Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 241225 deelgeschil n.a.v. 2 ongevallen; aanvullend voorschot afgewezen; gegronde twijfel m.b.t. causaal verband; wel (gematigd) voorschot op BGK

RBMNE 241225 deelgeschil n.a.v. 2 ongevallen; aanvullend voorschot afgewezen; gegronde twijfel m.b.t. causaal verband; wel (gematigd) voorschot op BGK
- verzocht en begroot 14:36 uur x € 250 + 21% = € 4416,50; niet toegewezen omdat causaal verband klachten en ongeval niet vast staat

2De kern van de zaak

2.1.

In 2023 is [verzoeker] als bestuurder van zijn auto twee keer aangereden door andere auto’s, waardoor [verzoeker] stelt letsel te hebben opgelopen. Bovemij treedt op als regelend verzekeraar voor beide ongevallen en heeft de aansprakelijkheid erkend. Aan [verzoeker] is een voorschot op de schade uitgekeerd en een voorschot op de buitengerechtelijke kosten. [verzoeker] vordert in dit deelgeschil de veroordeling van Bovemij tot betaling van een aanvullend voorschot. De rechtbank wijst deze vordering af. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt gematigd en toegewezen. De kosten van het deelgeschil worden begroot.

3De beoordeling

3.1.

Op 8 maart 2003 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij de door [verzoeker] bestuurde auto achterop is aangereden door een bij Bovemij WAM-verzekerde auto.
Op 4 juli 2023 heeft opnieuw een aanrijding plaatsgevonden waarbij een bij
Euro-Insurance WAM-verzekerde auto de auto van [verzoeker] aan de voor en zijkant heeft geschampt.

3.2.

[verzoeker] stelt dat hij als gevolg van de eerste aanrijding last heeft van fysieke, cognitieve en mentale klachten, slaapproblemen en vermoeidheid. Deze klachten zijn volgens [verzoeker] door de tweede aanrijding toegenomen.

3.3.

Door Bovemij is aan [verzoeker] een bedrag van € 5.500 als voorschot op de schade voor beide aanrijdingen uitgekeerd. Daarnaast is een bedrag aan [verzoeker] uitgekeerd van € 2.298 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten. In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoeker] na aanpassing van de bedragen tijdens de mondelinge behandeling een aanvullend voorschot van € 5.500 (zie nr. 3.12) op de schade en van € 5.320 (zie nr. 3.15) op de buitengerechtelijke kosten en om de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten.

3.4.

In de deelgeschilprocedure moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen.

3.5.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat er medio 2025 een impasse bestond in de onderhandelingen, zodat de deelgeschilprocedure een juiste vervolgstap is om de onderhandelingen vlot te trekken. Volgens [verzoeker] houdt Bovemij zich niet aan de afspraak dat zij medisch advies zou aanvragen. Bovemij is het hiermee niet eens. Volgens Bovemij heeft [verzoeker] het deelgeschil onnodig aanhangig gemaakt. Ter onderbouwing voert zij aan dat zij in het voorjaar van 2025 nog met [verzoeker] in onderhandeling was, zodat het plotseling op 24 april 2025 aanhangig maken van deze deelgeschilprocedure onnodig was. Daarnaast voert zij aan dat [verzoeker] de procedure onnodig en ten onrechte aanhangig heeft gemaakt omdat medische informatie ontbreekt en de wel door [verzoeker] verstrekte medische informatie te summier is.

Het deelgeschil is niet onnodig en ook niet onterecht aanhangig gemaakt

3.6.

De kantonrechter overweegt dat niet in geschil is dat er in het voorjaar van 2025 onderhandelingen tussen partijen plaatsvonden. Het is niet gebleken dat partijen op basis van datgene wat zij toen hebben besproken tot overeenstemming zouden kunnen komen. De onderhandelingen tussen partijen zijn dus zonder resultaat gebleven. Juist een deelgeschil is bedoeld om vastgelopen onderhandelingen weer vlot te trekken.

3.7.

