Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 080426 tussen SO en verzekeraar is geen geldige vso gesloten, aanvaarding week van aanbod af t.z.v. BGK

RBROT 080426 tussen SO en verzekeraar is geen geldige vso gesloten, aanvaarding week van aanbod af t.z.v. BGK 

3De feiten

3.1.

Op 27 januari 2024 overkwam [verzoeker] een verkeersongeval op de A16 te Dordrecht. Een bij Achmea verzekerd voertuig reed toen achterop de door [verzoeker] bestuurde auto, die stilstond in een file (verder: het ongeval). Sindsdien kampt hij met nek-, schouder- en rugklachten, hoofdpijn, duizeligheid, tintelingen in de rechterarm en stijfheid in het rechterbeen.

3.2.

Achmea heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend.

3.3.

[verzoeker] is zelfstandig ondernemer en werkzaam in de bouw. Hij heeft sinds het ongeval niet meer gewerkt.

3.4.

Partijen hebben onderhandeld over de afwikkeling van de letselschade die [verzoeker] door het ongeval heeft geleden/lijdt. Hierbij trad [naam] van [bedrijf] B.V. (verder: [bedrijf] ) op als belangenbehartiger van [verzoeker] .

3.5.

Op de website van [bedrijf] staat, voor zover hier van belang:

“ [bedrijf] verhaalt alle kosten van de dienstverlening op de voor het letsel aansprakelijke partij. Mocht er bij uitzondering toch kosten bij jou in rekening worden gebracht, zal dit altijd vooraf worden besproken. Geen verrassingen dus.”

3.6.

Op 22 april 2025 schreef [bedrijf] aan Achmea dat [verzoeker] en zijn gezin in een penibele situatie verkeerden en verzocht zij Achmea om een voorschot van € 10.000 beschikbaar te stellen.

3.7.

In een brief aan [bedrijf] van 29 april 2025 verwees Achmea naar een telefoongesprek waarin een medewerker van [bedrijf] en een medewerker van Achmea de mogelijkheden van een pragmatische afwikkeling hadden besproken. Bij deze brief voegde zij een vaststellingsovereenkomst, waarin een totale schadevergoeding van € 75.000 en een slotbetaling van € 43.300 tegen finale kwijtig staat.

3.8.

In reactie daarop schreef [bedrijf] op 1 mei 2025 aan Achmea dat [verzoeker] het op dat moment te risicovol vond om tot afwikkeling over te gaan en verzocht zij dringend om een voorschot van € 15.000 beschikbaar te stellen.

3.9.

Op 3 juni 2025 stuurde Achmea naar aanleiding van een telefoongesprek een toelichting op haar regelingsvoorstel en verzocht zij [bedrijf] haar voorstel van € 75.000 slotbetaling te onderbouwen.

3.10.

Op 10 juni 2025 schreef [bedrijf] aan Achmea, voor zover hier van belang:

“[…]

Namens cliënt richt ik mij tot u inzake de afwikkeling van de lopende schade. Cliënt bevindt zich momenteel in een zeer kwetsbare situatie […]. Cliënt neemt op dit moment een aanzienlijk risico door te overwegen de claim af te wikkelen […]

Daarnaast wenst mijn cliënt te benadrukken dat hij een bedrag van € 75.000,- (ex bgk) als eindregeling voorstaat en hier niet van wenst af te wijken. […]

Bij non-acceptatie komt het voorstel te vervallen. Dit betekent dat hieraan geen rechten meer kunnen worden ontleend. Ik verzoek u dan ook om zo spoedig mogelijk een voorschot van € 15.000,- betaalbaar te stellen. […]

Graag verneem ik voor 16 juni 2025 van u.”

3.11.

Op 24 juni 2025 schreef Achmea aan [bedrijf] , voor zover hier van belang:

“We hebben afspraken gemaakt over de slotuitkering voor het letsel en de schade van uw cliënt de heer [verzoeker] . U vindt de gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst.

Wilt u de vaststellingsovereenkomst […] door uw cliënt laten ondertekenen?”

3.12.

