrijpende veranderingen in het leven van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte voorts zwaar aan dat hij 24 uren heeft gewacht met het inschakelen van noodzakelijke medische hulp, terwijl het slachtoffer buiten bewustzijn was en overduidelijk dringend medische zorg nodig had. Ter terechtzitting heeft de verdachte ook daarvoor geen verklaring gegeven. Het hof rekent hem zijn gedrag in zeer ernstige mate aan.

(... red. LSA LM)

 

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en initieel een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.331.701,23.

In hoger beroep is deze vordering door een vermindering van eis d.d. 7 januari 2025 aan de orde tot een bedrag van € 1.237.875,56.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 563.907,23, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Meer specifiek gaat het om de volgende materiële schade:

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op basis van de imperatieve bepaling in artikel 10.2.1 van de Wet langdurige zorg: (hierna WLZ) aanspraken die de benadeelde partij heeft op basis van de WLZ in mindering moet worden gebracht op de geleden schade. De aanspraken bestaan onder andere uit verblijfskosten en voorzieningen zoals gas, water, licht en eten en drinken. Berekening van dergelijk voordeel maakt geen deel uit de bestaande berekeningen. Dit leidt ertoe dat de advocaat-generaal vordert dat ten aanzien van de post ‘verlies verdienvermogen’ uitsluitend schattenderwijs een bedrag van € 200.000,- wordt toegewezen.

Naar het oordeel van het hof betreft artikel 10.2.1 WLZ geen imperatieve bepaling, die dusdanig moet worden gelezen dat de rechter de verplichting heeft om bij de vaststelling van het verlies verdienvermogen de eventuele aanspraken die de benadeelde partij heeft krachtens de WLZ daarop in mindering te brengen. Het hof zal de gevorderde materiële schade dan ook volledig toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de hiervoor genoemde materiële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De ingangsdatum van de wettelijke rente houdt de datum in waarop het onderhavige arrest door het hof is gewezen, mede gelet op het feit dat een gedeelte van de geleden schade toekomstige schade betreft en in de berekening ook een rentedeel zit.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zoals reeds uitvoerig in de strafmotivering uiteen is gezet, heeft het slachtoffer ernstig (hersen)letsel opgelopen en zal zij gedurende de rest van haar leven volledig afhankelijk zijn van zorg. Naar het zich laat aanzien is er geen enkel perspectief meer op een normaal leven.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.237.875,56 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] . Gerechtshof Den Haag 22 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1616

↑