Overslaan en naar de inhoud gaan

GHSHE 091025 vdo psychiater en klinisch psycholoog t.z.v. toerekeningsvatbaarheid t.t.v. brandstichting eigen woning - belang medisch info uit voorgeschiedenis voldoende aannemelijk gemaakt

GHSHE 091025 geen letsel; hangende hoger beroep; vdo psychiater en klinisch psycholoog t.z.v. toerekeningsvatbaarheid t.t.v. brandstichting eigen woning
- belang medisch info uit voorgeschiedenis voldoende aannemelijk gemaakt
 

2De beoordeling

Wat vooraf ging

2.1.

Het gaat – kort weergegeven – om het volgende.

a. In de nacht van woensdag 31 mei op donderdag 1 juni 2023 heeft [verweerder] zijn woning en zijn bedrijfsgebouw in brand gestoken. Als gevolg hiervan is de woning grotendeels afgebrand en is het bedrijfsgebouw volledig afgebrand.

De woning is, inclusief de inboedel, verzekerd bij [verzoekster 2] . Het bedrijfsgebouw is, inclusief inventaris, elektronica en landbouwmaterieel, verzekerd bij [verzoekster 1] .

Zowel [verzoekster 1] als [verzoekster 2] heeft diverse bedingen in hun polissen opgenomen die er onder meer op neerkomen dat geen schade wordt vergoed als de verzekerde de schade met opzet of roekeloosheid heeft veroorzaakt.

[verweerder] heeft [verzoekster 1] en [verzoekster 2] in rechte betrokken en heeft (onder meer) gevorderd voor recht te verklaren dat [verzoekster 2] alsook [verzoekster 1] gehouden is dekking te verlenen ter zake de polissen zoals afgesloten met [verzoekster 2] en [verzoekster 1] ter zake de brand(en) op het perceel van [verweerder] , te [woonplaats] , op of omstreeks 1 juni 2023. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben hiertegen verweer gevoerd.

Bij vonnis van 12 februari 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg , de vordering van [verweerder] toegewezen. De rechtbank heeft daarbij, voor zover van belang, onder meer en kort gezegd geoordeeld dat [verweerder] niet opzettelijk heeft gehandeld en geen verwijt kan worden gemaakt van de brandstichting.

Op 23 en 24 april 2025 hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] appeldagvaardingen laten betekenen aan [verweerder] en hem opgeroepen om op 23 december 2025 te verschijnen bij het hof.

Toepasselijk recht

2.2.

Het hof zal eerst vaststellen welk recht van toepassing is op het onderhavige verzoek. Op 1 januari 2025 is de Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht) in werking getreden. Dit nieuwe bewijsrecht geldt voor verzoeken die vanaf 1 januari 2025 zijn ingediend. Het verzoekschrift is ingediend op 1 april 2025. Op dat moment waren de hoger beroepzaken nog niet aanhangig, zodat het na 1 januari 2025 geldende bewijsrecht hierop van toepassing is.

Voorlopig deskundigenonderzoek

2.3.

Aan hun verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek leggen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zijn van mening dat zij niet gehouden zijn de brandschade aan [verweerder] te vergoeden, omdat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Met een voorlopig deskundigenonderzoek willen [verzoekster 1] en [verzoekster 2] achterhalen of [verweerder] ten tijde van zijn handelen (het stichten van brand op 31 mei/1 juni 2023) ieder inzicht miste in het (on)geoorloofde en het gevolg van zijn handelen en door zijn geestesstoornis geheel buiten staat was om anders te handelen dan dat hij heeft gedaan. Zij dragen de forensisch psychiater [forensisch psychiater] , verbonden aan het [ziekenhuis] , en/of psychiater [psychiater 1] en neuropsycholoog [neuropsycholoog] , beiden verbonden aan [onderneming] ( [onderneming] ), als deskundigen aan en willen aan deze deskundigen de volgende vragen stellen:

  1. Kunt u aangeven wat de voorgeschiedenis van verzekerde op psychiatrisch vakgebied is? Kunt u daarbij een chronologisch overzicht geven van de behandelingen tot aan het moment van brandstichting d.d. 01-06-2023? Kunt u daarbij aangegeven hoe de anamnese van [verweerder] zich verhoudt tot het medisch dossier? Indien er discrepanties zijn, kunt u deze dan benoemen?