Voor wat betreft het verweer van Bovemij dat het deelgeschil ook onnodig en onterecht aanhangig is gemaakt omdat de medische informatie (veel) te summier is, overweegt de kantonrechter het volgende. Op 25 oktober 2023 is er een huisbezoek van de schadebehandelaar van Bovemij bij [verzoeker] geweest. In de verslaglegging van 3 november 2023 van dat huisbezoek staat de medische informatie genoemd die [verzoeker] aan Bovemij diende te verstrekken. Het staat vast dat door mr. El Boutaibi namens [verzoeker] medische informatie aan de schadebehandelaar is verstrekt. Dit wordt in een e-mail van 16 januari 2024 van de schadebehandelaar aan mr. El Boutaibi bevestigd waarin staat:
“Dank voor de toegezonden medische informatie. Ik vroeg nog geen advies in afwachting van de reactie van AMS. Ik vroeg AMS om informatie over het tweede ongeval van 4 juli 2023. Dit om te beoordelen of er sprake is van mengschade. Zodra de informatie is ontvangen zal ik me uitlaten over ons optreden als regelend assuradeur. Ik nam kennis van uw schadestaat. Een voorschot van € 3.500,00 op de immateriële schade kan ik nu nog niet verantwoorden. Ik gaf opdracht een algemeen aanvullend voorschot van € 1.000,00 over te maken. Na ontvangst van de informatie van AMS zal ik medisch advies aanvragen. Na ontvangst daarvan kom ik bij u op de zaak terug. Intussen blijf ik graag geïnformeerd over relevante ontwikkelingen op het gebied van letsel en schade.”.

3.8.

In deze e-mail heeft de schadebehandelaar van Bovemij toegezegd dat hij, nadat hij informatie van AMS (de schadebehandelaar van Euro-Insurance, de verzekeraar van de automobilist van de tweede aanrijding) zou hebben ontvangen, medisch advies zou inwinnen en dit vervolgens aan [verzoeker] zou laten weten. Bovemij heeft zich niet aan deze toezegging gehouden. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Bovemij de medische informatie die [verzoeker] had verstrekt, te summier achtte voor het inwinnen van medisch advies. Daarvan heeft zij [verzoeker] niet op de hoogte gesteld. Bovemij had [verzoeker] erop moeten wijzen dat de verkregen informatie minder omvatte dan tijdens het huisbezoek in oktober 2023 was afgesproken en dat zij als gevolg daarvan geen medisch advies kon inwinnen. Ook had zij [verzoeker] om de medische informatie moeten verzoeken die zij kennelijk miste. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat als Bovemij dat verzoek aan [verzoeker] zou hebben gedaan, hij niet meer informatie zou hebben gegeven dan namens hem door mr. El Boutaibi is verstrekt.

3.9.

Gelet op deze gang van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter de eventuele onvolledigheid van medische informatie een gedeelde verantwoordelijkheid van beide partijen. Voor [verzoeker] bestaat de verantwoordelijkheid daaruit dat hij met een beroep op het vertrouwelijke karakter van de medische gegevens, niet meer informatie wilde verstrekken. Voor Bovemij bestaat de verantwoordelijkheid daaruit dat zij heeft nagelaten om [verzoeker] te wijzen op de onvolledigheid van de medische informatie en op het gevolg dat inwinnen van medisch advies daardoor niet mogelijk was. Omdat Bovemij mede verantwoordelijkheid is voor het niet inwinnen van medisch advies, kan zij zich er niet op beroepen dat [verzoeker] het deelgeschil onnodig en onterecht aanhangig heeft gemaakt omdat de medische informatie te summier zou zijn.

3.10.

Het deelgeschil is dus niet onnodig, en niet onterecht, aanhangig gemaakt. Een beslissing over het verzochte voorschot alsmede de buitengerechtelijke kosten kan mede bijdragen aan het treffen van een eventuele minnelijke regeling van deze kwestie.


Het verzoek om een voorschot wordt afgewezen

3.11.