In de bij het bericht van 24 juni 2025 gevoegde vaststellingsovereenkomst (hierna ook aangeduid als de VSO) staat, voor zover hier van belang;

“[…]

Schadevergoeding

  • - Belanghebbende en verzekeraar komen overeen dat de door belanghebbende geleden en te lijden schade wordt vastgesteld op een bedrag van € 106.700,00. Met dit bedrag vergoedt verzekeraar alle materiële en immateriële schade, die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden.
  • - […]

slotuitkering € 75.000,00

 De betaling van deze slotuitkering zal plaats vinden binnen 14 dagen nadat verzekeraar de ondertekende overeenkomst heeft ontvangen. […]

Finale kwijting

  • - Tegenover de overeengekomen schadevergoeding en de hiervoor genoemde betaling(en), verleent belanghebbende aan verzekeraar en verzekerde finale kwijting. Door deze overeenkomst te ondertekenen verklaart belanghebbende geen enkele vordering meer te hebben op verzekeraar en diens verzekerde voor de schade, die is ontstaan door dit verkeersongeval en het letsel dat belanghebbende daarbij heeft opgelopen. Deze kwijting geldt voor alle materiële en immateriële schade die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst mogelijk nog zal lijden. Belanghebbende kan dus niet meer op de zaak terugkomen.
  • - Deze kwijting heeft geen betrekking op een eventueel eigen verhaalsrecht van een zorgverzekeraar, een werkgever, een uitkeringsinstantie, werknemersverzekering en/of de overheid.

[…]”

3.13.

Op 4 augustus 2025 stuurde [bedrijf] een overzicht van de openstaande buitengerechtelijke kosten in het dossier van [verzoeker] aan Achmea, met de mededeling dat [verzoeker] uitsluitend bereid is akkoord te gaan met een regeling indien de buitengerechtelijke kosten integraal worden vergoed. Het overzicht vermeldt als laatste verrichting “Afsluitwerkzaamheden 1 uur” op 22 juli 2025. Verder sluit het overzicht op het bedrag van € 8.505,00 exclusief medische verschotten en btw en € 10.906,34 inclusief medische verschotten en btw.

3.14.

Op 21 augustus 2025 schreef Achmea aan [bedrijf] , voor zover hier van belang:

“[…]

Graag zien wij de VSO ondertekend retour.

Al enige tijd hebben wij een overeenstemming bereikt over de persoonlijke schade van de heer [verzoeker] in bovengenoemd dossier.

Tot op heden mochten wij de VSO niet retour ontvangen, omdat er geen overeenstemming is bereikt over uw vergoeding buitengerechtelijke kosten. […]

De buitengerechtelijke kosten zijn niet benoemd in de vaststellingsovereenkomst en zouden dus geen complicerende factor moeten zijn.

Momenteel bevinden wij ons in een situatie die niet in het belang is van uw cliënt de heer [verzoeker] . Bij het overeenkomen van de regeling, is het niet gesproken over de BGK. De voorwaarde die er daarna gesteld wordt is niet redelijk. […]

Beoordeling van uw BGK.

[…]

Totale BGK exclusief BTW = € 2.860,00

[…]

BGK incl BTW en verschotten = €4.075,89

[…]”

3.15.

Op 30 augustus 2025 schreef [verzoeker] in een e-mail aan Achmea:

“Als het goed is hebben wij een deal gesloten (€ 75.000,--). Maar nu zegt meneer [naam] dat als ik de contract teken moet zelf € 7.445,74 betalen.” Ook schreef hij daarin: “alstublieft lossen jullie dat zo snel mogelijk op.”

3.16.

Op 11 september 2025 schreef mr. Tap aan Achmea, voor zover hier van belang:

“[…] de BGK vormen onderdeel van de totale schadevergoeding, net zoals het vav of het smartengeld. Indien er geen overeenstemming is over de BGK, is er dus geen sprake van overeenstemming over de schadevergoeding. Of de BGK nu wel of niet in een door u opgestelde VSO staan, is daarbij irrelevant. […]

Men kan uiteraard discussiëren over de vraag of het tarief iets lager of hoger zou moeten zijn, en daartoe is cliënt zeker bereid. Echter ligt uw standpunt zover af van wat redelijk is, dat een minnelijke oplossing niet in de lijn der verwachtingen ligt.

[…]”

3.17.

Op 28 oktober 2025 schreef Achmea aan mr. Tap, voor zover hier van belang:

“[…]

U merkt op dat de buitengerechtelijke kosten onderdeel uitmaken van de persoonlijke schade. Dat kan wellicht zo zijn, maar de praktijk wordt de declaratie echter doorgaans rechtstreeks aan de aansprakelijkheidsverzekeraar gestuurd en ook door deze rechtstreeks vergoed aan de belangenbehartiger. Voor dit onderdeel geldt, zoals u bekend, het regime van artikel 6:96 BW, waarbij de dubbele redelijkheidstoets van toepassing is.

