RBNHO 250226 inkeping bovenbeen na liposuctie; smartengeld verzocht € 20.000, toegewezen, aansluiting bij R.damse schaal, € 5000; wettelijke rente vanaf datum operatie
- Meer over dit onderwerp:
RBNHO 250226 inkeping in bovenbeen na liposuctie; geen tegenbewijs tegen voorlopig oordeel dat liposuctie op die plek niet was overeengekomen
- smartengeld verzocht € 20.000, toegewezen, aansluiting bij R.damse schaal, € 5000; wettelijke rente vanaf datum operatie
- kosten medisch advisering: verzocht € 2510,15, toegewezen € 750,00; uitsluitend voorzover deze zagen op (gebreken in) informed consent
- bgk gevorderd € 34.191,23, deels ter voorbereiding gedingstukken en instructie zaak; toegewezen € 730 (cf wettelijke staffel)
- kosten binnen rechte voor eiser; cf. liquidatietarief dat hoort bij toegewezen schadesom
RBNHO 300425 inkeping in bovenbeen na liposuctie; voorlopig bewezen dat liposuctie op die plek niet was overeengekomen
De zaak in het kort
[eiseres] heeft een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten met Boerhaave voor het uitvoeren van een cosmetische behandeling. Een plastisch chirurg van Boerhaave heeft lipofilling in de billen en heupen van [eiseres] gedaan met lichaamseigen vet dat via liposuctie is verkregen. Na de ingreep is geconstateerd dat de achterkant van het rechter bovenbeen van [eiseres] een inkeping vertoont. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 30 april 2025 geoordeeld dat zij het voorlopig bewezen acht dat liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen. De rechtbank heeft Boerhaave in de gelegenheid gesteld om daarvan tegenbewijs te leveren. De rechtbank oordeelt dat Boerhaave niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. Boerhaave heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] door de eis van ‘informed consent’ te schenden. Zij moet een (beperkt) aantal schadeposten vergoeden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2025
- de akte na tussenvonnis met producties 1-2 van Boerhaave
- het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 16 oktober 2025
- de conclusie na enquête van Boerhaave met bijlagen 1-2
- de antwoordconclusie na enquête van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 30 april 2025 geoordeeld dat zij het voorlopig bewezen acht dat liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen. De rechtbank heeft Boerhaave in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren tegen dit voorshandse bewijsvermoeden. Daarop heeft Boerhaave een akte in het geding gebracht met twee producties, zijnde een kopie van de notities die [voormalig consulente] (hierna: [voormalig consulente] ), een voormalig consulente bij Boerhaave, op 25 februari 2020 heeft gemaakt en een kopie van de foto’s die preoperatief van het lichaam van [eiseres] zijn gemaakt. Daarnaast heeft Boerhaave [voormalig consulente] en plastisch chirurg [plastisch chirurg] (hierna: [plastisch chirurg] ) die de operatie heeft uitgevoerd, als getuigen ter zitting laten horen.
[eiseres] heeft van het houden van een contra-enquête afgezien.
2.2.
Vervolgens hebben beide partijen een conclusie na enquête genomen. Boerhaave concludeert dat zij in de tegenbewijslevering is geslaagd en dat (ook) de nog onbehandelde vorderingen van [eiseres] door de rechtbank moeten worden afgewezen. [eiseres] concludeert dat het tegenbewijs door Boerhaave niet is geleverd, zodat het voorlopig oordeel van de rechtbank dat de ‘informed consent’ van [eiseres] voor liposuctie aan de achterkant bovenbenen/onderrand billen op 5 maart 2020 ontbrak, definitief vastgesteld moet worden.
Boerhaave slaagt er niet in om het voorlopig bewijsoordeel te ontzenuwen
2.3.
De toelating tot tegenbewijs tegen het voorshandse bewijsoordeel houdt in dat de wederpartij (in dit geval Boerhaave) het bewijs dient te ontzenuwen dat door de partij op wie de bewijslast rust (in dit geval [eiseres] ) is geleverd. Er is volgens vaste rechtspraak sprake van geslaagd tegenbewijs indien er zoveel twijfel is gezaaid dat de aanvankelijke overtuiging van de rechter aan het wankelen wordt gebracht en deze niet (meer) vermoedt dat de stellingen van de partij op wie het bewijsrisico rust, juist zijn.
