Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 181225 pandeigenaar, aannemer en bouwbegeleider hoofdelijk aansprakelijk voor val schilder in trapgat; oordeel over vrijwaringsvorderingen pandeigenaar, aannemer en bouwbegeleider en projectmanager

RBOBR 181225 pandeigenaar, aannemer en bouwbegeleider hoofdelijk aansprakelijk voor val schilder in trapgat; oordeel over vrijwaringsvorderingen pandeigenaar, aannemer en bouwbegeleider en projectmanager

1Waar gaan deze zaken over?

1.1.

[eiser] zou op 7 mei 2020, ter uitvoering van een tussen hem en [opdrachtgever eiser] bestaande overeenkomst van aanneming van werk, in het op dat moment in aanbouw verkerende pand van [eigenaar pand] te [plaats] in hal B het plafond komen schilderen (texspuiten).

[bouwbegeleider] is door [eigenaar pand] ingeschakeld via een overeenkomst van bouwbegeleiding.

1.2.

Toen [eiser] en zijn collega’s op 7 mei 2020 aankwamen bij hal B, bleek de vloer niet leeg te zijn. Er lagen nog allerlei materialen en gereedschappen van andere bouwvakkers verspreid over de vloer, waardoor [eiser] en zijn collega’s de vloer zijn gaan vrijmaken.

In een hoek van hal B lag een houten afdekplaat (waarmee het trapgat naar de kelder was afgedicht. Deze was niet afgezet (met een railing of lint) en er bevonden zich geen markeringen of waarschuwingen op of rondom de houten afdekplaat, waardoor het voor [eiser] niet duidelijk was dat zich daaronder een trapgat bevond. Evenmin was de afdekplaat verankerd met de vloer of wand.

[eiser] heeft de afdekplaat opgetild/gekanteld en een stap naar voren gezet met de bedoeling om deze plaat tegen de wand te plaatsen om zo de vloer vrij te maken.

Daarbij is [eiser] door het trapgat gevallen en enkele meters lager op de vloer van de onderliggende kelder terechtgekomen. Door deze val heeft [eiser] een incomplete dwarslaesie opgelopen.

1.3.

[eiser] heeft [opdrachtgever eiser] , [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] aansprakelijk gesteld en heeft hun aansprakelijkheidsverzekeraars (respectievelijk ASR, NN en AIG) gewezen op de aansprakelijkheid van hun verzekerden, waarbij hij hen heeft verzocht dekking te bieden voor de schade van [eiser] .

Alle door [eiser] in rechte betrokken partijen hebben aansprakelijkheid of dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering betwist en hebben elkaar onderling in vrijwaring opgeroepen. Door [eigenaar pand] is in onder vrijwaring [projectmanager] opgeroepen, vanwege de tussen hen gesloten opdracht van projectmanagement. [projectmanager] heeft op haar beurt [bouwbegeleider] in onder onder vrijwaring opgeroepen.

(.... red LSA LM)

4Het geschil in de hoofdzaak

4.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat:

  2. [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade;

  3. AIG, NN en ASR op grond van de directe actie ex art. 7:954 BW (hoofdelijk) verplicht zijn de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden aan [eiser] ;

  4. (alle) gedaagden hoofdelijk te veroordelen, des de ene partij betaalt aan [eiser] de ander is gekweten voor dat bedrag, tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van voornoemd ongeval (d.d. 7 mei 2020) geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade;

3) met hoofdelijke veroordeling van (alle) gedaagden in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de deurwaarderskosten ad € 801,971, de griffiekosten en de advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten-veroordeling vanaf veertien dagen na betekening van het in deze kwestie te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

4) de nakosten te begroten op een bedrag van € 132,00 zonder betekening, en verhoogd met € 90,00 ingeval van betekening, althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

4.2.

[eiser] houdt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW (al dan niet in combinatie met artikel 6:170 althans 6:171 BW) en [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. [eiser] stelt op grond van artikel 7:954 BW een vordering te hebben op gedaagden AIG, NN en ASR, zijnde de aansprakelijkheidsverzekeraars van [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] .

4.3.

Alle gedaagden voeren verweer en concluderen dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, dan wel dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen en dat [eiser] veroordeeld dient te worden in de kosten van deze (hoofd-) procedure, daaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten voor het geval betaling hiervan niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.

NN stelt verder dat een eventuele aansprakelijkheid van [bouwbegeleider] niet is gedekt onder de AVB-verzekering die [bouwbegeleider] bij NN heeft afgesloten.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil - nader ingegaan.

5De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

Ten aanzien van [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] staat de vraag centraal of zij, althans een van hen, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Ten aanzien van [opdrachtgever eiser] staat de vraag centraal of bij de door [eiser] verrichte werkzaamheden waaruit het ongeval is ontstaan, sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW en zo ja, of [opdrachtgever eiser] haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden die tot het ongeval heeft geleid.

De kantonrechter beantwoordt al deze vragen bevestigend en zal hierna per gedaagde, aan de hand van het door hen gevoerde verweer, toelichten waarom.

[eigenaar pand] en AIG

5.2.

De kantonrechter geeft allereerst het verweer van [eigenaar pand] en AIG op hoofdlijnen weer. [eigenaar pand] en AIG stellen dat [eigenaar pand] niet aansprakelijk is voor de val van [eiser] door het trapgat op 7 mei 2020. Volgens hen betrof zijn val een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarbij sprake is geweest van een inschattingsfout door [eiser] en waarvan de gevolgen niet voor risico en rekening van [eigenaar pand] en AIG komen.

5.2.1.

[eigenaar pand] heeft daarbij toegelicht dat zij géén bouw- of aanneembedrijf is, maar zich bezig houdt met het vervaardigen van fietsen, invalidenwagens, sportartikelen, groothandel en productie van rijwielaccessoires en gereedschappen en de verhuur van onroerend

goed (niet van woonruimte). [eigenaar pand] heeft de bouw van het pand in [plaats ongeval] ‘in eigen beheer’ uitgevoerd, omdat zij in haar oude pand in Wassenaar te weinig ruimte had.
Dit betekent niet dat [eigenaar pand] bouwwerkzaamheden heeft verricht. Bouw in eigen beheer houdt volgens [eigenaar pand] niet meer in dan dat er geen hoofdaannemer betrokken is bij het bouwproces. De bouw was volgens [eigenaar pand] als volgt georganiseerd:

 [projectmanager]

Omdat [eigenaar pand] geen expertise in huis heeft in het bouwen van panden, heeft zij een overeenkomst met [projectmanager] gesloten voor het projectmanagement en diens kennis en kunde. Op advies en op voordracht van [projectmanager] heeft [eigenaar pand] met verschillende partijen overeenkomsten gesloten. Die partijen hebben op hun beurt, en naar eigen inzicht, weer overeenkomsten gesloten met onderaannemers. De rol van [eigenaar pand] in het bouwproces was dan ook beperkt.

[eigenaar pand] was enkel de opdrachtgever en de uiteindelijke gebruiker van het pand. Zij was niet op dagelijkse basis aanwezig in het pand.

 [projectmanager] heeft bij monde van de heer [A] (hierna: “ [A] ”) samen met [bouwbegeleider] , het VGM-projectplan opgesteld, waarin de veiligheid op de bouwplaats aan bod komt. In het VGM-plan wordt [bouwbegeleider] als "uitvoerder" gekwalificeerd en [A] ( [projectmanager] ) als "KAM-coördinator".

 [bouwbegeleider]

Op 6 december 2018 heeft [eigenaar pand] met [bouwbegeleider] een overeenkomst van bouwbegeleiding voor de ruwbouw van het te realiseren project aan [adres] te [plaats] gesloten. Hierin staat een opsomming van de werkzaamheden van [bouwbegeleider] , zoals het bijhouden en bewaken van het gestructureerde bouwproces en het aansturen en begeleiden van onderaannemers. [bouwbegeleider] had dus de verantwoordelijkheid en leiding over het reilen en zeilen van het gehele bouwproces en had ook de functie van VGM-functionaris; aldus [eigenaar pand] .

 [opdrachtgever eiser]

De verschillende door [eigenaar pand] gecontacteerde onderaannemers, waaronder ook [opdrachtgever eiser] , hebben ieder een eigen VGM-deelplan opgesteld. Door het indienen van dit deelplan wordt de inhoud van het VGM-ontwerpplan geaccordeerd door de onderaannemer. Opvallend is dat in de bijlage "risico's op de werkplek - wandbekleding" wordt gesproken over het risico van wegnemen van eerder aangebrachte (veiligheids-) voorzieningen. Hierin staat onder meer vermeldt : “(veiligheids) voorzieningen door anderen (eerder) aangebracht, worden in stand gelaten, tenzij dit anders niet mogelijk is (melden)”.

De houten afdekplaat was een eerder aangebrachte veiligheidsvoorzieningen en mocht door [eiser] (als onderaannemer van [opdrachtgever eiser] ) dus niet weggehaald worden, aldus [eigenaar pand] .

5.2.2.

Met betrekking tot de (deugdelijkheid van de) afdekplaat, voert [eigenaar pand] allereerst aan dat de op maat gemaakte afdekplaat een mandragende, stevige houten constructie was die het trapgat in zijn geheel afhechtte. Ook was de houten constructie verzonken en zo gemaakt dat deze niet kon verschuiven.

Het betrof een veiligheidsmaatregel die in opdracht van [bouwbegeleider] , als veiligheids-verantwoordelijke, is gemaakt. Deze maatregel voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Onderstaande foto heeft [eigenaar pand] in het geding gebracht, waaruit voornoemde afdekplaat (met de dwarsbalken ter voorkoming van verschuiving) blijkt:

5.2.3.

[eiser] heeft volgens zijn eigen verklaring de afdekplaat aangezien voor een houten pallet. Hij was echter al 2 maanden werkzaam in het pand van [eigenaar pand] en de afdekplaat lag er al 3 maanden, dus ‘het moet’ volgens [eigenaar pand] dat [eiser] bekend is geweest, althans hij had bekend moeten zijn, met de houten afdekplaat, want op de plek van het trapgat, vanuit de kelder gezien, is door [eiser] en zijn collega's geschilderd2.

Los van het feit dat [eiser] bekend moet zijn geweest met de afdekplaat, geldt dat ook ten tijde van het incident duidelijk moet zijn geweest dat het niet ging om ‘een houten pallet’, maar om een houten constructie die fungeerde als afsluiting van de daar gesitueerde uitsparing ten behoeve van de later te realiseren trap. Er is namelijk een duidelijk verschil tussen de houten afdekplaat en een houten pallet.

5.2.4.

De houten afdekplaat is volgens [eigenaar pand] ook niet gevaarzettend. Deze dient juist ter bescherming van het beoogde valgevaar in de sparing voor de trap. Door de afsluiting van het trapgat is het valgevaar weggenomen.

Het was niet waarschijnlijk dat [eiser] , als ervaren en professionele partij, de afdekplaat zou optillen, want deze mag niet zomaar worden weggehaald.

[eiser] was bovendien bekend met de aanwezigheid van het trapgat en van de houten afdekplaat.

Verder was het niet voorzienbaar dat de afdekplaat voor (i) een pallet wordt aangezien, (ii) onbedachtzaam wordt weggehaald en (iii) bij die handeling een stap naar voren wordt gezet en een persoon in het juist afgedekte trapgat valt.

5.2.5.

Verder voert [eigenaar pand] aan dat voor zover al zou gelden dat bij het plaatsen van de veiligheidsmaatregel van de houten constructie niet is voldaan aan de daaraan te stellen eisen, dit handelen niet door [eigenaar pand] is uitgevoerd en dat daarom dit gesteld onrechtmatig handelen ook niet tot aansprakelijkheid van [eigenaar pand] kan leiden.

Daarbij is volgens [eigenaar pand] van belang dat zij niet zelf bij de bouw betrokken was, maar via en op advies van de [projectmanager] contracten heeft gesloten met partijen ten behoeve van de bouw van het pand. Hierin is [eigenaar pand] zorgvuldig geweest en [eigenaar pand] kan hierover dan ook geen verwijt worden gemaakt. De op advies van [projectmanager] door [eigenaar pand] aangestelde partijen hebben allemaal een aansprakelijkheidsverzekering. Dat NN dekking weigert op basis van een dekkingsverweer doet daar niet aan af. Dat was voor [eigenaar pand] niet voorzienbaar en dit kan [eigenaar pand] evenmin worden toegerekend.

5.3.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot het verweer van [eigenaar pand] het volgende.

Ondeugdelijke veiligheidsvoorziening

5.3.1.

Tussen [eiser] , [eigenaar pand] en AIG is de toedracht van het ongeval van [eiser] niet in geschil.

[eiser] heeft op 7 mei 2020 een houten afdekplaat van 2,5 meter lang en 1,1 meter breed (bestaande uit raamwerk met daar bovenop een houten plaat) opgetild/gekanteld met de bedoeling deze rechtop tegen de muur te zetten. Daarbij heeft hij een stap vooruit gezet en is hij vervolgens door het trapgat naar beneden gevallen en ruim drie meter lager op de betonnen vloer van de kelder terecht gekomen.

De reden waarom [eiser] deze afdekplaat wilde verplaatsen is evenmin in geschil.
Hij voerde schilderwerkzaamheden uit in het in aanbouw zijnde pand van [eigenaar pand] . Op 7 mei 2020 moest in een ruimte (hal B) een plafond gespoten worden, maar deze ruimte stond nog vol met materialen en gereedschappen van andere bouwvakkers, verspreid over de vloer. De vloer moest eerst vrij gemaakt worden, voordat [eiser] en zijn collega’s hun werkzaamheden konden uitvoeren. Daarom zijn zij gaan opruimen. [eiser] heeft de houten afdekplaat, die het trapgat volledig afsloot, aangezien voor een pallet. Dit zag er als volgt uit3:

Vast staat dat de ruimte rondom de houten afdekplaat niet was afgezet en dat er zich geen markeringen of waarschuwingen op- of rondom de afdekplaat bevonden, waardoor het voor [eiser] niet duidelijk was dat zich daaronder een trapgat bevond. Evenmin was de afdekplaat verankerd met de vloer. Hierdoor was het mogelijk voor [eiser] om de afdekplaat op te tillen/kantelen. Het niet markeren en/of borgen van de afdekplaat maakt dat de houten afdekplaat geen deugdelijke veiligheidsvoorziening was.

