Overslaan en naar de inhoud gaan

GHARL 110226 straf; samenloop shock- en affectieschade; shockschade a.d.h.v. Rotterdamse schaal en met 25% verhoogd gelet op aard en ernst bewezen handelen

GHARL 110226 straf; samenloop shock- en affectieschade; shockschade a.d.h.v. Rotterdamse schaal en met 25% verhoogd gelet op aard en ernst bewezen handelen
- straf; gederfd levensonderhoud kinderen tot 18 jaar, partner tot 10 jaar na overlijden; overigens nader onderzoek nodig; onevenredige belasting strafgeding
 

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft in een vol café [benadeelde partij 8] onverhoeds en bruut in zijn gezicht geslagen waardoor [benadeelde partij 8] pijn en letsel heeft ondervonden. Toen omstanders op ordentelijke wijze de agressie van verdachte trachten te sussen, heeft verdachte een vuurwapen gepakt, doorgeladen en daarmee geschoten.

Verdachte heeft door zijn handelen op 9 oktober 2021 [slachtoffer] op abrupte en schokkende wijze van het leven beroofd. [slachtoffer] had nog een leven voor zich, maar is door het toedoen van verdachte slechts 37 jaar oud geworden. Verdachte heeft met de doodslag van [slachtoffer] aan diens vrouw, kinderen, ouders, zussen, broer, andere familieleden en vrienden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Dit is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep indringend naar voren gebracht in de voorgedragen slachtofferverklaringen van de vrouw, een dochter en de moeder van [slachtoffer] , die gebruik hebben gemaakt van hun spreekrecht.

Door het geloste schot heeft verdachte niet alleen [slachtoffer] gedood, maar door zijn toedoen heeft ook [benadeelde partij 9] ernstig letsel opgelopen. Uit de slachtofferverklaring die door haar advocaat namens haar is voorgedragen, blijkt wat de gevolgen ruim vier jaar later voor haar nog steeds zijn. Zij heeft tot op heden last van lichamelijke klachten die haar beperken in haar dagelijkse bezigheden. Zij heeft daarnaast ook psychische klachten overgehouden aan de gebeurtenis. Ze voelt zich vaak somber en zij heeft het gevoel dat hetgeen is gebeurd haar leven beheerst.

Het geweld dat verdachte in café De Plak heeft gepleegd, heeft ook gevolgen gehad voor de aanwezigen in het café, de buurtbewoners en café De Plak als onderneming. Een schietincident als dit in een (vol) café, waar bekenden samenkwamen om een verjaardag te vieren, moet bij alle betrokkenen — en de samenleving in het algemeen — grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt.

Persoonlijke omstandigheden van verdachte

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 12 februari 2025, waaruit blijkt dat verdachte in het recente verleden niet onherroepelijk is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. Het hof weegt dit in het nadeel noch in het voordeel van verdachte mee.

Deskundigen bij het Pieter Baan Centrum, [deskundige] , psychiater en [deskundige] , klinisch psycholoog, hebben verdachte onderzocht en een rapportage over verdachte uitgebracht op 5 september 2022. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek echter geweigerd. De deskundigen concluderen dat op basis van groepsobservaties en beschikbare collaterale informatie ernstige psychiatrische stoornissen bij verdachte niet aanwezig lijken. Evenmin zijn er aanwijzingen voor een ontwikkelingsstoornis. Gedurende zijn verblijf werd ook geen antisociaal gedrag bij verdachte geobserveerd. Er kan geen uitspraak gedaan worden over de eventuele aan- of afwezigheid van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis. Ook is onvoldoende zicht ontstaan op de agressieregulatie en de mate van impulsiviteit bij verdachte. De onderzoekers hebben de diagnostische vraagstelling dan ook niet kunnen beantwoorden. Of er sprake is van een (forensisch relevante) psychische stoornis en of mogelijke psychische beperkingen een rol hebben gespeeld bij het bewezenverklaarde is daarom niet duidelijk geworden. Het hof concludeert met de rechtbank dat het bewezenverklaarde verdachte volledig moet worden toegerekend.

De op te leggen straf

Gelet op de hiervoor omschreven ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren passend en geboden. Het hof komt aldus tot een hogere straf dan de rechtbank heeft opgelegd, omdat het hof de gevolgen voor het slachtoffer [benadeelde partij 9] zwaarder laat meewegen bij de strafoplegging dan de rechtbank heeft gedaan.