2.4.
Daar is Boerhaave niet in geslaagd. De rechtbank heeft al het aanwezige bewijs zelfstandig en in onderlinge samenhang gewaardeerd en overweegt hierover het volgende.
Twee notities
2.5.
Boerhaave stelt ten eerste dat tegenbewijs is geleverd met twee notities die in haar kliniek door medewerkers zijn geschreven en in het elektronisch patiëntendossier van [eiseres] zijn opgenomen. Het gaat om een notitie die voormalige consulente [voormalig consulente] op 25 februari 2020 heeft gemaakt. Zij heeft destijds contact gehad met [eiseres] . Het volgende is genoteerd:
‘*tel* Mw heeft 5-3 OK lipofilling billen & heupen (+revolve), oogsten buik, flanken, binnen- en voorkant bovenbenen, maag en onderrand billen van 4 uur lang. Wil nog een paar vragen stellen voordat ze de OK bevestigt. (JM) Heeft gelezen over heel hoge risico’s bij lipofilling behandelingen en heeft daar vragen over, maar ook met zitten en bewegen na OK (LvE).’
Daarnaast gaat het om een notitie uit de planning van de operatiekamer met de volgende inhoud:
‘lipofilling billen & heupen (+revolve), oogsten buik, flanken, binnen- en voorkant bovenbenen, maag en onderrand billen’
Volgens Boerhaave blijkt uit beide notities dat afgesproken was met [eiseres] om de onderrand van de billen te opereren, omdat dat namelijk specifiek wordt genoemd.
2.6.
Uit de getuigenverklaringen van [voormalig consulente] en [plastisch chirurg] volgt dat een consulente die bij Boerhaave werkzaam is niet de medisch inhoudelijk aspecten met een patiënt bespreekt.
[plastisch chirurg] heeft hierover blijkens de relevante passages uit het proces-verbaal het volgende verklaard: “Volgens mij heb ik zelf tussen het telefoongesprek in februari en de dag van de operatie op 5 maart 2020 geen contact meer gehad met [eiseres] . Een consulent van de kliniek heeft wel contact met haar gehad. De vaste structuur binnen de kliniek is dat consulenten na consulten nabellen. (…) De consulent is ondersteunend personeel, een secretaresse. De consulent gaat niet over het medische deel en bespreekt dus geen risico’s met de patiënt en geeft daarover geen adviezen. Voor de offerte haalt de consulent informatie uit het dossier.”
Dit wordt ondersteund door volgende passage uit de getuigenverklaring van [voormalig consulente] :
“U vraagt mij wat de functie van consulente inhoudt. Een patiënt komt op een spreekuur bij de plastische chirurg voor een consult. Daarna heeft de patiënt gesprekken met de consulente over alles wat er speelt rond een operatie. De consulent houdt zich niet bezig met de medisch inhoudelijke kant van een behandeling.” [voormalig consulente] heeft tijdens het getuigenverhoor verder verklaard dat zij contact met [eiseres] heeft gehad, dat zij in een telefonisch gesprek of in een gesprek daarna de operatie heeft ingepland en dat zij bij een dergelijk gesprek met een patiënt altijd tevoren het medisch dossier doorneemt, waarin alleen de artsen schrijven en waarover zij gaat bellen.
2.7.
Uit deze getuigenverklaringen komt naar voren dat [voormalig consulente] als administratief ondersteuner bij Boerhaave zelf niet met [eiseres] de liposuctie van de onderrand van de billen heeft afgesproken. De rechtbank gaat er van uit dat [voormalig consulente] de bewuste informatie over de operatie op 5 maart 2020 uit het medisch dossier van [plastisch chirurg] heeft gekopieerd en geplaatst in het ‘consulent elektronisch patiëntendossier’. Een identieke beschrijving van de operatie is ook terug te vinden in de overgelegde notitie uit de planning van de operatiekamer.
2.8.
Beide notities leveren geen (begin van) tegenbewijs op tegen het voorshands oordeel van de rechtbank. Dat in het medisch dossier - waarop beide notities klaarblijkelijk zijn gebaseerd - de onderrand van de billen specifiek als liposuctiezone is vermeld bewijst namelijk nog niet, anders dan Boerhaave meent, dat [eiseres] daarvoor toestemming heeft gegeven. [plastisch chirurg] heeft in het getuigenverhoor herhaald dat dit op 3 februari 2020 wel degelijk telefonisch is gebeurd en dat zij dit in het medisch dossier heeft opgeschreven. Die vermeende toestemming blijkt echter niet duidelijk uit de aantekeningen in het medisch dossier en evenmin uit de offerte van 3 februari 2020, zoals de rechtbank al in het tussenvonnis van 30 april 2025 heeft overwogen.
Getuigenverklaringen
2.9.
De getuigenverklaringen van [plastisch chirurg] en [voormalig consulente] , die beiden afgaan op de aantekeningen in het medisch dossier, brengen daarin geen verandering. [plastisch chirurg] heeft weliswaar verklaard dat zij de verwachtingen en risico’s van liposuctie van de onderrand van de billen telefonisch met [eiseres] heeft doorgesproken, maar - nog daargelaten of die (betwiste) verklaring juist is - daarmee is nog geen bewijs geleverd van een expliciete instemming van [eiseres] met een liposuctieverrichting op die locatie. Daarbij is van belang dat [plastisch chirurg] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat liposuctie aan de onderrand van de billen tijdens het eerste consult op 30 januari 2020 niet (expliciet) was besproken, terwijl zij als getuige heeft verklaard dat dit toen wel uitgebreid was besproken. Dit laatste lijkt niet te kloppen, omdat [eiseres] bij e-mail van 3 februari 2020 informeerde naar de mogelijkheid om onder de bilplooi vet te verwijderen. Bovendien leidt de rechtbank uit de getuigenverklaring van [plastisch chirurg] af dat zij zich door het tijdverloop niet meer (precies) kan herinneren hoe een en ander zes jaar geleden is gegaan en dat zij voornamelijk heeft verklaard hoe zij normaal gesproken te werk gaat. In dit licht bezien ontzenuwt de getuigenverklaring van [plastisch chirurg] het voorlopige bewijsoordeel niet. Daarbij komt dat de vermeende instemming van [eiseres] niet als zodanig in het medisch dossier of in een ander relevant document is vastgelegd, inclusief een akkoord met de daarmee samenhangende risico’s. Kortom, er is geen duidelijke vastlegging van de gestelde afspraak en ook niet van de informatievoorziening in dat kader. Een dergelijke vastlegging kan bij een ingrijpende medische behandeling zoals hier aan orde niet achterwege blijven.
Toestemmingsformulier
2.10.
Boerhaave wijst nog op het door [eiseres] ondertekende toestemmingsformulier waarop is genoteerd dat de onderrand van de billen zou worden behandeld. Daaruit kan echter geen ‘informed consent’ van [eiseres] worden afgeleid, zoals de rechtbank in haar tussenvonnis van 30 april 2025 al gemotiveerd uiteen heeft gezet.
Foto’s van preoperatieve aftekeningen
2.11.
Boerhaave wijst voorts op de bij akte overgelegde foto’s die preoperatief van het lichaam van [eiseres] zijn gemaakt. Daarop is volgens Boerhaave te zien dat ook de onderrand van de billen is afgetekend door [plastisch chirurg] . Dat wordt alleen gedaan als dat afgesproken is. [eiseres] moet dat bovendien gevoeld hebben, maar zij heeft daar destijds niet op gereageerd, aldus Boerhaave.
2.12.
In het tussenvonnis van 30 april 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat het medisch dossier geen duidelijkheid geeft over wat er is gebeurd bij het aftekenen van de operatiegebieden en bij de time-out procedure en wat er toen is besproken. Boerhaave heeft vervolgens als bewijsmiddel enkele foto’s in het geding gebracht waarop preoperatieve aftekeningen te zien zijn.
2.13.
[eiseres] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen idee te hebben wat [plastisch chirurg] precies aftekende en wat zij voor ogen had met het aftekenen. Volgens [eiseres] werd er afgetekend met verschillende stiften, was er geen spiegel in de kamer en werd er niet door [plastisch chirurg] toegelicht waar de incisie en liposuctie et cetera zouden komen. De billen waren onderdeel van de behandeling, in die zin dat daar lipofilling zou plaatsvinden, zodat het ook niet vreemd was dat er op of rondom de billen werd afgetekend, aldus [eiseres] .