  2. Leed verzekerde ten tijde van de brandstichting aan een stoornis en zo ja, kunt u deze beschrijven volgens DSM classificatie?

  3. Kunt u aangegeven of het aannemelijk is dat verzekerde het gevolg van zijn handelen op het moment van de brandstichting kon overzien en begreep dat zijn handelen verkeerd was? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren (begreep in het geheel niet, begreep mogelijk niet volledig, begreep volledig ...etc.).

  4. Kunt u aangeven of verzekerde op 01-06-2023 controle over zijn handelen had of dat hij daar in het geheel geen controle over had? Kunt u uw antwoord motiveren en nuanceren (had geen enkele controle over zijn handelen, had gedeeltelijk controle over zijn handelen, had volledige controle over zijn handelen).

Onder meer uit het verslag van de arts [arts] van 1 juni 2023 blijkt dat verzekerde op eigen initiatief is gestaakt met medicatie. Na de brand gaf verzekerde aan psychiater [psychiater 2] te kennen dat hij bewust tegen FACT-medewerkers niets over 'sabotage en pesterijen' heeft verteld, omdat hij dan weer depotmedicatie zou krijgen.

5. Kunt u in dat verband aangeven of de verzekerde zich ervan bewust was:

  • -

    dat zijn gedachten over 'pesterijen en sabotage 'niet normaal' waren c.q. een uiting waren van zijn ziekte;

  • -

    waarom hij medicijnen (antipsychotica) diende in te nemen;

  • -

    dat hij bij melding aan het FACT-team van deze 'pesterijen en sabotage' zwaardere medicatie zou krijgen.

6. Kunt u aangeven of het niet innemen van de medicatie een gevolg is van een bewuste keuze van verzekerde. Wilt u daarbij ook aangeven of die keuze het gevolg is van zijn ziekte, dan wel dit niet het geval is.

7. Kunt u aangeven of het strikt opvolgen van de medicatie door verzekerde de kans op brandstichting zou hebben verkleind? Zo ja, kunt u aangeven in welke mate?

2.4.

[verweerder] voert hiertegen, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Op basis van het dossier is voldoende informatie voorhanden om de vorderingen van [verweerder] te beoordelen. [verweerder] is immers op 1 juni 2023 al door negen verschillende behandelaars onderzocht. Uit die stukken blijkt de diagnose van een paranoïde psychose met ernstig gevaarlijk impulsief gedrag. Deze diagnose is niet ter discussie gesteld. Hierdoor ontbreekt het belang bij het verzoek. [verweerder] maakt daarnaast bezwaar tegen de door [verzoekster 1] en [verzoekster 2] aangedragen deskundigen. De deskundigen lijken vooral ingezet te worden op het gebied van sociale zekerheidskwesties en arbeidsongeschiktheid. Geen van deze deskundigen heeft aantoonbaar ervaring met paranoïde waanstoornissen, andere gespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornissen. [verweerder] voert daarnaast uitdrukkelijk verweer tegen de eerste vraag uit het verzoekschrift, omdat de voorgeschiedenis van [verweerder] op psychiatrisch vakgebied niet van belang is voor de beoordeling van de vraag of [verweerder] van de brandstichting op 1 juni 2023 een verwijt kan worden gemaakt. [verweerder] voert ook uitdrukkelijk verweer tegen de laatste drie vragen uit het verzoekschrift omtrent het medicijngebruik van [verweerder] . Niet is gebleken dat [verweerder] wist of redelijkerwijs had moeten weten dat het niet innemen zou leiden tot het in brand steken van zijn woning of anderszins het veroorzaken van schade.

