GHDHA 280426 Werkgeversaansprakelijkheid, ook in HB: vordering verjaard, mailberichten naar verkeerd adres; valt advocaat aan te rekenen
- Meer over dit onderwerp:
GHDHA 280426 Werkgeversaansprakelijkheid, ook in HB: vordering verjaard, mailberichten naar verkeerd adres; valt advocaat aan te rekenen
in vervolg op:
RBROT 040425 Werkgeversaansprakelijkheid, vordering verjaard, mailberichten naar verkeerd adres; valt advocaat aan te rekenen
6Beoordeling in hoger beroep
6.1
De vraag die het hof als eerste zal beantwoorden, is of de vordering van [appellant] is verjaard. Het hof is van oordeel dat dit inderdaad zo is. Hieronder licht het hof dit oordeel toe.
Verjaring, stuiting en de ontvangstleer
6.2
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.1
6.3
De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.2
6.4
Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (de stuitingshandeling) moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt (de ontvangstleer).3 De afzender (in dit geval [appellant] ) moet in beginsel feiten of omstandigheden stellen en zonodig bewijzen waaruit volgt dat de stuitingshandeling door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde (in dit geval [geïntimeerde] ) daar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen.4 Als adres in de vorige zin kan in beginsel worden aangemerkt: het zakelijke adres van [geïntimeerde] en het adres waarvan [appellant] op grond van verklaringen of gedragingen van [geïntimeerde] mocht aannemen dat zij daar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld haar postbus, e-mailadres of ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door [geïntimeerde] is gebruikt.
De brief van 19 december 2018
6.5
Het hof is van oordeel dat deze brief [geïntimeerde] heeft bereikt (zie 3.7). Aangezien het assurantiekantoor van [geïntimeerde] op deze brief heeft gereageerd (zie 3.8), neemt het hof aan dat [geïntimeerde] deze brief na ontvangst heeft doorgestuurd naar haar assurantiekantoor. Dat betekent dat de verjaring op 19 december 2018 is gestuit.
6.6
Op die datum is de verjaringstermijn dus opnieuw gaan lopen. De einddatum van die verjaringstermijn is 19 december 2023. De dagvaarding van [appellant] is van 7 mei 2024. Dat betekent dat de verjaring tussen 7 mei 2019 en 19 december 2023 voor een tweede keer moet zijn gestuit om tot de conclusie te kunnen komen dat de vordering van [appellant] niet is verjaard.
De e-mails van 11 en 30 september 2020
6.7
[appellant] heeft betoogd dat de verjaring door de e-mails van mr. Karkache op 11 en 30 september 2020 is gestuit, maar [geïntimeerde] zegt dat deze berichten haar niet hebben bereikt. Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat deze e-mails niet zijn aan te merken als stuitingshandelingen. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
6.8
De e-mail van 11 september 2020 is verstuurd aan [e-mailadres 1] (zie 3.9). Dat is niet het e-mailadres van [geïntimeerde] . Bakker [naam 1] is een bedrijf dat onderdeel is van hetzelfde concern als [geïntimeerde] , maar nergens blijkt uit dat de twee bedrijven gezamenlijk gebruikmaken van een algemeen e-mailaccount, zoals [appellant] zonder verdere onderbouwing stelt. In het citaat waarnaar [appellant] verwijst (zie hieronder), staat duidelijk dat de twee bedrijven gesplitst als zelfstandige bedrijven verder gaan. Mr. Karkache (namens [appellant] ) heeft daaruit dus (juist) niet redelijkerwijs mogen afleiden dat [geïntimeerde] via dit e-mailadres door hem kon worden bereikt.
“ [geïntimeerde] -BAKKERSLAND VERDER ALS [geïntimeerde] EN [naam 1]
14-05-2018 Bakkersbedrijf [geïntimeerde] -Bakkersland splitst per 14 mei 2018 de combinatie op in meerdere zelfstandige bedrijven die verder gaan onder de namen [naam 1] en [geïntimeerde] .
De familie [geïntimeerde] , die in november 2016 Bakkersland overnam (…), neemt deze stap vanuit de wens flexibel te blijven in een branche waar dagverse producten centraal staan. Door het bedrijf te splitsen kan de familie haar klanten sneller, beter en efficiënter bedienen.
De zelfstandige bedrijven dragen de voor- of achternaam van [naam 1] [geïntimeerde] , die zich in 1895 vestigde als bakker in Oude Pekela.(…)”
6.9
Volgens [appellant] heeft mr. Karkache de e-mail van 11 september 2020 op 30 september 2020 doorgestuurd naar [e-mailadres 2] . [geïntimeerde] wijst er terecht op dat de kop van de e-mail lijkt te zijn bewerkt, waardoor aan de echtheid van deze e-mail kan worden getwijfeld. Maar ook als – veronderstellenderwijs – wordt aangenomen dat de e-mail daadwerkelijk is verstuurd, is geen sprake van een geldige stuitingshandeling. [appellant] heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij redelijkerwijs mocht aannemen dat [geïntimeerde] op dit e-mailadres door hem kon worden bereikt. Buiten het feit dat [naam 2] op dat moment al meer dan een jaar niet meer voor [geïntimeerde] werkte, heeft [appellant] ook niet toegelicht waarom hij ervoor heeft gekozen om specifiek [naam 2] aan te schrijven. Afgaand op het dossier heeft mr. Karkache niet eerder contact gehad met [naam 2] , maar wel met een andere werknemer van [geïntimeerde] , namelijk met de HR Business Partner van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] (zie 3.3). Mr. Karkache bevestigt in zijn e-mail zelfs nog dat hij in het verleden contact met haar heeft gehad (zie 3.9). Ook heeft mr. Karkache contact gehad met de advocaat van [geïntimeerde] en het assurantiekantoor van [geïntimeerde] (zie 3.4 en 3.8). In plaats van één van deze personen te e-mailen, heeft mr. Karkache er namens [appellant] voor gekozen twee schijnbaar willekeurige andere e-mailadressen aan te schrijven. Het gevolg is dat de verjaring niet is gestuit en de vordering is verjaard.
6.10
Het voorgaande betekent dat de tweede grief van [appellant] tegen het vonnis niet slaagt. Aan het behandelen van de eerste grief komt het hof daarom niet meer toe.
Bewijsaanbod
6.11
[appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. Zijn bewijsaanbod wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.
De proceskosten in eerste aanleg
6.12
[geïntimeerde] heeft ten aanzien van de proceskosten primair gevorderd dat mr. Karkache (in plaats van [appellant] ) wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in deze vordering voor wat betreft de proceskosten van de eerste aanleg, omdat het niet mogelijk is om in hoger beroep voor het eerst een tegenvordering (‘eis in reconventie’) in te stellen.5
De conclusie
6.13
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.14
Het voorgaande neemt niet weg dat het hof zich ook voor deze hoger beroepsprocedure aansluit bij de overweging van de kantonrechter op dit punt:
“Naar het oordeel van de kantonrechter zou het de advocaat van werknemer sieren als hij deze kostenveroordeling voor zijn rekening neemt. Het valt de advocaat, die al vanaf in elk geval de ontslagprocedure bij UWV (2018) betrokken was bij deze kwestie, ernstig aan te rekenen dat hij de gestelde vordering heeft laten verjaren door geen behoorlijke stuitingshandeling te verrichten en pas bij dagvaarding van 7 mei 2024 deze zaak aanhangig te maken. Dit terwijl al in de brief van 19 december 2018 (die overigens ook niet aangetekend is verzonden, zie tussenvonnis) het standpunt werd ingenomen dat werkgever aansprakelijk was voor de schade van werknemer.”
6.15
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.306,-