2.14.
[plastisch chirurg] heeft hierover blijkens de relevante passage uit het proces-verbaal het volgende verklaard: “U vraagt mij of [eiseres] die dag zenuwachtig was. Dat weet ik niet meer, de meesten zijn dat wel. Er zijn geen spiegels aanwezig in de ruimte waar wordt afgetekend. Het is een zaaltje met gordijnen. Tijdens het aftekenen noem ik wat ik afteken; niet wat daar precies gaat gebeuren. De hele operatie is al eerder besproken.”
2.15.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen niet kan worden afgeleid dat [eiseres] bij het aftekenen of daarvóór toestemming heeft gegeven om liposuctie uit te voeren van de onderrand van de billen. Blijkens de eigen verklaring van [plastisch chirurg] was het stadium van informatieverschaffing over de medische verrichting (en de daarmee gepaard gaande toestemming) immers al voorbij en bij het aftekenproces wordt niet meer benoemd wat de ingreep precies zal inhouden. De overgelegde foto’s met aftekeningen zaaien dan ook geen twijfel om de overtuiging bij de rechtbank dat [eiseres] geen (geïnformeerde) toestemming heeft verleend voor de bewuste ingreep te doen wankelen.
Conclusie
2.16.
De conclusie van het bovenstaande is dat het door Boerhaave aangedragen bewijs, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende is om de voorlopig bewezen geachte stelling dat de liposuctie op de plek waar de inkeping is ontstaan niet tussen partijen is overeengekomen, te ontzenuwen. Boerhaave is dus niet geslaagd in het leveren van het hiervoor onder 2.1. bedoelde tegenbewijs.
2.17.
Er moet daarom van uit worden gegaan dat Boerhaave een medische fout heeft gemaakt door een cosmetische behandeling bij [eiseres] te verrichten zonder dat [eiseres] daarvoor goed geïnformeerde toestemming heeft gegeven. Dat kwalificeert als onrechtmatig handelen waarvoor Boerhaave op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is. Zonder toestemming is er immers sprake van een ongeoorloofde inbreuk op de integriteit van een patiënt. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft geoordeeld is sprake van causaal verband tussen de schending van de eis van ‘informed consent’ en de gestelde schade.
Schadeposten
2.18.
De rechtbank zal hierna ingaan op de gevorderde immateriële schade (hierna ook smartengeld genoemd), deskundigenkosten en buitengerechtelijke advocaatkosten. De overige schadeposten heeft de rechtbank al in het tussenvonnis van 30 april 2025 afgewezen.
Smartengeld
2.19.
[eiseres] vordert een bedrag van € 20.000,00 aan smartengeld.
2.20.
Boerhaave vindt dit bedrag te hoog. Zij verwijst in de conclusie na enquête naar uitspraken met de nummers 1339 en 1337 uit de ANWB-smartengeldgids. In die zaken waren mishandelingen aan de orde, met als gevolg een blijvende ontsiering door een litteken in het gezicht. Er werd een bedrag van € 800,00 (geïndexeerd € 1.289,00) respectievelijk € 750,00 (geïndexeerd € 1.092,00) toegewezen vanwege immateriële schade. Volgens Boerhaave is in dit geval de normschending veel minder ernstig en is de schade veel geringer. Het gaat om een inkeping op een veelal onzichtbare plek die kennelijk ook verbeterd is sinds de hersteloperatie. Een bedrag van hoogstens € 500,00 zou dan passend zijn, aldus Boerhaave.
2.21.
[eiseres] brengt hiertegenover naar voren dat genoemde uitspraken betrekking hebben op conflictsituaties in de privésfeer die tot een mishandeling hebben geleid en niet, zoals in haar geval, op een medische fout en het ontkennen daarvan door de behandelaar. Er is dan ook geen sprake van vergelijkbare situaties. Volgens [eiseres] is haar lichamelijke integriteit aangetast doordat Boerhaave een zeer riskante medische behandeling heeft uitgevoerd die niet is overeengekomen en die bovendien een blijvende ontsiering aan haar lichaam heeft veroorzaakt. Omdat haar uiterlijk in het kader van haar werk heel belangrijk is, ondervindt zij hier des te meer (emotioneel) nadeel van. Daar komt bij dat de emotionele schade beperkt had kunnen worden als Boerhaave de medische fout had erkend en Boerhaave niet tegen haar had gezegd dat het letsel vanzelf weg zou trekken terwijl dat onmogelijk was, aldus [eiseres] .