[verweerder] stelt zich ten slotte op het standpunt dat de volgende vraagstelling gehanteerd moet worden:

  1. Leed [verweerder] ten tijde van de brandstichting op 1 juni 2023 aan een stoornis?

  2. Zo ja, welke diagnose volgens de DSM stelt u? Wat is uw beschrijvende diagnose?

  3. Kunt u de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid aangeven?

  4. Indien sprake is van gedeeltelijke (on)toerekeningsvatbaarheid, kunt u deze vaststellen met een zo nauwkeurig mogelijk bepaald percentage?

  5. Kunt u aangeven of [verweerder] op 1 juni 2023 door die stoornis ieder inzicht miste in het geoorloofde of ongeoorloofde van zijn handelen? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  6. Kunt u aangeven of [verweerder] op 1 juni 2023 door die stoornis buiten staat was om anders te handelen dan hij heeft gedaan? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  7. Kunt u aangeven of [verweerder] op 1 juni 2023 zijn daden en de gevolgen daarvan kon overzien? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  8. Kunt u aangeven of [verweerder] op 1 juni 2023 bij machte was om alternatieven tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan keuzes te maken? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  9. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

2.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Ontvankelijkheid verzoek

2.5.1.

Op grond van artikel 196 Rv dient het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek te worden ingediend voordat een bodemzaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de bodemzaak op de rol is ingeschreven. In dit geval is het verzoek ingediend vóórdat hoger beroep is ingesteld van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg , van 12 februari 2025 in de bodemprocedure tussen partijen. Inmiddels is [verzoekster 2] bij het hof in hoger beroep gekomen van dit vonnis, maar de zaak is nog niet ingeschreven op de rol van het hof. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] kunnen dus worden ontvangen in hun verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

2.5.2.

Artikel 196 Rv bepaalt verder dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht door de rechter wordt toegewezen, tenzij hij van oordeel is dat:

- de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;

- onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;

- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;

- sprake is van misbruik van bevoegdheid; of

- andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.

2.5.3.

Met inachtneming van voornoemde maatstaf is het hof van oordeel dat het verzoek van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht moet worden toegewezen. Het hof licht dit als volgt toe.

2.5.4.

[verweerder] heeft aangevoerd dat [verzoekster 1] en [verzoekster 2] geen belang zouden hebben bij het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, omdat op basis van het dossier voldoende informatie voorhanden is om de vorderingen van [verweerder] te beoordelen. Volgens [verweerder] is hij op 1 juli 2023 al door in ieder geval negen verschillende behandelaars onderzocht. Het hof overweegt dat de voorhanden informatie echter hoofdzakelijk is gebaseerd op onderzoeken die hebben plaatsgevonden in het kader van crisishulpverlening. Het doel van crisishulpverlening is om directe hulp te bieden en de situatie te stabiliseren, waarbij zo nodig ook wordt doorverwezen naar verdere behandeling. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] willen juist onderzoeken laten uitvoeren om te kijken of zij op basis van de verzekeringsvoorwaarden de brandschade dienen te vergoeden, waarbij – anders dan bij onderzoeken in het kader van de crisishulpverlening – de vraag naar toerekenbaarheid volgens het civiele recht een belangrijke rol speelt. Omdat het doel van het in deze procedure verzochte onderzoek wezenlijk verschilt van het doel van de onderzoeken die al zijn uitgevoerd bij [verweerder] , hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] wel degelijk belang bij een voorlopig deskundigenbericht over de psychische gesteldheid van [verweerder] omstreeks 1 juni 2023 in het kader van verzekeringstechnische doeleinden.

2.5.5.

Omdat het verzoek ook verder aan alle formele vereisten voldoet (artikel 197 Rv) en van (andere) afwijzingsgronden niet is gebleken, zal het hof het verzoek toewijzen zoals nader in het dictum omschreven.

Persoon van de deskundige

2.5.6.

Partijen zijn het niet eens over de persoon van de te benoemen deskundige. Partijen hebben naar aanleiding hiervan het hof tijdens de mondelinge behandeling verzocht geen van de reeds voorgedragen deskundigen te benoemen, maar een andere deskundige.