Daarbij is mede van belang dat één dag na het ongeval van [eiser] , de houten afdekplaat op een eenvoudige en laagdrempelige manier is geborgd met (tenminste twee) hoekijzertjes, die optillen of kantelen van de afdekplaat onmogelijk maakten4:

De kantonrechter zal bij de beoordeling van het verweer van [bouwbegeleider] verder ingaan op de (ook door [eigenaar pand] ) aangevoerde omstandigheden rondom de inschattingsfout van [eiser] , maar die nemen niet weg dat de niet geborgde en/of gemarkeerde houten afdekplaat een ondeugdelijke veiligheidsvoorziening was.

[eigenaar pand] (mede) verantwoordelijk voor een veilige werkplaats

5.3.2.

Met betrekking tot het (meest vertrekkende) verweer van [eigenaar pand] dat zij niet degene is geweest die de afdekplaat heeft aangebracht waardoor dit niet tot aansprakelijkheid van [eigenaar pand] kan leiden, oordeelt de kantonrechter dat [eigenaar pand] - als opdrachtgever voor de bouw van het pand - wel degelijk (mede) verantwoordelijk kan worden gehouden voor (het gebrek aan duidelijkheid over) de veiligheid op de bouwplaats.

Door [eigenaar pand] is een VGM-plan in het geding gebracht (productie 3 bij de conclusie van antwoord in de hoofdzaak). Tijdens de mondelinge behandeling hebben [bouwbegeleider] en [projectmanager] er beiden op gewezen dat het VGM-plan5, wat is geprint op het briefpapier van [eigenaar pand] , niet door hen is ondertekend.

In dit VGM-plan staat [bouwbegeleider] als (hoofd)uitvoerder benoemd en [projectmanager] als KAM-coördinator. Zowel [bouwbegeleider] als [projectmanager] ( [A] ) hebben tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zij fungeerden als respectievelijk (hoofd)uitvoerder of KAM-coördinator6 en in die hoedanigheid verantwoordelijk waren voor de veiligheid op de bouwplaats. In dit kader heeft [A] toegelicht dat hij een leeg template van een VGM-plan uit een vorig project naar [bouwbegeleider] heeft gestuurd, die dit vervolgens heeft ingevuld en aan hem heeft teruggestuurd. Deze template was volgens de verklaring van [A] echter maar deels bruikbaar, omdat hierin allerlei rollen zijn toebedeeld aan een projectleider, terwijl er op deze bouw door [eigenaar pand] geen projectleider was aangesteld. Er werd namelijk enkel gebruik gemaakt van neven- en onder aanneming.
[A] was dus géén projectleider van de bouw. Daar heeft [A] opmerkingen over gemaakt in het VGM-plan en daarom heeft hij het VGM-plan nooit ondertekend, aldus [A] . Deze gang van zaken is door [eigenaar pand] niet betwist. [bouwbegeleider] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zich niet exact herinnert hoe het is gegaan, maar dat het zou kunnen dat het zo is gegaan als door [A] verteld.

De conclusie is dat er geen aangepast of ondertekend VGM-plan is. Dit leidt tot de slotsom dat niemand de verantwoordelijkheid voor een veilige bouwomgeving (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) op zich heeft genomen. Van [eigenaar pand] , die de bouw in eigen beheer uitoefende maar niet dagelijks op de bouw aanwezig was, had mogen worden verwacht dat zij zorg zou dragen voor een veilige bouwomgeving, althans dat zij dit op een deugdelijke en zorgvuldige wijze zou uitbesteden aan daartoe gekwalificeerde partijen (die bovendien adequaat verzekerd zijn).

Conclusie

5.4.

Kortom, de omstandigheid dat [eigenaar pand] gebruik heeft gemaakt van [bouwbegeleider] voor de dagelijkse bouwbegeleiding en van [projectmanager] voor advisering, maakt niet dat [eigenaar pand] zich kan onttrekken aan haar verantwoordelijkheid voor een veilige werkplaats. [eigenaar pand] wordt daarom (mede) verantwoordelijk gehouden voor de ondeugdelijke veiligheidsvoorziening die heeft geleid tot het ongeval van [eiser] .

Omdat [eigenaar pand] haar verzekering tegens bedrijfs- c.q. beroepsaansprakelijkheid ten tijde van het ongeval had ondergebracht bij AIG en het ongeval conform artikel 7:941 BW door [eigenaar pand] aan AIG is gemeld, kan [eiser] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW verlangen dat AIG, indien zij tot uitkering verplicht is, die uitkering - voor zover strekkende tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden schade - aan [eiser] verricht.

Het risico waartegen [eigenaar pand] zich heeft verzekerd, heeft zich namelijk verwezenlijkt.

[bouwbegeleider] en NN

5.5.

[bouwbegeleider] en NN voeren aan dat [bouwbegeleider] niet aansprakelijk is voor de val van [eiser] door het trapgat op 7 mei 2020.

5.5.1.

Volgens hen is [eiser] daar primair zelf verantwoordelijk voor, omdat [eiser] (a) geen opdracht heeft ontvangen van- of verzoek tot opruiming heeft gedaan aan [opdrachtgever eiser] of [bouwbegeleider] , (b) het verwijderen van de houten afdekplaat was - gelet op de omvang en het gewicht daarvan - onverantwoord (zeker ook om alleen te doen), (c) het tillen van een voorziening met dit gewicht is in strijd met de Arbonormen, [eiser] als professional bekend, (d) [eiser] heeft eerder aangegeven alleen toezichthoudend werk te doen in verband met beperkingen aan een van zijn ogen en (e) het verwijderen van de afdekplaat was voor het verrichten van de schilderwerkzaamheden niet nodig, gelet op de technische voorziening (uitschuifbare werkvloer) die een schaarhoogwerker biedt.

5.5.2.

Verder stellen [bouwbegeleider] en NN zich op het standpunt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [bouwbegeleider] in de zin van artikel 6:162 BW, omdat niet voldaan is aan alle vereisten voor de onrechtmatige daad (onrechtmatigheid, toerekenbaarheid, schade, causaliteit en relativiteit). [bouwbegeleider] voert daartoe het volgende aan.

Er is geen wettelijk plicht die [bouwbegeleider] geschonden heeft. De verwijzing naar het Arbobesluit mist toepassing. Daarin is geen norm te vinden die door [bouwbegeleider] geschonden is. Andere (wettelijke) bepalingen dan deze heeft [eiser] niet gesteld. [bouwbegeleider] heeft de maatregelen getroffen die van hem verwacht konden worden, ook de Inspectie SZW heeft geen aanleiding gezien aanwijzingen te geven.

[eiser] heeft er zelf voor gekozen onverantwoorde, niet tot zijn taak behorende handelingen te verrichten. [eiser] was bekend met de situatie – hij liep iedere dag door deze ruimte - en heeft startbouwbesprekingen uit desinteresse niet bijgewoond en heeft daarmee het risico aanvaard niet (voldoende) op de hoogte te zijn van de veiligheidssituatie en de dienaangaande gegeven of te geven instructies.

[bouwbegeleider] heeft geen opdracht gegeven tot ontruiming (het opruimen van de werkvloer) en voor het geval dat er al een partij is die dat tot zijn verantwoordelijkheid moet rekenen, betreft dat [opdrachtgever eiser] . Omgekeerd heeft [eiser] niet aan [bouwbegeleider] verzocht de ruimte te ontruimen, zodat [bouwbegeleider] dienaangaande geen nalatigheid kan worden verweten. [eiser] heeft besloten om zelf de ruimte te ontruimen. [bouwbegeleider] heeft dus geen daad verricht of nagelaten die tot de val heeft geleid. Dat heeft [eiser] zelf gedaan.

[bouwbegeleider] heeft voor een adequate veiligheidsvoorziening zorggedragen bij het afdekken van het trapgat door een relatief groot, horizontaal niet verschuifbaar relatief zwaar object te laten vervaardigen dat ook naar het oordeel van de Inspectie SZW voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Door [bouwbegeleider] is dus geen verplichting geschonden die gesteld was om de belangen van [eiser] te beschermen. Dat [eiser] er zelf voor gekozen heeft dat object (alleen) op te tillen was mede gelet op zijn professionaliteit, zijn zichtbeperking en de omvang en het gewicht van de voorziening niet te verwachten. Het verzoek tot ontruiming had hij moeten richten tot zijn opdrachtgever [opdrachtgever eiser] .

Door het eigenmachtig optreden van [eiser] zelf, danwel het tekortschietend toezicht van [opdrachtgever eiser] heeft het ongeval plaatsgevonden. Het vereiste causale verband ontbreekt, althans staat met het beweerdelijk nalaten van [bouwbegeleider] in een te ver verwijdert verband.

Gelet op de rol - het eigenmachtig optreden van [eiser] - kan het beweerdelijk handelen of nalaten van [bouwbegeleider] niet aan hem worden toegerekend.

Beoordeling kantonrechter; kelderluik-criteria

5.6.

De kantonrechter zal het verweer van [bouwbegeleider] beoordelen aan de hand van de zogenoemde Kelderluik-criteria7.
Ter beantwoording van de vraag of [bouwbegeleider] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld moet namelijk worden onderzocht of hij [eiser] aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was (‘gevaarzetting’).

Bij de beoordeling zijn de gezichtspunten relevant die onder andere genoemd zijn in het Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079), zoals de kans op schade, de aard en ernst van de gevolgen van de gedraging, de bezwaarlijkheid van het treffen van voorzorgsmaatregelen, de context waarbinnen de gedraging valt (aard van de gedraging) en de mate van waarschijnlijkheid dat de ander niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zal betrachten.

De kans op schade

5.6.1.

Bouwwerkzaamheden roepen een gevaarlijke situatie in het leven, ook indien daarbij wel de nodige voorzichtigheid en oplettendheid wordt betracht. Om te voorkomen dat incidenten zich voordoen, zullen er (voorzorgs)maatregelen getroffen moeten worden om de veiligheid op de bouwplaats te waarborgen. Voor die situaties bestaat een zorgplicht, die in beginsel rust op alle betrokken partijen. Concreet betekent dit dat (werk)instructies of afspraken met betrekking tot de veiligheid zullen moeten worden geformuleerd en dat alle daarbij betrokken partijen deze afspraken dienen na te leven.

In dit geval rust, zoals eerder overwogen, een zorgplicht op [eigenaar pand] als opdrachtgever van de werkzaamheden, maar ook op [bouwbegeleider] als bouwbegeleider. [bouwbegeleider] had als taakomschrijving “het bijhouden en bewaken van het gestructureerde bouwproces en het aansturen en begeleiden van onderaannemers”.8 Hij had dus de dagelijkse leiding en daarmee de verantwoordelijkheid over het reilen en zeilen van het gehele bouwproces. Van [bouwbegeleider] mocht dus verwacht worden dat hij bij de werkzaamheden in voldoende mate aandacht zou besteden aan de veiligheid op de bouwplaats. Zijn zorglicht beperkt zich daarbij niet tot geschreven (wettelijke) normen, maar ook tot ongeschreven normen. In dit kader moet beoordeeld worden of de gebruikte veiligheidsvoorziening - die qua constructie wellicht voldeed aan de daaraan gestelde (wettelijke) normen, zoals [bouwbegeleider] heeft gesteld - ook de toets van de ongeschreven normen kan doorstaan. Dit is niet het geval. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de houten afdekplaat een ondeugdelijke veiligheidsvoorziening was, omdat deze niet geborgd en/of gemarkeerd was. Vast staat dat [bouwbegeleider] de houten afdekplaat heeft laten maken.

De kans dat daaruit ongevallen ontstaan en de aard en de ernst van de gevolgen

5.6.2.

De kans dat iemand door een onzichtbaar trapgat valt wanneer deze de houten afdekplaat optilt of kantelt, is groot. Ook de aard en ernst van de gevolgen van zo’n val zijn groot.

De bezwaarlijkheid van het treffen van voorzorgsmaatregelen

5.6.3.

Verder staat in rechte vast dat één dag na het ongeval van [eiser] , de houten afdekplaat op een eenvoudige en laagdrempelige manier is geborgd met (tenminste twee) hoekijzertjes en schroeven, die optillen of kantelen van de afdekplaat onmogelijk maakten (vgl. de tweede afbeelding die is ingevoegd in rov. 5.3.1). Later is een houten hekwerk om het trapgat aangebracht, welk hekwerk vast verbonden was met de ondergrond. Het markeren van de afdekplaat (met lint of stickers) is (voor zover bekend) niet gebeurd, maar zou niet bezwarend zijn geweest en was eenvoudig te realiseren.

De mate van waarschijnlijkheid dat de ander niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zal betrachten

5.6.4.

Het was niet onwaarschijnlijk dat [eiser] de vloer zoveel mogelijk vrij wilde maken van materialen om optimaal te kunnen werken. Die bewuste ochtend van 7 mei 2020 was de vloer niet vrij.

De kantonrechter vindt het evenmin ondenkbaar dat [eiser] de houten afdekplaat heeft aangezien voor een pallet c.q. een plaat waarop bepaalde materialen hebben gelegen. De afdekplaat lag niet geheel verzonken in de vloer (vgl. de eerste afbeelding die is ingevoegd in rov. 5.3.1) en dit maakte mogelijk dat [eiser] zijn handen eronder kon zetten en deze vanuit een gebogen of gehurkte positie aan één kant kon optillen en kantelen, waardoor de plaat rechtop tegen de wand kon staan. Dit was ook de reden waarom [eiser] de afdekplaat heeft opgetild/gekanteld (want zo kon met een schaarhoogwerker ook de hoek van het plafond bereikt worden). Deze bedoeling/inschatting van [eiser] vindt de kantonrechter niet ondenkbaar. Dat [bouwbegeleider] ‘nooit had verwacht dat deze beveiliging door één persoon opgetild kon worden9’ was een misvatting van [bouwbegeleider] . Als [eiser] had geweten dat de houten afdekplaat een veiligheidsvoorziening was die een trapgat afsloot, dan had hij deze nooit opgetild.

5.6.5.

[bouwbegeleider] was degene die aanstuurde welke (onder)aannemer wanneer en in welke ruimte werkzaamheden moest verrichten. Hij kan [eiser] dan ook niet tegenwerpen dat hij zelf een opruimtaak op zich heeft genomen, die nodig was voordat hij überhaupt met zijn schilderwerkzaamheden kon starten.

In principe was het ieders taak om zijn eigen spullen op te ruimen en daarmee te zorgen voor een opgeruimde bouwplaats, maar als er dan toch nog spullen van diverse (onder)aannemers zijn blijven liggen, waardoor een ander zijn werkzaamheden niet kan starten, dan zullen die spullen door iemand opgeruimd moeten worden. Zoals [eiser] heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, was het op de bouwplaats wel vaker een rommeltje en was het niet ongewoon dat hij opruimwerk verrichtte. Hij factureerde deze werkzaamheden dan als ‘meerwerk’ bij [opdrachtgever eiser] .
Dat er een opruimploeg op de bouw aanwezig was, zoals [bouwbegeleider] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, is door [eiser] bij gebrek aan wetenschap betwist.
Of deze opruimploeg er wel of niet was, maakt het oordeel ook niet anders. [bouwbegeleider] was de ochtend van het ongeval van [eiser] niet aanwezig, [eiser] kon hem dus niet vragen om de opruimploeg in te schakelen. [eiser] wilde starten met zijn werkzaamheden en heeft ervoor gekozen de werkvloer samen met zijn collega’s vrij te maken om zo te kunnen starten met de werkzaamheden.

5.6.6.

Verder heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat hij nimmer deelnam aan startbouwbesprekingen, althans hij kan zich geen uitnodiging herinneren waarop hij niet is ingegaan. Hierbij heeft [eiser] gewezen op het tijdstip van het ongeval. Nederland zat op dat moment namelijk in een lockdown vanwege Corona en toen werd er geen dagelijkse dagstart gehouden. Dit is door [bouwbegeleider] niet weersproken.

5.6.7.

Ook de stelling dat [eiser] bekend is geweest, althans bekend had moeten zijn, met de houten afdekplaat, omdat op de plek van het trapgat, vanuit de kelder gezien, door [eiser] en zijn collega’s is geschilderd, wordt door de kantonrechter niet gevolgd.
De onderkant van de houten afdekplaat (zoals te zien vanuit de kelder) is niet te zien in hal B en was als zodanig ook niet herkenbaar voor [eiser] . Ook het standpunt dat [eiser] ermee bekend had moeten zijn omdat hij op een eerder moment schilderwerkzaamheden in de kelder heeft verricht, passeert de kantonrechter. Van [eiser] kan in redelijkheid niet verwacht worden dat als hij werkzaamheden in een kelder heeft verricht, hij op het moment dat hij op de verdieping erboven werkzaamheden verricht helder heeft dat en waar zich een trapgat bevindt.

Conclusie

5.7.

[bouwbegeleider] heeft in zijn hoedanigheid van bouwbegeleider (die ook een zorgplicht heeft voor de veiligheid op de bouwplaats) onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] , omdat hij een houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening heeft laten maken, die ondeugdelijk was, want deze was niet geborgd en/of gemarkeerd. Hierdoor heeft [eiser] deze afdekplaat niet herkend als veiligheidsvoorziening en heeft hij deze bij het opruimen/vrijmaken van de vloer kunnen optillen/kantelen, waardoor het trapgat open kwam te liggen en [eiser] daardoor naar beneden kon vallen. Deze gevaarzettende situatie heeft tot de (letsel)schade van [eiser] geleid.

Het vorenstaande kan aan [bouwbegeleider] worden toegerekend, want hij heeft [eiser] aan een groter risico blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was (‘gevaarzetting’).

5.8.

[bouwbegeleider] wordt daarom (mede) verantwoordelijk gehouden voor de ondeugdelijke veiligheidsvoorziening die heeft geleid tot het ongeval van [eiser] .

Omdat [bouwbegeleider] zijn AVB-verzekering tegen bedrijfs- c.q. beroepsaansprakelijkheid ten tijde van het ongeval had ondergebracht bij NN en het ongeval conform artikel 7:941 BW door [bouwbegeleider] aan NN is gemeld, kan [eiser] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW verlangen dat NN, indien zij tot uitkering verplicht is, die uitkering - voor zover strekkende tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden schade - aan [eiser] verricht. Het risico waartegen [bouwbegeleider] zich als bouwbegeleider heeft verzekerd, heeft zich namelijk verwezenlijkt.

Het afzonderlijk gevoerde dekkingsverweer van NN

5.9.

De kantonrechter is van oordeel dat NN tot uitkering verplicht is.

[bouwbegeleider] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk gemotiveerd weersproken dat hij als hoofduitvoerder op de bouw heeft gefungeerd in plaats van als bouwbegeleider.
Het verweer van NN dat schade voortvloeiend uit andere activiteiten (zoals handelen als hoofduitvoerder) buiten de dekking valt, verliest daarmee zijn belang.

De kantonrechter zal dit oordeel later - in de vrijwaringszaak van [bouwbegeleider] tegen NN (rov. 6.6) - nader motiveren.

[opdrachtgever eiser] en ASR

5.10.

[opdrachtgever eiser] en ASR stellen zich - kort gezegd - op het standpunt dat bij de door [eiser] verrichte opruimwerkzaamheden (waaruit het ongeval is ontstaan) geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW.

Voor zover de kantonrechter oordeelt dat dit wel het geval is, menen [opdrachtgever eiser] en ASR dat [opdrachtgever eiser] aan haar zorgplicht jegens [eiser] heeft voldaan.

Ter onderbouwing van dit standpunt voeren [opdrachtgever eiser] en ASR het volgende als verweer aan.

Geen artikel 7:658 lid 4 BW-situatie

5.10.1.

[opdrachtgever eiser] heeft per e-mail van 16 maart 2020 en opvolgende e-mailwisseling van 26 maart 2020, 9 april 2020 en 1 mei 2020, met tussenkomst van [A] , verbonden aan [projectmanager] , van [eigenaar pand] de opdracht gekregen voor het uitvoeren van het schilderwerk van bedrijfsruimten voor het project " [eigenaar pand] te [plaats] ".
[opdrachtgever eiser] heeft per e-mail van 15 april 2020 de opdracht van [eigenaar pand] één op één naar [eiser] doorgestuurd10. Uit de opdracht volgt dat [eiser] de spuitwerkzaamheden diende uit te voeren in de kelder en in de loods/hal van het pand van [eigenaar pand] . Meer precies diende [eiser] wanden, kolommen en plafonds te spuiten.

[eiser] is een schildersbedrijf dat al jaren is gespecialiseerd in verfspuiten en voor de uitvoering van de opdracht had [eiser] eigen mensen meegenomen. Uit het uittreksel van de kamer van koophandel volgt dat [eiser] zijn bedrijf, [handelsnaam eiser] V.O.F, met ingang van 1 januari 2020 heeft opgericht. Ten tijde van het ongeval ging het dus niet om een kleine zelfstandige die schilderwerkzaamheden ging verrichten voor [opdrachtgever eiser] . Evenmin is relevant dat [handelsnaam eiser] V.O.F. vaker door [opdrachtgever eiser] werd ingeschakeld.

[opdrachtgever eiser] wist niets van de opruimwerkzaamheden die door [eiser] werden uitgevoerd. Deze vielen buiten de schilderwerkzaamheden die [opdrachtgever eiser] aan [eiser] had opgedragen. [eiser] is dus - zonder enige mededeling aan [opdrachtgever eiser] - in opdracht van [bouwbegeleider] of op eigen initiatief - op 7 mei 2020 opruimwerkzaamheden gaan verrichten, die buiten de opdracht/schilderwerkzaamheden vielen die [opdrachtgever eiser] aan [eiser] had opgedragen.

Kortom, [eiser] kan geen beroep doen op artikel 7:658 lid 4 BW, want hij heeft in de uitvoering van zijn schilderwerkzaamheden voor [opdrachtgever eiser] niet gehandeld als "een persoon" of als een "zelfstandige zonder personeel" zoals is bedoeld in lid 4 van artikel 7:658 BW. [eiser] heeft ten tijde van het ongeval gehandeld in de uitoefening van zijn eigen vennootschap onder firma als specialist in spuitwerkzaamheden en met zijn eigen personeel. Dat brengt met zich mee dat [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW niet als werkgever van [eiser] is te beschouwen.

5.10.2.

Verder is van belang dat [eiser] als eigenaar/directeur van zijn eigen vennootschap onder firma zelf juist invloed had op de wijze waarop en de omstandigheden waaronder hijzelf en zijn mensen/personeel werkzaamheden dienden te verrichten. Hij heeft zelf- zonder enig overleg met [opdrachtgever eiser] - opruimwerkzaamheden uitgevoerd. [opdrachtgever eiser] had geen enkele zeggenschap over deze opruimwerkzaamheden.

Naast bij [eiser] zelf, lag de zeggenschap over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder [eiser] en zijn personeel de opruimwerkzaamheden dienden uit te voeren bij [bouwbegeleider] die door [eigenaar pand] als bouwbegeleider van het project is ingeschakeld.

[bouwbegeleider] had de dagelijkse leiding en hield zich bezig met het aansturen van de (onder-) aannemers op de bouwlocatie. [bouwbegeleider] , die door [eigenaar pand] is ingeschakeld, was verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwlocatie en het treffen van veiligheidsvoorzieningen op de bouwlocatie. [bouwbegeleider] kon bepalen op welke plaats en onder welke omstandigheden [eiser] zijn werkzaamheden diende uit te voeren. [bouwbegeleider] was degene die de coördinatie van de werkzaamheden op zich nam en er voor zorgde dat de werknemers op de bouwlocatie werden geïnstrueerd.

[bouwbegeleider] , [A] ( [projectmanager] ) en/of [eigenaar pand] waren dus verantwoordelijk voor het treffen van veiligheidsmaatregelen op de bouwlocatie in de zin van artikel 7:658 BW.

Dat volgt ook uit het feit dat niet [opdrachtgever eiser] de betreffende trapgatafdichting heeft geplaatst, maar dat [bouwbegeleider] dit heeft laten maken en plaatsen. Als sprake was van onvoldoende waarschuwingen en/of markeringen van de afdekking van het trapgat, dan had het op de weg van [bouwbegeleider] of [eigenaar pand] gelegen om deze veiligheidsmaatregelen te treffen. Hierop had [opdrachtgever eiser] (als kleine onderaannemer op de bouwlocatie) geen enkele invloed.
De zeggenschap over de inrichting van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder [eiser] zijn (opruim)werkzaamheden diende te verrichten, rustte dan ook op [bouwbegeleider] .

Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] voor de uitvoering van de (opruim)werkzaamheden voor de zorg van zijn veiligheid niet afhankelijk was van [opdrachtgever eiser] maar afhankelijk was van of zichzelf of van [bouwbegeleider] , [A] en/of [eigenaar pand] . Dat brengt met zich mee dat [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 niet als werkgever van [eiser] is te beschouwen.

Geen schending zorgplicht

5.10.3.

Mocht toch sprake zijn van een artikel 7:658 lid 4 BW situatie, dan menen [opdrachtgever eiser] en ASR dat [opdrachtgever eiser] heeft voldaan aan haar zorgverplichting en om die reden niet aansprakelijk te achten is voor het [eiser] overkomen ongelukkig voorval.

[opdrachtgever eiser] heeft de juiste adequate werkmaterialen/gereedschappen ter beschikking gesteld aan [eiser] ten behoeve van de gegeven opdracht.

Ook heeft [opdrachtgever eiser] de vereiste maatregelen getroffen en aanwijzingen gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn opgedragen werkzaamheden schade zou lijden.

[opdrachtgever eiser] heeft veiligheid hoog in het vaandel staan. Zij streeft ernaar te zorgen voor een optimaal werkklimaat voor haar medewerkers en derden en wil dit bereiken in samenspraak met haar medewerkers en klanten. Met het oog daarop wordt een VGM-beleid gevoerd. Deze informatie is ook aan [eiser] overhandigd.

Daarbij is het bedrijf van [opdrachtgever eiser] volledig VCA gecertificeerd en dienen dus alle medewerkers (waaronder ook de door [opdrachtgever eiser] ingeschakelde partijen) in het bezit te zijn van een VCA-diploma.

Om de veiligheid van de werknemers en van de ingeschakelde zzp'ers te waarborgen werden op de verschillende projecten werkplekinspecties gehouden om toe te zien op de veiligheid. Ook worden dan de gebruikte materialen van de door verzekerde ingehuurde zzp-ers gekeurd. Dat gebeurde ook ten tijde van het project te [plaats] . [opdrachtgever eiser] was wekelijks aanwezig op de bouw om toezicht te houden op de werkzaamheden en de veiligheid.

Relevant in het kader van de zorgverplichting is ook dat [eiser] een gespecialiseerde verfspuiter is met al vele jaren ervaring. Ook was/is [eiser] VCA gecertificeerd. Ten tijde van het ongeval handelde [eiser] in de uitvoering van zijn eigen vennootschap onder firma. Van [eiser] , met veel ervaring, met zijn eigen vennootschap en zijn eigen mensen, mag dan ook een zekere zelfstandigheid worden verlangd.

Van [opdrachtgever eiser] kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat voortdurend toezicht wordt gehouden en/of instructies worden gegeven. Zeker niet op werkzaamheden die buiten de opdracht van [opdrachtgever eiser] vielen. [opdrachtgever eiser] heeft al het redelijke gedaan wat van haar redelijkerwijs in verband met de aard van het werk en de ervaring en opleiding van [eiser] kon worden gevergd.

Van [opdrachtgever eiser] kan rederlijkwijs niet verlangd worden dat de zorgverplichting ook strekt tot andere opdrachten die [eiser] - handelend in de uitvoering van zijn eigen vennootschap - zonder enige mededelingen aan [opdrachtgever eiser] op eigen initiatief of in opdracht van [bouwbegeleider] heeft uitgevoerd. [opdrachtgever eiser] hoefde er geen rekening mee te houden dat [eiser] , buiten de gegeven opdracht, opruimwerkzaamheden zou gaan verrichten. Van dit eigen handelen van [eiser] was [opdrachtgever eiser] niet op de hoogte.

Er was aldus ook geen enkele aanleiding voor [opdrachtgever eiser] om maatregelen te treffen en/of nadere instructies te verstrekken.

Oordeel kantonrechter

5.11.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot het verweer van [opdrachtgever eiser] en ASR het volgende.

Aansprakelijkheid artikel 7:658 lid 4 BW

5.11.1.

Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft (in dit geval: [eiser] ), aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de opdrachtgever ( [opdrachtgever eiser] ) aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

5.11.2.

Als onweersproken staat vast dat [opdrachtgever eiser] per e-mail van 15 april 2020 de overeenkomst van opdracht van [eigenaar pand] aan haar één op één naar [eiser] heeft doorgestuurd.

Uit de opdracht volgt dat [eiser] verf/spuitwerkzaamheden diende uit te voeren in de kelder en in de loods/hal van het pand van [eigenaar pand] . Conform de overeenkomst van 15 april 2020 heeft [eiser] spuitwerkzaamheden uitgevoerd.

Ten tijde van het ongeval had [eiser] als rechtsvorm een eenmanszaak en geen vennootschap onder firma. Na het ongeval heeft hij - met terugwerkende kracht - zijn eenmanszaak omgezet in een vof om zijn bedrijf te kunnen behouden, zoals [eiser] heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling.

Echter, om als “een persoon” in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW te kunnen worden aangemerkt, is bepalend of [eiser] zich, wat betreft de door de [opdrachtgever eiser] in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer van [opdrachtgever eiser] vergelijkbare positie bevindt.

Dit betekent dat hij voor de zorg van zijn veiligheid (mede) afhankelijk moet zijn van [opdrachtgever eiser] . Of dit het geval is, wordt onder meer bepaald door de feitelijke verhouding tussen [opdrachtgever eiser] en [eiser] , de aard van verrichte werkzaamheden en de mate waarin [opdrachtgever eiser] , al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van [eiser] en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.

Partijen hebben over deze punten het volgende aangevoerd.

De feitelijke verhouding tussen [eiser] en [opdrachtgever eiser]

5.11.3.

[eiser] ontving al zo’n vier à vijf jaar opdrachten van [opdrachtgever eiser] , wat goed was voor een groot deel van zijn omzet. Daarbij wijst [eiser] ook op de ‘enorme’ marge die [opdrachtgever eiser] had op het werk dat door [eiser] werd uitgevoerd11. Verder leverde [opdrachtgever eiser] de verf en de bedrijfskleding aan.

[opdrachtgever eiser] heeft tijdens de mondelinge verklaring verklaard dat door [eiser] meestal haar bedrijfskleding werd gedragen, maar niet altijd.

De mate waarin [opdrachtgever eiser] invloed had op de werkomstandigheden van [eiser]

5.11.4.

[opdrachtgever eiser] contracteerde met [eigenaar pand] (middels [projectmanager] ), zij heeft een VGM-deelplan ingeleverd, was/mocht aanwezig zijn bij coördinatie- en werkbesprekingen die [A] dan wel [bouwbegeleider] met de aannemers voerde en was regelmatig ter plaatse om de werkomstandigheden en de vorderingen van het werk te bekijken12.

Ook op 6 mei 2020, de dag voor het ongeval, was [opdrachtgever eiser] op de werkplek aanwezig. [opdrachtgever eiser] heeft, zoals verklaard aan de Inspectie SZW, foto’s gemaakt van de ruimte in hal B, waaruit bleek dat de vloer nog vol lag met bouwmaterialen.

Dit staat volgens [eiser] haaks op haar later ingenomen standpunt dat zij er niet van op de hoogte was dat er opruimwerkzaamheden (door [eiser] ) verricht zouden (moeten) worden, voordat de afplak- en spuitwerkzaamheden konden plaatsvinden.

[opdrachtgever eiser] heeft er voor gekozen om haar V&G-coördinator, althans een van de projectleiders die [opdrachtgever eiser] in dienst heeft, niet op dit project in te zetten en daarmee in feite gebruik heeft gemaakt van “hulppersonen” zoals [bouwbegeleider] , aldus [eiser] .

De aard van de verrichte werkzaamheden

5.11.5.

Op 7 mei 2020 zou [eiser] het plafond in hal B spuiten. Om deze opdracht uit te kunnen uitvoeren, moest de vloer van hal B vrij zijn, anders kon de aanwezige schaarwerker die nodig was voor het afplakken en (tex)spuiten van het plafond niet, althans niet goed, gebruikt worden. [eiser] deed en factureerde regelmatig meerwerk (waaronder opruimwerk) aan [opdrachtgever eiser] .

[opdrachtgever eiser] heeft zelf ten overstaan van de Inspectie SZW verklaard dat zij de toestemming voor meerwerk door [eiser] niet vooraf hoeft te geven, en dat alles op basis van redelijkheid en billijkheid gaat. Deze werkwijze heeft [opdrachtgever eiser] tijdens de mondelinge behandeling nogmaals bevestigd. Eén keer in de twee maanden mocht [opdrachtgever eiser] meerwerk factureren bij [eigenaar pand] en dit betrof zoals gezegd “hele lijsten”.

De daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s

5.11.6.

Aan de werkzaamheden van [eiser] , het (tex)spuiten in een bedrijfspand dat in aanbouw is, zijn veiligheidsrisico’s verbonden.

5.11.7.

Uit het voorgaande (5.11.3 tot en met 5.11.6) volgt dat [eiser] in de feitelijke verhouding tot [opdrachtgever eiser] in grote mate gelijkenis vertoont met een werknemer van [opdrachtgever eiser] . [eiser] ontving opdrachten, verf en bedrijfskleding. [opdrachtgever eiser] had invloed op de werkomstandigheden en veiligheidsrisico’s. Ook tijdens het opruimen was [eiser] nog steeds met "de uitoefening van het werk voor [opdrachtgever eiser] ” bezig, deze werkzaamheden factureerde [eiser] immers ook conform afspraak aan [opdrachtgever eiser] .
De stelling van [opdrachtgever eiser] en ASR dat [opdrachtgever eiser] voor de veiligheid van de opruimwerkzaamheden niet verantwoordelijk was, moet dus worden verworpen.

[opdrachtgever eiser] was er, als opdrachtgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW, volgens [eiser] wel degelijk verantwoordelijk voor dat de situatie ter plaatse, en dus ook de afdichtingsconstructie, zo veilig mogelijk zou zijn, althans zij was er ten opzichte van [eiser] verantwoordelijk voor hier kennis van de hebben, en [eiser] daarvan in kennis te stellen.

De kantonrechter is - alles wat is aangevoerd in onderling verband bezien - van oordeel dat bij de door [eiser] verrichte opruimwerkzaamheden (waaruit het ongeval is ontstaan) wel degelijk sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW.

Schending zorgplicht

5.11.8.

Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is [opdrachtgever eiser] aansprakelijk voor de schade die [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij [opdrachtgever eiser] aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever eiser] hierin niet geslaagd is. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.11.9.

Niet in geschil is dat [opdrachtgever eiser] een VGM-beleid voert, dat zij volledig VCA gecertificeerd is en dat alle medewerkers (waaronder ook de door [opdrachtgever eiser] ingeschakelde partijen, zoals [eiser] ) in het bezit dienen te zijn van een VCA-diploma.

Evenmin is in geschil dat [opdrachtgever eiser] werkplekinspecties hield (op de bouwplaats van [eigenaar pand] wekelijks) waarbij ook werd toegezien op de veiligheid en dat zij (adequate) werkmaterialen/gereedschappen ter beschikking heeft gesteld aan [eiser] ten behoeve van de gegeven opdracht.

Het VGM-plan dat door [opdrachtgever eiser] aan [eiser] is uitgereikt is echter een algemeen document dat niet is toegespitst op een bepaald project en de daaraan specifiek verbonden veiligheidsrisico’s. [eiser] werd daarin dus niet geïnformeerd over de specifieke locatie, bijvoorbeeld waar zich op de werklocatie trapsparingen bevonden en hoe die waren afgedicht. In het VGM-plan wordt enkel in algemene bewoordingen aangegeven dat aangebrachte (veiligheids-)voorzieningen zoveel mogelijk in stand worden gelaten13. Probleem is echter dat [eiser] , toen hij de afdekplaat optilde, zich er niet van bewust was dat dit een veiligheidsvoorziening betrof ter afdichting van een trapsparing.

[opdrachtgever eiser] is op 6 mei 2020, dus daags voor het ongeval, nog in hal B geweest. Hierover heeft [opdrachtgever eiser] het volgende verklaard tegen de Inspectie SZW14:

De foto’s die [opdrachtgever eiser] aan de Inspectie SZW heeft getoond zijn door [opdrachtgever eiser] niet in het geding gebracht, maar de kantonrechter gaat ervan uit dat de vloer in hal B ook
’s-ochtends op 7 mei 2020 nog vol lag met bouwmaterialen. Dat dit niet het geval zou zijn, is gesteld noch gebleken en wordt bevestigd door de foto’s die op 6 mei 2020 door [opdrachtgever eiser] zijn gemaakt.

Verder is gesteld noch gebleken dat [opdrachtgever eiser] de houten afdekplaat heeft opgemerkt, of actie heeft ondernomen om de vloer op te (laten) ruimen, zodat [eiser] de volgende dag zonder voorafgaand opruimwerkzaamheden te verrichten (veilig) zijn spuitwerkzaamheden kon doen, terwijl dit wel op haar weg had gelegen.

Immers, [opdrachtgever eiser] was er (als opdrachtgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW) verantwoordelijk voor dat de situatie ter plaatse, en dus ook de houten afdekplaat, zo veilig mogelijk zou zijn. [opdrachtgever eiser] diende in ieder geval kennis te hebben van de (gevaarzettend gebleken) situatie rondom deze afdichtingsconstructie en [eiser] daarvoor te waarschuwen. Dit is niet gebeurd.

5.11.10.

Tot slot wijzen [opdrachtgever eiser] en ASR nog op het Dakdekkersarrest15, ter onderbouwing van hun stelling dat [opdrachtgever eiser] alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht indachtig de aard van het werk enerzijds, en de werkervaring c.q. opleiding van [eiser] anderzijds.

Hiermee miskennen zij, zoals [eiser] ook heeft aangevoerd, dat een werkgever ook verantwoordelijk is voor de veiligheid van ervaren werknemers en steeds rekening dient te houden met het verschijnsel dat ook die werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is en dat - in geval van [eiser] - de bekendheid of de kennis die [opdrachtgever eiser] zou moeten hebben met de aan het werk verbonden risico’s (zoals dat in een te bouwen pand trapsparingen aanwezig zullen zijn) en het treffen van veiligheidsmaatregelen, niet enkel aan het inzicht van [eiser] had mogen overlaten.

Conclusie

5.12.

Gelet op het vorenstaande is [opdrachtgever eiser] op grond van artikel 7:658 lid 4 BW (mede) aansprakelijk voor de schade die [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt of heeft geleden.

Omdat [opdrachtgever eiser] zijn verzekering tegens bedrijfs- c.q. beroepsaansprakelijkheid ten tijde van het ongeval had ondergebracht bij ASR en het ongeval conform artikel 7:941 BW door [opdrachtgever eiser] aan ASR is gemeld, kan [eiser] op grond van artikel 7:954 lid 1 BW verlangen dat ASR, indien zij tot uitkering verplicht is, die uitkering - voor zover strekkende tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval geleden schade - aan [eiser] verricht. Het risico waartegen [opdrachtgever eiser] zich heeft verzekerd, heeft zich namelijk verwezenlijkt.

Vorderingen in de hoofdzaak

De gevorderde verklaringen voor recht

5.13.

Vorenstaande betekent dat [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade en dat AIG, NN en ASR op grond van de directe actie ex artikel 7:954 BW (hoofdelijk) verplicht zijn de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden.

De door [eiser] onder 1. gevorderde verklaringen voor recht zullen dan ook worden afgegeven.

Schadevergoeding, nader op te maken bij staat

5.14.

De onder 2. gevorderde hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf het ontstaan van de schade) zal worden toegewezen, zoals onder de beslissing vermeld.

Proceskostenveroordeling

5.15.

Alle gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

5.15.1.

De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaardingen

801,97

 

- griffierecht

86,00

 

- salaris gemachtigde

2174,00

(2 punten × € 1087,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.196,97

 

5.15.2.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.15.3.

De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6. De procedures in vrijwaring, in onder vrijwaring en in onder onder vrijwaring

6.1.

Hierna zal de kantonrechter per vrijwaringsprocedure beoordelen in hoeverre partijen in hun onderlinge verhouding (al dan niet deels) draagplichtig zijn.

6.2.

De kantonrechter zal allereerst (per zaaknummer) de vrijwaringsprocedures beoordelen, waarin [bouwbegeleider] als eisende partij optreedt en daarbij ook de daarvan afgeleide onder vrijwaring van [eigenaar pand] op [projectmanager] meenemen.

In de hoofdzaak is op 23 november 2023 een tussenvonnis gewezen waarin [bouwbegeleider] toestemming heeft gekregen om [eigenaar pand] , [opdrachtgever eiser] , [eigenaar pand] , NN en [projectmanager] in vrijwaring op te roepen. Tegen [projectmanager] is [bouwbegeleider] uiteindelijk geen vrijwaringsprocedure gestart.

Daarna zal de kantonrechter (per zaaknummer) de vrijwaringsprocedures van
[opdrachtgever eiser] en ASR beoordelen jegens [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] en tenslotte ook de daarvan afgeleide onder vrijwaring van [eigenaar pand] op [projectmanager] en de onder onder vrijwaring van [projectmanager] op [bouwbegeleider] .

[bouwbegeleider] als eisende partij in vrijwaring tegen [opdrachtgever eiser] , [eigenaar pand] en NN

6.3. 10837527

10837527 CV EXPL 23-7712 ( [bouwbegeleider] tegen [opdrachtgever eiser] ):

6.3.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties van 5 december 2023, waarin [bouwbegeleider] [opdrachtgever eiser] in vrijwaring heeft opgeroepen,

  • -

    de conclusie van antwoord met 7 bijlagen van 7 maart 2024 van [opdrachtgever eiser] .

6.3.2.

[bouwbegeleider] vordert dat de kantonrechter, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer: 10486568 CV EXPL 23-2614, [opdrachtgever eiser] veroordeelt om:

1. aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

2. [opdrachtgever eiser] te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.3.3.

[bouwbegeleider] voert ter onderbouwing van de vordering aan dat [opdrachtgever eiser] gehouden is [bouwbegeleider] in deze zaak te vrijwaren, omdat - waar het de contractuele verantwoordelijkheid betreft - geldt dat [opdrachtgever eiser] de partij is die als hoofdaannemer 'boven' [eiser] verantwoordelijk is, nu tussen [opdrachtgever eiser] en [eiser] een contractuele relatie bestaat en het niet aan [bouwbegeleider] maar aan [opdrachtgever eiser] was (op grond van de hem gegeven opdracht aan [eiser] om te schilderen) de ruimte te ontruimen indien dat noodzakelijk was.
[opdrachtgever eiser] gaf immers opdracht tot de schilderwerkzaamheden (en tot opruimen en schoonmaken) en niet [bouwbegeleider] in de hoedanigheid van bouwbegeleider. [bouwbegeleider] verwijst in dit verband ook naar het VGM-deelplan dat door [opdrachtgever eiser] is opgesteld, waarin de verantwoordelijkheid voor tal van veiligheidsaspecten uitdrukkelijk bij [opdrachtgever eiser] ligt.

6.3.4.

[opdrachtgever eiser] heeft verweer gevoerd en concludeert dat [bouwbegeleider] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat diens vordering dient te worden afgewezen en dat hij veroordeeld dient te worden in de kosten van de onderhavige procedure, dit alles te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en voor het geval de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, uitvoerbaar bij voorraad.

[opdrachtgever eiser] heeft - kort samengevat – als meest vertrekkende verweer aangevoerd dat [bouwbegeleider] de trapafdichting heeft laten plaatsen. Het had volgens [opdrachtgever eiser] dus op de weg van [bouwbegeleider] gelegen om veiligheidsmaatregelen te treffen en de bewuste trapafdichting te voorzien van randbeveiliging, waarschuwingen en/of markeringen.

De beoordeling van de kantonrechter

6.3.5.

De kantonrechter is van oordeel dat in de onderlinge verhouding tussen [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] , [bouwbegeleider] verplicht is tot vergoeding van de schade van [eiser] , en niet [opdrachtgever eiser] , omdat [bouwbegeleider] degene is die de houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening heeft laten maken. Deze was als veiligheidsvoorziening, zoals hiervoor overwogen (vgl. rov. 5.8), ondeugdelijk, want de houten afdekplaat was niet geborgd en/of gemarkeerd.
[bouwbegeleider] moet in dat kader [opdrachtgever eiser] vrijwaren en dus niet andersom, zoals [bouwbegeleider] in deze vrijwaringsprocedure, als eisende partij vordert.

De kantonrechter overweegt daarover verder als volgt.

6.3.6.

[bouwbegeleider] had als bouwbegeleider de verantwoordelijkheid en dagelijkse leiding over het reilen en zeilen van het gehele bouwproces. Hij was degene die aanstuurde welke (onder-)aannemer wanneer en in welke ruimte werkzaamheden moest verrichten.

Van [bouwbegeleider] mocht dus worden verwacht dat hij bij de werkzaamheden van de (onder-) aannemers in voldoende mate aandacht zou besteden aan de veiligheid op de bouwplaats.

Hij kan [opdrachtgever eiser] dan ook niet tegenwerpen dat zij de partij is die als hoofdaannemer “boven” [eiser] verantwoordelijk is geweest voor de omstandigheid dat [eiser] hal B is gaan opruimen. Dit was namelijk nodig voordat überhaupt met de schilderwerkzaamheden kon worden begonnen, want het was op de bouwplaats wel vaker ‘een rommeltje’, zoals door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken is gesteld. Het had op de weg van [bouwbegeleider] gelegen om ervoor te zorgen dat de (onder-)aannemer die voor [opdrachtgever eiser] / [eiser] werkzaamheden heeft verricht in hal B, de bouwplaats opgeruimd achter zou laten of om daarvoor een opruimploeg in te schakelen.

Verder is het [bouwbegeleider] geweest die [eiser] aan een groter risico heeft blootgesteld dan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs verantwoord was (‘gevaarzetting’) en niet [opdrachtgever eiser] . Immers, [bouwbegeleider] heeft de houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening laten maken, die niet geborgd en/of gemarkeerd was. Hierdoor heeft [eiser] deze afdekplaat niet herkend als veiligheidsvoorziening en heeft hij deze bij het opruimen/vrijmaken van de vloer kunnen optillen/kantelen, waardoor het trapgat open kwam te liggen en [eiser] daardoor naar beneden kon vallen. [opdrachtgever eiser] heeft daarbij geen bemoeienis gehad.

6.3.7.

Vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens [opdrachtgever eiser] moet worden afgewezen.

6.3.8.

[bouwbegeleider] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever eiser] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.3.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.4. 10837521

CV EXPL 23-7711 ( [bouwbegeleider] tegen [eigenaar pand] ):

6.4.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties van 5 december 2023, waarin [bouwbegeleider] [eigenaar pand] in vrijwaring heeft opgeroepen,

  • -

    het incident tot oproeping in onder vrijwaring van 8 februari 2024, waarin [eigenaar pand] en AIG de kantonrechter hebben verzocht om [projectmanager] in onder vrijwaring te mogen oproepen,

  • -

    de conclusie van antwoord van [bouwbegeleider] in onder vrijwaring van 7 maart 2024,
    met 1 productie,

  • -

    de akte uitlaten producties van [eigenaar pand] en AIG van 21 maart 2024,

  • -

    het vonnis in het incident van 18 april 2024,

  • -

    de conclusie van antwoord van [eigenaar pand] van 16 mei 2024.

6.4.2.

[bouwbegeleider] vordert dat de kantonrechter, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer: 10486568 CV EXPL 23-2614,
[eigenaar pand] veroordeelt om:

1. aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

2. [eigenaar pand] te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.4.3.

[bouwbegeleider] voert als grondslag van zijn vordering aan dat [eigenaar pand] gehouden is [bouwbegeleider] in deze zaak te vrijwaren, omdat zij opdrachtgever is van [bouwbegeleider] , zodat zij aansprakelijk is voor diens doen en nalaten.

[bouwbegeleider] verwijst voor de verdere onderbouwing van zijn standpunt naar hetgeen door hem gesteld is onder de punten 49 van de door [bouwbegeleider] overgelegde conclusie van antwoord van 24 augustus 2023 in de hoofdzaak. Onder punt 49 heeft [bouwbegeleider] ten aanzien van [eigenaar pand] (enkel) het volgende gesteld:

6.4.4.

[eigenaar pand] voert verweer en concludeert om de vorderingen in vrijwaring van [bouwbegeleider] af te wijzen met veroordeling van [bouwbegeleider] in de proceskosten alsmede in de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 14 dagen na het vonnis wanneer [bouwbegeleider] in gebreke blijft de proceskosten en de nakosten te voldoen.

[eigenaar pand] heeft - kort samengevat - als verweer gevoerd dat niet zij, maar [bouwbegeleider] de partij was die ter plaatse aanwezig was en de concrete werkzaamheden aan de bouwvakkers opdroeg, waarbij mede van belang is dat [bouwbegeleider] zelf de trapgatafdichting heeft laten maken die door [eiser] ten tijde van de opruimwerkzaamheden is opgetild.

De beoordeling van de kantonrechter

6.4.5.

[bouwbegeleider] dient gemotiveerd te stellen dat tussen hem en [eigenaar pand] een rechtsverhouding bestaat die voor [eigenaar pand] een verplichting meebrengt [bouwbegeleider] te vrijwaren voor de gevolgen van een mogelijke veroordeling in de hoofdzaak. Aan dit vereiste heeft [bouwbegeleider] niet voldaan.

Dat wat [bouwbegeleider] daartoe heeft gesteld in zijn inleidende dagvaarding, namelijk dat [eigenaar pand] opdrachtgever is van [bouwbegeleider] ‘zodat zij aansprakelijk is voor diens doen/handelen en nalaten’ is daartoe onvoldoende. Zonder nadere toelichting van de (grondslag van de) vordering die ontbreekt, is deze vordering niet toewijsbaar. Het verweer van [eigenaar pand] in deze vrijwaringsprocedure behoeft daarom geen verdere bespreking meer.

6.4.6.

[bouwbegeleider] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van [eigenaar pand] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.4.7.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.5. 11094103

CV EXPL 24-3215 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] )

6.5.1.

De afwijzing van de vordering in de vrijwaringsprocedure van [bouwbegeleider] tegen [eigenaar pand] heeft eveneens tot gevolg dat ook de vorderingen in de daaraan gelieerde procedure in onder vrijwaring van [eigenaar pand] op [projectmanager] worden afgewezen. Immers, de beslissing in de vrijwaringszaak valt voor [eigenaar pand] voordelig uit: de vorderingen van [bouwbegeleider] worden afgewezen, met veroordeling van [bouwbegeleider] in de proceskosten. [eigenaar pand] heeft in deze vrijwaringsprocedure dus geen verhaal (nodig) op [projectmanager] .

Alles wat in het kader van deze onder vrijwaringsprocedure door [eigenaar pand] en [projectmanager] is aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking meer.

6.5.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in deze onder vrijwaringsprocedure geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.6. 10837488

CV EXPL 23-7710 ( [bouwbegeleider] tegen NN)

6.6.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties van 5 december 2023, waarin [bouwbegeleider] NN in vrijwaring heeft opgeroepen,

  • -

    de conclusie van antwoord van NN met 8 bijlagen van 8 februari 2024.

6.6.2.

[bouwbegeleider] vordert dat de kantonrechter, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak aanhangig onder zaaknummer: 10486568 CV EXPL 23-2614,

NN veroordeelt om:

1. om aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens

[eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

2. NN te veroordelen in de kosten van het geding in deze vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en
- voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, één en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.6.3.

[bouwbegeleider] voert - kort samengevat - als grondslag van zijn vordering aan dat NN gehouden is [bouwbegeleider] in deze zaak te vrijwaren, omdat zij, als de AVB-verzekeraar van [bouwbegeleider] , dekking moet verlenen indien [bouwbegeleider] wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [eiser] .

6.6.4.

NN voert verweer en concludeert om de door [bouwbegeleider] ingestelde vorderingen af te wijzen en [bouwbegeleider] te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

NN heeft - kort samengevat - als verweer aangevoerd dat er geen sprake van een verzekerde hoedanigheid op basis waarvan NN onder de betreffende AVB-polis dekking zou moeten verlenen. De werkzaamheden en verantwoordelijkheden die [bouwbegeleider] als (hoofd)uitvoerder op zich heeft genomen, namelijk de verantwoordelijkheid voor toezicht en veiligheid op de bouw, vallen buiten de verzekerde hoedanigheid. [bouwbegeleider] is alleen verzekerd voor de werkzaamheden ‘bouwbegeleiding’. NN is daarom niet gehouden tot het vrijwaren van [bouwbegeleider] ten aanzien van de vordering die [eiser] tegen [bouwbegeleider] instelt in de aanhangige hoofdzaak.

De beoordeling van de kantonrechter

6.6.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [bouwbegeleider] op 7 november 2019, via zijn tussenpersoon, een aanvraag Zekerheidspakket Bouw bij NN heeft aangevraagd.
De aangevraagde verzekering is per 1 januari 2020 ingegaan16.

Als verzekerd beroep/bedrijf/activiteiten is daarbij - evenals in het aanvraagformulier - vermeld:

[bouwbegeleider] heeft bij NN op 22 juli 2020 melding gemaakt van een ongeval op een bouwplaats nadat hij aansprakelijk was gesteld door [eiser] . Na ontvangst van de schademelding van [bouwbegeleider] heeft NN bureau [B] ingeschakeld om onderzoek te doen naar het ongeval en de betrokkenheid van [bouwbegeleider] daarbij. Uit het toedrachtsrapport van [B] van 6 april 202117 volgde, zoals NN stelt, dat [bouwbegeleider] werkzaamheden als hoofduitvoerder heeft verricht voor [eigenaar pand] . Zo blijkt uit het rapport dat [bouwbegeleider] (hoofd)uitvoerder was en bovendien ook verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouw. In het VGM-plan wordt [bouwbegeleider] ook aangemerkt als “hoofduitvoerder”. [bouwbegeleider] moest begrijpen dat de werkzaamheden van een hoofduitvoerder met de vergaande verantwoordelijkheden die hij op zich heeft genomen, buiten de verzekerde hoedanigheid van een “bouwbegeleider” vielen, aldus NN.

NN heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de door [bouwbegeleider] uitgevoerde werkzaamheden niet onder de verzekerde hoedanigheid vallen en heeft hem vervolgens dekking ontzegt. NN heeft uitvoerig uitgelegd dat bouwbegeleider en hoofduitvoerder twee verschillende functies zijn waarbij onder andere de mate van verantwoordelijkheid tussen deze twee functies enorm verschilt.

6.6.6.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [bouwbegeleider] gemotiveerd betwist dat hij als (hoofd)uitvoerder op de bouwplaats fungeerde. Het VGM-plan waarnaar [B] heeft verwezen, is (in template) door [A] ( [projectmanager] ) naar [bouwbegeleider] toegestuurd, maar is door [bouwbegeleider] nooit ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat er een aangepast of ondertekend VGM-plan is.

[A] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat deze template maar deels bruikbaar was, omdat hierin allerlei rollen zijn toebedeeld aan een projectleider, terwijl er op deze bouw door [eigenaar pand] geen projectleider of hoofdaannemer was aangesteld. [projectmanager] maakte namelijk enkel gebruik van neven- en onder aanneming. [A] was dus géén projectleider van de bouw en [bouwbegeleider] was geen (hoofd)uitvoerder, zoals vermeldt staat in deze template. [bouwbegeleider] fungeerde (slechts) als bouwbegeleider, zoals overeengekomen in de overeenkomst van bouwbegeleiding van 6 december 2018. Daarin staat ook opgenomen wat onder bouwbegeleiding verstaan moet worden. Veiligheid is geen taak die (specifiek) bij [bouwbegeleider] is belegd. Dat [bouwbegeleider] verantwoordelijk zou zijn voor de veiligheid op de bouwplaats wordt in de overeenkomst van bouwbegeleiding niet genoemd.

Zoals hiervoor in de hoofdzaak is overwogen, is [bouwbegeleider] ook als bouwbegeleider (mede) verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwplaats.

Voor zover NN heeft aangevoerd dat hieruit zou volgen dat [bouwbegeleider] als (hoofd)uitvoerder moet worden gekwalificeerd, wordt deze stelling door de kantonrechter verworpen.

De conclusie is dat [bouwbegeleider] bouwbegeleider is op het project. Tijdens de mondelinge behandeling heeft NN (nogmaals) verklaard dat [bouwbegeleider] , in het geval dat komt vast te staan dat hij bouwbegeleider is, dan dekking heeft onder de door hem afgesloten verzekering. Vorenstaande leidt dus tot de slotsom dat NN dekking moet verlenen aan [bouwbegeleider] .
Dit betekent dat de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens NN toewijsbaar is.

6.6.7.

NN is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eigenaar pand] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.6.8.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[opdrachtgever eiser] en ASR als eisende partij in vrijwaring tegen [eigenaar pand] en [bouwbegeleider]

6.7. 10843103

CV EXPL 23-7751 ( [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] )

6.7.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 8 producties van 6 december 2023,

  • -

    het incident tot oproeping in onder vrijwaring van [eigenaar pand] en AIG van 8 februari 2024,

  • -

    de conclusie van antwoord van [bouwbegeleider] met 8 producties van 8 februari 2024,

  • -

    het antwoord in het incident van [opdrachtgever eiser] en ASR van 7 maart 2024,

  • -

    het vonnis in het incident 18 april 2024,

  • -

    de conclusie van antwoord van [eigenaar pand] van 16 mei 2024.

6.7.2.

[opdrachtgever eiser] en ASR vorderen dat de kantonrechter, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak, [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] veroordeelt aan ASR en [opdrachtgever eiser] al datgene te voldoen waartoe ASR en [opdrachtgever eiser] in de hoofdzaak jegens [eiser] worden veroordeeld, met veroordeling van [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de (na)kosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.7.3.

[opdrachtgever eiser] en ASR voeren - kort samengevat - als grondslag van hun vordering aan dat - indien de kantonrechter in de hoofdzaak tot het oordeel komt dat [opdrachtgever eiser] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade ten gevolge van voornoemd ongeval - niet zij maar [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] op grond van artikel 6:162 BW de schade van [eiser] dienen te dragen en dat [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] , [opdrachtgever eiser] en ASR dienen te vrijwaren als [opdrachtgever eiser] jegens [eiser] aansprakelijk wordt gehouden.

Dat blijkt volgens [opdrachtgever eiser] en ASR onder andere uit het volgende:

  • -

    [eigenaar pand] en de door [eigenaar pand] ingeschakelde aannemers waaronder [bouwbegeleider] , waren verantwoordelijk voor de veiligheid op de bouwplaats en het treffen van veiligheidsvoorzieningen op de bouwplaats;

  • -

    [bouwbegeleider] heeft de bewuste trapgatafdichting laten maken;

  • -

    [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] zijn verantwoordelijk voor het feit dat geen veiligheidsmaatregelen (randbeveiliging, geborgde sparing, waarschuwingen, markeringen) zijn getroffen rondom de trapgatafdichting;

  • -

    [eiser] was voor wat betreft de veiligheid op de bouwlocatie alsmede voor wat betreft de veiligheid bij de uitvoering van de (opruim)werkzaamheden voor de zorg van zijn veiligheid afhankelijk van [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] .

Daarbovenop heeft te gelden dat op de overeenkomst tussen [eigenaar pand] en [opdrachtgever eiser] de aansprakelijkheid van [opdrachtgever eiser] is uitgesloten via de van toepassing zijnde

"algemene voorwaarden zakelijk markt voor het AF-erkende schilders-, behangers- en glaszetbedrijf in Nederland (Onderhoud NL Garantie)"18.

Op grond van deze voorwaarden dient [eigenaar pand] [opdrachtgever eiser] te vrijwaren voor eventuele aanspraken, aldus [opdrachtgever eiser] en ASR.

6.7.4.

[bouwbegeleider] heeft verweer gevoerd en concludeert dat de kantonrechter ASR en [opdrachtgever eiser] hun vorderingen dient te ontzeggen, met veroordeling van ASR en [opdrachtgever eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de (na)kosten, een ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dat vonnis en voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.7.5.

[eigenaar pand] heeft ook verweer gevoerd en verzoekt de kantonrechter de vorderingen in vrijwaring van [opdrachtgever eiser] en ASR af te wijzen, met veroordeling van [opdrachtgever eiser] en ASR in de proceskosten alsmede in de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 14 dagen na het vonnis wanneer [opdrachtgever eiser] en ASR in gebreke blijven de proceskosten en nakosten te voldoen.

6.7.6.

Voor zover van belang voor de beoordeling, zal de kantonrechter hierna ingaan op dat wat [bouwbegeleider] en [eigenaar pand] in deze vrijwaringsprocedure als verweer hebben aangevoerd.

De beoordeling van de kantonrechter t.a.v. de vordering tegen [bouwbegeleider]

6.7.7.

In de hiervoor beoordeelde vrijwaringsprocedure van [bouwbegeleider] tegen [opdrachtgever eiser] (zaaknummer: 10837527 CV EXPL 23-7712) heeft de kantonrechter onder rechtsoverweging 6.3 reeds geoordeeld dat in de onderlinge verhouding tussen [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] , [bouwbegeleider] verplicht is tot vergoeding van de schade van [eiser] , en niet [opdrachtgever eiser] , Dit omdat - kort samengevat - [bouwbegeleider] degene is die de houten afdekplaat als veiligheidsvoorziening heeft laten maken, die ondeugdelijk was, want deze was niet geborgd en/of gemarkeerd. [bouwbegeleider] moet in dat kader dus [opdrachtgever eiser] vrijwaren. Voor een uitgebreidere motivering verwijst de kantonrechter naar de overwegingen onder 6.3.

Dit betekent dat de vrijwaringsvordering van [opdrachtgever eiser] en ASR jegens [bouwbegeleider] toewijsbaar is.

De beoordeling van de kantonrechter t.a.v. de vordering tegen [eigenaar pand]

6.7.8.

De kantonrechter zal allereerst het beroep van [opdrachtgever eiser] en ASR op de vrijwaringsclausule beoordelen, zoals opgenomen in artikel 8 lid 6 van hun algemene voorwaarden, die zij aan hun vrijwaringsvordering jegens [eigenaar pand] ten grondslag leggen.

Daarin wordt het volgende bepaald:

“Opdrachtgever vrijwaart opdrachtnemer van alle succesvolle aanspraken van derden terzake van door opdrachtnemer verrichte werkzaamheden en/of geleverde zaken waardoor die derde schade mocht hebben geleden onverschillig door welke oorzaak of op welk tijdstip die schade is geleden”.

6.7.9.

[eigenaar pand] heeft daartegen als verweer aangevoerd dat zij op geen enkele wijze gespecialiseerd was in bouwtechnische aangelegenheden. De bouwbedrijven die op de bouwplaats werkzaam waren, waaronder ook [opdrachtgever eiser] , waren wèl gespecialiseerd in die werkzaamheden en hebben ieder voor zich hun eigen verantwoordelijkheid die zij niet (op de leek) [eigenaar pand] kunnen afschuiven.

Het kernargument van [opdrachtgever eiser] en ASR dat [eigenaar pand] hen moet vrijwaren, is gebaseerd op de overeenkomst die met tussenkomst van [A] formeel is gesloten tussen [opdrachtgever eiser] en [eigenaar pand] . Materieel gezien was [eigenaar pand] hier alleen maar partij omdat de door haar ingeschakelde specialist [A] ( [projectmanager] ) deze overeenkomst in het kader van de bouw van het pand noodzakelijk vond. Op de als productie 4 bij de vrijwarings-dagvaarding door ASR en [opdrachtgever eiser] overgelegde overeenkomst staat ook uitdrukkelijk aangegeven dat [A] de opdrachtgever is. [opdrachtgever eiser] wist dus heel goed dat zij niet rechtstreeks met [eigenaar pand] een overeenkomst aanging, maar met [A] ( [projectmanager] ).

Voor zover de algemene voorwaarden door [opdrachtgever eiser] jegens [eigenaar pand] als leek ingeroepen zouden kunnen worden - des neen - geldt in ieder geval ook dat deze niet aan [eigenaar pand] ter hand zijn gesteld en bovendien is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in deze specifieke omstandigheden van het geval onredelijk om de algemene voorwaarden aan [eigenaar pand] tegen te werpen. Dat geldt in het bijzonder voor het vrijwaringsbeding.

6.7.10.

[opdrachtgever eiser] en ASR hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het niet relevant vinden dat [eigenaar pand] voor het sluiten van contracten [projectmanager] ( [A] ) heeft ingeschakeld en evenmin dat [eigenaar pand] zich volledig heeft laten leiden door [projectmanager] . Schade die daaruit voortvloeit komt voor rekening en risico van [eigenaar pand] zelf. Bovendien staat in de mailwisseling tussen [projectmanager] en [opdrachtgever eiser] steeds een verwijzing met link naar de algemene voorwaarden19. Ook is door (of namens) [eigenaar pand] de overeenkomst van opdracht getekend20. Door het tekenen van de opdrachtbevestiging is de gelding van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:231 sub c BW door [eigenaar pand] aanvaard.
Via de dus van toepassing zijnde algemene voorwaarden is de aansprakelijkheid van [opdrachtgever eiser] uitgesloten, aldus [opdrachtgever eiser] en ASR.

Beroep op vrijwaringsbeding

6.7.11.

De kantonrechter oordeelt dat het beroep van [opdrachtgever eiser] en ASR op het vrijwaringsbeding uit de algemene voorwaarden slaagt en licht dat toe als volgt.

6.7.12.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen een vrijwaringsbeding is overeengekomen dat erop neerkomt dat in de onderlinge verhouding tussen [eigenaar pand] en [opdrachtgever eiser] alleen [eigenaar pand] verplicht is tot vergoeding van de schade van [eiser] , en niet [opdrachtgever eiser] , en dat [eigenaar pand] in dat kader [opdrachtgever eiser] dus moet vrijwaren.

Het gaat in deze zaak in feite om de vraag of [opdrachtgever eiser] een beroep kan doen op het vrijwaringsbeding, dan wel of dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en alleen [opdrachtgever eiser] - in afwijking van de tussen partijen gemaakte afspraken - de door [eiser] geleden schade moet vergoeden.

De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtgever eiser] een beroep kan doen op het vrijwaringsbeding en dat dit niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De kantonrechter zal de vordering van [opdrachtgever eiser] en ASR tot vrijwaring daarom toewijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Wettelijk kader

6.7.13.

Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel of beding is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). De rechter moet daar terughoudend mee omgaan. Alle omstandigheden van het geval kunnen een rol spelen, waaronder de aard en de overige inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de wederzijds kenbare belangen van partijen en hun maatschappelijke positie en onderlinge verhouding21.

6.7.14.

[eigenaar pand] heeft onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat het beroep van [opdrachtgever eiser] en ASR het op het vrijwaringsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dit geval gaat het om twee professionele partijen die zaken met elkaar hebben gedaan, wat meebrengt dat er minder snel reden is om aan te nemen dat een beroep op het vrijwaringsbeding onaanvaardbaar is. Dat [eigenaar pand] niet gespecialiseerd was in bouwtechnische aangelegenheden doet daaraan niet af, want om die reden heeft zij [projectmanager] ingeschakeld. De stelling van [eigenaar pand] dat de algemene voorwaarden die [opdrachtgever eiser] hanteert niet van toepassing zijn, omdat deze niet ter hand zijn gesteld is door [opdrachtgever eiser] tijdens de mondelinge behandeling voldoende weersproken. In de mailwisseling tussen [projectmanager] en [opdrachtgever eiser] staat steeds een verwijzing met link naar de algemene voorwaarden en dat is voldoende22.

Ook is niet weersproken dat door (of namens) [eigenaar pand] de opdrachtbevestiging is getekend en hiermee is de gelding van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:231 sub c BW door [eigenaar pand] aanvaard. Verder is [eigenaar pand] verzekerd voor de schade, althans is sprake van een schade die op zichzelf redelijkerwijs verzekerbaar is. Dat [eigenaar pand] naar eigen zeggen enkel ‘materieel’ partij was, omdat [projectmanager] deze overeenkomst in het kader van de bouw van het kantoor van het bedrijfsgebouw noodzakelijk vond, is onvoldoende reden om aan te nemen dat het beroep van [opdrachtgever eiser] op het vrijwaringsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

6.7.15.

De conclusie is dat [opdrachtgever eiser] een gerechtvaardigd beroep toekomt op het vrijwaringsbeding en dat de vordering van [opdrachtgever eiser] en ASR op [eigenaar pand] toewijsbaar is.

Alles wat partijen verder nog hebben aangevoerd kan buiten beschouwing blijven.

Proceskostenveroordeling

6.7.16.

[bouwbegeleider] en [eigenaar pand] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtgever eiser] en ASR worden begroot op:

- kosten van de dagvaardingen

220,26

 

- griffierecht

128,00

 

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.025,26

 

6.7.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[eigenaar pand] als eisende partij in onder vrijwaring tegen [projectmanager]

6.8.

De kantonrechter zal verder de onder vrijwaringsprocedure van [eigenaar pand] beoordelen, waarin [eigenaar pand] [projectmanager] heeft opgeroepen.

11093547 CV EXPL 24-3213 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] )

6.8.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 5 producties van 2 mei 2024,

  • -

    het incident tot oproeping in onder onder vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in onder vrijwaring met 3 producties van [projectmanager] van 11 juli 2024,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van [eigenaar pand] tevens conclusie van repliek in onder vrijwaring van 8 augustus 2024,

  • -

    het vonnis in het incident van 3 oktober 2024.

6.8.2.

[eigenaar pand] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak (10486568
CV EXPL 23-2614) en de vrijwaringsprocedure (10843103 CV EXPL 23-7751):

  1. [projectmanager] veroordeelt om aan [eigenaar pand] te betalen al datgene waartoe [eigenaar pand] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] en als gedaagde in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordelingen;

  2. [projectmanager] daarnaast veroordeelt in de kosten van het geding in deze onder vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.8.3.

[eigenaar pand] voert - samengevat - als grondslag van haar vordering in onder vrijwaring bij inleidende dagvaarding aan dat [projectmanager] in strijd met de tussen [eigenaar pand] en [projectmanager] gesloten overeenkomst van opdracht niet heeft zorggedragen voor de veiligheid op de bouwplaats. Gezien de (contractuele) rechtsverhouding tussen partijen is [projectmanager] verplicht de nadelige gevolgen van een eventueel verlies van [eigenaar pand] (in de hoofdzaak van [eiser] en in de vrijwaringszaak van [opdrachtgever eiser] en ASR) te dragen.

[eigenaar pand] licht dit als volgt toe.

In de op 10 april 2018 gesloten overeenkomst van opdracht voor projectmanagement staan de werkzaamheden en verantwoordelijkheden van [projectmanager] voor de begeleiding van het bouwproces beschreven. [eigenaar pand] heeft zich volledig laten adviseren door [projectmanager] en op haar advies contracten gesloten met de aangewezen partijen voor bepaalde aspecten van de bouw, waaronder met [bouwbegeleider] als coördinator van het bouwproces en [opdrachtgever eiser] voor de schilderwerkzaamheden. [A] sloot deze contracten namens [eigenaar pand] en hij was het aanspreekpunt voor de contracterende partijen. [A] had dus dagelijks een belangrijke rol en grote verantwoordelijkheid bij de begeleiding van het bouwproces, ook voor wat betreft de veiligheid en toezicht op de bouwplaats. Hij was hét aanspreekpunt voor de verschillende contractuele partijen. Niet [eigenaar pand] . [eigenaar pand] was niet op dagelijkse basis aanwezig op de bouwplaats.

[projectmanager] heeft samen met [bouwbegeleider] het VGM-(veiligheids)plan opgesteld, waarin de veiligheid op de bouwplaats aan bod komt. [eigenaar pand] is hierbij niet betrokken geweest. In het VGM-plan worden verschillende preventief uit te voeren veiligheidsmaatregelen benoemd, alsmede hoe en door wie toezicht wordt gehouden op de naleving van deze veiligheids- maatregelen. In het VGM-plan wordt [bouwbegeleider] als uitvoerder van het bouwproject gekwalificeerd en [A] als KAM-coördinator.

[A] had tijdens de tweewekelijkse bouwvergaderingen en de wekelijkse kwaliteitscontroles moeten signaleren dat de mandragende houten constructie ter afdichting van een gat waar nog een trap gerealiseerd moest worden niet voldoende veilig was. [projectmanager] was hiervoor verantwoordelijk, aldus [eigenaar pand] .

6.8.4.

[projectmanager] voert verweer en concludeert om:

(i) [eigenaar pand] niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van [eigenaar pand] af te wijzen, met veroordeling van [eigenaar pand] in de proceskosten;

(ii) [eigenaar pand] te veroordelen om de proceskosten te voldoen binnen 14 dagen na de datum van het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening;

(iii) [eigenaar pand] te veroordelen tot betaling van de nakosten ad € 173,-- zonder betekening, dan wel € 263,-- in het geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen nadat het vonnis is gewezen en - voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

6.8.5.

[projectmanager] heeft als verweer aangevoerd dat zij inderdaad met [eigenaar pand] een overeenkomst van opdracht voor projectmanagement heeft gesloten, maar dat zij uitdrukkelijk betwist dat uit die overeenkomst volgt dat [projectmanager] verantwoordelijk was voor de veiligheid op de werkplek. [projectmanager] diende slechts ter zake van het bouwproject de juiste partijen in te schakelen en in dat kader, namens [eigenaar pand] , de overeenkomsten met die partijen aan te gaan. Daarnaast volgt uit die overeenkomst dat het de taak van [projectmanager] was om toe te zien op de voortgang van het project. In het kader van die verplichtingen heeft [projectmanager] het advies uitgebracht om, gezien de snelheid en omvang van het project, een project coördinerende en controlerende partij in te huren voor de dagelijkse controle van het bouwproject. Daarbij heeft [projectmanager] [bouwbegeleider] als mogelijke partij voorgedragen. [eigenaar pand] heeft dit advies opgevolgd en zij is met [bouwbegeleider] een overeenkomst aangegaan. Het was juist [bouwbegeleider] die verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek.

[projectmanager] kan verder erkennen dat er tweewekelijks een bouwvergadering plaatsvond. Dergelijke bouwvergaderingen zien op de voortgang van het project. Besproken wordt of een en ander nog volgens plan verloopt en of er aanpassingen in de planning noodzakelijk zijn. Dit was ook de directe taak van [projectmanager] , namelijk toe te zien op de voortgang van het project. Gezien het vorenstaande is het weliswaar juist dat [projectmanager] een belangrijke rol bij de begeleiding van het bouwproces had, maar dit gold niet voor de veiligheid. Die verantwoordelijkheid voor de veiligheid was nu juist neergelegd (en dat was de taak van [projectmanager] ) bij [bouwbegeleider] . [bouwbegeleider] was verantwoordelijk voor de veiligheid.

[projectmanager] stelt zich dan ook op het standpunt dat zij aan al haar verplichtingen onder de met [eigenaar pand] gesloten overeenkomst van opdracht heeft voldaan (en in ieder geval heeft [eigenaar pand] niet het tegendeel gesteld, althans niet bewezen). Dit leidt er dan ook toe dat van enige vrijwaringsverplichting van [projectmanager] jegens [eigenaar pand] geen sprake kan zijn.

Mocht de kantonrechter echter desondanks oordelen dat [projectmanager] op grond van de met [eigenaar pand] gesloten overeenkomst wel gehouden is om [eigenaar pand] te vrijwaren, dan beroept [projectmanager] zich op de DNR 2005, die op de overeenkomst tussen [projectmanager] en [eigenaar pand] van toepassing is23.

6.8.6.

In haar conclusie van antwoord in incident tot oproeping in onder onder vrijwaring tevens houdende conclusie van repliek in onder vrijwaring heeft [eigenaar pand] er (nogmaals) op gewezen dat [projectmanager] op grond van de overeenkomst van opdracht een ruime verantwoordelijkheid droeg. Zij had, blijkens die overeenkomst, tal van verplichtingen die "nodig" waren "om het ontwikkel-, bouw- en opleveringsproces volledig gecontroleerd te laten verlopen." Zo droeg [projectmanager] onder meer de verantwoordelijkheid om de voortgang van het project te waarborgen. Ook had [projectmanager] de verantwoordelijkheid om het "volledige bouwproces" te structureren, op te zetten en te begeleiden. Verder diende [projectmanager] de bouwvergaderingen én kwaliteitscontroles te houden en vast te leggen. Veiligheid is daarvan een inherent onderdeel en dat blijkt ook uit de bouwverslagen, waarin het onderwerp veiligheid steeds aan de orde komt. Dat [projectmanager] [bouwbegeleider] heeft betrokken in het bouwproces, doet aan het een en ander niet aan af.

Verder had van [projectmanager] verwacht mogen worden dat zij in de contracten met de door haar aangewende partijen een vrijwaringsclausule ten behoeve van [eigenaar pand] uitonderhandelde en overeenkwam. [eigenaar pand] is van oordeel dat [projectmanager] niet of onvoldoende effectief aan deze verplichting heeft voldaan. Dat levert een wanprestatie van [projectmanager] op jegens [eigenaar pand] en [projectmanager] dient de gevolgen daarvan te dragen.

Voor wat betreft de inhoud van de overeenkomst van opdracht en in het kader van de ruime verantwoordelijkheid die op [projectmanager] rustte, betwist [eigenaar pand] dat de DNR 2005 van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht, althans dat [projectmanager] een beroep kan doen op de door [projectmanager] gestelde (en bovendien vergaande) inhoud daarvan.

De beoordeling van de kantonrechter

6.8.7.

In deze onder vrijwaringsprocedure is de vraag aan de orde of (en in hoeverre) [projectmanager] draagplichtig is met betrekking tot de schade waarvoor [eigenaar pand] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] en als gedaagde in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] moet worden veroordeeld.

6.8.8.

Allereerst is een processueel punt aan de orde. Deze procedure is de onder vrijwaring in de vrijwaringsprocedure tussen [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] (zaaknummer 10843103 CV EXPL 23775). In die procedure is geoordeeld dat [eigenaar pand] [opdrachtgever eiser] en ASR moet vrijwaren (vgl. rov. 6.7.15). Gelet op het doel van een vrijwaringsprocedure - namelijk het vrijwaren voor hetgeen waartoe wordt veroordeeld in de hoofdzaak - ligt in deze onder vrijwaring alleen de beoordeling voor of [projectmanager] [eigenaar pand] moet vrijwaren voor de veroordeling die is uitgesproken in de procedure tussen [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] . Voor zover [eigenaar pand] vordert dat [projectmanager] haar vrijwaart voor de schade waarvoor [eigenaar pand] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] wordt veroordeeld, had [eigenaar pand] in die zaak [projectmanager] in vrijwaring moeten oproepen. Die vordering ligt niet in deze vrijwaringsprocedure voor.

6.8.9.

Vervolgens is het volgende wettelijke kader van belang.

De hoofdregel van de interne draagplicht bij hoofdelijkheid staat in artikel 6:10 lid 1 BW. In artikel 6:102 lid 1, tweede zin, is uitgewerkt dat in beginsel aan de hand van de maatstaf van artikel 6:101 BW moet worden bepaald in hoeverre de vergoedingsplicht ieder van de hoofdelijke medeschuldenaren met het oog op de verplichting tot bijdragen, bedoeld in artikel 6:10 lid 1 BW, intern aangaat. Op grond van artikel 6:101 BW is de primaire verdelingsmaatstaf de wederzijdse causaliteit. De schade wordt over de hoofdelijke aansprakelijke schuldenaren verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder van hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, naar rato van de causaliteit van die omstandigheden.

6.8.10.

Ten aanzien van [eigenaar pand] en [projectmanager] wordt in het kader van de onderlinge draagplicht het volgende overwogen:

Zoals de kantonrechter in rechtsoverweging 5.3.2. reeds heeft geoordeeld, kan [eigenaar pand] - als opdrachtgever - (mede) verantwoordelijk worden gehouden voor (het gebrek aan duidelijkheid over) de veiligheid op de bouwplaats. Dat [eigenaar pand] gebruik heeft gemaakt van [projectmanager] voor advisering, maakt niet dat [eigenaar pand] zich kan onttrekken aan haar verantwoordelijkheid voor een veilige werkplaats. Hetzelfde geldt voor [projectmanager] .

Het was, zoals [projectmanager] in haar conclusie van antwoord in onder vrijwaring terecht heeft opgemerkt, haar taak om de verantwoordelijkheid voor de veiligheid “bij de juiste partij te beleggen” en daarin heeft [projectmanager] verzaakt. Immers, zoals gebleken is tijdens de mondelinge behandeling, is de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de werkplek nooit belegd bij één van partijen. Het VGM-plan waar door partijen op gewezen is, is namelijk niet ondertekend en gesteld noch gebleken is dat er een aangepast of ondertekend VGM-plan is.

Verder hebben [projectmanager] ( [A] ) en [bouwbegeleider] tijdens de mondelinge behandeling betwist dat zij fungeerden als respectievelijk KAM-coördinator of (hoofd)uitvoerder en in die hoedanigheid verantwoordelijk waren voor de veiligheid op de bouwplaats.

Zoals eerder in rechtsoverweging 5.4 overwogen, leidt dit tot de slotsom dat niemand de verantwoordelijkheid voor een veilige bouwomgeving (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) op zich heeft genomen en de verantwoordelijkheid ook formeel niet bij iemand was belegd. Van [eigenaar pand] , die de bouw in eigen beheer uitoefende maar niet dagelijks op de bouw aanwezig was, maar ook van [projectmanager] , die een belangrijke rol had bij de begeleiding van het bouwproces en als taak had om de juiste partijen in te schakelen en namens [eigenaar pand] de overeenkomsten met die partijen aan te gaan, had mogen worden verwacht dat zij zorg zouden dragen voor een veilige bouwomgeving, althans dat zij dit op een deugdelijke en zorgvuldige wijze zouden uitbesteden aan daartoe gekwalificeerde partijen.

Dit is niet gebeurd.

Voor zover [projectmanager] in dit verband heeft gesteld dat zij aan al haar verplichtingen onder de met [eigenaar pand] gesloten overeenkomst van opdracht heeft voldaan en dat van enige vrijwaringsverplichting van [projectmanager] jegens [eigenaar pand] geen sprake kan zijn, wordt door de kantonrechter dan ook verworpen.

6.8.11.

Ook het beroep van [projectmanager] op de algemene voorwaarden (DNR 2005), kan niet slagen. Daarvoor is redengevend dat [eigenaar pand] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat [projectmanager] geen beroep toekomt op de algemene voorwaarden, omdat deze niet aan [eigenaar pand] ter hand zijn gesteld, zodat van toepasselijkheid daarvan geen sprake kan zijn. Dit verweer van [eigenaar pand] wordt gehonoreerd.

De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

Het terhandstellingsvereiste van algemene voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 6:233 sub b BW, is op grond van artikel 6:246 BW dwingendrechtelijk van aard.

Op de gebruiker ( [projectmanager] ) rust de bewijslast omtrent de met een beroep op het bepaalde in art. 6:234 lid 1 betwiste terhandstelling van de algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst24.

Daarbij merkt de kantonrechter (wellicht ten overvloede) op dat [projectmanager] in het kader van de zogenoemde tweeledige mededelingsplicht dus niet kon volstaan met de volgende opmerking in de opdrachtbevestiging van 10 april 2018:

“Op deze aanbieding is van toepassing "De Nieuwe Regeling 2005" (DNR 2005), zoals op 5 oktober 2004 gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam onder nummer 139/2004”.

Gesteld noch gebleken is immers dat [projectmanager] aan [eigenaar pand] heeft medegedeeld dat deze algemene voorwaarden op verzoek onverwijld aan [eigenaar pand] zullen worden toegezonden.

Conclusie

6.8.12.

Van een 100% draagplicht van de ene of de andere partij, zoals door beide partijen is betoogd, kan in dit geval geen sprake kan zijn. Voor beide partijen geldt immers dat zij mede verantwoordelijk worden gehouden voor (het gebrek aan duidelijkheid over) de veiligheid op de bouwplaats.

Niettemin komt de kantonrechter bij een afweging van de aan ieder van partijen toe te rekenen omstandigheden die tot de schade van [eiser] hebben bijgedragen tot het oordeel dat op [projectmanager] het grootste deel van de draagplicht met betrekking tot de vergoeding van de schade van [eiser] rust nu zij in gebreke is gebleven de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de werkplek (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) bij iemand te beleggen, terwijl het haar taak was om de juiste partijen in te schakelen en namens [eigenaar pand] de overeenkomsten met die partijen aan te gaan om zo het bouwproces volledig gecontroleerd te laten verlopen25. Deze omstandigheid heeft naar het oordeel van de kantonrechter het meest bijgedragen tot de schade.

De kantonrechter komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW [projectmanager] voor 60% draagplichtig is met betrekking tot de schade waarvoor [eigenaar pand] als gedaagde in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] wordt veroordeeld en [eigenaar pand] voor 40%. Voor het overige wordt de vordering van [eigenaar pand] afgewezen.

Alles wat partijen verder nog hebben aangevoerd kan buiten beschouwing blijven.

Proceskosten

6.8.13.

Partijen hebben te gelden als over en weer in het ongelijk gesteld.

Daarom zullen de proceskosten in deze onder vrijwaring worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

[projectmanager] als eisende partij in onder onder vrijwaring tegen [bouwbegeleider]

6.9.

De kantonrechter zal tot slot de onder onder vrijwaringsprocedure beoordelen, waarin [projectmanager] [bouwbegeleider] heeft opgeroepen.

11391055 CV EXPL 24-7944 ( [projectmanager] tegen [bouwbegeleider] )

6.9.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 5 producties van 29 oktober 2024,

  • -

    de conclusie van antwoord met 5 producties van 9 januari 2025.

6.9.2.

[projectmanager] vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig met het te wijzen vonnis in de hoofdzaak (10486568 CV EXPL 23-2614), de vrijwaringsprocedure (10843103 CV EXPL 23-7751) en de onder vrijwaringsprocedure (11094103 CV 24-3215):

  1. [bouwbegeleider] te veroordelen om aan [projectmanager] te betalen al datgene waartoe [projectmanager] als gedaagde in de onder vrijwaringszaak jegens [eigenaar pand] B.V. mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling;

  2. [bouwbegeleider] daarnaast te veroordelen in de kosten van het geding in deze onder onder vrijwaring, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

6.9.3.

[projectmanager] voert bij dagvaarding aan dat [bouwbegeleider] haar dient te vrijwaren, omdat - kort gezegd - [bouwbegeleider] , als hoofduitvoerder en projectverantwoordelijke (zie in dat kader ook het VGM-plan dat als productie 4 wordt overgelegd) verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek. Het was ook [bouwbegeleider] die verantwoordelijk was voor het opstellen van het VGM-projectplan en die dit plan ook heeft opgesteld. Voor wat betreft de inhoud van het VGM-plan wijst [projectmanager] erop dat in artikel 5.5. is bepaald dat de uitvoerder, dus [bouwbegeleider] , verantwoordelijk is voor het dagelijks toezicht op de veiligheid op het project. Ook is hij daarmee de aangewezen VGM-functionaris op het project.

[projectmanager] merkt verder nog op dat er tweewekelijks een bouwvergadering plaatsvond. Dergelijke bouwvergaderingen zien op de voortgang van het project en niet op de veiligheid. De veiligheid, zeker de dagelijkse veiligheid op de werkplek, was een duidelijke verantwoordelijkheid van [bouwbegeleider] .

6.9.4.

[bouwbegeleider] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering tot (onder onder) vrijwaring, met veroordeling van [projectmanager] in de kosten.

Daartoe voert [bouwbegeleider] aan dat niet hij, maar [A] ( [projectmanager] ) als projectleider en als KAM-coördinator met de veiligheid was belast, zodat op [projectmanager] ook de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid rust voor zover veiligheidsaspecten in het geding zijn. [bouwbegeleider] wijst in dit verband op:

  • -

    de maandelijkse en wekelijkse (veiligheids)inspectierondes onder leiding van [A] , die duidelijk maken dat de (eind) verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de bouwplaats niet bij [bouwbegeleider] ligt, maar bij [A] ,

  • -

    [bouwbegeleider] voerde de opdrachten uit die door [A] werden gegeven.
    [A] gaf aan [bouwbegeleider] opdracht tot het laten maken van een trapafdichting. Op de uitvoering daarvan is door verantwoordelijke [A] nimmer enige aanmerking gemaakt bij een van zijn inspectierondes nadien.

De beoordeling van de kantonrechter

6.9.5.

In deze onder onder vrijwaringsprocedure is de vraag aan de orde of (en in hoeverre) [bouwbegeleider] draagplichtig is met betrekking tot de schade waarvoor [projectmanager] als gedaagde in de onder vrijwaring jegens [eigenaar pand] moet worden veroordeeld.

De kantonrechter oordeelt dat [bouwbegeleider] niet draagplichtig is jegens [projectmanager] en overweegt daartoe het volgende.

6.9.6.

[projectmanager] baseert zich in haar vordering op de stelling dat [bouwbegeleider] , als hoofduitvoerder en projectverantwoordelijke verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek. Daarbij beroept zij zich op het VGM-plan, maar zoals tijdens de mondelinge behandeling gebleken en hiervoor reeds overwogen26 is dat plan door beiden, [projectmanager] en [bouwbegeleider] , niet ondertekend, omdat zoals [A] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard “het VGM-plan niet klopte”. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat [bouwbegeleider] , die in het VGM-plan is betiteld als ‘hoofduitvoerder’ en ‘projectverantwoordelijke’ verantwoordelijk was voor het dagelijkse toezicht en de veiligheid op de werkplek. Er was namelijk geen projectleider of hoofdaannemer aangesteld op de bouwplaats.

De bouwvergaderingen en wekelijks of maandelijks gehouden inspectierondes zagen op de voortgang van het project en niet zozeer op de veiligheid, hebben beide partijen verklaard.

Vaststaat dat [bouwbegeleider] de houten afdekplaat heeft laten maken. Echter, [bouwbegeleider] was niet als ‘(hoofd)uitvoerder’ verantwoordelijk voor de veiligheid, zoals door [projectmanager] in deze onder onder vrijwaringsprocedure is aangevoerd. Immers, zoals gebleken is tijdens de mondelinge behandeling, is de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de werkplek (en het toezicht en de naleving van veiligheidsvoorschriften door alle bij de bouw van het pand betrokken partijen) nooit belegd bij [bouwbegeleider] (of één van de andere partijen), terwijl het de taak van [projectmanager] was om de juiste partijen in te schakelen en namens [eigenaar pand] de overeenkomsten met die partijen aan te gaan om zo het bouwproces volledig gecontroleerd te laten verlopen.

6.9.7.

De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van [projectmanager] op [bouwbegeleider] wordt afgewezen.

Proceskostenveroordeling

6.9.8.

[projectmanager] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bouwbegeleider] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

677,00

 

6.10.

Al het vorenstaande leidt tot de volgende beslissingen.

7De beslissing in de hoofdzaak (10486568 CV EXPL 23-2614)

De kantonrechter:

7.1.

verklaart voor recht dat:

  1. [eigenaar pand] , [bouwbegeleider] en [opdrachtgever eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade;

  2. AIG, NN en ASR op grond van de directe actie ex art. 7:954 BW (hoofdelijk) verplicht zijn de door [eiser] ten gevolge van het ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade volledig te vergoeden aan [eiser] ,

7.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des de ene partij betaalt aan [eiser] de ander is gekweten voor dat bedrag, tot vergoeding van de door [eiser] ten gevolge van voornoemd ongeval van 7 mei 2020 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade,

7.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 3.196,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

7.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

7.5.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad,

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

8De beslissing in de vrijwaringszaken met [bouwbegeleider] als eisende partij

(en de daaraan gelieerde onder vrijwaring van [eigenaar pand] tegen [projectmanager] )

10837527 CV EXPL 23-7712 ( [bouwbegeleider] tegen [opdrachtgever eiser] ):

De kantonrechter:

8.1.

wijst de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens [opdrachtgever eiser] af,

8.2.

veroordeelt [bouwbegeleider] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bouwbegeleider] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

8.3.

veroordeelt [bouwbegeleider] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

8.4.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad.

10837521 CV EXPL 23-7711 ( [bouwbegeleider] tegen [eigenaar pand] ):

De kantonrechter:

8.5.

wijst de vrijwaringsvordering van [bouwbegeleider] jegens [eigenaar pand] af,

8.6.

veroordeelt [bouwbegeleider] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bouwbegeleider] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

8.7.

veroordeelt [bouwbegeleider] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

8.8.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad.

11094103 CV EXPL 24-3215 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] in onder vrijwaring)

De kantonrechter:

8.9.

wijst de vorderingen af,

8.10.

compenseert de kosten van deze onder vrijwaringszaak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

10837488 CV EXPL 23-7710 ( [bouwbegeleider] tegen NN)

De kantonrechter:

8.11.

veroordeelt NN om aan [bouwbegeleider] te betalen datgene, waartoe [bouwbegeleider] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling,

8.12.

veroordeelt NN in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NN niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

8.13.

veroordeelt NN tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

8.14.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

9. De beslissing in de vrijwaringszaak met [opdrachtgever eiser] en ASR als eisende partij (en de daaraan gelieerde onder vrijwaring van [eigenaar pand] tegen [projectmanager] en de onder onder vrijwaring van [projectmanager] jegens [bouwbegeleider] )

10843103 CV EXPL 23-7751 ( [opdrachtgever eiser] en ASR tegen [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] )

De kantonrechter:

9.1.

veroordeelt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] om aan [opdrachtgever eiser] en ASR al datgene te voldoen waartoe [opdrachtgever eiser] en ASR in de hoofdzaak jegens [eiser] worden veroordeeld,

9.2.

veroordeelt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] in de proceskosten van € 1.025,26, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

9.3.

veroordeelt [eigenaar pand] en [bouwbegeleider] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

9.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

11093547 CV EXPL 24-3213 ( [eigenaar pand] tegen [projectmanager] in onder vrijwaring)

De kantonrechter:

9.5.

veroordeelt [projectmanager] tot betaling van een gedeelte van 60% van hetgeen waartoe [eigenaar pand] in de vrijwaringszaak jegens ASR en [opdrachtgever eiser] wordt veroordeeld, met inbegrip van de proceskostenveroordeling,

9.6.

compenseert de kosten van deze onder vrijwaringszaak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

9.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

9.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

11391055 CV EXPL 24-7944 ( [projectmanager] tegen [bouwbegeleider] in onder onder vrijwaring)

9.9.

wijst de onder onder vrijwaringsvordering van [projectmanager] jegens [bouwbegeleider] af,

9.10.

veroordeelt [projectmanager] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [projectmanager] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

9.11.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordeling tot betaling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op

18 december 2025.

1Zie de nota van de deurwaarder aan de gemachtigde van [eiser] (productie 43 bij dagvaarding).

2Ook op de houten afdekplaat is witte verf zichtbaar.

3Zie productie 45 ingebracht door [eiser] .

4Zie productie 46 ingebracht door [eiser] .

5Een Veiligheid-,Gezondheid- en Milieuplan (VGM-plan) beschrijft hoe een opdrachtgever of aannemer de veiligheid, gezondheid en milieuzorg waarborgt tijdens de uitvoering van werkzaamheden (op de bouwplaats).

6Een Kwaliteit- Arbeidsomstandigheden- en Milieu-coördinator (KAM-coördinator) is verantwoordelijk voor het opzetten, uitvoeren en bewaken van beleid op het gebied van onder meer veiligheid

7Zie HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 en de nadien in de jurisprudentie ontwikkelde gezichtspunten.

8Overeenkomst van 6 december 2018, productie 1 bij conclusie van antwoord houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [bouwbegeleider] in de hoofdzaak

9Zie productie 42 aan de zijde van [eiser] .

10Zie productie 2 bij de conclusie van antwoord van [opdrachtgever eiser] en ASR.

11[eiser] rekende € 2,25 a € 2,75 per vierkante meter, waarbij reiskosten (behoudens in geval van meerwerk) en klein materiaal, zoals tape, maar ook de verfspuiten, zijn inbegrepen. [opdrachtgever eiser] bracht € 8,50 per vierkante meter bij [eigenaar pand] in rekening, met optionele meerprijzen.

12[opdrachtgever eiser] verklaarde bijvoorbeeld tegenover de Inspectie SZW dat hij één keer per week op de bouwplaats was en dan ook naar de veiligheid keek.

13[eiser] verwijst hierbij naar de laatste bladzijde van het VGM-plan van [opdrachtgever eiser] .

14Zie productie 40 bij dagvaarding.

15Zie Hoge Raad 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7000.

16Zie productie 3 bij conclusie van antwoord.

17Zie productie 4 bij conclusie van antwoord.

18Zie productie 5 van deze dagvaarding in vrijwaring.

19Zie productie 3 bij de dagvaarding in vrijwaring.

20Zie productie 3 bij dagvaarding.

21Zie HR 25 april 1986, ECLI:NL:HR:1096:AC9329 en HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:153.

22[opdrachtgever eiser] heeft [eigenaar pand] de in artikel 233 onder b BW bedoelde redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, omdat hij de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij langs elektronische weg ter beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze dat deze door haar kunnen worden opgeslagen en voor haar toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming.

23Zie productie 1 van het incident tot oproeping in onder onder vrijwaring, tevens conclusie van antwoord in onder vrijwaring.

24Zie HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394.

25Zoals blijkt uit productie 1 bij incidentele conclusie tot onder vrijwaring zag 60% van de betaling van [eigenaar pand] aan [projectmanager] op het bouwproces.

26Zie rechtsoverwegingen 5.3.2. en 6.8.10.

Rechtbank Oost-Brabant 18 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8879