 

(.... red. LSA LM)

Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] hebben zich elk als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]

, partner van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 522.788,87 vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten:

Materiële schade


 

Kosten van de lijkbezorging

€ 1.187,87

Gederfd levensonderhoud

€ 476.601,-

Totaal materieel

€ 477.788,87

Immateriële schade


 

Shockschade

€ 25.000,-

Affectieschade

€ 20.000,-

Totaal immaterieel

€ 45.000,-

Proceskosten

€ 3.025,-

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 515.813,87.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag, met uitzondering van de vordering met betrekking tot het gederfd levensonderhoud. Deze vordering is verlaagd naar € 398.260,-.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]

, dochter van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 33.632,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten.

Materiële schade


 

Gederfd levensonderhoud

€ 13.632,-

Immateriële schade


 

Affectieschade

€ 20.000,-

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 33.632,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag, met uitzondering van de vordering met betrekking tot het gederfd levensonderhoud. Deze vordering is verlaagd naar € 12.808,-.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3]

, dochter van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 33.632,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten.

Materiële schade


 

Gederfd levensonderhoud

€ 20.857,-

Immateriële schade


 

Affectieschade

€ 20.000,-

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.857,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag, met uitzondering van de vordering met betrekking tot het gederfd levensonderhoud. Deze vordering is verlaagd naar € 20.080,-.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 4]

, vader van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 42.500,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 32.500,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 5]

, moeder van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 42.500,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 32.500,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 6]

, zus van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 25.000,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd.

Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 7]

, zus van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 25.000,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 8]

heeft in eerste aanleg een bedrag van € 2.500,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 650,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 9]

heeft in eerste aanleg een bedrag van € 33.850,05 vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoeding, gevorderd.

Materiële schade


 

Eigen risico 2021

€ 105,89

Eigen risico 2022

€ 111,56

Eigen risico 2023

€ 277,60

Kosten hersteloperatie plastisch chirurg (2 nota’s)

€ 4.982,-

Facturen fysiotherapeut

€ 235,50

Toekomstige behandelingen

€ 2.000,-

Ziekenhuisdaggeldvergoeding

€ 140,-

Declaratie huisarts (informatieverstrekking)

€ 47,79

Factuur Diakonessenhuis (informatieverstrekking)

€ 102,95

Beveiligingsinstallatie

€ 5.846,76

Totaal materiële schade

€ 13.850,05

Immateriële schade


 

Het fysieke letsel en psychische letsel

€ 20.000,-

Totaal immateriële schade:

€ 20.000,-

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 26.003,29.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De post ‘toekomstige behandelingen’ is in hoger beroep ingetrokken. Het hof hoeft daarop geen beslissing meer te nemen. De vordering is verlaagd naar een totaalbedrag van € 31.850,05.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, met uitzondering van de vordering van [benadeelde partij 9] die ziet op toekomstige schade, alle vorderingen integraal kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman het hof primair verzocht alle benadeelde partijen met uitzondering van [benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] , heeft de raadsman subsidiair het volgende naar voren gebracht.

Kosten lijkbezorging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze post kan worden toegewezen.

Gederfd levensonderhoud

De raadsman heeft verzocht [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen voor zover deze zien op gederfd levensonderhoud. Hij heeft daartoe aangevoerd dat bij een behandeling van de vorderingen ten aanzien van gederfd levensonderhoud in het strafproces de equality of arms onvoldoende kan worden gewaarborgd en dat dit deel van de vorderingen, evenals de daartoe opgestelde rapporten en de berekeningen die daaraan ten grondslag liggen, zo onduidelijk zijn dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de vorderingen in zoverre integraal naar de burgerlijke rechter dienen te worden verwezen. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat in de rapporten onder andere geen rekening is gehouden met minderjarige kinderen die op enig moment uit huis gaan of een bijbaan krijgen. Daarnaast gaan de rapporten er volgens de raadsman vanuit dat [slachtoffer] de leeftijd van honderd jaar zou bereiken. Hoewel dit niet valt uit te sluiten, acht de raadsman dit niet waarschijnlijk. Toewijzing van de vorderingen ten aanzien van gederfd levensonderhoud in de strafzaak zou in strijd zijn met een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Affectieschade

Voor wat betreft de gevorderde affectieschade heeft de raadsman verzocht deze toe te wijzen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Shockschade

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde shockschade aangevoerd dat deze ten aanzien van [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd, dan wel dient te worden gematigd, omdat het beschikken over het strafdossier en de beelden van het café niet een noodzakelijk gevolg zijn van het handelen van verdachte, dan wel matiging moet plaatsvinden in verband met de toewijzing van de gevorderde affectieschade.