2.22.
Bij de begroting van een naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding van artikel 6:106 lid 1 sub b BW (opgelopen lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde) moet de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend is de aard, de ernst en de duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene.
De rechtbank heeft voor het vaststellen van het smartengeld aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal, ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen’. Meer specifiek is de rechtbank uitgegaan van deel A, lichamelijk letsel, categorie 10 ‘Littekens aan andere delen van het lichaam’. Naar het oordeel van de rechtbank valt het lichamelijk letsel van [eiseres] als gevolg van de door Boerhaave uitgevoerde, niet overeengekomen liposuctie, gelet op de aard en ernst ervan, in
categorie 10 (c) ‘minder ernstige littekenvorming’. Daarvoor geldt een bandbreedte van € 1.500 tot € 5.500. De rechtbank vindt in dit geval een bedrag bovenaan deze bandbreedte passend. Dit licht zij hierna toe.
2.23.
[eiseres] heeft aan de liposuctie een ontsiering (in de vorm van een inkeping/plooi) op de achterkant van haar rechter bovenbeen overgehouden. Zij heeft een hersteloperatie ondergaan, maar het letsel zal niet verder verdwijnen. Het is een duidelijk zichtbaar litteken dat het uiterlijk in enige mate aantast. [eiseres] heeft aannemelijk gemaakt dat het letsel een weerslag heeft op haar (werkzame) leven en dat zij er psychisch onder gebukt gaat, te meer nu het gaat om een gevolg van een medische behandeling waarvoor zij geen toestemming heeft gegeven en deze dus voorkomen had kunnen worden. Door het blijvende litteken wordt zij nog dagelijks met de gevolgen geconfronteerd. Ook door de reacties daarop van anderen wordt zij aan het feit herinnerd. Zij voelde zich genoodzaakt om zich door een plastisch chirurg in het buitenland te laten opereren, wat tot haar verdriet geen volledig herstel heeft opgeleverd.
2.24.
Gelet op de aard en ernst van de normschending, het als gevolg daarvan ontstane letsel, de (cosmetische) gevolgen en de vergoedingen die in soortgelijke zaken zijn toegekend begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 5.000,00. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade tot dat bedrag toe. De gevorderde wettelijke rente vanaf 5 maart 2020 is - als onweersproken - ook toewijsbaar.
2.25.
Voor zover [eiseres] een beroep doet op secundaire victimisatie is dat door haar onvoldoende onderbouwd. Het extra leed dat [eiseres] naar eigen zeggen door de opstelling van Boerhaave lijdt, volgt namelijk niet uit de stukken in het dossier. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 30 april 2025 bovendien geoordeeld dat de andere verwijten van [eiseres] aan het adres van Boerhaave niet slagen, zodat deze niet extra hebben bijgedragen aan het leed van [eiseres] .
Deskundigenkosten
2.26.
[eiseres] vordert daarnaast een (totaal)bedrag van € 3.780,65 aan deskundigenkosten. Dit bedrag bestaat uit € 1.270,50 voor de kosten van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) en uit € 1.493,75, € 254,10 en € 762,30 voor de kosten van het Medisch Advies Bureau (hierna: MAB). [eiseres] onderbouwt dit met facturen.
2.27.
Boerhaave voert aan dat de gevorderde kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Volgens Boerhaave stond het [eiseres] vrij om deskundigen in te schakelen. De stellingen van [eiseres] in de dagvaarding zijn echter niet op de deskundigenberichten gestoeld maar op een juridisch standpunt, namelijk het ontbreken van toestemming. Het is niet nodig om ter onderbouwing daarvan een medisch deskundige in te schakelen. Ook was het niet nodig om te bezien of er op het toestemmingsformulier verschillende handschriften staan, omdat dat niet ter zake doet. Dat er verschillende handschriften te zien zijn, maakt het nog niet onrechtmatig. Het is dan niet redelijk, in de zin van de dubbele redelijkheidstoets, om de kosten van de deskundigen ten laste van haar te brengen, aldus Boerhaave.
2.28.
