Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Den Haag 150513 val bij gebruik heftruck als steiger; schade niet veroorzaakt met of door motorrijtuig; dekking op AVB

Rb Den Haag 150513 val bij gebruik heftruck als steiger; schade niet veroorzaakt met of door motorrijtuig; dekking op AVB

4.  De beoordeling 
4.1.  Partijen twisten over de vraag of Aegon ter zake van de gevolgen van het ongeval dat [B] op 10 februari 2010 op haar werk is overkomen, gehouden is dekking te verlenen onder de AVB-verzekering. Vooropgesteld zij dat ingeval sprake is van werkgeversaansprakelijkheid jegens een werknemer ter zake van een tijdens de werkzaamheden overkomen ongeval die aansprakelijkheid in beginsel wordt gedekt op de AVB-polis. Aegon betwist echter dat sprake is van een verzekerd evenement en stelt voorts dat de uitsluitingsbepaling ter zake van het motorrijtuigrisico van toepassing is. Nu [A] het rechtsgevolg inroept dat sprake is van een verzekerd evenement, is het ingevolge artikel 150 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering aan haar om daartoe feiten te stellen en deze bij gemotiveerde betwisting te bewijzen. 

4.2.  Om te kunnen beoordelen of sprake is van een verzekerd evenement en of een uitsluitingsbepaling van toepassing is, dient eerst de toedracht van het ongeval te worden vastgesteld. Aegon heeft betoogd dat het op de weg van [A] had gelegen haar stelling dat [B] een ongeval is overkomen waarbij een vorkheftruck was betrokken op deugdelijke wijze te onderbouwen en ten minste een rapport van de arbeidsinspectie over te leggen. Voorts ontbreken stukken waaruit blijkt wat precies de schade is die [B] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Zodoende kan volgens Aegon niet worden vastgesteld of sprake is van een verzekerd evenement. De rechtbank overweegt als volgt. 

4.3.  Tussen partijen staat vast dat na het [B] overkomen ongeval geen ziekenhuisopname nodig is geweest omdat het letsel ‘aanvankelijk (…) leek mee te vallen’, zoals haar advocaat schrijft (onder 2.4). Dat betekent dus – anders dan Aegon betoogt – dat er geen sprake was van een meldingsplichtig arbeidsongeval waarvan door de Inspectie een rapport moet worden opgemaakt. Dat een dergelijk rapport ontbreekt en dat Aegon daardoor niet in staat is bepaalde feitelijkheden vast te stellen, kan [A] mitsdien niet worden verweten. Wat betreft de toedracht van het ongeval zal de rechtbank dan ook uitgaan van de door [A] gestelde toedracht die voor het overige door Aegon niet is betwist. 

4.4.  [A] heeft, onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van de collega die de vorkheftruck bestuurde en mitsdien (afgezien van [B]) kennis had van de toedracht van het ongeval, de heer [D], gedetailleerd aangegeven hoe het ongeval zich heeft voorgedaan. Op grond daarvan heeft de rechtbank de toedracht als volgt vastgesteld. 
[B], die in dienst was van [A], moest werkzaamheden verrichten boven een afzuigkast, waarvan de bovenkant zich op ongeveer 2.2 m bevond. Met behulp van een vorkheftruck, bestuurd door haar collega de heer [D], is zij op de juiste hoogte gebracht. Op de vorken – door [D] ‘lepels’ genoemd – van de vorkheftruck was namelijk een stalen draadmand geplaatst van circa 1 meter diep en 1.50 meter breed waarin zij was gaan staan en die gebruikt werd als werkplateau. De onderkant van de draadmand bevond zich op borsthoogte van [D] (ruim 1.50 meter).Ten tijde van het ongeval stond de vorkheftruck stil en stond [D] naast de vorkheftruck. Hij gaf [B] namelijk voorwerpen aan die [B] nodig had voor de boven de afzuigkast uit te voeren werkzaamheden. Bij een van de voorwerpen die [D] haar aanreikte - een verlengsnoer - boog [B] zich voorover. Zij leunde ver over de rand van de mand waardoor het gewicht plotseling verschoof, de mand over en van de vorken gleed waarop zij met mand en al naar beneden kwam en bovenop [D] is gevallen. 

4.5.  Uit de stellingen van [A] en de brief van de advocaat van [B] blijkt dat [B] tengevolge van het ongeval lichamelijke klachten heeft ontwikkeld, onder meer pijn aan heup en schouder. Anders dan Aegon betoogt, is niet nodig dat precies inzicht bestaat in het opgelopen letsel. Het enkele feit dat [A] door [B] aansprakelijk is gesteld met klachten die verband zouden kunnen houden met het ongeval, is daartoe, mede gelet op het feit dat slechts een verklaring voor recht is gevorderd dat er dekking bestaat, voldoende. Uit de onder 4.4 geschetste toedracht met als gevolg schade voor [B] kan worden opgemaakt dat er sprake is van personenschade zoals gedefinieerd in artikel 1.6.1. respectievelijk artikel 11.1 Rubriek II van de polisvoorwaarden en derhalve dat in beginsel sprake is van een gedekt evenement. 