Ten aanzien van de vorderingen shockschade van [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] heeft de raadsman naar voren gebracht dat de confrontatie met het dossier en de beelden ook hier niet mag bijdragen aan de beoordeling of sprake is van shockschade. Ditzelfde geldt ook voor het zien van het lichaam van [slachtoffer] in het mortuarium.

Het was niet noodzakelijk dat iedereen van de familie het lichaam ging identificeren. Ook dient, evenals de rechtbank heeft gedaan, bij de bepaling van de shockschade de band met het slachtoffer medebepalend te zijn voor de hoogte van het toe te kennen schadebedrag.

Vordering [benadeelde partij 8]

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] heeft de raadsman subsidiair verzocht het bedrag van € 650,- dat de rechtbank heeft toegewezen te matigen en te beperken tot het lagere standaardbedrag bij mishandeling. De eventuele gevolgen voor [benadeelde partij 8] door het overlijden van [slachtoffer] mogen niet meegewogen worden.

Vordering [benadeelde partij 9]

De raadsman heeft ten aanzien van [benadeelde partij 9] subsidiair aangevoerd dat het de vraag is of de hersteloperatie aan de borstprothese en de aanschaf van een beveiligingsinstallatie kunnen worden beschouwd als rechtstreekse schade. Voor de overige gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman verzocht de vordering van € 20.000,- te matigen.

Oordeel van het hof

Overwegingen met betrekking tot shockschade en affectieschade

Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Waar in het navolgende citaat rechtbank staat moet hof worden gelezen.

“De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade is bij een deel van de benadeelde partijen mede gebaseerd op zogenoemde shockschade. De wet (artikelen 6:107, 107a en 108 BW) regelt de vergoeding van schade die derden lijden door kwetsing of overlijden van een naaste limitatief en exclusief. Dat stelsel laat in beginsel niet toe dat derden buiten dat stelsel op grond van een eigen vordering uit onrechtmatige daad vergoeding vorderen van niet in die artikelen genoemde schade die het gevolg is van kwetsing of overlijden van een naaste. Een uitzondering daarop is echter schade ontstaan door waarneming van of confrontatie met een schokkende gebeurtenis. Dat biedt onder omstandigheden een zelfstandige (dus niet van aansprakelijkheid jegens de primair gekwetste afgeleide) aanspraak op schadevergoeding. Dit soort aanspraken wordt doorgaans aangeduid met de term shockschade. Voor een dergelijke aanspraak is nodig dat is voldaan aan het door de Hoge Raad geformuleerde samenstel van eisen: (a) er moet sprake zijn van schending van een verkeers- of veiligheidsnorm of een strafbaar feit, (b) van letsel of overlijden van een ander, (c) van waarneming van het ongeval of het tenlastegelegde of directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan en ten slotte (d) moet sprake zijn een hevige emotionele schok en geestelijk letsel. De geschrokkene hoeft niet aanwezig te zijn geweest bij de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust (in dit geval de doodslag op [slachtoffer] ); onder omstandigheden is (in de woorden van de Hoge Raad) ook “directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan” voldoende voor het vestigen van een aanspraak op schadevergoeding: “Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden,” De benadeelde partij die zich beroept op het ontstaan van geestelijk letsel, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat uit zo'n confrontatie psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Op grond van artikel 6:108, derde lid BW hebben nabestaanden sinds 1 januari 2019 ook recht op vergoeding van affectieschade, oftewel schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een onrechtmatige daad. Hoewel de rechtsgrondslag voor de gevorderde affectieschade en shockschade dus verschilt, bestaat de schade voor beide in onderhavige zaak alleen uit immateriële schade in de vorm van geestelijk letsel. Er is daarmee sprake van samenloop. Uit de (feiten)rechtspraak volgt dat het de taak van de rechtbank is om de shockschade naar billijkheid vast te stellen, en zij daarbij vanwege die samenloop rekening mag houden met het wettelijke genormeerde bedrag aan affectieschade. In deze zaak zal de rechtbank de toegewezen affectieschade enigszins matigend laten werken op de vaststelling van de hoogte van de shockschade.”

Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] tot de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genoemde kring van gerechtigden behoren. Zij hebben bij hun vorderingen aansluiting gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. De vorderingen zijn op dit punt niet door de verdediging betwist. Gelet op het voorgaande zal het hof de vorderingen in zoverre toewijzen.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Indien is vastgesteld dat sprake is van shockschade zal de aard en ernst van het geestelijk letsel bij de benadeelde partij de hoogte van de shockschade bepalen. Bij shockschade gelden de algemene regels voor de vaststelling van de hoogte van immateriële schadevergoeding, anders dan bij affectieschade waarbij forfaitaire bedragen worden gehanteerd. Het hof zal de Rotterdamse schaal als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de hoogte van de shockschade.

Het hof ziet aanleiding om bij de vorderingen van de benadeelde partijen waarin zowel shockschade als affectieschade wordt toegewezen, de shockschade met € 5.000,- te verminderen.

Overwegingen met betrekking tot de vorderingen gederfd levensonderhoud

Op grond van het bepaalde in artikel 6:108, eerste lid, aanhef en onder a en c BW kunnen – kort gezegd en voor zover hier van belang – de echtgenote, minderjarige kinderen en thuiswonende kinderen in wier levensonderhoud een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden voorziet, aanspraak maken op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud. Nu vast staat dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is verdachte gehouden de door [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] geleden en nog te lijden schade door gederfd levensonderhoud aan hen te vergoeden. Dit uitgangspunt wordt door de verdediging ook niet betwist; de verweren zien enkel op de vaststelling en de hoogte van de in dit verband gevorderde schade.

In verband met die verweren overweegt het hof als volgt. De begroting van de hoogte van een vergoeding voor gederfd levensonderhoud zal altijd moeten plaatsvinden aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent het inkomen dat het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande(n) in de door dit feit veroorzaakte situatie (vgl. HR 21 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:104).

Het staat de rechter vrij om toekomstige schade te kapitaliseren in een bedrag ineens. Ook bij een dergelijke wijze van begroting blijft evenwel uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade behoort te worden begroot (vgl. HR 30 november 2007, NJ 2021/613).

In zijn arrest van 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:646) heeft de Hoge Raad een beoordelingskader bepaald voor vorderingen ten aanzien van gederfd levensonderhoud die in een strafzaak worden ingediend. De Hoge Raad heeft onder meer overwogen dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken. Dit brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Deze eerder genoemde verwachtingen over de toekomst zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van informatie die zich doorgaans in het domein van de benadeelde partij bevindt, waardoor het voor de verdediging moeilijk is de betwisting inhoudelijk te onderbouwen. Veelal is er evenmin ruimte voor de verdediging om gespecialiseerde gefinancierde rechtsbijstand in te schakelen. Tot slot is er binnen het strafrecht veelal geen ruimte om na afronding van het onderzoek ter terechtzitting naar de tenlastegelegde feiten de einduitspraak op te schorten voor nadere onderbouwing van de vordering benadeelde partij of het verweer daarop, dan wel voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het strafproces zou daar veelal onevenredig mee belast worden. Nu het bij vorderingen gederfd levensonderhoud veelal gaat om zeer hoge bedragen, dient de strafrechter rekening te houden met de hiervoor genoemde bijzonderheden van het partijdebat. De strafrechter dient te beoordelen of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. Het staat de strafrechter vrij om een gedeeltelijke inhoudelijke beslissing te nemen en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. De strafrechter kan bij een gedeeltelijke toewijzing dit niet doen in de vorm van een voorschot (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.4.).

Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Afdoende is komen vast te staan (en ook niet betwist door de verdediging) dat [slachtoffer] bij leven verantwoordelijk was voor het gezinsinkomen. Door zijn overlijden is dit gezinsinkomen komen te vervallen. Het gezin is nu aangewezen op een bijstandsuitkering. De benadeelde partijen hebben ter onderbouwing van hun vordering een rapport van [expertisebureau] overgelegd. Het hof is van oordeel dat een aantal belangrijke door [expertisebureau] gehanteerde uitgangspunten, zoals het inkomen van [slachtoffer] in de situatie zonder overlijden, het hanteren van de peildatum van 1 januari 2027 als kapitalisatiedatum en de inkomensverschillen voor het gezin zonder en met overlijden niet onredelijk zijn en dat een eventuele onjuistheid in die uitgangspunten slechts in beperkte mate effect heeft voor de berekening van de hoogte van de schade.

Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van [expertisebureau] en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is.

Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of de kinderen na hun 18de verjaardag voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 1:359a BW, de levensverwachting van [slachtoffer] indien hij niet zou zijn overleden en de situatie van zijn partner, benadeelde [benadeelde partij 1] , bijvoorbeeld ten aanzien van het vinden van betaald werk. Naar het oordeel van het hof zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als in deze procedure de gelegenheid zou worden geboden voor het inbrengen van nadere onderbouwingen en/of het doen van nader onderzoek.

Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van [benadeelde partij 1] slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Nu hierin de fiscale component een onzekere factor is, zal het totaalbedrag naar beneden worden afgerond. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond. Aan de schadevergoedingen die aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zullen worden toegewezen, zal het hof een zogenaamde BEM-clausule koppelen.

Vordering [benadeelde partij 1]

Kosten lijkbezorging

Op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering jo. artikel 6:108 BW kan degene die de kosten van een uitvaart heeft betaald voor een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden, een vordering indienen om die kosten op de verdachte in het strafproces te verhalen. De verdediging heeft de kosten van de lijkbezorging niet betwist. Het hof is van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 1.187,87 voldoende zijn onderbouwd en zal deze daarom toewijzen.

Gederfd levensonderhoud

Gelet op het bovenstaande, bepaalt het hof de schade van [benadeelde partij 1] wegens gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor vergoeding in aanmerking komt op een bedrag van € 95.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Affectieschade

Als partner komt aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.

Shockschade

[benadeelde partij 1] heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van haar huisarts. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij naast het verdriet over het verlies van haar partner geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met zijn lichaam kort na het delict en daarmee door de gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt.

Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk, met dien verstande dat dit bedrag met € 5.000,- zal worden verminderd vanwege de samenloop met de shockschade. Uiteindelijk zal het hof een bedrag van € 15.000,- toewijzen. Voor het overige zal het hof de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:

  • -

    16 november 2021 voor de kosten lijkbezorging,

  • -

    1 januari 2027 voor het gederfd levensonderhoud en

  • -

    11 februari 2026 voor de shockschade en de affectieschade.

Proceskostenvergoeding

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een zich als benadeelde partij in het strafproces te kunnen voegen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om de kosten van de factuur van [expertisebureau] ten behoeve van het opmaken en de rapportage vaststelling van de gederfde inkomsten van 6 juli 2022, te weten € 1.815,00 en de factuur van [expertisebureau] ten behoeve van het door de deskundige bijwonen van de zittingsdagen in eerste aanleg, van 14 september 2022, te weten € 1.210,00.

Het hof zal de kosten ten behoeve van het opmaken van de rapportage vaststelling van de gederfde inkomsten, te weten € 1.815,00, toewijzen. De kosten gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingsdagen in eerste aanleg, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de deskundige niet is opgeroepen door de rechtbank of de officier van justitie. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat die schade nog slechts bij de burgerlijke rechter kan worden gevorderd.

Vordering [benadeelde partij 2]

Gederfd levensonderhoud

Gelet op het bovenstaande, bepaalt het hof de schade van [benadeelde partij 2] wegens gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor vergoeding in aanmerking komt op een bedrag van € 6.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Affectieschade

Als dochter komt [benadeelde partij 2] een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:

  • -

    1 januari 2027 voor het gederfd levensonderhoud en

  • -

    11 februari 2026 voor de affectieschade.

Spaarrekening met BEM-clausule

De totale te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 2] (geboren op 1 november 2008) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Vordering [benadeelde partij 3]

Gederfd levensonderhoud

Gelet op het bovenstaande, bepaalt het hof de schade van [benadeelde partij 3] wegens gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor vergoeding in aanmerking komt op een bedrag van € 10.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Affectieschade

Als dochter komt [benadeelde partij 3] een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:

  • -

    1 januari 2027 voor het gederfd levensonderhoud en

  • -

    11 februari 2026 voor de affectieschade.

Spaarrekening met BEM-clausule

De totale te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 3] (geboren op 16 augustus 2010) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Vordering [benadeelde partij 4]

Affectieschade

Als vader komt [benadeelde partij 4] een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.

Shockschade

[benadeelde partij 4] is fysiek aanwezig geweest bij zijn zoon toen deze overleden op de grond van het café lag. Het hof vindt het goed voorstelbaar dat deze directe confrontatie geestelijk letsel bij hem heeft veroorzaakt. Het hof zal dit letsel echter objectief moeten kunnen vaststellen. Op basis van de overgelegde brief van de huisarts kan dit niet worden vastgesteld. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd. Om die reden zal het hof de vordering ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wettelijke rente

De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de affectieschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.

Vordering [benadeelde partij 5]

Affectieschade

Als moeder komt [benadeelde partij 5] een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.