[…]

Tot slot stel ik vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de persoonlijke schade die de heer [verzoeker] direct aangaat. Om te voorkomen dat hij de dupe wordt van deze discussie, heb ik de schadebehandelaar verzocht de slotbetaling van € 75.000,- aan hem over te maken. Daarmee kan hij deze kwestie afsluiten. Partijen hebben over en weer niets meer van elkaar te vorderen en de onderhandelingen zijn beëindigd.

[…]”

3.18.

Op 6 november 2025 schreef mr. Tap aan Achmea, voor zover hier van belang:

“[…]

Ten aanzien van uw betaling aan cliënt merk ik op dat dit geen slotbetaling is en cliënt dit ook niet beschouwt als een betaling tegen finale kwijting. Het voorstel is van vele maanden geleden en was reeds vervallen vanwege non-acceptatie […].

De betaling wordt derhalve beschouwd als een voorschot.

[…]”

4Het verzoek en het verweer

4.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

  1. te oordelen dat er tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat er door verzoeker geen finale kwijting is verleend;
  2. te oordelen dat voor de door [bedrijf] uitgevoerde werkzaamheden een uurtarief geldt van € 225,00 exclusief BTW, althans een door de rechter te bepalen tarief en dat dit tarief dient te worden gehanteerd bij de begroting van de buitengerechtelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 BW;
  3. Achmea te veroordelen tot betaling van voorschotten op de te vergoeden schade van minimaal € 3.017,00 per maand, vanaf 1 januari 2026 steeds voor de eerste van iedere kalendermaand, zolang het verlies aan verdienvermogen voortduurt;
  4. Achmea ex artikel 1019aa Rv te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2.

Achmea verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.

4.3.

Ter zitting hebben partijen een procesafspraak gemaakt. Overeenkomstig die afspraak hebben zij de rechtbank verzocht om eerst te beslissen op het onder 3.1 onder 1 vermelde verzoek (hierna: het eerste verzoek) en de beslissingen op de overige verzoeken aan te houden. Hierop heeft de rechtbank bepaalt dat heden een beschikking zal worden gewezen waarin uitsluitend wordt beslist op het eerste verzoek en de beslissing op de overige verzoeken wordt aangehouden.

5De beoordeling

Rechtsmacht

5.1.

Het onderhavig geschil heeft een internationaal karakter omdat [verzoeker] in België woont, het ongeval in Nederland plaatsvond en Achmea in Nederland is gevestigd. Daarom moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het eerste verzoek kennis te nemen.

5.2.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het eerste verzoek kennis te nemen. Die vraag moet namelijk worden beantwoord aan de hand van art. 4 Brussel Ibis Vo (Verordening (EG) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken). Hierin is bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor gerechten van die lidstaat. Aan dit vereiste wordt voldaan omdat Achmea in Nederland is gevestigd.

Het eerste verzoek kan in een deelgeschil worden behandeld

5.3.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing (i) een deegeschil betreft als bedoeld in artikel 1019w Rv, (ii) die kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit laatste onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

5.4.

Het eerste verzoek betreft het verschil van mening van partijen over de vraag of tussen hen een (geldige) vaststellingsovereenkomst bestaat waarin finale kwijting is verleend. Het gaat daarbij ten eerste over de vraag of partijen een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting hebben gesloten. Indien de rechtbank oordeelt dat dat het geval is, komt de vraag aan de orde of [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst heeft vernietigd/kan vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden. Achmea bestrijdt dat de laatste vraag in een deelgeschil kan worden behandeld omdat de beoogde vernietiging niet het bereiken van een vaststellingsovereenkomst faciliteert, maar het tegenovergestelde bewerkstelligt.

5.5.

De rechtbank oordeelt dat het eerste verzoek een deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv is. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken. Het kan ook voldoende de totstandkoming van een (geldige) vaststellingsovereenkomst bevorderen omdat de onderhandelingen in principe kunnen worden voortgezet als de rechtbank oordeelt dat er nog geen (geldige) vaststellingsovereenkomst is. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Het toepasselijk recht

5.6.

Omdat het onderhavig geschil een internationaal karakter heeft moet de rechtbank beoordelen naar welk recht de vraag of een (geldige) vaststellingsovereenkomst is gesloten, moet worden beantwoord. Partijen gaan kennelijk uit van toepasselijkheid van het Nederlands recht omdat zij zich in de discussie over het bestaan en geldigheid van de vaststellingsovereenkomst op bepalingen uit het Nederlands recht baseren. De rechtbank merkt dit aan als een rechtskeuze voor Nederlands recht. Ook als daarvan geen sprake is het resultaat gelijk. Het bestaan en de geldigheid van een overeenkomst wordt namelijk beheerst door het recht dat op die overeenkomst van toepassing is wanneer die geldig is (art. 10 lid 1 Rome I (Verordening (EG) Nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst )). Dat is het Nederlands recht, omdat partijen het erover eens zijn dat dan een overeenkomst in de zin van artikel 7:900 BW zou zijn.

Inhoudelijke beoordeling

5.7.

[verzoeker] stelt dat er geen (geldige) vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, omdat:

  1. [bedrijf] niet over een volmacht beschikte om namens [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst aan te gaan. [bedrijf] kan namens haar cliënt geen overeenkomst tot stand brengen, omdat haar positie vergelijkbaar is met die van een makelaar bij de verkoop van een woning;
  2. het bericht van 10 juni 2025 een voorstel met 3 cumulatieve voorwaarden bevatte:

a. een slotbetaling van € 75.000,00 exclusief buitengerechtelijke kosten,

b. directe betaling van een voorschot van € 15.000,00 en

c. aanvaarding vóór 16 juni 2025,

en aan de onder b. en c. vermelde voorwaarden niet is voldaan;

3. de reactie van Achmea op 24 juni 2025 geen aanvaarding van onderdeel a. van het voorstel inhield maar een afwijkend aanbod. Het betrof namelijk een slotbetaling van € 75.000,00 inclusief finale kwijting voor alle schadeposten en dus ook de buitengerechtelijke kosten. Dit afwijkend aanbod heeft [verzoeker] niet aanvaard;

4. indien er sprake is van een overeenkomst [verzoeker] deze vernietigt op grond van misbruik van omstandigheden.

5.8.

Achmea stelt dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst over de schade van [verzoeker] tot stand is gekomen. Uit het bericht van 10 juni 2025 volgt dat [bedrijf] vertegenwoordigingsbevoegd was. In dat bericht werd een voorstel gedaan om een eindregeling te treffen van een slotbetaling van € 75.000,00 exclusief buitengerechtelijke kosten. Aan de aanvaarding van het voorstel was geen termijn verbonden. Het verzoek om een voorschot te voldoen was geen (cumulatieve) voorwaarde, maar een verzoek voor het geval het voorstel niet werd aanvaard. Met het toezenden van de vaststellingsovereenkomst op 24 juni 2025 aanvaardde Achmea het voorstel tijdig en daarmee kwam een overeenkomst tot stand. De voorwaarde dat de buitengerechtelijke kosten integraal moesten worden vergoed, werd pas 6 weken later gesteld. De tot en met 11 september 2025 gewisselde correspondentie bevestigt dat er een overeenkomst was. Daarin was namelijk slechts discussie over de hoogte van de buitengerechtelijke kosten, zonder dat werd bestreden dat het aanbod was aanvaard.

De finale kwijting die in de vaststellingsovereenkomst staat, betekent niet dat er geen grondslag meer zou bestaan voor het vergoeden van de kosten van [bedrijf] . Het is geen ongebruikelijke gang van zaken dat na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst tussen de belangenbehartiger en de verzekeraar separaat wordt gediscussieerd over de buitengerechtelijke kosten. Bovendien hoeft [verzoeker] de buitengerechtelijke kosten niet te vergoeden, zodat die voor hem geen schadepost opleveren.

Van misbruik van omstandigheden is geen sprake.

5.9.

De rechtbank oordeelt dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en dat [verzoeker] geen finale kwijting heeft verleend. Zij licht dit toe als volgt.

5.10.

Een vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst die is bedoeld om een einde te maken aan onzekerheid of onenigheid over wat tussen partijen rechtens geldt. Voor het totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst gelden geen vormvereisten. Een vaststellingsovereenkomst komt zoals andere overeenkomsten tot stand door een aanbod en aanvaarding van dat aanbod.

5.11.

Naar vaste rechtspraak moet de vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Dit houdt in dat onderzocht moet worden wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan mochten toekennen, hebben afgeleid. De partij die zich op de totstandkoming van een overeenkomst door aanbod en aanvaarding beroept, dient aan te tonen dat één van de partijen een als aanbod te kwalificeren verklaring heeft geuit, en dat dat aanbod door een verklaring van de andere partij is aanvaard, één en ander met toepassing van de wilsvertrouwensleer. Bij een vaststellingsovereenkomst komt daarbij bijzondere betekenis toe aan een kwijtingsclausule, omdat partijen beogen een nieuwe rechtstoestand in het leven te roepen en de kwijting het bereik daarvan afbakent.