Voorop staat dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding of provisionele eis in een bodemprocedure zou worden gevorderd (waarin de rechter voorlopig oordeelt). Voor toewijzing van de vorderingen moet in dit geschil vastgesteld worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door Bovemij betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure is in beginsel geen plaats.

3.12.

De schadestaat van 26 februari 2025 van [verzoeker] sluit, na vermindering van een reeds betaald voorschot van totaal € 3.500, op een schade van € 10.245,44. De grootste post is het smartengeld ter hoogte van € 7.500. [verzoeker] verzoekt in dit deelgeschil om een aanvullend voorschot van € 5.500. Aanvankelijk verzocht [verzoeker] een bedrag van € 7.500. Op de mondelinge behandeling is door [verzoeker] toegelicht dat hij in het verzoekschrift nog geen rekening had gehouden met een tweede door hem ontvangen voorschot van
€ 2.000 wat in mindering komt op het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 7.500.

3.13.

Bovemij stelt dat sprake is van twee aanrijdingen met een beperkte impact. Zij betwist het causale verband tussen de ongevallen en de genoemde klachten van [verzoeker] . Volgens Bovemij is voor het vaststellen daarvan te weinig medische informatie voorhanden. Bovemij wijst erop dat er bij [verzoeker] sprake was van belangrijke pre-existente klachten en dat die blijken uit de volgende omstandigheden:
- [verzoeker] heeft al sinds 2006 lage rugklachten, waardoor hij toen uitviel voor zijn werk in de steigerbouw;
- [verzoeker] is sinds 2008 voor 100% afgekeurd en heeft sindsdien een WIA-uitkering vanwege de ernstige rugklachten;

- in 2019 is bij [verzoeker] een tumor in de kaak verwijderd en ten tijde van de aanrijdingen stond [verzoeker] nog steeds onder behandeling in verband met die tumor;

- in 2011/2012 vond ook een aanrijding plaats waarbij [verzoeker] nek- en schouderklachten heeft opgelopen;

- [verzoeker] slikte vóór de onderhavige aanrijdingen iedere dag Diclofenac in verband met de lage rugklachten.
Hieruit leidt Bovemij af dat niet valt in te zien - zeker niet zonder (medische) onderbouwing - dat de aanrijdingen hebben geleid tot meer beperkingen dan die er al waren. Bovemij stelt dat juist vanwege de causaliteitsvragen tijdens het huisbezoek is afgesproken dat [verzoeker] alle medische informatie, ook zijn voorgeschiedenis, zou opvragen en ter beschikking zou stellen aan de medisch adviseur van Bovemij. Zij wijst erop dat [verzoeker] deze informatie niet heeft verstrekt. Bovemij bestrijdt op deze gronden dat de schade van [verzoeker] significant hoger ligt dan het al betaalde voorschot van € 5.000. [verzoeker] heeft voornoemde omstandigheden niet voldoende betwist.

3.14.

Naar het oordeel van de kantonrechter geven de door Bovemij aangevoerde omstandigheden reden tot gegronde twijfel over de causaliteit tussen de ongevallen en het door [verzoeker] gestelde letsel en patroon van klachten. Van belang is dat voldoende gebleken is van relevante pre-existente klachten en dat juist op dat punt het medische dossier onvolledig is. Dit maakt dat de kantonrechter onvoldoende informatie heeft om zich een oordeel te vormen over het causale verband tussen de ongevallen en de door [verzoeker] gestelde klachten. Daaruit volgt dat onvoldoende is komen vast te staan dat hij als gevolg van de aanrijdingen aanspraak heeft op een schadevergoeding waarvan de hoogte het reeds betaalde bedrag van € 5.500 significant overstijgt.

De buitengerechtelijke kosten worden gematigd toegewezen

3.15.

[verzoeker] verzoekt, na wijziging van het verzoek, om Bovemij te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 5.320 inclusief btw voor de buitengerechtelijke kosten tot en met 4 november 2025, te vermeerderen met kosten voor medisch advies van € 671,55. Aanvankelijk verzocht [verzoeker] een bedrag van € 6.296,18 (waarvan € 181,18 aan verschotten), maar tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat Bovemij hem bij wijze van voorschot een bedrag van € 2.298 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald. Dit strekt in mindering op het door hem verzochte bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 7.618 inclusief btw, zodat een bedrag resteert van € 5.320 inclusief btw.

