Overslaan en naar de inhoud gaan

RBMNE 220726 beenamputatie na mishandeling; studievertraging mbo afgewezen wegens onvoldoende onderbouwde aanwezigheid vóór ongeval

RBMNE 220726 17 jarige berooft hasjdealer; die springt op zijn rug op roltrap; na bill. corr.: 70% van schade toerekenbaar aan dealer
- ziekenhuisverloop van verbrijzelde knie tot bovenbeenamputatie plausibel en ruim toe te rekenen; smartengeld € 65.000
- studievertraging mbo afgewezen wegens onvoldoende onderbouwde aanwezigheid vóór ongeval

2De kern van de zaak

2.1

[eiser] is mishandeld door [gedaagde] , waardoor zijn linkerbeen is geamputeerd. [gedaagde] is strafrechtelijk hiervoor veroordeeld. [eiser] eist daarom een schadevergoeding van € 86.987,26 met rente. De rechtbank zal dit deels toewijzen. Dit heeft ermee te maken dat [eiser] zelf ook een aandeel heeft gehad in de aanloop naar de mishandeling, waardoor 70% van de schade aan [gedaagde] toe te rekenen is en 30% aan [eiser] . Verder is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft aangetoond dat de studievertraging het directe gevolg is geweest van de mishandeling. De totale schade die [gedaagde] moet vergoeden bedraagt dan ook € 48.067,19 met rente.

3Achtergrond van de zaak

3.1

Op 21 oktober 2021 spraken [eiser] en [gedaagde] af op Station Amersfoort omdat [eiser] van [gedaagde] hasj wilde kopen. Kort daarvoor had [eiser] samen met een vriend besloten om [gedaagde] te beroven van de hasj, wat zij ook deden. Vervolgens rende [gedaagde] [eiser] achterna het station in en een trap af. Tijdens de achtervolging viel [gedaagde] op de rug van [eiser] , die vóór hem van de trap rende, waardoor beiden van de trap vielen. [eiser] liep hierbij ernstig letsel op, wat uiteindelijk heeft geleid tot een amputatie van zijn linkerbeen.

4De beoordeling

Inleiding

4.1

Omdat [gedaagde] strafrechtelijk is veroordeeld, staat vast dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden door de mishandeling. [gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiser] , omdat hij van mening is dat de amputatie van het linkerbeen van [eiser] niet het (directe) gevolg is geweest van de mishandeling. Hierom vindt [gedaagde] dat niet alle schadeposten aan hem toegerekend kunnen worden.

De amputatie is toe te rekenen aan de mishandeling door [gedaagde]

4.2

Bij het beantwoorden van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen het ongeval en de door de benadeelde opgegeven klachten, wordt het zogenaamde plausibiliteitscriterium toegepast. Er moet dan sprake zijn van een consistent, consequent en samenhangend - en dus plausibel - patroon van klachten. Dat is het geval als de benadeelde voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt. Aan het bewijs van het causaal verband worden geen al te hoge eisen gesteld. Uit vaste rechtspraak volgt ook dat bij schending van een verkeers- of veiligheidsnorm, zoals hier aan de orde is, de klachten ruim worden toegerekend. De aansprakelijke partij moet de benadeelde in principe nemen zoals hij is, met al zijn zwaktes, kwetsbaarheden en andere bijzonderheden.

4.3

Volgens [gedaagde] is sprake van een onzeker causaal verband. Het letsel van [eiser] begon namelijk als een verbrijzelde knie en is daarna uitgelopen op een amputatie van het linkerbeen tot boven de knie. Zo is mogelijk een verkeerde diagnose gesteld, kunnen er medische fouten zijn gemaakt of is de gezondheidssituatie van [eiser] van invloed geweest op het verloop van het letsel.

4.4

De rechtbank gaat hier niet in mee. Zoals uitgelegd in 4.2 hoeven er niet al te hoge eisen te worden gesteld aan de onderbouwing van het causaal verband en wordt de schade ruim toegerekend omdat sprake is van mishandeling. Nadat [gedaagde] op de rug van [eiser] is gevallen, werd [eiser] direct naar de spoedeisende hulp gebracht en later uit het ziekenhuis ontslagen met een gipskoker. De volgende dag is [eiser] teruggegaan naar het ziekenhuis, waarna hij is opgenomen en geopereerd. Vervolgens zijn er complicaties opgetreden waardoor op 4 december 2020 het onderbeen van [eiser] geamputeerd moest worden. Dit ziekenhuisverloop kan redelijkerwijs aan de mishandeling worden toegerekend. Dat er geen duidelijke medische verklaring is voor de opgelopen complicaties, doet hier niet aan af. Aangenomen kan worden dat als [eiser] niet was mishandeld door [gedaagde] , hij geen letsel had opgelopen dat tot een amputatie had geleid. Verder zijn er geen concrete aanknopingspunten die van het tegendeel uitgaan, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het aanbod van [gedaagde] om bewijs te leveren door middel van een medisch deskundigenbericht. De rechtbank oordeelt dan ook dat het letsel van [eiser] kan worden toegerekend aan de mishandeling door [gedaagde] .