5.12.

Het voorstel van 10 juni 2025 geldt als een aanbod van [verzoeker] tot het treffen van een eindregeling (sluiten van een vaststellingsovereenkomst). De postitie van de belangenbehartiger in deze letselschadezaak is, anders dan [verzoeker] stelt, namelijk niet één op één vergelijkbaar met die van een makelaar bij de verkoop van een woning. Nu [bedrijf] , als de belangenbehartiger van [verzoeker] in deze letselschadezaak, namens [verzoeker] na uitgebreide correspondentie aan Achmea een voorstel voor het treffen van een eindregeling deed, mocht Achmea er in beginsel op vertrouwen dat [bedrijf] dat met [verzoeker] had kortgesloten. In dit geval is dat ook gebeurd. [verzoeker] heeft namelijk ter zitting bevestigd dat [bedrijf] het voorstel met hem heeft besproken en dat hij daarmee heeft ingestemd. [bedrijf] deed dat voorstel dus in dit geval namens [verzoeker] . Dat voorstel kwalificeert als een aanbod tot het treffen van een eindregeling.

5.13.

De vaststellingsovereenkomst die Achmea vervolgens aan [bedrijf] en [verzoeker] toezond, houdt geen aanvaarding van dat aanbod van [verzoeker] in, maar een afwijkend tegenaanbod. Het aanbod van [verzoeker] omvatte namelijk de betaling van een slotuitkering van € 75.000,00 exclusief buitengerechtelijke kosten; daar zijn partijen het over eens. De vaststellingsovereenkomst strekte echter tot het betalen van een slotuitkering van € 75.000,00 ter vergoeding van alle schade tegen de volgende verklaring van [verzoeker] :

“Door deze overeenkomst te ondertekenen verklaart belanghebbende geen enkele vordering meer te hebben op verzekeraar en diens verzekerde voor de schade, die is ontstaan door dit verkeersongeval en het letsel dat belanghebbende daarbij heeft opgelopen. Deze kwijting geldt voor alle materiële en immateriële schade die belanghebbende heeft geleden en in de toekomst mogelijk nog zal lijden. Belanghebbende kan dus niet meer op de zaak terugkomen.” (nadruk toegevoegd, rb)

Deze tekst laat geen enkele andere uitleg toe dan dat na ondertekening geen ruimte meer bestond voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit wijkt af van het aanbod van [verzoeker] omdat redelijke buitengerechtelijke kosten onderdeel zijn van de (vermogens)schade die is ontstaan door het ongeval en het letsel dat [verzoeker] daarbij heeft opgelopen (art. 6:96 lid 2 BW). Het aanbod van [verzoeker] hield juist niet in dat hij zou afzien van een vergoeding van redelijke buitengerechtelijke kosten.

5.14.

Dat eerder tussen Achmea en [bedrijf] was gecorrespondeerd over een regeling waarin de buitengerechtelijke kosten niet waren betrokken doet daaraan niet af. De tekst van de vaststellingsovereenkomst en de begeleidende brief bevat geen enkel aanknopingspunt voor de bereidheid van Achmea om, in afwijking van de heldere bewoordingen als hiervoor geciteerd, toch nog een extra schadepost te vergoeden. De door Achmea aangehaalde praktijk waarin na het verlenen van finale kwijting nog met de belangenbehartiger wordt onderhandeld over diens kosten van bijstandverlening, leidt niet tot een ander oordeel. [verzoeker] heeft daarop niet vertrouwd en hoefde dat ook niet; hij heeft namelijk aangevoerd (en onderbouwd) dat het ook voorkomt dat Achmea zich op het standpunt stelt dat de buitengerechtelijke kosten onderdeel uitmaken van de personenschade van de benadeelde en andersom dat zij in vaststellingsovereenkomsten passages opneemt over de buitengerechtelijke kosten die zij naast de slotuitkering betaalt. Achmea heeft dat niet tegengesproken. Daarbij komt dat Achmea uit het optreden van [bedrijf] als belangenbehartiger en het feit dat het voorstel exclusief buitengerechtelijke kosten werd gedaan, duidelijk moest zijn dat er nog buitengerechtelijke kosten waren. Indien Achmea met het toezenden van de vaststelllingsovereenkomst het aanvaarden van het aanbod van [verzoeker] wilde bereiken, lag het onder deze omstandigheden op haar weg om daarbij te vermelden dat de redelijke buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW niet onder de finale kwijting vielen en dat daarvoor nog een aparte regeling zou worden getroffen. Achmea heeft dat niet gedaan en ook niet uitgelegd waarom [verzoeker] (en zijn belangenbehartiger) dat toch redelijkerwijs diende(n) te begrijpen.

