RBGEL 171225 beenletsel door mes tapijtstripper; verhuurder aansprakelijk; verhuurd zonder voldoende toelichting en zonder lederen mesbeschermer
- Meer over dit onderwerp:
RBGEL 171225 beenletsel door mes tapijtstripper; verhuurder aansprakelijk; verhuurd zonder voldoende toelichting en zonder lederen mesbeschermer
- geen aansprakelijkheid voor oom die mes monteerde; ook niet uit zaakwaarneming nadat oom gewond was geraakt
2De feiten
2.1.
[eiser] heeft samen met zijn vader ( [betrokkene 1] ) en zijn oom ( [gedaagde 1] ) de woning van zijn oma ontruimd. Voor het verwijderen van het tapijt heeft [betrokkene 1] op 18 juni 2019 bij [gedaagde 1] een tapijtstripper gehuurd van het merk Wolf, type Duo-stripper. De tapijtstripper is een elektrisch aangedreven apparaat voorzien van een scherp geslepen mes dat een heen en weergaande beweging maakt om zo een tapijt los te snijden van de ondergrond. Voor het gebruik moet de gebruiker zelf het mes monteren op de tapijtstripper.
2.2.
In de tussen [betrokkene 1] en [gedaagde 1] gesloten huurovereenkomst voor de tapijtstripper staat, voor zover hier van belang:
“Zie bijgesloten handleiding voor instructie.
(…)
Gevaar voor letsel: bij het verwisselen of verwijderen van het mes altijd de mesbescherming plaatsen en handschoenen dragen! Voor transport mes verwijderen en na de werkzaamheden eveneens altijd de mesbescherming plaatsen!”
In de bijgeleverde handleiding staat de volgende afbeelding:
2.3.
Op 22 juni 2019 waren [eiser] , [betrokkene 1] en [gedaagde 1] bezig in de woning van oma. [eiser] sneed stroken in het tapijt, zodat het tapijt met de tapijtstripper kon worden verwijderd. [betrokkene 1] had een andere taak in de keuken. [gedaagde 1] hield zich bezig met het monteren van het mes op de tapijtstripper. Daarvoor had [gedaagde 1] de tapijtstripper gekanteld op de grond gezet en de meegeleverde smalle kunststof mesbeschermer op het mes geplaatst. Bij het monteren van het mes is de kunststof mesbeschermer doorgesneden en heeft [gedaagde 1] zich gesneden aan het mes. [eiser] is toen naar [gedaagde 1] toegelopen en heeft zich daarbij in zijn rechterkuit gesneden aan het mes van de tapijtstripper.
2.4.
[eiser] is op de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis onderzocht. [eiser] had een snijwond opgelopen van 10 centimeter breed en ongeveer 5 centimeter diep. Zowel de pezen als de spieren en de zenuwen waren doorgesneden. In overleg met de plastisch chirurg is hij direct geopereerd.
2.5.
Bij brief van 3 juli 2019 heeft [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval.
2.6.
[gedaagde 1] heeft van de aansprakelijkstelling melding gedaan aan haar aansprakelijkheidsverzekeraar Allianz. Allianz heeft op 28 januari 2020 een voorschot van
€ 3.500,00 aan [eiser] betaald en onderzoeksbureau Sedgwick opdracht gegeven tot het verrichten van een toedrachtsonderzoek.
2.7.
Bij brief van 3 februari 2020 heeft [eiser] [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Nationale Nederlanden heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde 1] aansprakelijkheid afgewezen.
2.8.
In een e-mailbericht van 30 juni 2020 heeft de advocaat van [gedaagde 1] de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] afgewezen.
2.9.
Op 19 november 2020 heeft Sedgwick door middel van een videocall (in verband met de Covid-19 beperkingen) een gesprek gevoerd met [eiser] . Aan de hand daarvan heeft Sedgwick op 16 december 2020 een rapport uitgebracht.
2.10.
[eiser] heeft DEKRA ingeschakeld voor het verrichten van een expertise. [gedaagde 1] en [gedaagde 1] hebben niet willen meewerken aan het onderzoek. De moeder van [eiser] heeft het gebruikte mes en de beschermhoes bij DEKRA afgegeven voor nader onderzoek. In het rapport van expertise van 26 september 2022 staat, voor zover hier van belang:
“Beantwoording vragen
Vraag 1. Kunt u een omschrijving geven van de beschermhoes en tapijtstripper en aangeven wat u heeft geconstateerd?
Antwoord:
(…)
Conform de onderdelenlijst (bijlage 1) en de explosietekening van de toolkit (bijlage 2) wordt de tapijtstripper geleverd inclusief twee messen (afbeelding 3, onderdeel 1 en 2), een smalle kunststof mesbeschermer (afbeelding 3, onderdeel 3), een brede lederen mesbeschermer (afbeelding 3, onderdeel 5) en handschoenen (niet op tekening).
(…)
Afbeelding 3. Toolkit geleverd bij tapijtstripper
(…)
Wij stelden vast dat het mes zeer scherp was. Indien het mes juist gemonteerd wordt, hoeft hierbij geen kracht gebruikt te worden. De sleuven in het mes zijn ruim en met voldoende speling opgezet om eenvoudig het mes om de draadeinden (…) geschoven en gemonteerd te kunnen worden. Belangrijk hierbij is wel dat de moeren waarmee de dekplaat (…) wordt vastgezet voorafgaande aan de montage van het mes voldoende losgedraaid worden. Indien de moeren onvoldoende losgedraaid worden, dan zal onvoldoende ruimte zijn tussen de bovenplaat en de montageplaat (…) en zal het mes “vastlopen” tijdens montage. Ook dienen de montageplaten schoon te zijn omdat vuil de montage kan bemoeilijken.
(…)
De smalle kunststof mesbeschermer is destijds doorgesneden (…) doordat druk is uitgeoefend op deze mesbeschermer aan de geslepen zijde van het mes.
Wij stelden vast dat de mesbeschermer over een lengte van circa 116 mm doorgesneden is. De uiterste rand aan de linkerzijde is niet doorgesneden zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het mes aan de linkerzijde niet buiten de mesbeschermer stak.
Vraag 2. Zijn er veiligheidsnormen (bijv. NEN-normen) waaraan de tapijtstripper en beschermhoes dienen te voldoen? Zo ja, welke?
Antwoord:
Nee wij hebben geen (NEN-)normen of andere richtlijnen gevonden waarin vermeld staat waaraan de mesbeschermer zou moeten voldoen.
(…)
Vraag 4. Kunt u aangeven of het materiaal dat voor de beschermhoes is gebruikt geschikt is voor de toepassing?
Antwoord:
Bij de tapijtstripper wordt af fabriek met twee verschillende type en formaten mesbeschermers geleverd. Een smalle kunststof mesbeschermer en een brede lederen/rubberen mesbeschermer. Het gebruikte kunststof is een relatief zachte kunststof, ook wel thermoplast genoemd. Dit materiaal is kwetsbaarder voor het doorsnijden dan een lederen mesbeschermer.
Uit de montage-instructie op de website van [gedaagde 1] (…) maken wij op dat de montage van het mes in ieder geval dient te geschieden met de brede lederen/rubberen mesbeschermer om het mes en met gebruik van handschoenen. Wij hebben de brede lederen/rubberen mesbeschermer niet overgelegd gekregen, naar verluidt omdat deze ook niet bij het verhuren van de tapijtstripper door [gedaagde 1] wordt meegeleverd. Ook de handschoenen zijn zoals eerder gemeld bij het verhuren van de tapijtstripper niet meegeleverd.
Een lederen mesbeschermer is niet aan ons overgelegd. Het aannemelijk dat een lederen mesbeschermer een aanzienlijk grotere weerstand heeft tegen doorsnijden dan de smalle kunststof mesbeschermer.
Een optie zou kunnen zijn dat tijdens montage zowel de smalle kunststof mesbeschermer als de brede lederen/rubberen mesbeschermer op het mes zijn c.q. worden aangebracht. Uit de montage instructie van [gedaagde 1] maken wij op dat alleen de brede lederen/rubberen mesbeschermer tijdens montage en demontage gebruikt wordt. Of de brede mesbeschermer voldoende ruimte biedt voor mes met smalle mesbeschermer hebben wij niet kunnen vaststellen, immers de brede mesbeschermer hebben wij niet overgelegd gekregen.
Het spreekt voor zich dat indien twee mesbeschermers worden gemonteerd dit extra bescherming biedt tegen doorsnijden en eventueel letsel.
Het toepassen van de brede mesbeschermer heeft als voordeel dat deze aan de zijkanten dicht is. Hiermee wordt voorkomen dat deze mesbeschermer kan afschuiven via de zijkanten van het mes en daarmee (een deel van) het snijvlak van het mes bloot komt te liggen. Door het opsluiten van het mes aan de zijkanten wordt voorkomen dat een snijdende beweging ontstaat. Bij een snijdende beweging zal het materiaal van een mesbeschermer eerder doorsneden worden dan indien een kracht loodrecht op het materiaal wordt uitgeoefend.
Mocht de brede mesbeschermer van rubber zijn vervaardigd, dan kunnen wij zonder nader onderzoek niets vermelden over de weerstand tegen doorsnijden. Dit is namelijk afhankelijk van de additieven die zijn gebruikt bij het vervaardigen van het eventuele gebruikte rubber van deze mesbeschermer. Indien de juiste additieven zijn gebruikt, dan zal de weerstand tegen doorsnijden aanzienlijk hoger kunnen zijn dan de weerstand die de smalle mesbeschermer had.
Wij hebben proefondervindelijk vastgesteld dat een behoorlijke kracht op de smalle kunststof mesbeschermer uitgeoefend moet worden indien deze kracht loodrecht op het scherpe deel van het mes wordt uitgeoefend. Indien een kracht wordt uitgeoefend op de mesbeschermer onder een kleinere hoek, en er als het ware een snijdende beweging ontstaat, zal het mes makkelijker door de smalle mesbeschermer snijden.
Het schadebeeld aan de mesbeschermer wijst op basis van een visuele beoordeling uit dat en loodrechte dan wel vrijwel loodrechte kracht op de mesbeschermer is uitgeoefend.
Wij hebben met een 10x vergrotende loep niet kunnen vaststellen of de kunststof mesbeschermer al bij levering van de tapijtstripper aan partij 1 beschadigd c.q. (deels) ingesneden was.
Indien de montage van het mes op de juiste wijze geschiedt, zullen beide mesbeschermers voldoen immers, zoals eerder gemeld, is er dan een zeer geringe kracht nodig om het mes te monteren.
(…)
Vraag 6. Bent u van mening dat de tapijtstripper en beschermhoes voldoen aan de eisen die daaraan redelijkerwijs kunnen worden gesteld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
Zoals eerder gemeld, voldoet de mesbeschermer indien op de juiste wijze het mes wordt gemonteerd. Indien er een substantiële kracht op de mesbeschermer wordt uitgeoefend, zal de kunststof onvoldoende weerstand bieden tegen doorsnijden.
Vraag 7. Indien sprake is van een gebrek, bent u dan van mening dat dit gebrek al aanwezig was toen de beschermhoes door de producent in het verkeer werd gebracht?
Antwoord:
Door de producent is de tapijtstripper met kunststof mesbeschermer, lederen mesbeschermer en handschoenen in het verkeer gebracht. Met deze veiligheidsvoorzieningen is geen sprake van een gebrekkig product.
In de eigen instructiefilm van partij 2 [ [gedaagde 1] , toevoeging rb] worden voor de montage van het mes een brede lederen/kunststof mesbeschermer en handschoenen gebruikt. Uitgaande van deze instructiefilm zijn wij van mening dat partij 2 niet alle voorgeschreven veiligheidsvoorzieningen heeft meegeleverd voor de montage van het mes.”
2.11.
[eiser] heeft Triage Medisch Adviesbureau ingeschakeld voor een medisch advies. In het medisch advies van 15 december 2023 van medisch adviseur
[betrokkene 2] staat, voor zover hier van belang:
“Beschouwing/advies
(…)
Mijn overwegingen
In antwoord op uw specifieke vragen:
1 De aard en ernst van het letsel;
Als gevolg van het ongeval op 22-06-2019 waarbij cliënt met zijn been tegen het blootliggende mes van een tapijtstripper kwam had hij:
- een grote wond aan de buitenzijde van zijn rechter onderbeen tot op zijn scheenbeen, van ongeveer 8-10 cm, met een doof gevoel bij zijn grote teen tot aan de enkel, wat verklaard kan worden door gedeeltelijk letsel n. peroneus superficialis met het gevoel van afgenomen kracht wat verklaard kan worden door gedeeltelijke peesletsel.
(…)
3. het beloop en de vooruitzichten;
Beloop zie boven.
Er is inmiddels sprake van een medische eindtoestand met restklachten en beperkingen aangezien hij niet meer onder behandeling staat waarvan herstel verwacht mag worden.
4. de op medische gronden aan te nemen beperkingen;
Hij werd beperkt bij door de knieën gaan, veel lopen, aanspannen been, op knieën zitten, hurken, op tenen staan, aanzetten, lopen, sprinten en werkzaamheden. De pijn wordt minder door rust.
Door de pijn ervaart hij beperkingen in lopen, algemene activiteit, stemming, normale werkzaamheden, relaties, slaap en plezier.
5. het te volgen medisch traject;
Er zijn behoudens medicatie tegen de pijn, welke hij niet wenst aangezien dit consequenties heeft voor autorijden en zijn werkzaamheden.
6. het te verwachten percentage b.i.;
Gezien zijn aanhoudende klachten en beperkingen kan voor peesletsel gemiddeld genomen 7% BI been, dat wil zeggen 3% BIGM worden toegekend. Voor het zenuwletsel kan eventueel nog een klein percentage extra worden toegekend.
(…)”
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat één of meer gedaagden, hoofdelijk dan wel ieder voor een deel, aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 22 juni 2019,
II. één of meer gedaagden, hoofdelijk dan wel ieder voor een deel, veroordeelt tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van:
- € 8.075,14 aan materiële schade,
- € 7.500,00 aan immateriële schade,
- € 9.216,06 aan buitengerechtelijke kosten,
dit alles vermeerderd met de wettelijke rente,
III. [gedaagde 1] en/of Allianz veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien voldoening binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis uitblijft.