3.16.

Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek komen buitengerechtelijke kosten in aanmerking als deze redelijk zijn. Daarbij geldt de ‘dubbele redelijkheidstoets’: ten eerste dient het inroepen van de rechtsbijstand redelijk te zijn en ten tweede dienen ook de daarvoor gemaakte kosten redelijk te zijn.

3.17.

Dat is voldaan aan de eerste redelijkheidstoets, is niet in geschil. Wel is de hoogte van de kosten in geschil. Het gaat om een declaratie van in totaal € 6.298,18 exclusief btw (25 uur met een uurtarief van € 237 en 1:54 uur met een uurtarief van € 100). Bovemij heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de uurtarieven niet het springende punt zijn, maar omvang van de tijdsbesteding. Zij vindt die onbegrijpelijk.

3.18.

Vooropgesteld is dat een uurtarief van € 237 exclusief btw voor een advocaat gespecialiseerd op het gebied van letselschade op zichzelf redelijk is. Dit tarief rechtvaardigt een kritische blik op de verrichte werkzaamheden en de omvang van de tijdsbesteding.

3.19.

Het gaat hier om een redelijk beperkte en overzichtelijke zaak met slechts een paar overzichtelijke schadeposten. Over de aansprakelijkheid is geen discussie geweest. De advocaat van [verzoeker] is twee keer op huisbezoek geweest en heeft hiervan twee bezoekrapporten opgesteld. Tevens heeft hij twee summiere schadestaten opgesteld zonder bijbehorende bewijsmiddelen waaruit de juistheid van de genoemde bedragen blijkt.

3.20.

Bovemij plaatst diverse vraagtekens bij de tijdsbesteding door [verzoeker] . Volgens haar valt niet in te zien hoe1,3 uur in rekening kan worden gebracht voor het opstellen van het tweede bezoekrapport, terwijl dat rapport op de datum, twee korte alinea’s en één zin van een paar woorden na, gelijkluidend is aan het eerste rapport. Ook is haar de reden voor het opstellen van een schadestaat voor de tweede aanrijding onduidelijk. Zij vraagt zich af waarom hiervoor 48 minuten in rekening worden gebracht, terwijl het tweede rapport op een paar data na gelijkluidend is aan de eerste schadestaat. 5,3 uur voor het opstellen van de summiere schadestaten acht zij teveel omdat de schadestaten niet meer bevatten dan een paar gestandaardiseerde schadebedragen zonder enige onderbouwing. Bovemij heeft er ook op gewezen dat een deel van de contactmomenten driedubbel gedeclareerd lijkt te zijn, omdat ook de andere twee inzittenden in de auto van het ongeval op 8 maart 2023 worden bijgestaan door mr. El Boutaibi vanwege soortgelijk letstel. Bovemij heeft onder meer gewezen op de aansprakelijkheidsstelling van 12 april 2023 die mr. El Boutaibi voor [verzoeker] , mevrouw [A] en (hun dochter) [B] gezamenlijk heeft op gesteld en verstuurd.

3.21.

Mr. El Boutaibi heeft ter toelichting op de omvang van de uren onder meer gewezen op het vele contact dat [verzoeker] met hem heeft gezocht. Hij heeft de redelijkheid van de tijdsbesteding van het tweede bezoekrapport en de tweede schadestaat onvoldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Ook is niet duidelijk geworden welke werkzaamheden Mr. El Boutaibi in het kader van de eerste schadestaat precies heeft verricht. Mr. El Boutaibi heeft gesteld dat hij bij zijn declaraties er rekening mee heeft gehouden dat sommige handelingen voor [verzoeker] , mevrouw [A] en [B] gelijktijdig plaatsvinden. Hij heeft niet uitgelegd hoe hij daarmee rekening heeft gehouden en waaruit dat blijkt. Ten onrechte heeft [verzoeker] betoogd dat de kosten van het opstellen van het verzoekschrift beschouwd dienen te worden als buitengerechtelijke kosten.

