Overslaan en naar de inhoud gaan

GHSHE 111125 aangetekende stuitingsbrief bereikt schutter niet tijdens opname in verslavingskliniek; die persoonlijke omstandigheid komt voor zijn risico

GHSHE 111125 vordering politieagent op schutter vanwege PTSS na beschieting met automatisch vuurwapen, nadere informatie nodig
- aangetekende stuitingsbrief bereikt schutter niet tijdens opname in verslavingskliniek; die persoonlijke omstandigheid komt voor zijn risico

predispositie niet relevant, pre-existentie en latere gebeurtenissen mogelijk wel; hof gelast overlegging volledig medisch dossier en mondelinge behandeling

3De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan, als zijnde niet dan wel niet voldoende concreet weersproken, worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Op 19 november 2014 heeft [appellant] [geïntimeerde] bedreigd en geprobeerd ernstig lichamelijk letsel toe te brengen door meermaals met een vuurwapen op hem dan wel in zijn richting te schieten (hierna: het incident).

b. [geïntimeerde] , geboren 25 oktober 1993, was ten tijde van het incident werkzaam bij de politie in de functie van hoofdagent, bij de basiseenheid [A] . Op die 19de november 2014 had [geïntimeerde] dienst en was hij samen met een collega belast met de incidentenafhandeling binnen de Basiseenheid [A] . Zij waren gekleed in politie-uniform en reden in een dienstvoertuig.

c. Omstreeks 14:30 u werden [geïntimeerde] en zijn collega geïnstrueerd om naar [adres] te gaan. Door omwonenden was de melding gedaan dat er vanuit die woning schoten werden gelost.

d. Ter plaatse gekomen hoorden [geïntimeerde] en zijn collega uit het niets het geratel van een automatisch wapen, terwijl zij onbeschermd op het trottoir naast de aangrenzende woning stonden. Beiden konden net op tijd dekking zoeken achter een auto die op de oprit stond geparkeerd. Er werd meerdere malen vanuit de woning geschoten richting de politieambtenaren, die zich binnen het schootsveld van [appellant] bevonden

e. Gezien de levensbedreigende omstandigheden werd het arrestatieteam ingezet om de situatie te beëindigen. Omliggende woningen werden zo veel mogelijk ontruimd en bewoners werden in veiligheid gebracht. Na ongeveer twee uur heeft het arrestatieteam samen met de Dienst Speciale Interventies [appellant] kunnen arresteren. In de woning van [appellant] werden diverse jerrycans met zoutzuur aangetroffen, die leken te zijn klaargezet om ongewenste bezoekers zeer ernstig letsel toe te brengen.

f. Op 21 november 2014 heeft [geïntimeerde] tegen [appellant] aangifte gedaan.

g. Na het schietincident bemerkte [geïntimeerde] psychische klachten. Door mevrouw drs. [persoon A] , diagnostisch medewerker, en [persoon B] , psychiater, werd op 18 maart 2015 geadviseerd [geïntimeerde] professioneel te laten begeleiden. [geïntimeerde] heeft vervolgens een verkorte versie van de gebruikelijke traumagerichte behandeling (BEPP) gevolgd. De behandelingen hebben niet geleid tot een vermindering van de klachten.

h. Door de strafkamer van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, werd in de strafzaak tegen [appellant] bij vonnis van 28 juni 2016 onder meer bewezen verklaard (feit 4) dat [appellant] op 19 november 2014 te [B] onder anderen [geïntimeerde] , zijnde politieambtenaar, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, waartoe is overwogen:

“immers heeft de verdachte opzettelijk dreigend meermalen met een vuurwapen vanuit de woning, gelegen aan [adres] , aan voorzijde van die woning naar buiten geschoten op althans in de richting van voormelde politieambtenaren, terwijl hij, verdachte, wist dat die politieambtenaren zich buiten in de nabijheid van die woning, gelegen aan [adres] , bevonden”.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, overwogen dat dit feit [appellant] niet kan worden toegerekend en hem ontslagen van alle rechtsvervolging. Vanwege dit bewezen feit is [appellant] de maatregel van terbeschikkingstelling onder voorwaarden opgelegd.

Namens [geïntimeerde] werd gevoegd in de strafzaak, teneinde een deel van zijn (letsel)schade op [appellant] te verhalen. Dat heeft de rechtbank gedaan op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft [geïntimeerde] een bedrag aan smartengeld toegekend.

i. De klachten die [geïntimeerde] ondervond na het incident zijn sinds oktober 2017 in ernst toegenomen en sinds april 2018 heeft [geïntimeerde] zich volledig ziekgemeld. [geïntimeerde] werd uiteindelijk op 29 mei 2018 door het psychotrauma diagnose centrum gediagnosticeerd met een post-traumatische stress stoornis (PTSS).

j. Bij brief van zijn advocaat van 11 november 2019 (productie 2 bij verzetdagvaarding) heeft [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van het schietincident geleden en nog te lijden schade en daarbij te kennen gegeven dat [appellant] deze brief uitdrukkelijk diende op te vatten als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW.

k. [geïntimeerde] werd geïndiceerd voor een protocollaire traumabehandeling. Deze behandeling is inmiddels afgerond.

l. Omtrent de medische klachten van [geïntimeerde] is advies ingewonnen bij [persoon C] (hierna: [persoon C] ), medisch adviseur bij MediThemis. In een brief van 19 mei 2022 aan de advocaat van [geïntimeerde] schrijft [persoon C] onder meer:

“Cliënt is bekend met een ernstige PTSS, opgelopen bij een beroepsincident in 2014 en pas gediagnosticeerd in 2018. Door de grote vertraging in het stellen van de diagnose en het starten van adequate behandeling werd de prognose duidelijk negatief beïnvloed.

(…).

De traumabehandeling is succesvol verlopen en afgerond in augustus 2019. Cliënt was echter niet klachtenvrij en hield met name energetische beperkingen.

Cliënt heeft sinds het incident in 2014 met enige regelmaat een fysiotherapeut bezocht vanwege gespannen en pijnlijke spieren in de nek/schouderregio. Het is aannemelijk dat deze toegenomen spierspanning te maken heeft met de psychische spanningen, die weer in relatie staan met het beroepsincident in 2014.

De bedrijfsarts stelt medio 2020 dat sprake is van een medische eindsituatie.

Eind 2021 vindt een psychiatrische expertise plaats, waarbij het percentage blijvende invaliditeit wordt bepaald aan de hand van de AMA-guide, 6e editie.

Bij deze expertise blijkt dat cliënt naast energetische klachten en verhoogde en pijnlijke spierspanning ook nog een aantal psychische klachten en belemmeringen ervaart, zoals nachtmerries, concentratieproblemen, vermijdingsgedrag, emotionaliteit, prikkelbaarheid en een regelmatig optredende freeze-reactie.

Sprake is van een chronische PTSS in partiële remissie, waarvoor een percentage b.i. kan worden toegekend van 5%.

Samenvattend kan gesteld worden dat een medische eindsituatie is ingetreden met slechts gedeeltelijk herstel van de PTSS, waarvoor op basis van de AMA-guide, 6e editie uit mag worden gegaan van 5% b.i.”.

De procedure bij de rechtbank

3.2.

In de procedure bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] gevorderd, verkort weergegeven:

1. te verklaren voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] ten gevolge van de genoemde onrechtmatige daad op 19 november 2014 geleden en nog te lijden schade;

2. [appellant] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan [geïntimeerde] van € 233.750,- ten titel van materiële schadevergoeding, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, met rente;

3. [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

3.3.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, zakelijk weergegeven, dat de gedragingen van [appellant] tegenover [geïntimeerde] kwalificeren als een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. In het vonnis van 28 juni 2016 in de strafzaak tegen [appellant] is bewezen verklaard dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan enig misdrijf tegen het leven gericht en dat levert in de civiele procedure dwingend bewijs op ex artikel 161 Rv. De onrechtmatigheid van het handelen van [appellant] staat daarmee vast. Aan alle vier de voorwaarden van artikel 6:162 BW is voldaan, aldus nog steeds [geïntimeerde] . De schade van [geïntimeerde] bestaat uit verlies van arbeidsvermogen, waarbij [geïntimeerde] ter onderbouwing van de omvang daarvan wijst op diverse door hem in het geding gebrachte stukken.

3.4.

[appellant] is in de procedure bij de rechtbank verschenen, maar heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet (tijdig) een conclusie van antwoord genomen, waarna het recht om te antwoorden is vervallen, zo volgt uit het bestreden vonnis. Het door [geïntimeerde] gevorderde is vervolgens in het bestreden vonnis toegewezen op de wijze zoals opgenomen in het dictum van dat vonnis.

3.5.

Namens [appellant] is na het bestreden vonnis een verzetdagvaarding tegen [geïntimeerde] uitgebracht. Bij rolbeslissing van 20 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen dat naar haar voorlopig oordeel het vonnis van 24 januari 2024 een zaak op tegenspraak betreft, zodat [appellant] het verkeerde rechtsmiddel heeft ingesteld, en dat de rechtbank voornemens is [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in het verzet.

3.6.

In het vervolgens bij vervroeging gewezen vonnis van 17 april 2024 heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Het geschil in hoger beroep

3.3.

[appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. [appellant] heeft betoogd dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het bestreden vonnis, waarbij hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van alle vorderingen van [geïntimeerde] . Verder heeft [appellant] diverse argumenten uiteengezet op grond waarvan [appellant] meent dat de uitkomst in hoger beroep een andere dient te zijn dan de uitkomst bij de rechtbank zoals neergelegd in het bestreden vonnis.

3.4.

In zijn antwoord in hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconstateerd dat [appellant] geen grieven tegen het bestreden vonnis formuleert, hetgeen strijdig is met het gesloten grievenstelsel. Bij het ontbreken van grieven kan het vonnis in stand blijven, zo voert [geïntimeerde] verder aan. Voor zover het ervoor moet worden gehouden dat hetgeen [appellant] heeft uiteengezet in zijn memorie van grieven passend is in het grievenstelsel, heeft [geïntimeerde] inhoudelijk geantwoord. Op hetgeen [geïntimeerde] in dat verband aanvoert wordt hierna ingegaan voor zover dat voor de beoordeling in hoger beroep van belang is.

Heeft [appellant] zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis voldoende duidelijk naar voren gebracht?

3.5.

In de memorie van antwoord (randnummer 13) heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat [appellant] in zijn memorie van grieven geen grieven heeft geformuleerd en aangevoerd dat bij het ontbreken van grieven het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven betoogd dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het bestreden vonnis en dat hij daarom in hoger beroep is gekomen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij het bestreden vonnis vernietigd wenst te zien en gevorderd dat alle vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. Daarmee heeft [appellant] naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk gemaakt dat hij in hoger beroep een ander dictum wenst dan het dictum in het bestreden vonnis. Daarbij is ook voldoende duidelijk op welke gronden hij meent dat in hoger beroep moet worden beslist tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , namelijk de in de memorie van grieven sub A, B en D uiteengezette gronden. [geïntimeerde] heeft daarop bij memorie van antwoord ook gereageerd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zodoende voldoende duidelijke en kenbare bezwaren tegen het bestreden vonnis geformuleerd. Van het ontbreken van grieven tegen het bestreden vonnis is daarom geen sprake en dit kan dus ook niet dienen als grond voor het in stand blijven van het bestreden vonnis. Het hof zal hierna de door [appellant] opgeworpen gronden voor vernietiging van het bestreden vonnis behandelen.

De door [appellant] in hoger beroep aangevoerde gronden voor vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van het door [geïntimeerde] gevorderde

3.6.

[appellant] heeft in hoger beroep niet betwist dat hij tegenover [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door [geïntimeerde] te bedreigen en te trachten hem ernstig lichamelijk letsel toe te brengen door meermaals met een vuurwapen op hem dan wel in zijn richting te schieten. Dat staat daarmee in dit hoger beroep tussen partijen vast, een en ander op de wijze zoals uiteengezet in de inleidende dagvaarding, randnummers 1 tot en met 10. Wel voert [appellant] aan, verkort weergegeven, dat (i) de vordering van [geïntimeerde] is verjaard, (ii) [geïntimeerde] tijdens het bewuste schietincident handelde in de uitoefening van zijn beroep en hij daarom zijn werkgever, de politie, aan had moeten spreken tot vergoeding van zijn schade, al dan niet in rechte, en (iii) het vereiste causaal verband tussen het schietincident en de gestelde schade niet vaststaat omdat de vorderingen door [geïntimeerde] onvoldoende met redenen en bewijsmiddelen zijn omkleed.

Grond (i): verjaring

3.7.

[appellant] betoogt dat de voor hem bestemde brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 11 november 2019, waarin deze [appellant] aansprakelijk heeft gesteld voor de door [geïntimeerde] als gevolg van het schietincident geleden en nog te lijden schade en die mede diende ter stuiting van de met betrekking tot die schadevordering lopende verjaringstermijn, hem destijds niet heeft bereikt. De verjaring van de vordering van [geïntimeerde] is zodoende met die brief niet gestuit, aldus [appellant] .

3.8.

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Het volgende is daarvoor redengevend.

3.9.

Artikel 3:310 lid 1 BW, dat ziet op de verjaring van onder meer vorderingen tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt.

Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt en dat nochtans ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking heeft, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.

3.10.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de hiervoor genoemde brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 11 november 2019 inhoudelijk kwalificeert als een stuitingsbrief ten aanzien van de verjaringstermijn die lopende was met betrekking tot de schadevordering van [geïntimeerde] tegenover [appellant] wegens diens hiervoor in rechtsoverweging 3.6 omschreven onrechtmatige handelen op 19 november 2014. Zij behelst daarmee een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 Lid 1 BW en is ook een wilsverklaring als bedoeld in artikel 3:37 lid 1 BW. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een dergelijke verklaring, om haar werking te hebben, de geadresseerde hebben bereikt; daarvoor is in beginsel bepalend het moment waarop de geadresseerde geacht moet worden de verklaring te hebben ontvangen. Op dat laatste bestaan echter uitzonderingen, waaronder het geval waarin het niet bereiken van de geadresseerde van de tot hem gerichte wilsverklaring het gevolg is van omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. Naar het oordeel van het hof doet dit geval zich in deze zaak voor. Daarvoor acht het hof het volgende van belang.

3.11.

De brief is geadresseerd aan [appellant] op het adres John F. Kennedylaan 301 te Heerlen. De brief bevat de vermelding dat zij aangetekend is verzonden. Tussen de in dit geding door [geïntimeerde] overgelegde bewijsstukken bevindt zich een kopie van een ontvangstbewijs van PostNL, gestempeld 11 november 2019 (productie 2 bij memorie van antwoord) met daarachter een kopie van de brief van de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] van 11 november 2019. Het staat vast dat de advocaat van [appellant] in ieder geval ten tijde van het opstellen van de hiervoor (rechtsoverweging 3.5 van dit arrest) genoemde verzetdagvaarding al beschikte over het ontvangstbewijs van PostNL, zodat deze (en daarmee [appellant] ) procesrechtelijk bekend mogen worden verondersteld met dit document (ruim) voordat het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord als productie in het geding is gebracht.

3.12.

Het ontvangstbewijs vermeldt [appellant] als geadresseerde en als adres van de geadresseerde ‘ [adres B] ’, dus hetzelfde adres dat is vermeld in de zojuist bedoelde brief van de advocaat van [geïntimeerde] . Als niet dan wel onvoldoende concreet weersproken staat vast dat op dit adres Mondriaan Verslavingszorg gevestigd was, en dat dit een groot complex betreft met veel gebouwen en woningen waarin tientallen mensen wonen die zorg van de GGZ-instelling nodig hebben. De brief is tijdig op dit adres aangeboden. Naar eigen zeggen (memorie van grieven, randnummers 7 en 8) was [appellant] destijds, op 11 november 2019, op het adres van Mondriaan Verslavingszorg (hierna: Mondriaan) woonachtig. Verder heeft [appellant] betoogd (memorie van grieven, randnummer 8) dat (i) het ontvangstbewijs niet door hem is ondertekend, maar door een zekere “[persoon D]” en dat dit één van de vele medewerkers van Mondriaan kan zijn, maar ook een andere bewoner of een toevallige passant, en (ii) [appellant] het ontvangstbewijs als bewoner van Mondriaan ook nooit kon ondertekenen (vanwege, zo begrijpt het hof de strekking van het betoogde op dit punt, diens onbekwaamheid). Dit alles kan [appellant] echter niet baten. Dat [appellant] destijds was opgenomen in Mondriaan, dat hijzelf het betreffende ontvangstbewijs niet kon ondertekenen en dat daarom een ander dan [appellant] heeft getekend voor ontvangst zijn persoonlijke omstandigheden waarvan [appellant] het nadeel dient te dragen als een tot hem gerichte wilsverklaring hem daardoor niet bereikt.

3.13.

Op grond van het voorgaande heeft de stuitingsbrief van 11 november 2011 werking tegenover [appellant] . Dit betekent dat de verjaringstermijn tijdig is gestuit en de vordering van [geïntimeerde] niet is verjaard.

Grond (ii): aansprakelijkstelling politie als werkgever van [geïntimeerde] in plaats van [appellant] ?

3.14.

[appellant] voert verder aan, zakelijk weergegeven, dat [geïntimeerde] ten tijde van het schietincident handelde in de uitoefening van zijn beroep, en niet in privé. Dan zou artikel 6:165 lid 1 BW onvoorwaardelijk van toepassing zijn geweest. Primair dient [geïntimeerde] zijn werkgever aansprakelijk te stellen, aldus nog steeds [appellant] .

3.15.

Het hof volgt [appellant] ook niet in dit betoog. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat onder de omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn [geïntimeerde] [appellant] niet aansprakelijk zou mogen stellen voor de schadelijke gevolgen van de onrechtmatige gedragingen van [appellant] tijdens het schietincident, al dan niet naast zijn werkgever. Het hof gaat daarom aan het betoog van [appellant] voorbij.

Grond (iii): ontoereikende medische en juridische causaliteit?

3.16.

Ter onderbouwing van zijn stelling, zoals het hof deze begrijpt, dat in deze zaak de medische en juridische causaliteit tussen het onrechtmatige handelen van [appellant] tijdens het schietincident en de door [geïntimeerde] gestelde schadelijke gevolgen niet voldoende vaststaan om de gevorderde bedragen tot de pensioengerechtigde leeftijd te rechtvaardigen, betoogt [appellant] , zakelijk samengevat, dat pre-existentie en/of predispositie bij [geïntimeerde] van invloed kan zijn op het medisch en arbeidskundig belaste profiel van [geïntimeerde] zoals dat is uiteengezet in het hiervoor (rechtsoverweging 3.1 sub l van dit arrest) al aangehaalde en deels geciteerde bericht van medisch adviseur [persoon C] van 19 mei 2022 (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Ook stelt [appellant] dat na het schietincident er nog van alles kan zijn gebeurd in het leven van [geïntimeerde] dat van invloed kan zijn geweest op zijn fysieke en mentale gesteldheid en daarmee op zijn mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en zijn verdere functioneren. Volgens [appellant] had de rechtbank zich zeker bij een agent in actieve dienst een compleet beeld moeten verschaffen. Daarbij haalt [appellant] aan dat [persoon C] in haar bericht noemt dat “door de grote vertraging in het stellen van de diagnose en het starten van adequate behandeling (…) de prognose duidelijk negatief [werd] beïnvloed”. [appellant] verlangt in dit verband, kort gezegd zoals het hof het verlangde begrijpt, dat [geïntimeerde] het volledige medisch dossier in het geding brengt overeenkomstig diens onvoorwaardelijke aanbod in randnummer 17 van de inleidende dagvaarding.

3.17.

Naar het oordeel van het hof is het betoog gegrond in de zin en mate zoals hierna uiteengezet. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.18.

Of bij [geïntimeerde] sprake is van predispositie acht het hof in dit stadium van de procedure niet van belang. Ten aanzien daarvan geldt dat degene die een ander letsel toebrengt, het zal moeten doen met die ander zoals deze is; diens predispositie kan in beginsel niet afdoen aan de verplichting van de aangesprokene tot vergoeding van de schade. Eventuele pre-existentie van de thans door [geïntimeerde] ervaren klachten en beperkingen, zoals kort weergegeven in het hiervoor genoemde bericht van [persoon C] , kan wel relevant zijn, en dat geldt ook voor gebeurtenissen in het leven van [geïntimeerde] van na het schietincident voor zover deze de potentie in zich hebben om bij te dragen aan het bestendigen of verergeren van de hiervoor bedoelde klachten en beperkingen of deze kunnen hebben veroorzaakt. Dat geldt ook voor eventuele klachten die na het schietincident zijn ontstaan maar daarmee geen verband houden.

3.19.

In randnummer 17 van de inleidende dagvaarding is zijdens [geïntimeerde] aangeboden om, als [appellant] in de procedure verschijnt en het letsel, de beperkingen en/of de medische causaliteit betwist, alle beschikbare medische informatie in het geding te brengen. Dit is zijdens [geïntimeerde] herhaald in de memorie van antwoord, zij het dat [geïntimeerde] aldaar aan zijn bereidheid daartoe de voorwaarde verbindt dat het hof om de medische informatie verzoekt en met de beperking dat het privéadres van [geïntimeerde] zal zijn weggelakt (randnummer 30). In het licht van het voorgaande ziet het hof aanleiding om [geïntimeerde] thans te gelasten om alle beschikbare medische informatie in het geding te brengen waarbij het hof zal bepalen dat [geïntimeerde] hiertoe dient over te gaan op een hierna in het dictum nader te bepalen roldatum, met de beperking dat het [geïntimeerde] zal zijn toegestaan om diens privéadres in de over te leggen stukken weg te lakken.

3.20.

Verder ziet het hof aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten om met partijen nader van gedachten te kunnen wisselen over de inhoudelijke merites van de zaak, in welk verband partijen eventueel aan het hof nadere inlichtingen zullen kunnen verstrekken, het beproeven van een minnelijke regeling en, als niet tot een minnelijke regeling kan worden gekomen, het bespreken met partijen van de meest geëigende verdere procesgang, waaronder de waarschijnlijkheid dat dan één of meer deskundigen zullen moeten worden ingeschakeld en de waarschijnlijkheid dat de kosten daarvan voorshands voor rekening van [appellant] zullen komen.

3.21. Het hof zal verder iedere beslissing aanhouden. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3256