Shockschade

[benadeelde partij 5] heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van [organisatie] . Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij naast het verdriet over het verlies van haar zoon geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met zijn lichaam kort na het delict en daarmee met de directe gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk, met dien verstande dat dit bedrag met € 5.000,- zal worden verminderd vanwege de samenloop met de shockschade. Uiteindelijk zal het hof een bedrag van € 15.000,- toewijzen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wettelijke rente

De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de affectieschade en de shockschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.

Vordering [benadeelde partij 6]

Shockschade

heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van [organisatie] . Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is met voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met het lichaam van haar broer kort na het delict en daarmee met de gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overlegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk en zal dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wettelijke rente

De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de shockschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.

Vordering [benadeelde partij 7]

Shockschade

heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van [organisatie] . Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met het lichaam van haar broer kort na het delict en daarmee met de directe gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk en zal dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wettelijke rente

De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de shockschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.

Vordering [benadeelde partij 9]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

De gevorderde materiële schadeposten: eigen risico, fysiotherapie, ziekenhuisdaggeldvergoeding en kosten voor informatieverstrekking door huisarts en ziekenhuis ter hoogte van in totaal € 1.021,29 komen voor vergoeding in aanmerking, nu deze posten voldoende zijn onderbouwd en niet zijn betwist.

Hersteloperatie

Ten aanzien van de kosten voor de hersteloperatie heeft de verdediging aangevoerd dat de kosten niet direct als noodzakelijk kunnen worden gezien, omdat het plastische chirurgie betreft.

Het hof overweegt met betrekking tot de gevorderde kosten van de hersteloperatie dat voldoende is gebleken dat deze kosten verband houden met het bewezenverklaarde. De beschadiging van het borstimplantaat is te relateren aan het door verdachte geloste schot en daarmee houdt de vervanging van dit borstimplantaat ook rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. Het hof zal deze post toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 4.982,-

Beveiligingsinstallatie

Ten aanzien van de schadepost voor de beveiligingsinstallatie is het hof met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de ontstane schade en het bewezenverklaarde. In zoverre zal de vordering niet-ontvankelijk verklaard worden en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Immateriële schade

[benadeelde partij 9] heeft zowel fysiek als geestelijk letsel opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Zij is door de door hem afgevuurde kogel in haar borst geraakt. De kogel is operatief verwijderd. Zij heeft een klaplong en een gebroken rib opgelopen. Tevens heeft zij een operatie moeten ondergaan om haar borstimplantaat te laten vervangen. Uiteindelijk heeft zij aanhoudende schouderklachten overgehouden door littekenweefsel in het schotkanaal. Hierdoor ervaart zij pijn en krachtvermindering. Vlak na het voorval had zij last van herbelevingen. Anderhalf jaar later heeft zij nog steeds flashbacks. Er is bij haar PTSS vastgesteld.

Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, voor het fysieke letsel categorie 5.4 onder b en voor het geestelijk letsel categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen. Het gestelde fysieke en geestelijke letsel kan objectief worden vastgesteld. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 20.000,- is billijk. Het hof zal dit bedrag toewijzen.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:

  • -

    1 september 2022 voor de materiële schade met uitzondering van de kosten voor de hersteloperatie,

  • -

    24 juni 2022 voor de hersteloperatie en

  • -

    11 februari 2026 voor de immateriële schade.

Vordering [benadeelde partij 8]

De benadeelde partij [benadeelde partij 8] heeft een bedrag ter hoogte van € 2.500,- aan immateriële schade gevorderd.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof het volgende. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten. [benadeelde partij 8] heeft letsel opgelopen door de mishandeling van verdachte. Zijn ooghoek moest gehecht worden en hij had een blauwe plek.

Het hof neemt de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Het hof heeft gelet op de -schaal voor licht letsel, categorie c van de Rotterdamse schaal. Gelet op het aantal hechtingen dat [benadeelde partij 8] heeft opgelopen, zal het hof de vergoeding aan de bovenkant van de schaal vaststellen. Het hof acht een bedrag van € 1.000,- redelijk en billijk en zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat die schade bij de burgerlijke rechter kan worden gevorderd.

Wettelijke rente

De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de immateriële schade bepaalt het hof op 9 oktober 2021.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof bij alle toegewezen bedragen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het (wettelijke) maximale aantal dagen gijzeling (365) zal over de verschillende toegewezen bedragen naar rato worden verdeeld op de hierna te noemen wijze. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:797