Het aanbod is dus niet aanvaard, maar er is een tegenaanbod gedaan dat [verzoeker] niet heeft aanvaard, hetgeen Achmea duidelijk was. Hij heeft immers niet getekend, zoals Achmea uitdrukkelijk als voorwaarde heeft gesteld.

5.15.

De stelling van Achmea dat [verzoeker] met [bedrijf] is overeengekomen dat hij (in beginsel) de kosten voor de dienstverlening van [bedrijf] niet hoeft te vergoeden en dat [bedrijf] die op Achmea en haar verzekerde zou verhalen, heeft [verzoeker] niet gemotiveerd weersproken. Dat kan Achmea echter niet baten. Het betreft hier een afspraak tussen [verzoeker] en [bedrijf] waaraan Achmea geen rechten kan ontlenen. Voor het oordeel over het totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst tussen Achmea en [verzoeker] doet deze niet ter zake.

5.16.

Het vorenstaande betekent dat het aanbod van [verzoeker] op 4 augustus 2025 niet door Achmea was aanvaard en dat het hem toen vrijstond om de (integrale) vergoeding van de buitengerechtelijke kosten als expliciete voorwaarde aan zijn eigen aanbod tot het treffen van een eindregeling te verbinden. Dat aanbod heeft Achmea blijkens de correspondentie niet aanvaard. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of acceptatie vóór 16 juni 2025 en het betalen van een voorschot van € 15.000,00 ook onderdeel waren van het aanbod om een eindregeling te treffen, bij gebrek aan belang in het midden kan blijven.

5.17.

Uit de correspondentie die daarop is gevolgd en de betaling van € 75.000,00 door Achmea, valt ook niet op te maken dat partijen toch overeenstemming hebben bereikt over een slotuikering van € 75.000,00 tegen finale kwijting. Uit de vermelding van afsluitwerkzaamheden in het overzicht van de openstaande kosten dat [bedrijf] op 4 augustus 2025 aan Achmea toezond, kan niet meer worden afgeleid dan dat zij op dat moment verwachtte dat de betaling van de door haar gedeclareerde kosten niet op problemen zou stuiten. Uit de e-mail van [verzoeker] van 30 augustus 2025 valt wel af te leiden dat hij ervan uitging dat er afspraken waren over een betaling van € 75.000,00, maar dat is niet voldoende omdat uit dezelfde e-mail ook volgt dat [verzoeker] ervan uitging dat nog niet alles was geregeld. Bij dit alles komt dat Achmea uitdrukkelijk heeft verzocht om de toegezonden vaststelllingsovereenkomst ondertekend terug te sturen en dat dit niet is gebeurd. De stelling van Achmea dat zij slechts om administratieve redenen daarom heeft gevraagd, kan haar niet baten omdat [verzoeker] dat niet hoefde te begrijpen. Een andere verklaring voor het niet ondertekend terugsturen van de vaststellingsovereenkomst dan dat [verzoeker] niet instemde met de inhoud daarvan, heeft Achmea niet gegeven. De betaling heeft [verzoeker] , blijkens bericht van zijn raadsman, als voorschot geaccepteerd.

5.18.

Dit alles leidt tot het oordeel dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Er is geen sprake van finale kwijting door [verzoeker] waarin de vergoeding van redelijke buitengerechtelijke kosten is prijsgegeven en evenmin van een overeenkomst waarin is overeengekomen dat over de buitengerechtelijke kosten later een aparte regeling zou worden getroffen. Daarom wijst de rechtbank het eerste verzoek toe en komt zij niet toe aan het beroep op vernietiging.

Het verdere procesverloop

5.19.

Het vorenstaande betekent dat de discussie over de afwikkeling van de schade die [verzoeker] lijdt en heeft geleden door het ongeval en het daarbij opgelopen letsel weer volledig open ligt.

5.20.

Overeenkomstig de met partijen gemaakte procesafspraak zal de rechtbank bepalen dat partijen zich op na te melden datum schriftelijk dienen uit te laten over het vervolg van deze procedure en iedere verdere beslissing aanhouden. Rechtbank Rotterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4255