4.6.  Thans is aan de orde de vraag of de uitsluitingsbepaling van artikel 2.7.3 van de polisvoorwaarden van toepassing is. Daartoe is allereerst van belang om vast te stellen of een vorkheftruck een motorrijtuig is als bedoeld in dit artikel, hetgeen namelijk door [A] wordt betwist. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. 
Vooropgesteld wordt dat het begrip ‘motorrijtuigen’ in artikel 2.7.3 niet onder de begripsomschrijvingen in de polisvoorwaarden is gedefinieerd. Naar Aegon onweersproken heeft aangevoerd, wordt het begrip ‘motorrijtuig’ in het Van Dale’s Groot woordenboek der Nederlandse taal gedefinieerd als ‘voertuig dat door een motor wordt voortbewogen’. Voorts is in artikel 1 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bepaald dat onder motorrijtuigen moeten worden verstaan: ‘alle rij-of voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven over de grond te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht (…)’. Uit de beide definities van het begrip ‘motorrijtuig’ volgt dat het moet gaan om een voertuig dat wordt voortbewogen. Een vorkheftruck kan zich door een motorische aandrijving op eigen kracht voortbewegen over de grond. Dit kan zowel over de openbare weg zijn maar ook op een privéterrein voor het verplaatsen van goederen. Gelet hierop valt zonder nadere toelichting van [A], die ontbreekt, niet in te zien dat zij het begrip ‘motorrijtuig’ uit artikel 2.7.3 aldus heeft kunnen opvatten dat daaronder slechts voertuigen zijn begrepen die zijn voorzien van een kenteken én die bovendien uitsluitend zijn bestemd om op de openbare weg te worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat de vorkheftruck in kwestie moet worden aangemerkt als een motorrijtuig. 

4.7.  Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van ‘schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig’. Aegon heeft betoogd dat het gebruik van de vorkheftruck in belangrijke mate heeft bijgedragen tot de val van [B]. Immers volgens haar is [B] door het hefmechanisme van de heftruck op een zekere hoogte gebracht, hetgeen debet is geweest aan de valpartij. [A] heeft daartegen aangevoerd dat de vorkheftruck in dit geval uitsluitend werd gebruikt als stellage die als steiger dienst deed. De draadmand, die uiteindelijk is gekanteld, behoorde niet tot de vorkheftruck. Het voorval had dan ook eveneens kunnen gebeuren indien een tussenplateau op een steiger niet voldoende was vastgezet, aldus [A]. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. 

4.8.  De reikwijdte van de zinsnede die uitsluit ‘schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig’ in artikel 2.7.3 van de AVB-polisvoorwaarden is op zichzelf niet zonder meer duidelijk. Aegon heeft ter comparitie aanvullend betoogd dat [A] voor schade die door een vorkheftruck is veroorzaakt een zogenaamde Werkmaterieel verzekering had moeten afsluiten en dat de schade dan wel vergoed zou zijn geweest. Hoewel Aegon de bij een Werkmaterieel verzekering behorende polisvoorwaarden niet heeft overgelegd - en overigens [A] ten tijde van het ongeval niet een dergelijke verzekering had afgesloten -, is het de rechtbank bekend dat een Werkmaterieel polis naar zijn aard - in het verlengde van de verplicht voorgeschreven WAM-dekking - ziet op het risico van aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen veroorzaakt door het verzekerde motorrijtuig. Immers specifieke risico’s verbonden aan het bezit of gebruik van een motorrijtuig behoren niet verzekerd te zijn op een algemene bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Mede gelet op het bepaalde in het slot van artikel 2.7.3 van de polisvoorwaarden moet in dat kader de reikwijdte van de uitsluiting worden begrepen. 

4.9.  [D] heeft de vorkheftruck bestuurd en heeft dit op zichzelf goed gedaan. Het ongeluk had plaats toen de vorkheftruck stil stond en [D], staande naast de vorkheftruck, aan [B] spullen aangaf. [B] heeft een oneigenlijk gebruik gemaakt van de vorkheftruck doordat zij in een draadmand, die daartoe op de vorken was gezet, is gaan staan teneinde op een bepaalde hoogte te kunnen komen om daar werkzaamheden te kunnen verrichten. Het ongeval is veroorzaakt doordat zij te ver voorover leunde waardoor de draadmand is gekanteld. Het gevaar dat [B] ten val zou kunnen komen door op deze wijze te werken, is dan ook niet gelegen in een gebrek aan de vorkheftruck of in het gebruik van de vorkheftruck als motorrijtuig. Weliswaar heeft het heftruckmechanisme de draadmand tot een zekere hoogte gebracht, maar dit is bij het ontstaan van de val van ondergeschikte betekenis geweest. De handelwijze van [B] is dan ook de dominante factor van de schade geweest en is een oorzaak die los staat van het motorijtuig. Dat bij het werk gebruik is gemaakt van een vorkheftruck is een omstandigheid die als veroorzakende factor hierbij in het niet valt. [A] behoefde dan ook niet te verwachten dat zij de op de AVB-polis vanwege de op zichzelf in ruime bewoordingen gestelde uitsluitingsclausule geen dekking heeft voor schade die weliswaar enig verband heeft met een motorijtuig maar waarbij een andere fout die niets te maken heeft met de staat of de bediening van het motorijtuig veel meer in het oog springt. 

4.10.  Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden geconcludeerd dat de schade waarvoor [A] door [B] aansprakelijk is gesteld, is veroorzaakt ‘met of door een motorijtuig’ (de vorkheftruck) als bedoeld in artikel 2.7.3 van de polisvoorwaarden. Het verweer van Aegon dat de in artikel 2.7.3 opgenomen uitsluitingsclausule in dit geval van toepassing is, treft dan ook geen doel. 

4.11.  De rechtbank komt gezien het boven overwogene tot de conclusie dat de polis dekking biedt ten aanzien van de aansprakelijkheid van [A] tegenover [B] voor de schade die verband houdt met het door [B] overkomen arbeidsongeval op 10 februari 2011. De onder 3.1 onder (i) en (ii) gevorderde verklaringen voor recht – die voor het overige niet zijn weersproken – zullen dan ook worden toegewezen als hieronder vermeld. 

4.12.  Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. 

4.13.  Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de verklaring voor recht, omdat een verklaring voor recht zich niet leent voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad. LJN CA2385

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies