GHDHA 030226 regres; verzekerde o.i.v. alcohol; mocht niet te goeder trouw aannemen dat WAM-aansprakelijkheid was gedekt; 35% ES voor inzittende
- Meer over dit onderwerp:
GHDHA 030226 regres; verzekerde o.i.v. alcohol; mocht niet te goeder trouw aannemen dat WAM-aansprakelijkheid was gedekt; 35% ES voor inzittende
- vordering € 25.000, onder reservering van rechten op het restant
in vervolg op:
HR 080923 verhaalsrecht art. 15 WAM: mocht bestuurder onder invloed van alcohol in 2014 niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door verzekering was gedekt? vernietiging
in vervolg op:
PHR 200123, AG Hartlief; Alcoholclausule; mocht derde-verzekerde te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid door WAM verzekering was gedekt?
en
GHAMS 010222 alcoholclausule; niet kan worden aangenomen dat verzekerde niet te goeder trouw mocht aannemen dat aansprakelijkheid door WAM verzekering was gedekt
.
1De zaak in het kort
1.1
[geïntimeerde] heeft in 2014 onder invloed van alcohol als bestuurder van een auto een ongeval veroorzaakt waardoor de inzittende van de auto schade heeft geleden. Univé wil het bedrag dat zij als schadevergoeding heeft uitgekeerd aan de inzittende van de auto verhalen op [geïntimeerde]. Univé kan de schadevergoeding op [geïntimeerde] verhalen als hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. De vraag is of dat het geval is.
1.2
De kantonrechter in Alkmaar heeft de vordering van Univé afgewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft daartoe overwogen dat het hof Amsterdam zijn oordeel dat goede trouw bij [geïntimeerde] niet ontbreekt, erop gebaseerd heeft dat het geen feit van algemene bekendheid is dat rijden onder invloed van alcohol zeer wel van dekking kan zijn uitgesloten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee hetzij heeft miskend dat goede trouw ook ontbreekt indien [geïntimeerde] goede reden had te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door verzekering was gedekt, hetzij zijn oordeel in het licht van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet begrijpelijk heeft gemotiveerd.
1.3
Het hof vernietigt na verwijzing het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Univé van een bedrag van € 25.000,-, vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten.
2Procesverloop na verwijzing door de Hoge Raad
2.1
Het verloop van de procedure na verwijzing door de Hoge Raad blijkt uit de volgende stukken:
-
het exploot van 9 september 2024, waarmee Univé [geïntimeerde] heeft opgeroepen om voort te procederen voor het hof Den Haag;
-
de memorie na verwijzing van Univé, met bijlagen.
3Feitelijke achtergrond
Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1
[geïntimeerde] was op 21 september 2014 betrokken bij een verkeersongeval. Als bestuurder van een Suzuki Alto is hij tegen een geparkeerde auto aangereden. De geparkeerde auto heeft vervolgens een lantarenpaal geraakt. [geïntimeerde] bestuurde de auto terwijl hij onder invloed was van alcohol. Het alcoholgehalte in zijn bloed is na het ongeval vastgesteld op 1,26 mg/ml.
3.2
[inzittende] was inzittende van de Suzuki en heeft als gevolg van het verkeersongeval letsel opgelopen.
3.3
De auto was eigendom van de ouders van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft op 21 september 2014 gebruik gemaakt van de auto zonder toestemming van zijn ouders.
3.4
Univé is een verzekeraar en heeft met de vader van [geïntimeerde] als verzekeringnemer voor deze auto een verzekering gesloten in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) (hierna: de verzekering). De polisvoorwaarden houden onder meer in dat schade niet is verzekerd als de bestuurder niet had mogen rijden, bijvoorbeeld omdat hij alcohol, medicijnen of drugs heeft gebruikt.
3.5
Univé heeft als WAM-verzekeraar van de auto € 105.000,- als schadevergoeding aan [inzittende] betaald. Univé heeft aan [geïntimeerde] meegedeeld dat zij het uitgekeerde bedrag op hem wil verhalen, omdat de schade is veroorzaakt doordat [geïntimeerde] onder invloed van alcohol een ongeval heeft veroorzaakt.
4. Verloop van de procedure bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, het hof Amsterdam en de Hoge Raad
4.1
Univé heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 25.000,- (zijnde een deel van de totale vordering onder reservering van haar rechten op het restant), te vermeerderen met wettelijke rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten en te vermeerderen met wettelijke rente. Univé heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij op grond van het bepaalde in artikel 15 lid 1 WAM het aan [inzittende] uitgekeerde bedrag op [geïntimeerde] wil verhalen, omdat de schade is veroorzaakt doordat [geïntimeerde] onder invloed van alcohol een ongeval heeft veroorzaakt.
4.2
[geïntimeerde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3
De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, (hierna: de kantonrechter) heeft bij vonnis van 30 september 2020 de vorderingen afgewezen en Univé veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
4.4
Univé is vervolgens van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. Het hof heeft bij arrest van 1 februari 2022 het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
4.5
Univé heeft tegen het arrest van het hof Amsterdam cassatie ingesteld. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. Bij arrest van 8 september 2023 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof Den Haag.
4.6
De Hoge Raad heeft daarbij onder meer het volgende overwogen.
“(…)
Bij beantwoording van de vraag of de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt, is het begrip goede trouw te begrijpen op dezelfde wijze als in art. 3:1 1 BW. Goede trouw ontbreekt derhalve niet alleen indien de aansprakelijke persoon wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering was gedekt, maar ook indien hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten. Van dat laatste is ook sprake als de aansprakelijke persoon dienaangaande goede reden had tot twijfel.
3.3
Het hof heeft uit de gang van zaken rond het ongeval afgeleid dat [geïntimeerde] besefte dat het, in de staat waarin hij verkeerde, (zeer) onverstandig, niet toegestaan en (mogelijk) strafbaar was om in de auto te gaan rijden (rov. 4.10). Het hof heeft verder onbestreden vastgesteld dat van algemene bekendheid is - en kennelijk: in 2014 was - (1) dat het gevaarlijk is om in een auto te gaan rijden met te veel alcohol op, (2) dat dit strafrechtelijke consequenties kan hebben, (3) dat iemand die schade lijdt als gevolg van een aanrijding door een bestuurder die onder invloed is van alcohol, niet met de schade blijft zitten en (4) dat verzekeraars in verzekeringsvoorwaarden uitsluitingen opnemen (rov. 4.17).
3.4
Het hof heeft zijn oordeel dat goede trouw bij [geïntimeerde] niet ontbreekt, erop gebaseerd dat het geen feit van algemene bekendheid is dat rijden onder invloed van alcohol zeer wel van dekking kan zijn uitgesloten. Het hof heeft hiermee hetzij miskend dat goede trouw ook ontbreekt indien [geïntimeerde] goede reden had te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door verzekering was gedekt, hetzij zijn oordeel in het licht van de vastgestelde feiten en omstandigheden (zie hiervoor in 3.3) niet begrijpelijk gemotiveerd.
(…)”
5Beoordeling in hoger beroep
5.1
Het hof zal het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter opnieuw beoordelen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad. Daarbij is het hof gebonden aan de in de vernietigde uitspraak van het hof Amsterdam gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden.
Univé kan de schadevergoeding die zij aan [inzittende] heeft betaald op [geïntimeerde] verhalen
5.2
Univé baseert haar vordering op [geïntimeerde] op het bepaalde in artikel 15 lid 1 WAM. Artikel 15 lid 1 WAM bepaalt dat de verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, voor het bedrag der schadevergoeding verhaal heeft op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.
5.3
[geïntimeerde] is als bestuurder van de auto de aansprakelijke persoon, niet de verzekeringnemer, die bedoeld wordt in de tweede volzin van deze bepaling. In beginsel kan Univé de door haar aan [inzittende] betaalde schadevergoeding daarom verhalen op [geïntimeerde], tenzij [geïntimeerde] te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.
5.4
Het hof dient daarom te beoordelen of [geïntimeerde] ten tijde van het verkeersongeval in 2014 te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 8 september 2023, ontbreekt goede trouw niet alleen wanneer [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering was gedekt, maar ook als [geïntimeerde] goede reden had te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.
5.5
Het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering was gedekt of goede reden had om daarover te twijfelen, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. In dat verband heeft Univé gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:
-
[geïntimeerde] heeft in strijd met artikel 11 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) de auto zonder toestemming van zijn ouders gebruikt;
-
[geïntimeerde] is schuldig aan het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, in strijd met artikel 6 WVW 1994. [geïntimeerde] heeft dit ongeval veroorzaakt onder invloed van alcohol terwijl het op grond van artikel 8 lid 3 WVW 1994 een misdrijf is om onder invloed van alcohol in een auto te rijden;
-
Het alcoholgehalte van [geïntimeerde] was tijdens het ongeval 1,26 mg/ml, daarmee was [geïntimeerde] onder invloed van ruim meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol, en dit was niet de eerste keer dat [geïntimeerde] in aanraking is geweest met justitie wegens rijden onder invloed: vijf jaar vóór het ongeval was [geïntimeerde] ook al hiervoor bestraft;
-
Na het ongeval is [geïntimeerde] snel op de achterbank van de auto gaan zitten en heeft hij verklaard dat hij niet wist wie de bestuurder van de auto was. [geïntimeerde] besefte dus dat hij in de staat waarin hij verkeerde niet in de auto mocht rijden, dat dit (zeer) onverstandig was, niet was toegestaan en (mogelijk) strafbaar was;
-
Verzekeraars nemen steeds vaker uitsluitingsclausules ingeval van alcoholgebruik op in verzekeringsvoorwaarden.
5.6
Het hof Amsterdam heeft in zijn arrest van 1 februari 2022 onbestreden vastgesteld dat het van algemene bekendheid is - en kennelijk in 2014 was - dat rijden onder invloed gevaarlijk is en strafrechtelijke consequenties kan hebben, dat er geregeld (ernstige) verkeersongevallen in het nieuws zijn waarbij alcohol in het spel was en dat verzekeraars in verzekeringsvoorwaarden uitsluitingen opnemen (rov. 4.17).
5.7
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] gelet op de hiervoor in 5.5 en 5.6 genoemde feiten en omstandigheden goede reden had om te twijfelen over de vraag of zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Gelet op de hiervoor in 4.6 geciteerde overwegingen van de Hoge Raad mocht [geïntimeerde] daarom niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Dat leidt tot het oordeel dat Univé de schadevergoeding die zij aan [inzittende] heeft betaald op grond van artikel 15 lid 1 WAM in beginsel op [geïntimeerde] kan verhalen.
De omvang van de schade
5.8
Univé heeft onweersproken gesteld dat zij aan [inzittende] in totaal € 105.000,- aan schadevergoeding heeft betaald. Univé heeft de omvang van de schade van [inzittende] nader toegelicht aan de hand van de bijlagen 3 tot en met 10 bij de memorie na verwijzing. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de betaalde schadevergoeding € 105.000,- bedraagt.
Het beroep op eigen schuld aan de kant van [inzittende]
5.9
[geïntimeerde] heeft in zijn conclusie van antwoord een beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van [inzittende]. Ingevolge artikel 6:101 lid 1 BW wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Het hof stelt voorop dat het aan [geïntimeerde] is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat van eigen schuld in voormelde zin sprake is.
5.10
Volgens [geïntimeerde] is de eigen schuld van [inzittende] zodanig dat hij in het geheel geen aanspraak heeft op schadevergoeding ten opzichte van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] en [inzittende] waren namelijk allebei dronken na een avond/nacht stappen, zij hebben bewust de auto zonder medeweten van de ouders van [geïntimeerde] de straat uit geduwd en zijn vervolgens in de auto gestapt. Ook [inzittende] in ingestapt, ondanks het feit dat hij tevoren door meerdere personen was gewaarschuwd dit niet te doen en was geadviseerd een taxi te nemen. Het had evengoed andersom kunnen gaan en [geïntimeerde] en [inzittende] hebben over en weer dit risico aanvaard, aldus [geïntimeerde].
5.11
Univé stelt zich op het standpunt dat het enkele feit dat [inzittende] bij [geïntimeerde] in de auto is gestapt geen beroep op eigen schuld rechtvaardigt. [inzittende] heeft niet bijgedragen aan het ontstaan van zijn schade. Voor zover dat al het geval zou zijn geweest, valt zijn ‘fout’ in het niet bij de fout die [geïntimeerde] heeft gemaakt door onder invloed van alcohol een auto te besturen en een ongeval te veroorzaken. Als de causaliteitsafweging van artikel 6:101 BW toch deels ten nadele van [inzittende] zou uitvallen, eist de billijkheid een verdeling ten gunste van [inzittende]. Relevant daarvoor is de uiteenlopende ernst van de door hen gemaakte fouten en de aard/ernst van de schade (blijvende letselschade met aanzienlijke invloed op het (werkende) leven van [inzittende]). Langs die weg is sprake van minimaal 65 procent schadevergoedingsplicht van [geïntimeerde], volgens Univé.
5.12
Het hof overweegt dat het gedrag van [inzittende] niet heeft bijgedragen aan het feitelijk veroorzaken van het verkeersongeval. Wel komt de daarbij opgetreden letselschade gedeeltelijk voor eigen rekening van [inzittende], gelet op de aan hem toe rekenen omstandigheid dat hij uit eigen beweging is meegereden met [geïntimeerde] terwijl hij, mede gelet op de waarschuwingen die hij van derden had gekregen, wist of had moeten beseffen dat [geïntimeerde] – zwaar – onder invloed van alcohol was en dat het gevaarlijk was dat [geïntimeerde] in die staat een auto ging besturen. Volgens Univé is een schulddeling op basis van 35 procent aan de zijde van [inzittende], met inbegrip van een billijkheidscorrectie vanwege de ernst van het letsel, in de omstandigheden van dit geval heel reëel (memorie van grieven onder 4.30). Per e-mail van 15 december 2017, gericht aan mr. B. Wernik, de toenmalige advocaat van [geïntimeerde], heeft Univé haar vordering uitdrukkelijk beperkt tot 65 procent van de door haar aan [inzittende] uitgekeerde schadevergoeding. Het hof is het daarmee eens en gaat dan ook uit van dit percentage. Van risico-aanvaarding die tot volledige toerekening aan [inzittende] zou leiden, is in de omstandigheden van dit geval (de - onweersproken - toedracht als vermeld onder 5.10), anders dan [geïntimeerde] meent, geen sprake. Conclusie en proceskosten
5.13
Univé heeft haar vordering in deze procedure beperkt tot een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente. Rekening houdende met het door Univé aan [inzittende] betaalde bedrag van € 105.000,- en met een percentage eigen schuld aan de zijde van [inzittende] van 35%, is dit bedrag toewijsbaar. Bij inleidende dagvaarding heeft Univé aanspraak gemaakt op de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding, dat is 12 mei 2020. In hoger beroep heeft Univé - zonder nadere toelichting - aanspraak gemaakt op de wettelijke rente vanaf 4 september 2017, althans een door het hof te bepalen datum. Na verwijzing heeft Univé – eveneens zonder nadere toelichting - aanspraak gemaakt op de wettelijke rente vanaf de betaaldata, althans een door het hof te bepalen datum.
5.14
Gelet op wat hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd en de vordering van Univé zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 12 mei 2020. Het hof ziet geen grond voor toewijzing van de wettelijke rente vanaf een eerdere datum.
5.15
Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat Univé geen bewijs heeft aangeboden van feiten die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing.
5.16
Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de procedure bij de kantonrechter, en in het hoger beroep bij het hof Amsterdam en vervolgens dit hof, met nakosten en wettelijke rente.
5.17
Het hof begroot de kosten van de procedure bij de kantonrechter aan de zijde van Univé op:
dagvaarding € 103,07
griffierecht € 996,-
salaris advocaat € 960,-
Totaal € 2.059,07
Het hof begroot de kosten van de procedure bij het hof Amsterdam aan de zijde van Univé op:
dagvaarding € 83,38
griffierecht € 2.106,-
salaris advocaat € 1.442,- (1 punt × tarief III)
Totaal € 3.631,38
Het hof begroot de kosten van de procedure na verwijzing aan de zijde van Univé op:
oproepingsexploot € nihil
griffierecht € nihil
salaris advocaat € 1.670,- (1 punt × tarief III)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.848,-
De proceskosten bedragen in totaal € 7.538,45. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
6Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar van 30 september 2020;
en opnieuw rechtdoende:
-
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Univé van een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2020 tot de dag van algehele voldoening;
-
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de kosten van de procedure bij de kantonrechter, in hoger beroep bij hof Amsterdam en na verwijzing bij dit hof, aan de zijde van Univé tot aan deze uitspraak begroot op € 7.538,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
-
bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
-
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
-
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Gerechtshof Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:256