2.5.7.

Het hof zal overgaan tot benoeming van onafhankelijke deskundigen die ingeschreven staan in het NRGD-register. Het hof heeft mevrouw drs. J.C. Laheij (psychiater) en mevrouw drs. M.C. Overduin (klinisch psycholoog), beiden werkzaam bij [organisatie] , bereid gevonden om de benoeming te aanvaarden. Laheij en Overduin hebben verklaard dat het onderwerp van het onderzoek binnen hun expertise valt en dat zij geen (aan benoeming tot deskundige in de weg staande) banden hebben met partijen. Het hof zal mevrouw drs. J.C. Laheij en mevrouw drs. M.C. Overduin dan ook benoemen tot deskundigen.

De door de deskundigen te beantwoorden vragen

2.5.8.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling gedebatteerd over de door de deskundigen te beantwoorden vragen. Partijen waren het niet eens over de toe te passen vraagstelling en het belang van sommige specifieke vragen.

2.5.9.

Het hof is van oordeel dat, behalve de door [verweerder] voorgestelde vragen, ook een deel van de vragen die door verzoekers zijn voorgesteld aan de deskundigen ter beantwoording moeten worden voorgelegd. Dat geldt met name voor de vragen die verband houden met de psychiatrische voorgeschiedenis van [verweerder] en het stoppen door [verweerder] met het innemen van de voorgeschreven medicatie in de periode voorafgaand aan de brandstichting. Het hof is van oordeel dat beide aspecten waarop deze vragen zien mogelijk van belang kunnen zijn voor het in het hoger beroep in de bodemzaak te geven oordeel. Gelet op het voorgaande zal het hof de volgende vragen aan de deskundigen voorleggen.

  1. Leed [verweerder] ten tijde van de brandstichting op 31 mei/1 juni 2023 aan een stoornis?

  2. Zo ja, welke diagnose volgens de DSM stelt u? Wat is uw beschrijvende diagnose?

  3. Kunt u ten aanzien van de door [verweerder] gepleegde brandstichting de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid van [verweerder] aangeven?

  4. Indien sprake is van gedeeltelijke (on)toerekeningsvatbaarheid, kunt u deze vaststellen met een zo nauwkeurig mogelijk bepaald percentage?

  5. Kunt u aangeven of [verweerder] op 31 mei/1 juni 2023 door die stoornis ieder inzicht miste in het geoorloofde of ongeoorloofde van zijn handelen? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  6. Kunt u aangeven of [verweerder] op 31 mei/1 juni 2023 door die stoornis buiten staat was om anders te handelen dan hij heeft gedaan? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  7. Kunt u aangeven of [verweerder] op 31 mei/1 juni 2023 zijn daden een de gevolgen daarvan kon overzien? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  8. Kunt u aangeven of [verweerder] op 31 mei/1 juni 2023 bij machte was om alternatieven tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan keuzes te maken? Kunt u uw antwoord motiveren en zo mogelijk ook nuanceren?

  9. Kunt u aangeven of en in hoeverre het niet innemen van de voorgeschreven medicatie door [verweerder] in de periode voorafgaand aan de brandstichting verband hield met enige psychiatrische stoornis bij [verweerder] ?

  10. Kunt u aangeven wat de voorgeschiedenis van verzekerde op psychiatrisch gebied is? Kunt u daarbij een chronologisch overzicht geven van de behandelingen tot aan het moment van brandstichting d.d. 1 juni 2023? Kunt u daarbij aangeven hoe de anamnese van [verweerder] zich verhoudt tot het medisch dossier? Indien er discrepanties zijn, kunt u deze dan benoemen?

  11. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?

Voorschot deskundigen

2.5.10.