[gedaagde] moet het grootste deel van de schade van [eiser] vergoeden

4.5

[eiser] vordert als gevolg van de mishandeling vergoeding van immateriële en materiele schade. De rechtbank gaat eerst in op de gevorderde immateriële schade.

€ 65.000,00 aan immateriële schade toewijsbaar

4.6

[eiser] vordert vergoeding van € 65.000,00 aan immateriële schade. Het verlies van zijn linkerbeen tot boven de knie heeft namelijk zijn levensvreugde aangetast. Hij is gehinderd in zijn sociaal contact, studie en werk. Ook ervaart hij (fantoom)pijn, waarvoor hij medicatie slikt.

4.7

Een recht op vergoeding van smartengeld vloeit voort uit artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 6:106 BW. Op grond van artikel 6:95 BW bestaat een recht op vergoeding van de schade bestaande uit ander nadeel dan vermogensschade, voor zover de wet recht geeft op vergoeding hiervan. In artikel 6:106 BW is vervolgens bepaald dat de benadeelde onder andere recht heeft op smartengeld indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor het bepalen van de hoogte van het toe te kennen smartengeld geeft de Rotterdamse Schaal richting. De Rotterdamse schaal biedt een richtlijn die civiele rechters en strafrechters kunnen gebruiken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld.

4.8

De rechtbank acht de gevorderde vergoeding van € 65.000,00 niet te hoog. Volgens de Rotterdamse Schaal is namelijk voor het letsel dat [eiser] heeft opgelopen een bandbreedte van € 72.000,00 tot en met € 94.000,00 bepaald. Daar komt bij dat [eiser] ten tijde van het ongeval 17 jaar oud was en door het blijvende letsel de rest van zijn leven in zijn dagelijks functioneren wordt beperkt. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een bedrag aan smartengeld van € 65.000,00 aansluit bij het leed dat [eiser] heeft ervaren.

€ 3.667,42 aan materiële schade toewijsbaar

4.9

[eiser] vordert vergoeding van € 21.817,42 aan materiele schade. De rechtbank komt bij deze schade tot het oordeel dat een bedrag van € 3.667,42 kan worden toegewezen. Dit is een lager bedrag dan gevorderd omdat de rechtbank de gevorderde schade door studievertraging zal afwijzen.

4.10

[eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van de mishandeling studievertraging heeft opgelopen waardoor hij een studiejaar heeft verloren. Hij volgde de opleiding marketing, communicatie en evenementen op het mbo. Uit de Letselschade Richtlijn Studievertraging volgt dat een verloren studiejaar op het een mbo een vergoeding van € 18.150,00 met zich meebrengt. Naar de mening van [gedaagde] heeft [eiser] geen studievertraging opgelopen. Het is niet duidelijk op welk moment [eiser] is gestart met de opleiding en in hoeverre hij de opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd. Ook heeft hij de opleiding niet afgemaakt.

4.11

De rechtbank overweegt dat het aannemelijk is dat [eiser] door het ongeval een groot gedeelte van het studiejaar 2020-2021 niet aanwezig is geweest. Dat [eiser] de opleiding niet heeft afgemaakt is voor de beoordeling niet relevant. Volgens de Letselschade Richtlijn Studievertraging is niet vereist dat de opleiding is afgerond om recht te hebben op een vergoeding. Ter onderbouwing van de studievertraging heeft [eiser] een verklaring van zijn mentor overgelegd, waarin wordt vermeld dat [eiser] in 2020 ingeschreven stond. Verder heeft de mentor vermeld dat hij dat jaar nagenoeg niet aanwezig is geweest en daarom geen enkel resultaat heeft behaald. [eiser] heeft op zitting aangegeven dat hij wel degelijk bij de lessen aanwezig was vóór het ongeval, wat door [gedaagde] in twijfel wordt getrokken. Juist hierom lag het op weg van [eiser] om met bijvoorbeeld een aanvullende verklaring van de mentor aan te tonen dat dit wel het geval was, maar dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat [eiser] studievertraging heeft opgelopen door het ongeval.