Over het inschakelen van MAB heeft [eiseres] gemotiveerd aangevoerd dat zij het oordeel van een medisch deskundige wilde horen over de hele aanpak van Boerhaave betreffende de vastlegging van het hele behandelproces en de afwikkeling van de klachten van [eiseres] , omdat zij zelf geen kennis van medische zaken en processen heeft. De rechtbank vindt het redelijk dat [eiseres] met het oog op de vaststelling van schade en aansprakelijkheid een medisch deskundige heeft ingeroepen voor deskundige bijstand.
2.29.
Dat MAB is gevraagd naar het vraagstuk van ‘informed consent’ vindt de rechtbank, anders dan Boerhaave, niet onnodig. Bij ‘informed consent’ hoort ook de informatieplicht van de arts en de deugdelijke vastlegging daarvan, in combinatie met de gegeven toestemming door de patiënt. Daarvoor kan medische kennis en ervaring van een deskundige relevant zijn. De rechtbank vindt het dan ook redelijk dat de daartoe gemaakte kosten als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW voor toewijzing in aanmerking komen. Het is in dit geval echter slechts mogelijk om te schatten in hoeverre deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Het onderzoek van MAB richtte zich namelijk maar voor een beperkt deel op het vraagstuk van ‘informed consent’. De rechtbank vindt een bedrag van € 750,00 redelijk voor de kosten van MAB in verband met dit werk. Waar de andere onderzoekswerkzaamheden van MAB hun weerslag vinden in de gevorderde kosten, strandt toewijzing daarvan op artikel 6:96 lid 2 onder b BW, omdat deze kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan.
2.30.
De rechtbank is verder van oordeel dat de gevorderde kosten van NFO voor het vergelijkend schriftonderzoek kunnen worden toegewezen op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. [eiseres] heeft deze kosten moeten maken om de aansprakelijkheid van Boerhaave voor het ontbreken van ‘informed consent’ vastgesteld te krijgen, toen aan [eiseres] een medisch toestemmingsformulier werd tegengeworpen met bijschrijvingen die volgens [eiseres] niet van haar waren (waarin zij gesterkt wordt door het handschriftonderzoek). De rechtbank acht het redelijk dat [eiseres] het handschriftonderzoek heeft laten verrichten en ook de omvang van de kosten - een aan [eiseres] gefactureerd bedrag van € 1.270,50 (inclusief btw) - is redelijk.
2.31.
In totaal komt dus een bedrag van € 2.020,50 aan deskundigenkosten voor toewijzing in aanmerking. De gevorderde wettelijke rente is ook toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.
Buitengerechtelijke (advocaat)kosten
2.32.
[eiseres] vordert verder een (totaal)bedrag van € 34.191,23 aan buitengerechtelijke (advocaat)kosten. Het gaat om een bedrag van € 5.534,73 voor werkzaamheden tot en met januari 2023 en om een bedrag van € 28.656,50 voor werkzaamheden van februari 2023 tot en met de datum van het uitbrengen van de dagvaarding. [eiseres] stelt dat het, gelet op de aard van de zaak, redelijk is om de werkelijke advocaatkosten (deels) toe te kennen. Dat is volgens haar in de praktijk gebruikelijk, als vaststaat dat een behandelaar aansprakelijk is. Bovendien heeft te gelden, aldus [eiseres] , dat zij onnodig veel kosten heeft moeten maken, omdat Boerhaave haar aansprakelijkheid niet heeft willen erkennen. Verder stelt [eiseres] dat door de opstelling van Boerhaave, die over alle medische relevante informatie en documentatie beschikt die zij niet had/heeft, aan haar zijde veel meer werkzaamheden verricht moesten worden en veel meer kosten gemaakt moesten worden om haar zaak te kunnen onderbouwen. Zij heeft bovendien meerdere malen geprobeerd om de zaak buiten rechte te regelen met (de verzekeraar van) Boerhaave.
2.33.
Boerhaave betwist dat de gevorderde buitengerechtelijke advocaatkosten voldoen aan de maatstaf van de dubbele redelijkheidstoets. Boerhaave voert aan dat niet of nauwelijks sprake is geweest van buitengerechtelijke kosten, maar slechts van kosten die verband houden met de procedure. Die kosten komen niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast wijst Boerhaave erop dat [eiseres] de opgevoerde buitengerechtelijke kosten niet zelf heeft gemaakt. Die kosten zijn blijkens de declaratie kennelijk in rekening gebracht bij een besloten vennootschap die geen partij is in deze procedure. Daarnaast procedeert [eiseres] op kosten van DAS rechtsbijstand, aldus Boerhaave.