Het hof zal het voorschot van de deskundigen bepalen op € 8.563,04 inclusief btw (€ 7.076,89 exclusief btw). Indien een aanvullend psychologisch onderzoek van [verweerder] niet nodig blijkt te zijn, is het mogelijk dat de totale kosten uiteindelijk lager zullen uitvallen. Desgevraagd hebben partijen aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de door de deskundigen begrote kostenopgave. Het voorschot op de kosten van de deskundigen zal ten laste van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] als verzoekende partij worden gebracht. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hiermee ook ingestemd.

Verstrekken medische stukken

2.6.

[verzoekster 1] en [verzoekster 2] verzoeken het hof eveneens te bevelen dat [verweerder] alle medische informatie over zijn psychiatrisch ziektebeeld dient te verstrekken aan de te benoemen deskundige(n), in afschrift aan de medisch adviseurs van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] , vanaf het moment dat hij zich bij zijn huisarts meldde met psychiatrische klachten c.q. vanaf het moment dat hij voor zijn psychiatrische klachten werd behandeld. Hiertoe voeren zij – kort samengevat – aan dat medische informatie over de voorgeschiedenis van [verweerder] van belang is voor de beantwoording van de vraag of [verweerder] inzicht had in (de gevolgen van) zijn handelwijze. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben daarom de advocaat van [verweerder] verzocht om de ontbrekende medische informatie alsnog aan te leveren. Aan dit verzoek is echter niet voldaan. Meer specifiek gaat het om de volgende informatie:

  • -

    het huisartsenjournaal vanaf het moment dat [verweerder] voor het eerst bij de huisarts kwam in verband met psychische problematiek tot aan de datum van de brandstichting (31 mei/1 juni 2023);

  • -

    medische informatie over de ondergane behandelingen tot aan het moment van de brandstichting, waaronder ook;

  • -

    medische informatie over de aanleiding van de zorgmachtiging die in maart 2023 expireerde, de duur en de reden van de beëindiging daarvan inclusief informatie over de beoordeling die ertoe heeft geleid dat de zorgmachtiging niet verlengd hoefde te worden.

2.7.

[verweerder] voert hiertegen als verweer dat niet van een rechtmatig belang is gebleken. Hij brengt in dat verband het volgende naar voren. Ten tijde van de bodemprocedure bij de rechtbank hebben [verzoekster 1] en [verzoekster 2] nooit om medische informatie verzocht. De stukken die werden opgevraagd bij brief van 13 maart 2025 zijn op 1 april 2025 ook opgestuurd. Er is voldoende medische informatie voorhanden om de gegrondheid van de vorderingen te beoordelen. De situatie van [verweerder] omstreeks de brand op 1 juni 2023 is van belang en die is in de voorhanden stukken uitgebreid inzichtelijk gemaakt. In zowel het advies van de medisch adviseur van [verzoekster 1] als van [verzoekster 2] wordt verder niet benoemd en onderbouwd dat nadere medische informatie noodzakelijk zou zijn. Het verzoek dat [verweerder] “alle medische informatie aangaande diens psychiatrisch ziektebeeld dient te verstrekken”, is daarnaast veel te breed en niet concreet.

2.7.1.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 194 Rv voor het bestaan van een recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.

Rechtsbetrekking

2.7.2.

Tussen [verzoekster 1] en [verweerder] en tussen [verzoekster 2] en [verweerder] bestaat een rechtsbetrekking in de vorm van een verzekeringsovereenkomst. Aan het eerste vereiste is daarmee voldaan.

Bepaalde gegevens

2.7.3.

De verlangde informatie moet vervolgens voldoende bepaald zijn. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] vragen in het verzoekschrift om de medische gegevens van [verweerder] vanaf het eerste moment dat hij zich bij de huisarts meldt met psychische klachten tot het moment van de brandstichting op 1 juni 2023. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is het verzoek om het huisartsenjournaal beperkt tot alle informatie over de psychische problematiek van [verweerder] vanaf begin 2019 (de eerste zorgmachtiging) tot aan de brandstichting. Omdat de informatie die aldus gevraagd wordt in tijd is beperkt en specifiek ziet op de psychische gesteldheid van [verweerder] , is de informatie waar het verzoek op ziet naar het oordeel van het hof voldoende bepaald.