3.22.

[verzoeker] heeft aldus de redelijkheid van de tijdsbesteding niet voldoende onderbouwd. Gelet op de aard en het belang van de zaak acht de kantonrechter het redelijk om het aantal uren te bepalen op 20 uren. Dat komt neer op een bedrag van € 4.740 exclusief btw/€ 5.735,40 inclusief btw (20 uur x € 237). Vast staat dat Bovemij daarvan in elk geval € 2.298 inclusief btw als voorschot aan buitengerechtelijke kosten heeft voldaan. In de beslissing zal daarom nog het resterende € 3.437,40 inclusief btw worden toegewezen, te vermeerderen met de verschotten ter hoogte van € 181,80 die niet zijn betwist, dus
€ 3.619,20. [verzoeker] heeft geen wettelijke rente gevorderd over dit bedrag. Het bedrag van € 671,55 voor het medisch advies is betwist en niet met stukken onderbouwd. Daarom wordt dit afgewezen.

De kosten van het deelgeschil worden begroot

3.23.

In een deelgeschil moet de rechter de kosten van de procedure begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen (artikel 1019aa lid 1 Rv). Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Net als bij de buitengerechtelijke kosten, geldt voor de kosten van het deelgeschil de dubbele redelijkheidstoets zoals beschreven in 3.16.

3.24.

[verzoeker] verzoekt om de kosten van het deelgeschil te begroten op € 2.601,50 inclusief BTW (8:36u tegen een - kennelijk inmiddels verhoogd uurtarief - van € 250), te vermeerderen met de overige proceskosten van deze procedure en de wettelijke rente hierover. Dat lijken de kosten van het opstellen van het verzoek te zijn. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om Bovemij te veroordelen tot de overige kosten voor het bestuderen van het verweerschrift en het voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling ter hoogte van € 1.815,- inclusief BTW (6 uur maal een uurtarief van € 250). De totale kosten zouden dus 14:36 uur zijn tegen een uurtarief van € 250.

3.25.

Bovemij vindt dat begroting achterwege moet blijven dan wel dat de kosten in ieder geval aanzienlijk gematigd moeten worden, omdat de gevorderde kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Daarbij wijst zij erop dat het uurtarief hoger is dan het uurtarief bij de buitengerechtelijke kosten en betwist zij dat [verzoeker] kosten verschuldigd is vanwege de aan hem verstrekte toevoeging.

3.26.

Bovemij’s verweer, dat de kosten niet voor begroting in aanmerking komen omdat de deelgeschilprocedure onnodig en onterecht is gestart, gaat niet op. De kantonrechter verwijst hiervoor naar nr. 3.6 t/m 3.10. De kantonrechter ziet ook geen aanleiding de kostenbegroting achterwege te laten vanwege de aan [verzoeker] verstrekte toevoeging. Daargelaten dat het [verzoeker] vrijstaat alsnog af te zien van de toevoeging, zal een eventuele latere schadeuitkering met zich kunnen brengen dat de toevoeging zal worden ingetrokken. [verzoeker] heeft dus belang bij begroting van zijn kosten.

3.27.

De kosten van het deelgeschil moeten daarom begroot worden. Een tijdsbesteding van 14:36 uur is, mede gelet op de beperkte complexiteit van de zaak en de hoogte van het destijds geldende uurtarief van € 250, redelijk. Dit leidt tot een begroting van de kosten van dit deelgeschil op € 3.650 exclusief, en € 4.416,50 inclusief BTW. Daar moet het griffierecht van € 90 dat [verzoeker] aan de rechtbank heeft moeten betalen nog bij opgeteld worden. Het totale bedrag is € 4.506,50. Omdat het causaal verband tussen de klachten en de ongevallen niet is komen vast te staan, wordt Bovemij niet veroordeeld tot betaling van de begrote kosten en daarom is vermeerdering met wettelijke rente niet aan de orde. Rechtbank Midden-Nederland 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7237