4.12

Voor de resterende schadeposten geldt dat deze posten wél voldoende zijn onderbouwd door [eiser] en dat hiertegen geen verweer is gevoerd door [gedaagde] . De volgende schadeposten zijn dan ook toewijsbaar:

- ziekenhuisdaggeldvergoeding

1.674,00

- revalidatiedaggeldvergoeding

624,00

- medische hulpmiddelen

19,99

- kosten medicatie

116,99

- invalide parkeerkaart

176,90

- reiskosten ouders

956,54

- kosten schoenen

99,00

Totaal

3.667,42

Tussenconclusie

4.13

In principe moet [gedaagde] een schadevergoeding van in totaal € 68.667,42 (= € 65.000,00 + € 3.667,42) betalen. Maar [gedaagde] doet een beroep op de eigen schuld van [eiser] en anders doet hij een beroep op matiging. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op eigen schuld deels, zoals hierna zal worden uitgelegd.

Slechts 70% van de schade kan worden toegerekend aan [gedaagde]

4.14

[gedaagde] beroept zich op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van het letsel. Het is namelijk [eiser] geweest die hem samen met zijn vriend heeft bestolen, waarna [eiser] is gevlucht. Dat [gedaagde] vervolgens de achtervolging heeft ingezet en zich hierbij heeft laten vallen op [eiser] , is volgens [gedaagde] volledig aan [eiser] toe te rekenen. [gedaagde] vindt dan ook dat hij de schade niet hoeft te vergoeden. [eiser] is het in ieder geval met [gedaagde] eens dat hij zelf ook een aandeel heeft gehad in het voorval en vraagt de rechtbank hier rekening mee te houden in haar oordeel.

4.15

In artikel 6:101 BW staat het uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Eerst wordt dus gekeken naar wat de oorzaak is van het letsel en hoeveel het gedrag van [eiser] en het gedrag van [gedaagde] hebben bijgedragen aan het ontstaan van het letsel. Vervolgens wordt de billijkheidscorrectie toegepast. Dan wordt gekeken naar de verwijtbaarheid van partijen, met anderen woorden naar hoe fout iemand zit. De billijkheidscorrectie kan ervoor zorgen dat de verdeling kan veranderen. De schadevergoeding kan dan minder worden, helemaal wegvallen of juist blijven, afhankelijk van hoe ernstig de fouten zijn of andere bijzondere omstandigheden.

4.16

De rechtbank komt tot het oordeel dat 40% van de schade voor rekening moet blijven van [eiser] en dat dit percentage met toepassing van de billijkheidscorrectie wordt verlaagd naar 30%.

Vast staat dat [eiser] zichzelf in deze situatie heeft gebracht door met een vriend [gedaagde] te bestelen en daarna te vluchten. Het ligt voor de hand dat [gedaagde] dan de achtervolging inzet en probeert zijn hasj terug te krijgen. Dat [eiser] niet degene was die daadwerkelijk de hasj had, maakt hierin geen verschil. [gedaagde] had hier namelijk geen rekening mee hoeven houden. Anderzijds heeft [gedaagde] - door zich te laten vallen op de rug van [eiser] terwijl hij van de trap afrende - het risico aanvaard dat [eiser] letsel zou kunnen oplopen. Ook al heeft [gedaagde] niet de intentie gehad om [eiser] pijn te doen en had hij de complicaties die bij het letsel van [eiser] zijn opgetreden niet kunnen voorzien, is deze handelwijze onverantwoordelijk en brengt de kans op ernstig letsel met zich mee. Dit maakt dat de schade in principe voor 60% moet worden toegerekend aan [gedaagde] . In dit geval heeft het incident zodanig ernstig en blijvend letsel veroorzaakt, dat genoemd percentage van 60% op grond van de billijkheidscorrectie tot 70% wordt verhoogd. Omdat het beroep op eigen schuld slaagt, hoeft het beroep van [gedaagde] op matiging niet meer besproken te worden.

Conclusie

4.17

Concreet betekent dit voor [gedaagde] dat hij 70% van € 68.667,42 moet vergoeden aan [eiser] . Dit komt neer op een bedrag van € 48.067,19. De rechtbank zal [gedaagde] tot betaling hiervan veroordelen.

[gedaagde] moet ook de wettelijke rente vergoeden

4.18

[eiser] eist ook de wettelijke rente over de schadevergoeding. De ingangsdatum van de wettelijke rente hangt af van het moment dat de schade is geleden, maar [eiser] heeft uit welwillendheid op zitting aangegeven hiervan af te wijken. Op basis hiervan zal de rechtbank 1 januari 2023 als ingangsdatum nemen, de datum van een eerdere dagvaarding die niet juist was uitgebracht.Rechtbank Midden-Nederland 22 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:5095