Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 101225 advocatendeclaratie, kostenbeding niet transparant maar niet oneerlijk; korting 20%; rentebeding van 1% per maand is wél oneerlijk

RBMNE 101225 advocatendeclaratie, kostenbeding niet transparant maar niet oneerlijk; korting 20%; rentebeding van 1% per maand is wél oneerlijk

2De verdere beoordeling

Het tussenvonnis van 15 oktober 2025

2.1.

De kantonrechter neemt over en verwijst naar wat is overwogen in het tussenvonnis van 15 oktober 2025.

Reactie van [eiser]

2.2.

heeft, kort samengevat, toegelicht dat [gedaagde] telefonisch contact met zijn kantoor heeft opgenomen met het verzoek hem bij te staan in een verzoekschriftprocedure. Tijdens dat gesprek heeft [eiser] [gedaagde] verteld dat hij voor zijn werkzaamheden € 185,00 (exclusief btw) rekent, vermeerderd met kosten die ‘derden’ hem in rekening brengen (de verschotten), dat op zijn diensten de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat hij in beginsel maandelijks factureert. Ook heeft [eiser] op voorhand [gedaagde] verteld dat hij moeilijk kon inschatten hoeveel tijd er nodig is om tot oplossingen te komen. Hij heeft daarbij verteld dat rechtszaken geregeld tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00 kosten en dat het om die reden verstandig is om te kijken of een minnelijke regeling mogelijk is. [eiser] heeft [gedaagde] ook gevraagd naar zijn gezinssituatie. [eiser] kwam tot de conclusie dat [gedaagde] vanwege zijn inkomen niet voor gefinancierde rechtshulp in aanmerking kwam. [eiser] is na bevestiging van de opdracht en akkoord van [gedaagde] aangevangen met zijn werkzaamheden voor [gedaagde] . [eiser] heeft vervolgens in januari 2025, februari 2025 en april 2025 zijn uitgevoerde werkzaamheden gefactureerd.

2.3.

Volgens [eiser] heeft hij voldaan aan de verplichtingen in artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). [gedaagde] heeft zich ook niet beklaagd dat [eiser] niet heeft voldaan aan die verplichtingen.

2.4.

Volgens [eiser] heeft hij in zijn dagvaarding voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten en rente aansluiting gezocht bij de wet. Hij begrijpt dat eventuele bedingen in de algemene voorwaarden, ook al doet hij daar geen beroep op, alsnog relevant zijn. Hij heeft zijn algemene voorwaarden voor zijn dienstverlening inmiddels aangepast op de website.

Kwalificatie van de overeenkomst en de werkzaamheden

2.5.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht gekwalificeerd moet worden als een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 6:230h lid 1 BW, waarbij [gedaagde] heeft gehandeld als consument en [eiser] als handelaar in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub b BW.

2.6.

De kantonrechter leidt uit de toelichting van [eiser] en uit de afspraak- en opdrachtbevestiging af dat de overeenkomst tijdens een telefonisch gesprek is gesloten en niet op kantoor van [eiser] . De overeenkomst moet aldus gekwalificeerd worden als een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230m BW.

Ambtshalve toetsing kernbeding

2.7.

Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen moet de kantonrechter kernbedingen (zo nodig ambtshalve) in consumentenovereenkomsten toetsen op oneerlijkheid als het kernbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (het transparantievereiste).

2.8.

De bepaling dat [eiser] voor zijn werkzaamheden een uurtarief van € 185,00 exclusief btw en verschotten rekent, is een kernbeding. Dit is expliciet in de opdrachtbevestiging opgenomen. Niet gesteld of gebleken is dat er over dit kostenbeding afzonderlijk is onderhandeld. De kantonrechter moet daarom beoordelen of het kostenbeding in de tussen partijen gesloten overeenkomst voldoet aan het hiervoor genoemde transparantievereiste. Daarvoor moet aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (zaak C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14).

Het kostenbeding is niet transparant

2.9.

De kantonrechter is van oordeel dat het beding niet transparant is. Gelet op de door [eiser] gegeven toelichting begrijpt de kantonrechter dat de totale kosten in dit geval niet te voorspellen waren, maar van [eiser] had toch verwacht mogen worden dat hij informatie aan [gedaagde] had gegeven met aanwijzingen om de kosten enigszins in te kunnen schatten, eventueel tot een bepaald moment. Dat [eiser] maandelijks factureerde en daarbij een specificatie verstrekte, leidt niet tot een ander oordeel. Ook de algemene opmerking dat rechtszaken geregeld tussen de € 5.000,00 en € 10.000,00 kosten, is onvoldoende. Die globale kostenberaming was namelijk niet toegespitst op de situatie van [gedaagde] . Tegen die achtergrond is een globale kostenberaming dan ook weinig informatief.

2.10.

Op basis van de door [eiser] verstrekte informatie kon [gedaagde] dan ook de (financiële) gevolgen niet overzien voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.

Het kostenbeding is niet oneerlijk

2.11.

Omdat het kostenbeding niet transparant wordt bevonden, moet worden beoordeeld of het beding ook oneerlijk is. Hoewel de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) niet rechtstreeks van toepassing is, brengt een richtlijnconforme uitleg mee dat de kantonrechter een oneerlijk beding op grond van artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moet vernietigen (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:691). Artikel 6:233 onder a BW bepaalt dat een beding onredelijk bezwarend (oneerlijk) is wanneer het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (de consument). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft uitdrukkelijk geoordeeld dat een niet transparant beding niet meteen een oneerlijk beding is, maar het gebrek aan transparantie wel meeweegt bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid.

2.12.