3.2.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] door tijdens de montage geen veiligheidshandschoenen te dragen en de tapijtstripper met het mes naar boven te plaatsen een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen. Volgens [eiser] is [gedaagde 1] daarom aansprakelijk op grond van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW). Subsidiair stelt [eiser] dat sprake is van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW) omdat hij zich aan de tapijtstripper heeft gesneden toen hij handdoeken wilde halen om de (wat leek op een slagaderlijke) bloeding van [gedaagde 1] te stelpen. Op grond van artikel 6:200 BW is [gedaagde 1] daarom gehouden de letselschade te vergoeden die [eiser] als zaakwaarnemer heeft geleden. Ten aanzien van Nationale Nederlanden doet [eiser] een beroep op het rechtstreeks vorderingsrecht van artikel 7:954 BW.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] primair op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] gevaarzettend gehandeld door een tapijtstripper te verhuren zonder handleiding en bijbehorende beschermingsmiddelen zoals handschoenen en de door de producent meegeleverde dikke leren/rubberen beschermhoes. Daardoor heeft [gedaagde 1] niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, aldus [eiser] . Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde 1] een gebrekkige zaak heeft verhuurd, omdat [gedaagde 1] kennelijk kracht heeft moeten zetten bij de montage van het mes, waardoor het mes door de beschermhoes bloot kwam te liggen. Doordat het mes bloot is komen te liggen heeft [eiser] letsel opgelopen. Daarom is [gedaagde 1] op grond van artikel 6:173 jo 6:181 BW aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Ten aanzien van Allianz doet [eiser] op grond van artikel 7:954 BW een beroep op een rechtstreeks vorderingsrecht.
Volgens [eiser] heeft hij als gevolg van het opgelopen letsel last van blijvende klachten zoals chronische zenuwpijn en angstklachten. Hij is vanwege de opgelopen beperkingen niet in staat om het door hem gewenste beroep uit te oefenen en heeft noodgedwongen moeten stoppen met zijn hobby kickboksen. Naast een materiële schadevergoeding vordert hij ook een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding.
3.3.
[gedaagde 1] en Nationale Nederlanden voeren verweer. Zij betwisten dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] en voeren aan dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Daarnaast betwisten zij dat sprake is geweest van zaakwaarneming. Tot slot voeren zij ook verweer tegen de hoogte en de redelijkheid van de gevorderde schade.
3.4.
[gedaagde 1] en Allianz betwisten primair de gestelde aansprakelijkheid. Subsidiair voeren zij aan dat de schade niet aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend. Meest subsidiair doen [gedaagde 1] en Allianz een beroep op eigen schuld van [eiser] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ten aanzien van [gedaagde 1] /Nationale Nederlanden
4.1.
Als eerste ligt de vraag voor of [gedaagde 1] een verwijt kan worden gemaakt dat kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW).
4.2.
De vraag of de veroorzaking van schade door het in het leven roepen of laten voortbestaan van een gevaar onrechtmatig is, kan niet uitsluitend worden beantwoord aan de hand van de vraag of schade is ingetreden dan wel of sprake is van de mogelijkheid van een ongeval, maar dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval.1 Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en hoe bezwaarlijk de te nemen veiligheidsmaatregelen zijn.2Gevaarscheppend gedrag is dan ook slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Het enkele feit dat een ongeval heeft plaatsgevonden, betekent dan ook niet zonder meer dat het handelen van [gedaagde 1] gevaarzettend is geweest.
4.3.
[eiser] baseert het gestelde gevaarzettend handelen van [gedaagde 1] op een aantal verwijten, namelijk 1) het monteren van het mes op de tapijtstripper zonder over de juiste kennis te beschikken, 2) het niet dragen van de vereiste veiligheidshandschoenen, 3) het nodeloos veel kracht zetten op het mes, waardoor het mes door de mesbeschermer sneed, en, 4) het gekanteld op de grond plaatsen van de tapijtstripper waardoor [eiser] tegen het mes kon lopen.
4.4.
Op zichzelf kan een op de vloer staande gekantelde tapijtstripper een gevaarlijke situatie opleveren als het mes bloot ligt. Het gevaar heeft zich ook verwezenlijkt doordat [eiser] zich aan het mes heeft gesneden. Voor de vraag of dit ook als gevaarzettend onrechtmatig handelen aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.
4.5.
Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens kluswerkzaamheden, die door relatief onervaren klussers zijn uitgevoerd. Immers is gesteld noch gebleken dat één van hen ervaring had met een tapijtstripper en in het bijzonder met het monteren van het mes op de tapijtstripper. Bij de huur van het apparaat is een A4-tje met een handleiding meegegeven (zie onder 2.2) Dat is de enige informatie die zij hebben gekregen. [gedaagde 1] heeft de handleiding opgevolgd en de bijgeleverde mesbeschermer (zie stap 2 op de afbeelding onder 2.2) op het mes geplaatst, alvorens hij het mes heeft gemonteerd. Bij het monteren van het mes ging het fout doordat de mesbeschermer kapot ging. Of [gedaagde 1] daarbij teveel druk heeft gezet waardoor de mesbeschermer kapot ging, staat niet vast. De rechtbank acht dit ook niet relevant omdat dit, gelet op het feit dat het hier om een relatief onervaren klusser gaat en de handleiding geen informatie geeft over de hoeveelheid druk die nodig is om het mes te plaatsen, geen verwijt is dat [gedaagde 1] kan worden gemaakt. Het niet dragen van handschoenen is weliswaar in strijd met de instructie uit de handleiding, maar daarvan kan niet worden gezegd dat dit in strijd is met een norm die een derde, in dit geval [eiser] , moet beschermen tegen de schade die [eiser] heeft geleden. Immers ziet de instructie tot het dragen van handschoenen op de bescherming van de veiligheid van degene die het mes moet monteren en niet op de veiligheid van de andere aanwezigen. Wat betreft het gekanteld op de grond plaatsen van de tapijtstripper heeft te gelden dat de handleiding geen instructie geeft over hoe de tapijtstripper veilig moet worden geplaatst bij het monteren van het mes.
4.6.
Het bovenstaande kan anders liggen indien de mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel door een ander als gevolg van de keuzes die [gedaagde 1] heeft gemaakt zo groot is dat [gedaagde 1] zich van zijn wijze van monteren had moeten onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde 1] geen rekening hoeven te houden met de kans dat bij het plaatsen van het mes de door hem geplaatste (meegeleverde) mesbescherming het niet zou houden, waardoor het mes bloot zou komen te liggen en een gevaarlijke situatie op zou leveren voor anderen die zich op dat moment niet in de buurt van de tapijtstripper bevonden en zich ook niet bezighielden met de tapijtstripper. De mate van waarschijnlijkheid van het scenario dat heeft plaatsgevonden acht de rechtbank zodanig klein dat [gedaagde 1] niet kan worden verweten dat hij andere keuzes had moeten maken omdat zijn keuzes voorzienbaar gevaarlijk zijn geweest.
4.7.
De rechtbank komt tot de conclusie dat sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden die niet leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor de door [eiser] geleden schade op grond van onrechtmatige daad.
4.8.
Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde 1] gehouden is de door [eiser] geleden schade te vergoeden op grond van zaakwaarneming (artikel 6:198 jo 6:200 BW).
4.9.
De rechtbank volgt [gedaagde 1] niet in zijn verweer dat zijn belang niet kan zijn behartigd, omdat op dat moment hem het ongeval (het snijden in zijn hand door het mes van de tapijtstripper) al was overkomen. Immers ziet de gestelde belangenbehartiging door [eiser] niet op het voorkomen van het ongeval, maar op het te hulp schieten om de (niet betwiste hevige) bloeding te stelpen.
4.10.
Voor zaakwaarneming is nodig dat sprake is van de wil en de bedoeling om zich in te laten met de behartiging van het belang van een ander (artikel 6:198 BW). [eiser] stelt dat hij gewond is geraakt toen hij [gedaagde 1] te hulp wilde schieten door handdoeken te halen uit de keuken. [gedaagde 1] betwist dit en voert aan dat [betrokkene 1] handdoeken heeft gehaald en dat [eiser] gewond is geraakt toen hij kwam kijken wat er aan de hand was.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat er in het dossier wisselende verklaringen zitten over wie [gedaagde 1] te hulp is geschoten (of te hulp heeft willen schieten) met handdoeken om het bloeden te stelpen. Of [eiser] nu wel of niet de (geobjectiveerde) bedoeling heeft gehad om [gedaagde 1] te hulp te schieten kan echter in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank wordt, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:200 BW dat het belang van [gedaagde 1] naar behoren is behartigd. Het gaat dan om de wijze waarop de gestelde zaakwaarneming is uitgevoerd en niet om de vraag of [gedaagde 1] uiteindelijk wel of niet is gebaat bij de zaakwaarneming. Gesteld noch gebleken is dat, als [eiser] inderdaad onderweg zou zijn geweest naar de keuken om handdoeken te halen om het bloeden van [gedaagde 1] te stelpen, er voor hem geen andere mogelijkheid was dan zodanig in de buurt van de tapijtstripper te komen dat hij zich daaraan zou verwonden tijdens de zaakwaarneming. De schade is aan te merken als een onredelijk en in de gegeven omstandigheden niet te verwachten opgelopen schade. Hoewel de wetgever de mogelijkheid heeft opengelaten dat een belanghebbende ook een vergoeding verschuldigd kan zijn ter zake van letsel opgelopen door de zaakwaarnemer, heeft daarbij te gelden dat dit slechts in uitzonderlijke gevallen als redelijk wordt geacht. Daarbij is gedacht aan het geval van een reddingspoging waarbij de zaakwaarnemer wordt verwond of overlijdt.3 Daarmee valt het onderhavige geval niet te vergelijken, nu het voor het uitvoeren van de gestelde zaakwaarneming niet nodig was dat [eiser] zich in een gevaarlijke situatie zou gaan begeven. Dit betekent dat voor [gedaagde 1] geen verbintenis uit zaakwaarneming kan worden vastgesteld.
4.12.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vorderingen jegens [gedaagde 1] en Nationale Nederlanden als schadeverzekeraar van [gedaagde 1] zullen worden afgewezen.
Ten aanzien van [gedaagde 1] en Allianz
4.13.
Als eerste ligt de vraag voor of [gedaagde 1] onrechtmatig gevaarzettend heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). [eiser] stelt dat dit zo is, omdat [gedaagde 1] een tapijtstripper aan een particulier heeft verhuurd zonder de bijbehorende handschoenen, handleiding en dikke lederen/rubberen beschermhoes. [gedaagde 1] en Allianz betwisten dat sprake is geweest van gevaarzettend handelen.
4.14.
[gedaagde 1] verhuurt als professionele partij machines aan particulieren. Dit zijn veelal onervaren gebruikers. De machine waar het hier om gaat, heeft een scherp mes en kan daarom worden aangeduid als een gevaarlijke machine in die zin dat het zonder beschermingsmiddelen een bijzonder gevaar voor personen kan opleveren. Het is aan [gedaagde 1] om ervoor te zorgen dat voldoende indringend wordt gewaarschuwd voor het gevaar dat de machine kan opleveren, om te wijzen op de noodzaak van het gebruik van de bij de machine horende beschermingsmiddelen en om duidelijke instructies te geven ter voorkoming van letsel.
4.15.
Het verweer van [gedaagde 1] en Allianz dat in het geheel geen sprake kan zijn van een geschonden norm die strekt tot bescherming tegen de schade zoals [eiser] die heeft geleden, omdat hij geen gebruiker was van de tapijtstripper, (artikel 6:163 BW) gaat niet op. Een aantal van de maatregelen kunnen ook zien op bescherming van derden die op een andere wijze dan bij gebruik in aanraking kunnen komen met de tapijtstripper. Wat betreft de handschoenen heeft te gelden dat dit een veiligheidsinstructie is die alleen ziet op de bescherming van de gebruiker. Voor zover op [gedaagde 1] een verplichting zou rusten tot het verstrekken van handschoenen bij de verhuur van de tapijtstripper, hetgeen hier door [gedaagde 1] wordt betwist, geldt dan ook dat het niet verstrekken van de handschoenen niet een verwijt is dat kan leiden tot een verplichting tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade.
4.16.
[gedaagde 1] en Allianz hebben onweersproken aangevoerd dat [gedaagde 1] een eigen handleiding heeft verstrekt, de handleiding waarvan onder 2.2 een afbeelding van de gebruiksinstructie is opgenomen. In deze handleiding is opgenomen hoe het mes moet worden gemonteerd. Daarbij is echter niet opgenomen hoe de tapijtstripper moet worden geplaatst bij het monteren van het mes. [gedaagde 1] heeft de tapijtstripper op de grond gekanteld, waardoor het mes ongeveer op beenhoogte is komen te liggen. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] een instructievideo op internet heeft gezet waarin onder meer is te zien hoe het mes moet worden gemonteerd. In deze video is te zien dat de tapijtstripper op tafel wordt gezet, zodat het mes ‘plat’ gemonteerd kan worden en de tapijtstripper dus niet ‘op zijn kop’ hoeft te worden gezet om het mes te kunnen monteren. Desgevraagd heeft [gedaagde 1] ter zitting verklaard dat zij huurders van de tapijtstripper niet wijst op het bestaan van deze instructievideo. De stelling van [gedaagde 1] dat huurders zelf actief op zoek moeten gaan naar informatie omtrent de veiligheid van het gebruik van de tapijtstripper gaat eraan voorbij dat op [gedaagde 1] als verhuurder van een potentieel gevaarlijke machine wel een verplichting rust om voldoende te informeren en te waarschuwen voor een veilig gebruik van het gehuurde. Dit betekent dat van [gedaagde 1] mag worden verwacht dat zij, nu in de gegeven handleiding niets staat over hoe de tapijtstripper moet worden geplaatst bij de montage van het mes, terwijl dit informatie is die kan bijdragen aan de veiligheid van zowel de gebruiker als de in de buurt zijnde derden, bij verhuur indringend wijst op het bestaan van de instructievideo.
4.17.
Wat betreft de lederen mesbeschermer geldt het volgende. [gedaagde 1] betwist dat de lederen hoes vanuit de producent aan haar is geleverd. De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij. In het rapport van Dekra is opgenomen dat de tapijtstripper van de fabriek af wordt geleverd met een toolkit (zie de afbeelding onder 2.10) met twee verschillende mesbeschermers, namelijk een smalle kunststof mesbeschermer en een lederen mesbeschermer. Daarnaast is ter zitting vast komen te staan dat op de instructievideo van [gedaagde 1] is te zien dat gebruik wordt gemaakt van een dikkere mesbeschermer, de lederen mesbeschermer die Dekra bedoelt. Daarmee is vast komen te staan dat [gedaagde 1] bekend is met het bestaan van een andere mesbeschermer dan de smalle kunststof mesbeschermer. Het is dan aan [gedaagde 1] om te controleren of zij bij de verhuur van de tapijtstripper alle daarbij horende veiligheidsmaterialen meegeeft.
4.18.
[gedaagde 1] heeft de gebruikers van de tapijtstripper niet actief gewezen op het bestaan van een instructievideo, terwijl zij evenmin de noodzakelijke veiligheidsinstructie ten aanzien van het plaatsen van de tapijtstripper op een tafel tijdens de montage in de door haar verstrekte handleiding heeft opgenomen en er ook niet voor heeft zorggedragen dat naast de smalle kunststof mesbeschermer ook de lederen mesbeschermer bij de tapijtstripper wordt meegegeven. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan haar verplichting om ervoor te zorgen dat voldoende veiligheidsmaatregelen in acht worden genomen voor het gebruik (in dit geval de montage) van de door haar verhuurde tapijtstripper.
4.19.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit gevaarzettend handelen van [gedaagde 1] ook geleid tot het letsel van [eiser] . Het letsel is immers ontstaan doordat [eiser] in aanraking is gekomen met het mes van de tapijtstripper terwijl de meegeleverde kunststof mesbeschermer niet voldeed (die was gescheurd) waardoor het mes bloot was komen te liggen. Met het rapport van Dekra heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat het mes na enige druk bij het monteren eerder door de zachte kunststof mesbeschermer zou glijden dan door een lederen mesbeschermer. [gedaagde 1] en Allianz hebben onvoldoende weersproken dat in het geval de lederen mesbeschermer zou zijn geleverd en gebruikt het mes niet bloot was komen te liggen en [eiser] zich daar niet aan had gesneden. Het ontbreken van een instructie hoe de tapijtstripper moet worden neergezet (dus niet op de grond of gekanteld, maar op een tafel) bij het monteren van het mes en het ontbreken van de lederen mesbeschermer hebben er ook toe geleid dat [eiser] letsel heeft opgelopen.
4.20.
[gedaagde 1] en Allianz betwisten dat schade van [eiser] aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend, omdat [eiser] zelf tegen het mes is aangelopen toen hij hulp wilde bieden aan een gebruiker van de tapijtstripper die zich niet aan de veiligheidsinstructies heeft gehouden en daardoor een gevaarzettende situatie heeft laten ontstaan.
4.21.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6:98 BW slechts die schade voor vergoeding in aanmerking komt die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Het feit dat het hier gaat om een aansprakelijkheid die is gebaseerd op schuld, waarbij [gedaagde 1] een schending van een veiligheidsnorm kan worden verweten, welke schending tot letselschade heeft geleid, zorgt er voor dat de rechtbank toerekening van de schade gerechtvaardigd acht. Voor het geval [gedaagde 1] en Allianz hebben willen betogen dat sprake is van een geringe mate van voorzienbaarheid oordeelt de rechtbank dat dit, gelet op het feit dat de veiligheidsnormen ook zien op derden die op een andere manier in aanraking kunnen komen met de tapijtstripper, het oordeel niet anders maakt. Voor het overige heeft te gelden dat de stellingen van [gedaagde 1] en Allianz horen bij het nog te bespreken beroep op eigen schuld.
4.22.
[eiser] heeft de gestelde schade in een schadestaat (productie 10) uiteengezet en deze voorzien van een aantal stukken ter onderbouwing. Het bedrag van € 8.075,14 aan materiële schade bestaat uit schade aan kleding, medische kosten, reiskosten, verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp, verzorgingskosten en parkeerkosten. [gedaagde 1] en Allianz hebben geen verweer gevoerd tegen deze schadeposten noch tegen de hoogte daarvan, zodat de rechtbank vaststelt dat dit de materiële schade is die [eiser] heeft geleden als gevolg van het ongeval.
4.23.
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 9.216,06 geldt het volgende. Het overzicht aan buitengerechtelijke kosten ziet volgens [eiser] op kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden jegens zowel [gedaagde 1] /Nationale Nederlanden als [gedaagde 1] /Allianz. Nu de vorderingen jegens [gedaagde 1] en Nationale Nederlanden worden afgewezen, kan [eiser] alleen nog aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten die zij jegens [gedaagde 1] en Allianz heeft gemaakt. Van een aantal in het overzicht van buitengerechtelijke kosten opgenomen posten kan worden gezegd dat deze ook zouden zijn gemaakt als [eiser] de procedure alleen tegen [gedaagde 1] en Allianz zou hebben gevoerd. Dit betreffen de volgende kosten: € 3.146,00 aan kosten expertise Dekra,
€ 872,56 aan kosten medische informatie en medisch adviseur en € 225,00 aan kosten voor het opstellen van de schadestaat. In totaal komt dit uit op een bedrag van € 4.243,56. Resteert een bedrag van € 4.972,50 aan buitengerechtelijke kosten. Nu [eiser] deze kosten niet heeft opgesplitst naar aansprakelijke partij, ziet de rechtbank aanleiding om van deze kosten de helft toe te wijzen, zijnde een bedrag van € 2.486,25. In totaal begroot de rechtbank de buitengerechtelijke kosten op een bedrag van € 6.729,81.
4.24.