Voldoende belang

2.7.4.

[verzoekster 1] en [verzoekster 2] hebben ook het belang van het verzoek voldoende aannemelijk gemaakt. De deskundigen zullen de informatie uit de medische voorgeschiedenis van [verweerder] nodig hebben om een compleet beeld te kunnen vormen van de psychische situatie van [verweerder] in aanloop naar de brandstichting. De voorgeschiedenis van [verweerder] kan immers een rol spelen bij het ontstaan van de gebeurtenissen op 1 juni 2023. Zo is in 2019 een zorgmachtiging gegeven, die in maart 2023, dus vlak voor de brandstichting, is geëxpireerd. De reden van het verlenen en beëindigen van deze machtiging kan van belang zijn bij het oordeel of [verweerder] inzicht had in zijn handelen. Op basis van de in deze procedure gevraagde informatie en hun eigen onderzoek zullen de deskundigen een concreet verslag uit kunnen brengen over de psychische situatie van [verweerder] ten tijde van de brandstichting en de vraag of [verweerder] inzicht had in (de gevolgen van) zijn handelwijze.

2.7.5.

Vast staat dat [verweerder] in elk geval beschikt over een deel van de gevraagde informatie. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is namens [verweerder] toegezegd dat [verweerder] in ieder geval de brief van [instantie] aan de huisarts over het beëindigen van de zorgmachtiging van eind december 2022 aan [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zal verstrekken. Het hof bepaalt daarom dat [verweerder] dit stuk moet overleggen voor zover dat na de zitting nog niet is verstrekt. Verder acht het hof het van belang dat [verweerder] alle medische bescheiden die nog niet zijn overgelegd met betrekking tot de psychische situatie van [verweerder] vanaf 2019 tot aan de brandstichting overlegt aan de deskundigen, in afschrift aan de medisch adviseurs van [verzoekster 1] en [verzoekster 2] . Het gaat dan onder andere om medische bescheiden van de huisarts, het FACT-team of andere behandelaren van [verweerder] naast de volgende specifieke stukken:

  • -

    het huisartsenjournaal over de psychische problematiek van [verweerder] vanaf begin 2019 tot aan de datum van de brandstichting (31 mei/1 juni 2023);

  • -

    medische informatie over de ondergane behandelingen tot aan het moment van de brandstichting, waaronder ook;

  • -

    medische informatie over de aanleiding van de zorgmachtiging die in maart 2023 expireerde, de duur en de reden van de beëindiging daarvan inclusief informatie over de beoordeling die ertoe heeft geleid dat de zorgmachtiging niet verlengd hoefde te worden.

Het hof merkt hierbij op dat de informatie die niet ziet op de psychische situatie van [verweerder] zwart mag worden gemaakt. Deze informatie hoeft niet te worden gedeeld, omdat die niet relevant is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen.

Blokkeringsrecht

2.7.6.

Het hof wijst ten slotte nog op het volgende. Gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, worden tegelijkertijd in afschrift of ter inzage verstrekt aan de wederpartij. Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW. Deze partij is, met het oog op de eventuele uitoefening van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Dit lijdt in een geval dat de wederpartij een verzekeraar is die beschikt over een medisch adviseur, zoals in deze zaak, in zoverre uitzondering dat tevens en tegelijkertijd aan de medisch adviseur van de verzekeraar alle aan de deskundige verschafte medische gegevens in afschrift of ter inzage dienen te worden verstrekt. Aangenomen moet immers worden dat de medisch adviseur, ook ten opzichte van de verzekeraar, de aldus verkregen medische informatie als hem onder zijn geheimhoudingsplicht toevertrouwd zal beschouwen en behandelen. Indien de partij die het genoemde blokkeringsrecht heeft, van dit recht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is eerstgenoemde partij, indien de wederpartij het verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert zij dit te doen, zonder dat zij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.

Proceskosten

2.8.

Het hof zal de proceskosten van dit verzoek compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 oktober 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2798