Ten eerste moet worden nagegaan of de consument het beding ook zou hebben aanvaard als er op eerlijke en billijke wijze over was onderhandeld. Daarnaast moet er sprake zijn van een aanzienlijke verstoring in het evenwicht van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van de consument. Ook zijn alle andere omstandigheden rond het sluiten van de overeenkomst relevant.

2.13.

De kantonrechter stelt voorop dat het in de praktijk ongebruikelijk is dat over een uurtarief van een advocaat wordt onderhandeld. In deze zaak is niet gesteld of gebleken dat dit in dit geval wel had gemoeten. Het door [eiser] gehanteerde uurtarief waar dus wel vooraf over is gesproken is ook marktconform. Op dit punt is er daarom in ieder geval geen sprake van een oneerlijke of onbillijke onderhandeling. Verder is niet gebleken dat [gedaagde] het kostenbeding van [eiser] niet had aanvaard als [eiser] wel had voldaan aan het transparantievereiste door meer informatie over de totaal te verwachten kosten te geven. Bijvoorbeeld doordat [gedaagde] niet meer dan een bepaald bedrag wilde uitgeven voor de werkzaamheden. [eiser] mocht er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat [gedaagde] ook had ingestemd met het kostenbeding als er afzonderlijk over was onderhandeld.

2.14.

Van een aanzienlijke verstoring in het evenwicht ten nadele van [gedaagde] van de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen is ook geen sprake. Daarbij weegt mee dat er geen wettelijke bepalingen zijn die uurtarieven voor advocaten voorschrijven en dat het kostenbeding [gedaagde] dus niet in een minder gunstige positie plaatst dan die welke voortvloeit uit het Nederlandse recht. Een opdrachtgever is namelijk in ieder geval een redelijk loon verschuldigd (artikel 7:405 lid 2 BW). Een advocaat moet volgens de voor de beroepsgroep geldende gedragsregels ook een redelijk loon in rekening brengen. Het is de kantonrechter niet gebleken dat het kostenbeding afwijkt van deze beginselen en, zoals hiervoor is overwogen, is het uurtarief ook marktconform.

2.15.

De conclusie is dat de kantonrechter het beding, alles afwegende, niet oneerlijk acht.

Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel gehouden is tot betaling van de openstaande facturen.

Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplichten

2.16.

Aan de hiervoor in overwegingen 2.9. en 2.10. vastgestelde schending van de informatieplicht (op de juiste wijze informatie geven over de totale kosten) moet de kantonrechter de gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.

2.17.

De kantonrechter zal daarom op grond van de schending de overeenkomst met toepassing van de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] alleen ten aanzien van het in rekening gebrachte honorarium van € 2.943,73 wordt verminderd met 20%.

Conclusie ten aanzien van de hoofdsom

2.18.

Het voorgaande leidt er toe dat de hoofdsom toewijsbaar is tot het bedrag van € 2.354,98 (= 80% van € 2.943,73).

[gedaagde] hoeft de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen

De buitengerechtelijke incassokosten

2.19.

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 342,48. In artikel 4.7. van de algemene voorwaarden is daarover een beding opgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat het beding oneerlijk is. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.

2.20.

De tekst van het beding sluit namelijk niet uit dat de incassokosten al zijn verschuldigd zodra een sommatie of herinnering is verzonden, terwijl de wettekst voorschrijft dat de incassokosten pas ná het verstrijken van de in de veertiendagenbrief genoemde termijn verschuldigd worden. De kantonrechter is van oordeel dat het beding daardoor ten nadele van consumenten aanzienlijk afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het beding is aldus oneerlijk ten opzichte van [gedaagde] en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan wordt de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. [gedaagde] hoeft de buitengerechtelijk incassokosten van € 342,48 niet aan [eiser] te betalen.

2.21.

Omdat sprake is van een oneerlijk beding, is terugvallen op de wettelijke regeling niet mogelijk.

De rente

2.22.

[eiser] maakt ook aanspraak op vergoeding van rente van € 92,70. In artikel 4.6. van de algemene voorwaarden is daarover een beding opgenomen. De kantonrechter is van oordeel dat het beding oneerlijk is. De rente wordt daarom afgewezen.

2.23.

De bedongen rente van 1% per maand (12,68% per jaar) is namelijk hoger dan de wettelijke rente voor handelstransacties (12,25% per jaar per 1 juli 2024) was op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Door die hoge bedongen rente wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Om die reden is het rentebeding oneerlijk en wordt het door de kantonrechter vernietigd. Als gevolg daarvan moet de gevorderde rentevergoeding van € 92,70 worden afgewezen. Ook heeft hier te gelden dat er niet teruggevallen kan worden op de wettelijke regeling, omdat het beding oneerlijk is.

De verwerking van de betalingen van [gedaagde]

2.24.

In de dagvaarding heeft [eiser] opgenomen dat [gedaagde] in totaal € 730,00 heeft aanbetaald (zie 3e alinea van punt 7 van de dagvaarding / zie productie 5 van [eiser] ). [eiser] heeft voor de verwerking van de betalingen een beroep op artikel 6:44 BW gedaan. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekt deze betalingen eerst in mindering op de door [eiser] gemaakte kosten, daarna op de rente en ten slotte op de hoofdsom. Omdat de buitengerechtelijke incassokosten en rente zijn afgewezen, wordt het totaalbedrag van € 730,00 in mindering gebracht op de toewijsbare hoofdsom van € 2.354,98, waardoor er van de hoofdsom een bedrag van € 1.621,98 (= € 2.354,98 - € 730,00) resteert. De hoofdsom wordt dan ook toegewezen tot het bedrag van € 1.621,98.

2.25.

Voor zover [gedaagde] na 26 mei 2025 nog betalingen aan [eiser] heeft verricht, moet [eiser] die betalingen in mindering laten strekken op de toewijsbare vorderingen. Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6865