[eiser] vordert een smartengeldvergoeding van € 7.500,00. Hij stelt dat bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld zijn leeftijd (hij was 21 ten tijde van het ongeval), de blijvende chronische pijnklachten en het voorgoed moeten opgeven van zijn hobby kickboksen moeten worden meegewogen. Daarnaast heeft hij een praktische opleiding gedaan en is hij als gevolg van het ongeval beperkt in de beroepen die hij kan uitoefenen, aldus [eiser] .
4.25.
Bij de begroting van een naar billijkheid toe te kennen immateriële schadevergoeding van artikel 6:106 lid 1 sub b BW moet de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de smartengeldvergoeding in het bijzonder bepalend is de aard, de ernst en de duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechtbank zal voor de bepaling van de hoogte van het bedrag de gevalsvergelijking toepassen aan de hand van ‘de Rotterdamse Schaal’. Meer specifiek is uitgegaan van de categorie 5.13. sub f (iii) ‘gering beenletsel’ à € 2.675,00 tot € 4.000,00. Niet in geschil is dat [eiser] als gevolg van het ongeval een forse snijwond in zijn been heeft opgelopen en dat hij blijvende klachten en beperkingen ervaart die invloed hebben op het door hem uit te oefenen beroep, nu hij meer theoretisch werk moet doen, terwijl hij stelt juist meer praktisch te zijn aangelegd. Naast deze omstandigheden acht de rechtbank mede de leeftijd van [eiser] een bepalende factor die ervoor zorgt dat een bedrag van € 4.000,00 passend wordt geacht.
4.26.
[eiser] heeft nagelaten in zijn schadebegroting rekening te houden met het reeds betaalde voorschot van Allianz van € 3.500,00. Dit betekent dat dit bedrag nog in mindering moet worden gebracht op het totaal van de hierboven genoemde schadeposten. De totale schade komt uit op een bedrag van € 15.304,95 (€ 8.075,14 + € 6.729,81 + € 4.000,00 - € 3.500,00).
4.27.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door [gedaagde 1] en Allianz aangevoerde omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Bij het beroep op eigen schuld benadrukken [gedaagde 1] en Allianz dat [eiser] zelf onvoldoende oplettend is geweest toen hij [gedaagde 1] te hulp schoot. Volgens hen wist [eiser] dat het handletsel van [gedaagde 1] het gevolg was van het gebruik van de tapijtstripper of had hij dat kunnen weten, maar is hij toch achteruit in het mes gelopen, zonder acht te slaan op de tapijtstripper. Daarbij miskennen [gedaagde 1] en Allianz dat voorstelbaar is dat sprake is geweest van een chaotische situatie waarin [eiser] reageert op de heftige bloeding die bij [gedaagde 1] is ontstaan, waardoor enige onoplettendheid [eiser] niet kan worden verweten. [eiser] kon ook niet weten dat het mes zich op kuithoogte bevond. Zelfs als het handelen van [eiser] als een te verwijten gedraging zou kunnen worden aangemerkt, dan heeft te gelden dat de ernst van de gedraging van [eiser] zoveel geringer is in verhouding tot de ernst van de gedragingen van [gedaagde 1] (namelijk het schenden van een veiligheidsnorm), dat de billijkheid in dat geval zou eisen dat de schadevergoedingsplicht van [gedaagde 1] (en Allianz als haar verzekeraar) geheel in stand zou blijven, nu immers vast staat dat het ongeval tot een diepe snee heeft geleid waarvoor een operatie noodzakelijk is geweest en het herstel enige tijd heeft geduurd.
4.28.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] op grond van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW) aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden schade van in totaal € 15.304,95. Op grond van artikel 7:954 BW moet Allianz als schadeverzekeraar van [gedaagde 1] dit bedrag aan [eiser] betalen, zodat de vordering onder II naast [gedaagde 1] eveneens ten aanzien van Allianz kan worden toegewezen voor het bedrag van € 15.304,95. De verzochte verklaring voor recht (de vordering onder I) kan alleen jegens [gedaagde 1] worden toegewezen.
4.29.
De vraag of sprake is geweest van een gebrek aan de tapijtstripper (de subsidiaire grondslag van artikel 6:173 jo 6:181 BW) behoeft geen bespreking meer.
4.30.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft [eiser] voor de materiële schade geen ingangsdatum gevorderd, zodat deze wordt toegewezen vanaf datum dagvaarding, dus 12 september 2024. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt ook toegewezen vanaf datum dagvaarding, nu niet gesteld of gebleken is dat het verzuim eerder is ingetreden. De wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf datum ongeval, dus 22 juni 2019.
1Zie onder meer HR 9 december 1994, LJN ZC1576, NJ 1996/403 (Zwiepende tak) en HR 12 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5784, NJ 2001, 300 (Verhuizende zussen)
2HR 5 november 1965, NJ 1966, 136, Kelderluik
3Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 796 e.v. (Asser 6IV 2023, nummer 413)
Rechtbank Gelderland 17 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10852
Met dank aan mr. P.J.A. van Kleef, DAS Rechtsbijstand, voor het attenderen op deze uitspraak