2.34.
Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten is vereist dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dat is niet anders als een partij wordt bijgestaan door een rechtsbijstandverzekeraar. Bovendien is doorgaans in de polisvoorwaarden van een rechtsbijstandsverzekering opgenomen dat een verzekerde verplicht is eventueel ontvangen buitengerechtelijke kosten af te dragen aan de verzekeraar. De rechtbank stelt verder vast dat een deel van de facturen van de advocaat is verzonden naar een vennootschap, maar wel op naam van [eiseres] is gesteld. [eiseres] heeft onbetwist toegelicht dat deze kosten zijn voorgeschoten maar dat zij die wel moet (terug)betalen. Het verweer van Boerhaave dat [eiseres] zelf geen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, faalt dus.
2.35.
[eiseres] heeft niet gemotiveerd uiteengezet waaruit de buitengerechtelijke werkzaamheden precies hebben bestaan. Zij heeft volstaan met het overleggen van urenspecificaties van haar advocaat. Daaruit blijkt dat ook werkzaamheden zijn verricht die zien op de voorbereiding van gedingstukken en de instructie van de zaak. Die binnengerechtelijke kosten dienen op grond van artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) buiten beschouwing te blijven.
Het voorgaande maakt dat het voor de rechtbank lastig is om de redelijkheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten te beoordelen.
2.36.
Omdat het in deze zaak redelijk was dat [eiseres] buitengerechtelijke rechtsbijstand inschakelde en aannemelijk is dat [eiseres] enige kosten heeft moeten maken die kunnen worden toegeschreven aan werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte, ziet de rechtbank aanleiding om de buitengerechtelijke kosten te schatten aan de hand van de maatstaf van artikel 6:96 lid 2 BW. Dat betekent dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover deze voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets. De rechtbank sluit bij de schatting aan bij de wettelijke staffel voor buitengerechtelijke kosten, die weliswaar op deze situatie niet van toepassing is maar waarvan de hoogte wordt geacht in overeenstemming te zijn met de dubbele redelijkheidstoets. Met inachtneming hiervan worden de buitengerechtelijke kosten, gelet op de toe te wijzen schadesom, geschat op € 730,00. De rechtbank zal dat bedrag dan ook toewijzen. De gevorderde wettelijke rente is ook toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.
Slotsom
2.37.
De slotsom is dat Boerhaave zal worden veroordeeld tot vergoeding van de hiervoor vermelde schadeposten. De overige schadeposten worden afgewezen. Bij deze stand van zaken heeft [eiseres] , zoals Boerhaave terecht aanvoert, geen voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij afzonderlijke toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat Boerhaave aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wanprestatie dan wel het onrechtmatig handelen van Boerhaave. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
Proceskosten
2.38.
Boerhaave is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
2.38.1.
Voor een vergoeding van de werkelijke advocaatkosten, zoals gevorderd door [eiseres] , is geen plaats. Een dergelijke vordering is alleen in ‘buitengewone omstandigheden’ toewijsbaar, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Er is pas sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als het verweer van Boerhaave, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [eiseres] achterwege had moeten blijven.1 Uit de woorden ‘evidente ongegrondheid’ vloeit voort dat met een grote mate van zekerheid moet komen vast te staan dat Boerhaave verweer heeft gevoerd dat gebaseerd is op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daarvan is hier geen sprake.
2.38.2.
De rechtbank zal een forfaitaire vergoeding toewijzen op basis van het liquidatietarief. De rechtbank ziet in de uitkomst van deze procedure, waarin slechts een gering deel van de vordering van [eiseres] wordt toegewezen, aanleiding om aan te sluiten bij het liquidatietarief dat past bij de toe te wijzen schadesom (tarief I). De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 139,42 | |
| - griffierecht | € | 1.325,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.662,00 | (3 punten × € 554,00) |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 3.315,42 |
2.38.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
1Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.
Rechtbank Noord-Holland 25 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2094
